id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070124.2 Rolnummer: 2004-0652 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 124 - laatst gezien 2026-07-02 15:13 Fiche In de regelgeving betreffende het recht op maatschappelijke integratie, al dan niet in de vorm van de uitbetaling van een leefloon, dient het begrip "bestaansmiddelen" uitgelegd te worden als : alle effectieve en potentiële bestaansmiddelen. Met potentiële bestaansmiddelen wordt bedoeld : of de inkomsten uit werk na te zijn ingegaan op een realistisch werkaanbod, of inkomsten uit leefloon door zich bereid te tonen tijdens de begeleiding naar werk toe zonder dat deze begeleiding tot een effectieve tewerkstelling heeft geleid. Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . RECHT OP BESTAANSMINIMUM . RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE OCMW - leefloon - bestaansmiddelen - begrip. Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - 14 - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Tekst van de beslissing Vierde kamer Eindarrest op tegenspraak Leefloon ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2040652 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIERENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak van: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN MECHELEN, appellant, geïntimeerde op incidenteel beroep, gevestigd te 2800 Mechelen, Lange Schipstraat 27, vertegenwoordigd door mr. D. V. H. loco mr. Th. L. (zitting van 27 september 2006) en door mr. A. B. loco mr. Th. L., advocaat te Mechelen (zitting van 29 november 2006), tegen:
- de heer D. K., eerste geïntimeerde, appellant op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. P. H., advocaat te Brasschaat, en
- mevrouw E. K., tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. P. H., advocaat te Brasschaat. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 3 november 2004, 28 september 2005, 1 februari 2006, 3 mei 2006, 27 september 2006, 15 november 2006, 29 november 2006 en 13 december
- Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: x het eensluidend verklaard afschrift van het tussenvonnis, op 4 februari 2004 uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen; x het eensluidend verklaard afschrift van het eindvonnis, op 8 september 2004 uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen, overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, Ger. W., aan het O.C.M.W. van Mechelen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 13 september 2004; x het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 13 oktober 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 14 oktober 2004; x de conclusies voor het echtpaar K.-K., per fax ontvangen ter griffie van dit hof op 7 januari 2005; x de conclusies voor het O.C.M.W. van Mechelen, neergelegd ter griffie van dit hof op 25 februari 2005; x de aanvullende syntheseconclusies voor het O.C.M.W. van Mechelen, ontvangen ter griffie van dit hof op 2 februari 2006; x de conclusies voor het echtpaar K.-K., ontvangen ter griffie van dit hof op 19 juli 2006; x de syntheseconclusies voor het O.C.M.W. van Mechelen, ontvangen ter griffie van dit hof op 6 september 2006; x het afschrift van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 13 december 2006, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 767, ,§3, eerste lid, Ger. W., aan partijen ter kennis gebracht op 14 december
- Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 27 september 2006 en 29 november
- Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 13 oktober 2004, tekende het O.C.M.W. van Mechelen hoger beroep aan tegen een (eind)vonnis van 8 september 2004 (A.R. 82.287) van de arbeidsrechtbank te Mechelen. De machtiging daartoe werd verleend door de raad voor maatschappelijk welzijn op 27 oktober
- Het vonnis werd aan het O.C.M.W. van Mechelen ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, Ger. W., bij gerechtsbrief op 13 september
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. D. K. tekende bij conclusies van 7 januari 2005 incidenteel beroep aan tegen het tussenvonnis van 4 februari 2004, waarbij in zijnen hoofde de afschaffing van het leefloon werd bevestigd. Het O.C.M.W. van Mechelen tekende enkel hoger beroep aan tegen het eindvonnis, dat betrekking heeft op echtgenote E. K., en niet tegen het tussenvonnis dat handelt over de afschaffing van het leefloon van D. K. Alhoewel D. K. wèl, zij het bij vergissing, werd opgeroepen in de procedure in hoger beroep, wordt vastgesteld dat tegen hem door het O.C.M.W. geen hoofdberoep ingesteld werd. D. K. is dan ook niet te beschouwen als gedaagde in hoger beroep en kan derhalve tegen het definitief geworden tussenvonnis van 4 februari 2004 geen incidenteel beroep instellen. Het hoofdberoep is ten opzichte van D. K. niet toelaatbaar. Het incidenteel beroep is eveneens niet toelaatbaar.
