id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 01 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070201.1 Rolnummer: 2003-0203 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-02-16 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-02 15:15 Fiches 1 - 2 In de wet- en regelgeving is niet opgenomen dat en op welke wijze het overlijden van de echtgenoot van de verzekerde dient te worden aangegeven. Wanneer enerzijds blijkt dat via het formulier waarin gevraagd wordt de uitkering op de rekening van een financiële instelling te storten, betrokkene zich ertoe verbonden heeft elke verandering in zijn burgerlijke stand spontaan te melden aan de RVP, en anderzijds op de maandelijkse afrekening onder de hoofding 'belangrijke onderrichtingen' te lezen staat dat het overlijden onmiddellijk aan het gemeentebestuur moet worden gemeld, dan kwijt de verzekerde zich van zijn taak indien hij aantoont dat het overlijden werd aangegeven bij het gemeentebestuur van de stad waar het overlijden plaatsvond. Betrokkene diende dus niet een nieuwe specifieke aangifte te doen bij het gemeentebestuur van zijn woonplaats. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Verjaring BURGERLIJK RECHT Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK Pensioen werknemers - terugvordering - verjaringstermijn - aangifteplicht overlijden echtgenoot - vorm Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 78 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOEN Behoud van artikel 21 van de wet van 13 juni 1966, gewijzigd bij de wet van 05 juni 1970, artikel 15 (verjaring van de terugvorderingstermijn van onverschuldigde betalingen) - terugvordering - verjaringstermijn - aangifteplicht overlijden echtgenoot - vorm Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-10-1967 - 34 - 01 ELI link Pub nr 1967102410 Nota: Gerangschikt onder I B - artikel 78 en onder VII E - artikel
- Annotaties Publicaties: SRK 2007 - - nr. 8 - blz. 491-492 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2030203 OPENBARE TERECHTZITTING VAN EEN FEBRUARI TWEE-DUIZEND EN ZEVEN In de zaak: RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN, met zetel gevestigd te 1060 Brussel, Zuidertoren, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. T. D., loco mr. R. V., advocaat te 2018 Antwerpen, tegen:
- A. T.,
- M. T.,
- C. T., gedinghervattende partijen voor F. T., overleden op 4 augustus 1999, geïntimeerden, op de zitting vertegenwoordigd door mr. M. V. T., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 7 mei 2003, 2 mei 2005 en 7 december 2006; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 28 februari 2003 (A.R. 303.141); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 24 maart 2003; - de conclusies voor appellant, ontvangen op de griffie van dit hof op 27 april 2005; - de conclusies voor geïntimeerden, neergelegd op de griffie van dit hof op 10 maart 2005; - de aanvullende conclusies voor geïntimeerden, neergelegd op de griffie van dit hof op 30 maart 2006; - de aanvullende conclusies voor appellant, neergelegd op de griffie van dit hof op 28 april
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Pensioenen (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen), de bundel van de raadsman van appellant bestaande uit rechtspraak, en de bundel van de raadsman van geïntimeerden bestaande uit 6 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 7 december
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 24 maart 2003, tekende de Rijksdienst voor Pensioenen hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 28 februari
- Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 4 maart