- Feiten en voorafgaande procedure E. K., haar echtgenoot D. K. en hun zeven kinderen kwamen vanuit Turkije naar België in 1987 en werden van dan af ononderbroken gesteund door het O.C.M.W. van Mechelen. Het gezin bewoont een eigendom. Reeds vanaf 1994 werden door het O.C.M.W. pogingen ondernomen om D. K. naar de arbeidsmarkt toe te begeleiden, maar, tot op heden, zonder enig resultaat. Hij hield telkens voor arbeidsongeschikt te zijn. In 1992 deed hij een aanvraag om tegemoetkoming als mindervalide. Deze werd geweigerd. In oktober 2002 werd hem een concrete tewerkstelling als schilder voorgesteld. Hij weigerde de betrekking. De controlearts bevond D. K. arbeidsgeschikt. Het bijzonder comité voor sociale zaken besliste op 3 december 2002, ten aanzien van D. K., het recht op leefloon voor alleenstaande personen stop te zetten vanaf 1 december 2002, daar hij niet werkbereid was, en, ten aanzien van E. K., een leefloon categorie samenwonende personen ten bedrage van 4 669,28 EUR per jaar toe te kennen vanaf 1 oktober
- Deze beslissingen werden aangetekend ter kennis gebracht op 20 december
- Het echtpaar K.-K. tekende hiertegen verhaal aan bij de arbeidsrechtbank te Mechelen met een verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie op 7 februari
- Bij tussenvonnis van 4 februari 2004 werd de vordering van D. K. ontvankelijk, doch ongegrond verklaard en de beslissing in kwestie van het bijzonder comité voor sociale zaken van 3 december 2002 bevestigd; de vordering van E. K. werd ontvankelijk verklaard en ambtshalve werd de heropening der debatten bevolen teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen aangaande het arrest nr. 5/2004 van 14 januari 2004 van het Arbitragehof en de gevolgen ervan voor de voorliggende zaak. In hun eindvonnis van 8 september 2004 verklaarden de eerste rechters de vordering van E. K. gegrond in de volgende mate: ze vernietigden de bestreden beslissing van het bijzonder comité voor sociale zaken van 3 december 2002 en, opnieuw recht doende, zegden voor recht dat E. K. met ingang van 1 december 2002 gerechtigd was op het leefloon als persoon met kinderlast en samenwonend met één of meerdere personen; het O.C.M.W. van Mechelen werd veroordeeld tot betaling aan E. K. van de ingevolge voormelde vernietiging verschuldigde uitkeringen. Het O.C.M.W. van Mechelen stelde tegen dit vonnis hoger beroep in met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 13 oktober
- D. K. tekende incidenteel beroep aan bij conclusies van 7 januari 2005, dat, zoals hierboven verklaard, niet toelaatbaar is. Ondanks het feit dat vier van de kinderen intussen meerderjarig zijn en het jongste kind reeds schoolplichtig is, terwijl de echtgenoot niet uit werken gaat en gemakkelijk de zorg van de kinderen op zich kan nemen, werd E. K. door het O.C.M.W. vrijgesteld van werkbereidheid wegens de zorg om die kinderen.
- Eisen in hoger beroep Het O.C.M.W. van Mechelen vordert het hoofdberoep ontvankelijk en gegrond te verklaren en de oorspronkelijke vordering van het echtpaar K.-K. ongegrond te verklaren; het incidenteel beroep van D. K. onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. Het echtpaar K.-K. vraagt het hoofdberoep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. Recht doende op het incidenteel beroep, dit ontvankelijk en gegrond te verklaren en het tussenvonnis van 4 februari 2004 te vernietigen in zoverre dit de beslissing van het O.C.M.W. van Mechelen betreffende D. K. bevestigde; opnieuw recht doende, deze beslissing te vernietigen en voor recht te zeggen dat het O.C.M.W. van Mechelen hem een leefloon dient te betalen gelijk aan het leefloon voor samenwonenden ten bedrage van 4 669,28 EUR per jaar met ingang van 1 december 2002; ondergeschikt, alvorens recht te doen, een geneesheer-deskundige aan te stellen om advies te geven over de arbeidsmogelijkheden van D. K.; het arrest uitvoerbaar te verklaren, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling, noch kantonnement.
- Ten gronde 4.
- Het hof is enkel gevat omtrent de vraag onder welke in artikel 14, ,§1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie voorziene categorie leefloon E. K. valt met ingang van 1 december
- Het recht zelf op leefloon in hoofde van E. K. staat niet ter discussie. Volgens het O.C.M.W. van Mechelen kan E. K. enkel aanspraak maken op een leefloon als samenwonende, terwijl de eerste rechters en E. K. van oordeel zijn dat haar een leefloon als "persoon met kinderlast en samenwonend met één of meerdere personen" toekomt. Samen met het openbaar ministerie is het hof van mening dat aan E. K. nooit meer dan het bedrag van samenwonende kon of kan worden toegewezen vanaf 1 december
- Op het geschil zijn in de tijd drie verschillende regelingen van toepassing met betrekking tot het toe te kennen bedrag: x het oorspronkelijk artikel 14, ,§1, van de wet van 26 mei 2002 x het "nood-K.B." van 1 maart 2004 x de huidige tekst van artikel 14, ,§
- 4.
- Artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie luidde eerst als volgt: ",§
- Het leefloon bedraagt jaarlijks :
- 4 400 EUR voor elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont. Onder samenwoning wordt verstaan het onder hetzelfde dak wonen van personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzake lijk gemeenschappelijk regelen;
- 6 600 EUR voor een alleenstaand persoon;
- 7 700 EUR voor : - een alleenstaand persoon die onderhoudsuitkeringen verschuldigd is ten aanzien van zijn kinderen, op grond van hetzij een rechterlijke beslissing, hetzij een notariële akte in het kader van een procedure tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed door onderlinge toestemming en die het bewijs van de betaling hiervan levert; - een alleenstaand persoon die voor de helft van de tijd uitsluitend hetzij een minderjarig ongehuwd kind dat hij te zijnen laste heeft gedurende deze periode huisvest, hetzij meerdere kinderen huisvest, onder wie minstens één ongehuwde minderjarige die hij te zijnen laste heeft gedurende deze periode, in het kader van een afwisselend verblijf, vastgelegd bij gerechtelijke beslissing of bij overeenkomst, bedoeld in artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek;
- 8 800 EUR voor een één oudergezin met kinderlast. Met eenoudergezin met kinderlast wordt bedoeld de alleenstaande persoon die uitsluitend hetzij een minderjarig ongehuwd kind te zijnen laste, hetzij meer kinderen, onder wie minstens één ongehuwde minderjarige te zijnen laste huisvest. ,§
- Het bedrag van het leefloon wordt verminderd met de bestaansmid- delen van de aanvrager, berekend overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk II. ,§
- De rechthebbende op een leefloon die zijn hoedanigheid van dakloze verliest door een woonst te betrekken die hem als hoofdverblijf- plaats dient, heeft eenmaal in zijn leven recht op een verhoging ge- lijk aan één twaalfde van het jaarlijks bedrag van het leefloon, vast- gesteld in ,§ 1, eerste lid, 4°. In afwijking van het voorgaande lid, kan de Koning in de mogelijkheid voorzien de verhoging gelijk aan één twaalfde van het jaarlijkse bedrag van het leefloon, bepaald bij ,§ 1, eerste lid, 4°, in behartigenswaardige gevallen, een tweede keer toe te kennen. De Koning kan andere categorieën van personen gelijkstellen met daklozen." Het Arbitragehof oordeelde evenwel op 14 januari 2004 in zijn arrest nr. 5/2004 dat het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel werd geschonden doordat artikel 14 alle samenwonenden op dezelfde wijze behandelde zonder rekening te houden met een eventuele kinderlast. Het Hof stelde vast dat immers verschillende bedragen werden toegekend aan alleenstaanden naargelang ze kinderlast hadden of niet, terwijl dat niet het geval was voor samenwonenden. Artikel 14, ,§1, 1°, werd bijgevolg vernietigd. Hierdoor bestond de facto geen bepaling meer die een bedrag van leefloon aan samenwonenden met kinderlast toekende. 4.