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging Bij beslissing van de Rijksdienst voor Pensioenen van 12 september 1974 werd aan de heer F. T. met ingang van 1 november 1973 een rustpensioen werknemer toegekend op basis van het gezinsbedrag (jaarlijks 108.590 frank - index 133,79). Op 2 december 1994 diende F. T. een aanvraag in bij de Rijksdienst voor Pensioenen om het pensioen te betalen door overschrijving op een rekening bij een financiële instelling. Op het aanvraagformulier, ondertekend door F. T. en zijn echtgenote, met name M. S., verbonden zij zich solidair en ondeelbaar "de R.V.P. spontaan in te lichten over elke gebeurtenis die het recht op uitbetaling van het pensioen kan wijzigen (bv.: wijziging in de burgerlijke stand, adreswijziging)" (zie document IV administratief dossier: Aanvraag tot betaling per overschrijving van één of meer door de R.V.P. betaalde uitkeringen die al dan niet overal ter wereld betaalbaar zijn). Mevrouw M. S., overleed op 10 oktober
- In een brief van 25 mei 1998 aan de Raad voor Uitbetalingen van de Voordelen schrijft F. T. het volgende: "Overeenkomstig uw eigen onderrichtingen (cfr. kopie in bijlage), dient het overlijden van een gerechtigde onmiddellijk aan het gemeentebestuur te worden meegedeeld, dat op zijn beurt de nodige inlichtingen aan de R.V.P. verstrekt. Ik heb mij wel degelijk één à twee weken na het overlijden van mijn echtgenote aangeboden bij de gemeentelijke diensten met de mededeling dat mijn echtgenote op 10 oktober 1996 te Nieuwpoort overleden was, en met de vraag welke formaliteiten verder dienden te worden vervuld. Hierop antwoordde de op dat moment aanwezige beambte dat ik verder niets diende te ondernemen, vermits de aangifte zou worden gedaan door de gemeente Nieuwpoort; volgens de verstrekte inlichtingen door de aanwezige beambte diende hij niets te ondernemen vermits de aangifte zou worden gedaan door de gemeente Nieuwpoort." Bij beslissing van de Rijksdienst voor Pensioenen van 30 maart 1998 werd aan F. T. met ingang van 1 november 1996, benevens de ouderdomsrente ten bedrage van 2.652 frank per jaar, een rustpensioen werknemer als alleenstaande toegekend ten bedrage van 315.587 frank. Na het overlijden van zijn echtgenote werd het rustpensioen werknemer op basis van het gezinsbedrag nog verder uitbetaald in de periode vanaf 1 november 1996 tot 31 maart
- Bij administratieve beslissing van 8 mei 1998 van de Rijksdienst voor Pensioenen werd F. T. verzocht de ten onrechte genoten pensioenbedragen ten bedrage van 112.929 frank (2.799,44 euro) terug te betalen. Bij de berekening van dit bedrag steunde de Rijksdienst voor Pensioenen zich op artikel 21, ,§3 van de wet van 13 juni 1966 hetwelk in een verjaringstermijn van 5 jaar voorziet wanneer de sommen verkregen worden hetzij door bedrieglijke handelingen of door valse of welbewuste onvolledige verklaringen, hetzij wegens het niet-afleggen van een verklaring die voorgeschreven is door een wets- of verordende bepaling of die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 8 juni 1998, tekende F. T. beroep aan tegen voormelde administratieve beslissing van 8 mei
- De heer F. T. overleed op 4 augustus 1999 en bij akte van gedinghervatting van 29 december 2000 hebben de wettelijke erfgenamen (huidige geïntimeerden) het geding hervat. Bij vonnis van de zesde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 28 februari 2003 werd: - akte genomen van de gedinghervatting van huidig geïntimeerden; - de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard; - de bestreden administratieve beslissing van 8 mei 1998 in die zin hervormd dat er niet 112.929 frank of 2.799,44 euro doch slechts 40.182 frank of 996,09 euro schuld is en dit omdat de verjaringstermijn geen vijf doch slechts zes maanden bedraagt; - voor recht gezegd dat op het bedrag van 40.182 frank of 996,09 euro het bedrag van de reeds ingevorderde inhoudingen dient in mindering te worden gebracht; - de Rijksdienst voor Pensioenen veroordeeld tot de kosten van het geding, aan de zijde van huidig geïntimeerden niet begroot. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 24 maart 2003, tekende de Rijksdienst voor Pensioenen hoger beroep aan tegen voormeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen.
- Beroepsgrieven De Rijksdienst voor Pensioenen acht zich gegriefd door het eerste vonnis en laat gelden: - dat, overeenkomstig artikel 21, ,§3, derde lid van de wet van 13 juni 1966, de verjaringstermijn 5 jaar bedraagt wanneer de onverschuldigde sommen werden verkregen wegens het niet-afleggen door de schuldenaar van een verklaring die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis; - dat wijlen F. T. op 2 december 1994 een verzoek om uitbetaling van het pensioen door overschrijving op een bankrekening bij een financiële instelling indiende en er zich hierbij toe verbond de RVP spontaan in te lichten over elke gebeurtenis die het recht op uitbetaling van het pensioen kan wijzigen; een wijziging in de burgerlijke stand wordt hierbij uitdrukkelijk als voorbeeld vermeld; - dat dergelijke specifieke verbintenis voorrang heeft op de algemene onderrichtingen die voorkomen op de afrekeningen die aan de pensioengerechtigde worden gezonden; - dat de algemene onderrichtingen bovendien enkel betrekking hebben op het overlijden van de 'gerechtigde' en niet op het overlijden van 'de echtgenote' van de gerechtigde zodat geïntimeerden zich hierop niet kunnen beroepen; - dat wijlen F. T., ondanks zijn uitdrukkelijke verbintenis daartoe, nooit aangifte heeft gedaan bij RVP van het overlijden van zijn echtgenote; een aangifte bij het gemeentebestuur kan niet gelijkgesteld worden met de verplichte melding van deze wijziging in zijn toestand aan de RVP; - dat hierbij nog dient opgemerkt dat niet wijlen F. T. aangifte heeft gedaan van het overlijden van zijn echtgenote maar wel 'derden' van wie niet bewezen wordt dat zij optraden als volmachtdragers; dat, nu deze aangifte kennelijk gebeurd is buiten de heer F. T. om, geïntimeerden zich hierop dan ook niet kunnen beroepen om te stellen dat deze zijn verbintenis zou zijn nagekomen; - dat het bovendien niet volstaat dat het gemeentebestuur op de hoogte wordt gebracht van een wijziging in de burgerlijke stand in het kader van de gebruikelijke taken van de gemeente, doch er moet uitdrukkelijk gewezen worden op het genot van een pensioen met het uitdrukkelijk verzoek de RVP in te lichten; - dat in de administratieve beslissing van 8 mei 1998 de verjaringstermijn voor de terugvordering van de onverschuldigd uitgekeerde bedragen dan ook terecht werd vastgesteld op 5 jaar.
- Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Pensioenen (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens het oorspronkelijk beroep tegen de administratieve beslissing van appellant af te wijzen; - over de kosten te oordelen als naar recht. A. T., M. T. en C. T. (geïntimeerden) vorderen: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis a quo te bevestigen in alle onderdelen; - de Rijksdienst voor Pensioenen te veroordelen tot de kosten van het geding, aan hun zijde begroot op 279,60 euro rechtsplegingsvergoeding.
- Ten gronde Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of voor de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde pensioenbedragen aan wijlen F. T. in de periode van 1 november 1996 tot 31 maart 1998 de verjaringstermijn van 6 maanden (stelling geïntimeerden en eerste rechter) dan wel de verjaringstermijn van vijf jaar (stelling appellant) van toepassing is. In toepassing van artikel 21, ,§3 van de wet van 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden (B.S., 14 juni 1966) verjaart de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde prestaties door verloop van zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is gebeurd. De termijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde sommen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of welbewuste onvolledige verklaringen. Dit geldt eveneens ten aanzien van de sommen die ten onrechte werden uitbetaald wegens het niet afleggen, door de schuldenaar, van een verklaring die is voorgeschreven door een wets- of verordenende bepaling of die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis. Er bestaat tussen partijen geen betwisting dat in voorliggend geschil geen sprake is van 'bedrieglijke handelingen of van valse of welbewuste onvolledige verklaringen'. Evenmin wordt er door appellant wetsof verordenende bepalingen aangehaald die door wijlen F. T. niet zouden zijn nageleefd. Appellant houdt wel staande dat wijlen F. T. in gebreke bleef een verklaring af te leggen die volgt 'uit een vroeger aangegane verbintenis' en hij verwijst hiervoor naar de aanvraag tot betaling per overschrijving van de pensioenbedragen op een rekening bij een financiële instelling (zie administratief dossier: dokument VI); hierbij verbond wijlen F. T. zich ertoe de Rijksdienst voor Pensioen spontaan in te lichten over elke gebeurtenis die het recht op uitbetaling van het pensioen kon wijzigen, zoals bijvoorbeeld een wijziging in de burgerlijke stand of een adreswijziging. In deze verbintenis wordt echter niet nader gespecificeerd op welke wijze deze aangifte door de pensioengerechtigde aan de R.V.P. dient te