- Ten einde te voorkomen dat een rechtsvacuum zou ontstaan, dat nadelig zou zijn voor de betrokken categorieën personen, werd op 1 maart 2004 een koninklijk besluit genomen dat als volgt luidde: "ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, inzonderheid op artikel 14, ,§ 1, 1° en 2°; Gelet op de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn; Gelet op de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof; Gelet op het arrest nr. 5/2004 van het Arbitragehof van14 januari 2004; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 17 februari 2004; Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 19 februari 2004; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, ,§ 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat het Arbitragehof in het arrest nr. 5/2004 van 14 januari 2004 sommige bepalingen van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie gedeeltelijk heeft vernietigd, met name artikel 14, ,§ 1, 1°, in zoverre het alle samenwonende personen op dezelfde wijze behandelt zonder rekening te houden met de kinderlast, alsook artikel 14, ,§ 1, 2°, in zoverre het de categorie van personen omvat die voor een geplaatst kind een bijdrage betalen die werd vastgesteld door de jeugdrechtbank of de administratieve overheden in het kader van de bijstand of de bescherming van de jeugd; dat het rechtsvacuüm dat ontstaan is ten gevolge van het vernietigingsarrest, dat van rechtswege uitvoerbaar is, de regering dwingt om dringend voorlopige reglementaire maatregelen te nemen; dat in deze leemte in het recht formeel enkel kan voorzien worden door een wet die in beide Kamers wordt aangenomen na een parlementaire procedure die een langere tijd in beslag zal nemen; dat intussen zonder verwijl de gevolgen van het voormelde Arbitragehof moeten verholpen worden; dat onderhavig besluit derhalve dringend genomen moet worden om de grondrechten van de betrokken personen te vrijwaren; Overwegende dat, indien de formaliteiten van artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voor dit besluit zouden gelden, voormelde continuïteit niet zou kunnen gevrijwaard worden en er gedurende enige tijd een rechtsvacuüm zou ontstaan, dat zeer nadelig zou zijn voor de betrokken categorieën van personen; Op de voordracht van Onze Minister van Maatschappelijke Integratie en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Art.
- Het leefloon bedraagt jaarlijks 8.800 EUR voor de persoon met kinderlast en samenwonend met één of meerdere personen. Dit leefloon wordt slechts toegekend aan één van de samenwonenden die onder hetzelfde dak wonen en die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen. Met persoon met kinderlast wordt bedoeld de niet-alleenstaande persoon die hetzij een minderjarig ongehuwd kind te zijnen laste, hetzij meer kinderen, onder wie minstens één ongehuwde minderjarige, te zijnen laste huisvest. Art.
- Het leefloon bedraagt jaarlijks 7.700 EUR voor een alleenstaande persoon die voor een geplaatst kind een bijdrage betaalt die de jeugdrechtbank of de administratieve overheden in het kader van de bijstand aan of de bescherming van de jeugd vaststellen en die het bewijs levert van de betaling van deze bijdrage. Art.
- ,§
- Ingeval de in artikel 1 bedoelde aanvrager gehuwd is en onder hetzelfde dak woont, of een feitelijk gezin vormt, worden alle bestaansmiddelen van de partner in aanmerking genomen, met inbegrip van het leefloon. Twee personen die als koppel samenleven vormen een feitelijk gezin. ,§
- Ingeval van samenwoning van de aanvrager bedoeld in artikel 1 met één of meer andere aanvragers van het recht op maatschappelijke integratie, wordt enkel rekening gehouden met het forfaitair quotiënt van schaalvergroting. Het forfaitair quotiënt van schaalvergroting stemt overeen met het economisch voordeel voor de samenwonenden tengevolge van de verdeling van de kosten van de lasten en de uitgaven; het bedraagt jaarlijks 4.400 EUR. ,§
- Ingeval van samenwoning van de aanvrager bedoeld in artikel 1 met één of meer personen die geen aanspraak maken op het genot van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, wordt minimum rekening gehouden met het forfaitair quotiënt van schaalvergroting en maximum met alle bestaansmiddelen van de andere samenwonenden. Art.