gebeuren; evenmin bevat de pensioenreglementering hierover wettelijke bepalingen, dit in tegenstelling met de wettelijk verplichte voorafgaande verklaring opgelegd aan de pensioengerechtigde bij het uitoefenen van een beroepsbezigheid (artikel 64bis van het K.B. d.d. 21.12.1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers. Bij gebreke aan een wettelijke bepaling en/of nadere instructies op voormeld formulier is het logisch dat de gerechtigde zich baseert op de belangrijke onderrichtingen die opgenomen zijn op de achterzijde van de maandelijkse afrekeningen die aan de pensioengerechtigde worden verstuurd. Overeenkomstig deze 'belangrijke onderrichtingen' dient het overlijden van de gerechtigde onmiddellijk aan het gemeentebestuur te worden meegedeeld dat op haar beurt de nodige inlichtingen verstrekt aan de Rijksdienst voor Pensioenen. Door deze belangrijke onderrichting op alle afrekeningen te vermelden mocht wijlen F. T. - op grond van de vertrouwensleer - ervan uitgaan dat door de melding aan het gemeentebestuur hij aan zijn verplichtingen had voldaan. De stelling van appellant dat de verbintenis, die wijlen F. T. heeft onderschreven op 2 december 1994, voorrang heeft op de algemene onderrichting die vermeld wordt op de afrekeningen en dat de aangifteplicht via het gemeentebestuur slechts een bijkomend controlemiddel vormt en losstaat van de eigen aangifteplicht van de gepensioneerde kan, bij gebreke aan een wettelijke grondslag, niet gevolgd worden. Uit een 'volledige' lezing van de 'belangrijke onderrichtingen' blijkt eveneens dat elke gebeurtenis die een wijziging in de burgerlijke stand veroorzaakt, zoals onder meer een echtscheiding, een huwelijk of een overlijden, onmiddellijk aan het gemeentebestuur dient te worden meegedeeld omdat deze gebeurtenissen gevolgen (kunnen) ressorteren op de toekenning en/of omvang van de pensioenuitkeringen. De belangrijke onderrichtingen zijn dus niet enkel bedoeld voor het geval de 'gerechtigde' overlijdt maar ook wanneer de 'echtgenote' van de gerechtigde overlijdt. Uit het door geïntimeerden voorgebrachte afschrift uit het register van de burgerlijke stand van de gemeente Kalmthout (stuk 3 bundel geïntimeerden: afschrift register burgerlijke stand) blijkt: - dat op 11 oktober 1996 de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Nieuwpoort een akte van overlijden heeft opgesteld na aangifte door J. A. F. R. S. en J. G. V. van het overlijden van M. S. te Nieuwpoort op 10 oktober 1996; - dat de gemeente Nieuwpoort op 14 oktober 1996 de overlijdensakte overmaakte aan de gemeente Kalmthout alwaar dit op 14 oktober 1996 werd ingeschreven in het register van de akten van overlijden. In tegenstelling met wat appellant voorhoudt wordt nergens vereist dat de aangifte van het overlijden 'persoonlijk' door de echtgenoot diende te gebeuren. Artikel 78 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de akte van overlijden wordt opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de persoon is overleden, zodra hem een overlijdensattest werd voorgelegd door een verwant van de overledene of door een derde persoon die de inlichtingen kan meedelen welke vereist zijn voor het opmaken van de voornoemde akte. Gelet op de bewezen aangifte van het overlijden van de echtgenote van wijlen F. T. bij het gemeentebestuur te Nieuwpoort en Kalmthout was de rechtsvoorganger van geïntimeerden ontslagen van zijn meldingsplicht aan de Rijksdienst voor Pensioenen; zoals beschreven in de belangrijke onderrich-tingen verstrekt immers het gemeentebestuur de nodige inlichtingen aan de Rijksdienst voor Pensioenen. Samen met de eerste rechter besluit het hof dat in de bestreden administratieve beslissing van appellant van 8 mei 1998 de verjaringstermijn voor de terugvordering van de onverschuldigd uitgekeerde bedragen ten onrechte werd vastgesteld op 5 jaar; de verjaringstermijn bedraagt in huidig geschil zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is gebeurd. Het bestreden vonnis dient te worden bevestigd in al zijn beschikkingen zodat het hoger beroep ongegrond voorkomt. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord J. Dekeersmaeker, substituut-generaal, in zijn andersluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 7 december
- De raadsman van geïntimeerden werd gehoord in zijn opmerkingen over het advies. De raadsman van appellant verklaarde geen opmerkingen te hebben over het advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken op 28 februari 2003 in de openbare terechtzitting van de zesde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 303.141). Verwijst appellant, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van geïntimeerden op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aan de zijde van de Rijksdienst voor Pensioenen worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op één februari tweeduizend en zeven door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070201.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div