- De bedragen bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen. Zij schommelen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. Art.
- Voor de tenuitvoerlegging van onderhavig besluit wordt toepassing gemaakt van de regels van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie, met uitzondering van artikel
- Art.
- Onderhavig besluit treedt in werking op de dag van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het arrest nr. 5/2004 van het Arbitragehof van 14 januari
- Art.
- Onze Minister bevoegd voor Maatschappelijke Integratie is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 1 maart 2004." Door deze nieuwe regeling werden de eerste drie categorieën van artikel 14 behouden, maar de vierde categorie werd thans van alleenstaande met kinderlast uitgebreid tot de facto elke persoon met kinderlast, of deze nu samenwonend was of niet. Er werden wèl correctiemechanismen aangebracht om nieuwe ongelijkheden te voorkomen. De persoon met wie de aanvrager samenwoonde kon immers mogelijk over inkomsten beschikken. Artikel 3 van het K.B. bepaalde dat alle bestaansmiddelen van de echtgenoot/partner in aanmerking dienden te worden genomen, met inbegrip van het leefloon. Ook werd voorgeschreven dat ingeval van samenwoning van een aanvrager met kinderlast minimum rekening moest worden gehouden met het forfaitair quotiënt van schaalvergroting van 4 400,00 EUR, en maximum met alle bestaansmiddelen indien er samenwoonst was met iemand die al dan niet aanspraak maakte op maatschappelijke integratie. Hoe dan ook, deze nieuwe berekening maakt uiteindelijk cijfermatig geen verschil uit met de oorspronkelijke regeling. Het openbaar ministerie licht in zijn schriftelijk advies deze stelling toe als volgt: "Een voorbeeld kan duidelijk maken dat de uiteindelijk toestand in cijfers de facto niet verschilt maar dat de weg om er te komen anders is: Gegeven: twee partners al dan niet gehuwd en beiden aanspraak makend op maatschappelijk integratie onder vorm van leefloon zoals in casu. Oude regeling: allebei leefloon als samenwonende dus EUR 4.400 x 2= EUR 8.
- Nieuwe regeling: eerste partner EUR 8.800, tweede partner EUR 4.400; recht van de eerste partner gecorrigeerd door FQS dus aftrek EUR 4.400 zodat er uiteindelijk een gezamenlijk recht zou zijn van EUR 4.400 x 2 = EUR 8.800." 4.
- Met ingang van 1 januari 2005 werd de huidige regeling van artikel 14, zoals ingevoerd bij artikel 104 en volgende van de Programmawet van 9 juli 2004, van kracht. Deze luidt als volgt: ",§
- Het leefloon bedraagt :
- 4 400 EUR voor elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont. Onder samenwoning wordt verstaan het onder hetzelfde dak wonen van personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen;
- 6 600 EUR voor een alleenstaand persoon;
- 8 800 EUR voor een persoon die uitsluitend samenwoont met een gezin te zijnen laste. Dit recht wordt geopend van zodra er ten minste één minderjarig ongehuwd kind aanwezig is. Het dekt meteen het recht van de eventuele echtgeno(o)t(e) of levenspartner. Onder gezin ten laste wordt verstaan, de echtgenoot, de levenspartner, het ongehuwd minderjarig kind of meerdere kinderen onder wie min stens één ongehuwd minderjarig kind. De levenspartner is de persoon met wie de aanvrager een feitelijk gezin vormt. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in welke mate de echtgenoot of de levenspartner de in artikel 3 bedoelde voorwaarden moet vervullen.) ,§
- Het bedrag van het leefloon wordt verminderd met de bestaansmid- delen van de aanvrager, berekend overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk II. ,§
- De rechthebbende op een leefloon die zijn hoedanigheid van dakloze verliest door een woonst te betrekken die hem als hoofdverblijfplaats dient, heeft eenmaal in zijn leven recht op een verhoging gelijk aan één twaalfde van het jaarlijks bedrag van het leefloon, vastgesteld in (,§ 1, eerste lid, 3°). In afwijking van het voorgaande lid, kan de Koning in de mogelijkheid voorzien de verhoging gelijk aan één twaalfde van het jaarlijkse bedrag van het leefloon, bepaald bij (,§ 1, eerste lid, 3°), in behartigenswaardige gevallen, een tweede keer toe te kennen. De Koning kan andere categorieën van personen gelijkstellen met daklozen." Vooral van belang is hier de bepaling in ,§1, 3°, waar uitdrukkelijk gesteld wordt dat de toekenning aan één echtgenoot/partner meteen het recht op leefloon van de andere echtgenoot/partner dekt. Het kan dus niet zijn dat aan de ene echtgenoot/partner het leefloon aan het hoogste tarief wordt toegekend en daarnaast ook nog een leefloon als samenwonende aan de andere. Bovendien werd deze regeling door artikel 1 van het K.B. van 5 december 2004, tot wijziging van het K.B. van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie, verder verfijnd door de inlassing van een artikel 2bis, dat bepaalt: " Om aanspraak te kunnen maken op het leefloon vastgesteld in artikel 14, ,§1, eerste lid, 3°, van de wet, moet de echtgenoot of de levenspartner van de aanvrager de voorwaarden voorzien bij artikel 3, 1°, 2°, 4° en 6°, van dezelfde wet vervullen. Bovendien moet de echtgenoot of levenspartner voldoen aan de voorwaarde voorzien bij artikel 3, 5°, van de wet indien hij over eigen inkomsten beschikt die lager zijn dan het bedrag dat bepaald is in artikel 14, ,§1, eerste lid, 1°, van dezelfde wet. Deze inkomsten worden berekend overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk II van de wet." Kortom, het leefloon aan het hoogste tarief wordt enkel toegekend aan één partner (en dekt meteen de rechten van de andere), op voorwaarde dat die andere echtgenoot/partner eveneens voldoet aan de toekenningsvoorwaarden van de wet, zoals onder meer werkbereidheid, onvoldoende bestaansmiddelen, in de onmogelijkheid verkeren om bestaansmiddelen te verwerven, ... . Uit het nieuwe artikel 2bis volgt dan ook dat, wanneer de echtgenoot/partner niet voldoet aan de voorwaarden, de andere echtgenoot/partner ook niet gerechtigd kan zijn op het leefloon voorzien bij artikel 14, ,§1, 3° (het hoogste tarief), maar zal terugvallen op het leefloon als samenwonende, voorzien bij artikel 14, ,§1, 1°. 4.
- periode vanaf 27 februari 04, zijnde de datum van publicatie van het ar- rest van het Arbitragehof nr. 5/2004 van 14 januari 2004 Het hof volgt het openbaar ministerie ten volle waar dit over deze periode als volgt stelt (in de tekst bedoelt het openbaar ministerie met de woorden "eerste geïntimeerde" E. K., en niet D. K.: gemakshalve zet het hof dit recht door de naam te bezigen): "Het KB van 01/03/2004 stelt in artikel 6 dat het besluit in werking treedt de dag van de publicatie van het arrest van het Arbitragehof van 14/01/2004 in het Staatsblad. Nu deze publicatie dateert van 27/02/2004 is vanaf dan het KB van toepassing. De eerste rechter heeft aan E. K. het recht op leefloon toegekend conform artikel 1 van het KB, en dit met ingang van 01/12/
- Bovendien oordeelde de eerste rechter dat vermits D. K. geen inkomsten heeft noch enig recht op leefloon (werd immers bij tussenvonnis geweigerd gelet op gebrek aan werkbereidheid) er in toepassing van artikel 3 ,§ 2 geen rekening mocht gehouden worden met het FQS zodat het leefloon van E. K. niet ingekort mocht worden. Deze beslissing van de eerste rechter faalt op twee vlakken. Eerst en vooral op het punt van de temporele werking: artikel 6 stelt duidelijk een datum van inwerkingtreding vast: 17/02/
- Voor de periode daaraan voorafgaand kon onmogelijk leefloon toegekend worden op basis van het KB. Dit is een toepassing contra legem en kan dan ook niet gehonoreerd worden. De eerste rechter vergist zich echter ook met betrekking tot de berekening van het leefloon. Eerst en vooral dient E. K. in de regelgeving van het KB niet beschouwd te worden als samenwoner (art. 3 ,§ 2) maar als gehuwde (art. 3 ,§ 1). In geval van huwelijk dient bij de berekening rekening gehouden te worden met alle bestaansmiddelen van de partner/echtgenoot. De term bestaansmiddelen dient gelezen en geïnterpreteerd te worden in een betekenis die werkelijk zin heeft en niet zou betekenen dat de basisfilosofie van de regeling inzake maatschappelijk integratie overboord gezet zou worden. Dit is wél het geval in de interpretatie van de eerste rechter: van D. K. staat vast dat hij geen recht heeft op leefloon door zijn eigen houding: hij is manifest niet werkbereid. Hieruit afleiden dat hij dan ook geen inkomsten heeft zodat er bij de toekenning aan E. K. geen rekening mag gehouden worden met het FQS (had moeten zijn alle bestaansmiddelen - supra) ontneemt alle zin aan de basisfilosofie van de regeling van maatschappelijke integratie die er nog meer dan vroeger op gericht is om de betrokkenen door projecten van maatschappelijke integratie aan werk te helpen, minstens uit de sociale bijstand en in de sociale zekerheid. De redenering van de eerste rechter komt erop neer dat de facto één van de twee echtgenoten/partners niet meer zou moeten voldoen aan de toekenningsvoorwaarden hetgeen uiteraard de bedoeling niet kan zijn. Dat de regelgever altijd de bedoeling heeft gehad om beide partners/echtgenoten op te leggen de toekenningsvoorwaarden te vervullen moge ten overvloede blijken uit de latere inpassing van artikel 2 bis in het uitvoeringsbesluit (supra). Het begrip bestaansmiddelen van artikel 3 ,§ 1 dient dan ook geïnterpreteerd te worden als alle effectieve én potentiële bestaansmiddelen. Met potentiële bestaansmiddelen wordt in casu bedoeld: of inkomsten uit werk die D. K. had kunnen hebben indien hij zich werkbereid had getoond tijdens de begeleiding door appellant, of inkomsten uit leefloon als samenwonende indien hij zich werkbereid had getoond tijdens de begeleiding door appellant maar deze begeleiding niet tot een effectieve tewerkstelling had geleid. In casu dienen deze potentiële bestaansmiddelen dan ook minstens begroot te worden op het bedrag van het leefloon als samenwonende zodat onder het regime van het KB van 01/03/2004 E. K. recht had op het leefloon conform artikel 1 van dat KB verminderd met het potentiële leefloon als samenwoner van D. K." Het hof onderschrijft deze overwegingen en maakt ze uitdrukkelijk tot de zijne. 4.
- periode vanaf 1 januari 2005, zijnde de inwerkingtreding van de recent- ste regeling Hierover stelt het openbaar ministerie als volgt: "Vanaf 01/01/2005 is de huidige regeling van toepassing (art. 10
(4)Programmawet 09/07/2004 B.S., 15/07/2004) Zoals hoger reeds vermeld dient de aanvrager terug te vallen op het leefloon als samenwonende indien zijn echtgenoot/partner niet voldoet aan de toekenningsvoorwaarden. Dat dit het geval is moge duidelijk zijn: D. K. is tot op heden niet werkbereid. Met andere woorden vanaf 01/01/2005 is E. K. slechts gerechtigd op het leefloon conform artikel 14 ,§ 1, 1°." Het hof onderschrijft deze overwegingen en maakt ze uitdrukkelijk tot de zijne. 4.
- periode voorafgaand aan het K.B. van 1 maart 2004 Hierover stelt het openbaar ministerie als volgt: "Uit hetgeen voorafgaat, en uit de verschillende opeenvolgende regelingen blijkt duidelijk dat het steeds de bedoeling is geweest van de regelgever dat zowel de alleenstaande met kinderlast als het/de gezin/samenwonenden met kinderlast op hetzelfde basisbedrag leefloon gerechtigd zouden moeten zijn (dit was trouwens ook reeds het geval in de wetgeving betreffende het bestaansminimum). Zulke regeling was op zich volgens het Arbitragehof niet strijdig met de Grondwet. (Arb.Hof 14/01/2004, B.S., 27/02/2004, overweging B17.5). Wel strijdig was het feit dat het criterium 'kinderlast' wel aanleiding gaf tot differentiatie in het bedrag voor alleenstaanden maar niet bij de samenwonenden. Dit onderscheid is thans weggevallen doordat voor de alleenstaanden geen verschil meer bestaat tussen mét of zonder kinderlast. De kinderlast geeft thans aanleiding tot toekenning van het hoogste bedrag aan de aanvrager die samenwoont met een gezin waaronder tenminste één minderjarig kind. Het alleenstaand of samenwonend zijn (met een meerderjarige) is niet meer determinerend, wel het samenwonen met een gezin. Wat er ook van weze, vóór 27/02/2004 gold deze nieuwe regeling nog niet. Uit het arrest van het Arbitragehof blijkt echter dat de oude regeling 'juridisch-technisch' de Grondwet schond. In de toepassing van de oude 'schendende' regeling kan de rechter het arrest van het Arbitragehof niet negeren. De rechter dient de oude regeling dan ook te lezen op een manier die de bedoeling van het arrest volgt en de schending van de Grondwet ongedaan maakt. Vermits echter de door het Arbitragehof vastgestelde schending de facto louter juridisch-technisch was en niet het gevolg van de wens van de regelgever om de samenwonenden met kinderlast hetzelfde bedrag toe te kennen als een alleenstaande met kinderlast, is de toepassing van de bestaande oude regelgeving mogelijk omdat ze 'in casu' en in de feiten geen schending oplevert, de toepassing van de drie regelgevingen leveren telkens pecuniair hetzelfde op voor E. K.: x in de oude regeling: bedrag als samenwoner: EUR 4.
- x overgangs-KB: EUR 8.800 - EUR 4.400 = EUR 4.
- x huidige regeling: bedrag als samenwoner: EUR 4.
- Gelet op het feit dat telkens hetzelfde resultaat bekomen wordt, moet geoordeeld worden dat in huidige zaak met de gekende feitelijke toestand, het oude artikel 14 volledig kan toegepast worden vermits het de facto in deze zaak geen aanleiding geeft tot een toepassing die de Grondwet zou schenden." Het hof onderschrijft deze overwegingen en maakt ze uitdrukkelijk tot de zijne. Het hoger beroep is gegrond. Op die gronden, het hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht door de heer J. DEKEERSMAEKER, substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 13 december
- Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoofdberoep niet toelaatbaar ten opzichte van D. K. Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk en gegrond ten opzichte van E. K. Doet het vonnis van 8 september 2004 (A.R. 82.287) van de arbeidsrechtbank te Mechelen teniet, behalve wat de ontvankelijkheid van de vordering en de kosten betreft. Opnieuw recht doende, verklaart de oorspronkelijke vordering ongegrond en bevestigt de beslissing van het bijzonder comité voor sociale zaken van 3 december
- Verklaart het incidenteel beroep niet toelaatbaar. Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van het O.C.M.W. van Mechelen, door het echtpaar K.-K. begroot op 279,60 EUR rechtsplegingsvergoeding hoofdberoep en 279,60 EUR rechtsplegingsvergoeding incidenteel beroep, en door het hof vereffend op 145,76 EUR rechtsplegingsvergoeding hoofdberoep en nihil EUR rechtsplegingsvergoeding incidenteel beroep; de kosten van het O.C.M.W. van Mechelen worden door het hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op vierentwintig januari tweeduizend en zeven. Het hof bestond uit: mevrouw C. VERCAMMEN, kamervoorzitter, de heer R. PEETERS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, mevrouw G. SCHAMPAERT, raadsheer in sociale zaken als werknemer, de heer R. SMETS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070124.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div