← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070201.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 01 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070201.2 Rolnummer: 2004-0758 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2007-02-16 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 15:16 Fiches 1 - 2 Betrokkene was woonachtig in een lidstaat van de Unie. Cfr. artikel 36.1 Vo. 574/72 dient de pensioenaanvraag te geschieden bij het bevoegde orgaan van de 'woonstaat'. De vraag door een 'fiduciaire' namens betrokkene, bij het bevoegde orgaan van de 'woonstaat' om 'de rechten van hun cliënt te verifiëren' kan niet beschouwd worden als een aanvraag tot het bekomen van een pensioen. Het feit dat artikel 36.4 Vo. 574/72 stelt dat de aanvraag bij een orgaan van een lidstaat automatisch tot gevolg heeft dat de rechten in alle betrokken lidstaten gelijktijdig worden vastgesteld heeft niet tot gevolg dat ook de ingangsdatum dezelfde moet zijn. De vaststelling dat het recht in de woonstaat kennelijk met terugwerkende kracht kan worden toegekend heeft niet tot gevolg dat ook het Belgisch recht retroactief moet worden toegekend. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOEN Leeftijd - ingangsdatum rustpensioen - aanvraag in lidstaat - begrip Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-10-1967 - 4 - 01 ELI link Pub nr 1967102410 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN Verordening 574/72 - pensioenen - aanvraag in lidstaat - begrip - ingangsdatum Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 21-03-1972 - 36.4 - 01 Link Justel databank 19720321-01 Nota: Gerangschikt onder VII E - artikel 4 en onder IX D 4 - artikel 36.4 Annotaties Publicaties: SRK 2007 - - nr. 8 - blz. 480-481 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2040758 OPENBARE TERECHTZITTING VAN EEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: C. D. L., die woonstkeuze doet bij zijn raadsman: appellant, op de zitting vertegenwoordigd mr. Ph. B., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN, met zetel gevestigd te 1060 Brussel, Zuidertoren, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. T. D., loco mr. R. V., advocaat te 2018 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit. 1. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 12 januari 2005, 19 december 2005 en 7 december 2006; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de zesde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 26 november 2004 (A.R. 353.814 + 359.596); - de akte van hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 8 december 2004; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 12 januari 2005; - de conclusies voor appellant, per fax ontvangen op de griffie van dit hof op 8 november 2005 en per gewone post op 9 november 2005; - het verzoekschrift van appellant tot bepaling van conclusietermijnen en rechtsdag in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek, ontvangen op de griffie van dit hof op 28 februari 2006; - de beschikking van 27 maart 2006 van de raadsheer, voorzitter van de kamer, overeenkomstig artikel 747, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek; - de verbeterende beschikking van 19 juni 2006 van de raadsheer, voorzitter van de kamer, ter bepaling van een andere rechtsdag en zulks in vervanging van de rechtsdag bepaald in de beschikking van 27 maart 2006; - de syntheseconclusies voor appellant ontvangen op de griffie van dit hof op 15 september 2006. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Pensioenen (stuk 2 dossier auditoraat-generaal arbeidshof Antwerpen) en de bundel van de raadsman van C. D. L., bestaande uit 16 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 7 december 2006. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen. 2. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een akte van hoger beroep, per gewone post ontvangen op de griffie van dit hof op 8 december 2004, tekende C. D. L. hoger beroep aan tegen een vonnis uitgesproken op 26 november 2004 in de openbare terechtzitting van de zesde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, A.R. 353.814 + 359.596. Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 30 november 2004. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. 3. Feiten en voorgaande rechtspleging C. D. L. was tijdens zijn actief beroepsleven als werknemer werkzaam in België en Luxemburg en onderworpen aan de Belgische en Luxemburgse pensioenregeling. Bij beslissing van 4 juli 2002 van de Luxemburgse pensioendienst (zie stuk 8 administratief dossier: décision Caisse de Pension des Employés Privés) werd aan C. D. L. een vervroegd rustpensioen toegekend vanaf 8 juli 2001 ten bedrage van: - 652,52 euro/maand (index 590,84) van 8 juli 2001 tot 28 februari 2002; - 681,33 euro/maand (index 590,84) van 1 maart 2002 tot 31 mei 2002; - 698,37 euro/maand (index 605,61) vanaf 1 juni 2002. Bij beslissing van de Rijksdienst voor Pensioenen van 8 november 2002 (zie stuk 1 administratief dossier) werd aan C. D. L. een Belgisch rustpensioen toegekend ten bedrage van 12.380,83 euro bruto per jaar vanaf 1 februari 2002 (index 109,45). Met verzoekschrift, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 31 januari 2003, tekende C. D. L. beroep aan tegen voormelde beslissing en vorderde voormelde administratieve beslissing te vernietigen en te zeggen voor recht: - dat hij gerechtigd is op een rustpensioen vanaf 1 augustus 2001; - dat bij de berekening van het pensioen rekening moet gehouden worden met de tewerkstellingen van het jaar 1965; - dat hij voor de periode na 1995 ook als bediende dient gekwalificeerd te worden. Deze zaak werd op de griffie ingeschreven onder algemeen rolnummer 353.814. Bij beslissing van de Rijksdienst voor Pensioenen van 11 juli 2003 (zie stuk 10 administratief dossier), die de beslissing van 8 november 2002 vernietigde en verving, werd aan C. D. L. een bruto jaarlijks rustpensioen toegekend ten bedrage van 12.510,58 euro vanaf 1 februari 2002 (index 109,45). Met verzoekschrift, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 22 augustus 2003 tekende C. D. L. beroep aan tegen voormelde beslissing en vorderde: - de beslissing van 11 juli 2003 te vernietigen en te zeggen voor recht dat hij vanaf 1 augustus 2001 gerechtigd is op een rustpensioen; - de Rijksdienst voor Pensioenen te veroordelen tot betaling van de gerechtelijke intresten op de achterstallige pensioenen vanaf 29 januari 2003 tot op de dag van betaling; - de Rijksdienst voor Pensioenen te veroordelen tot de gedingkosten. Deze zaak werd ingeschreven onder algemeen rolnummer 359.596. Bij vonnis van 26 november 2004 werd, na samenvoeging van de zaken met algemeen rolnummer 353.814 en 359.596, de vorderingen ontvankelijk doch ongegrond verklaard en de administratieve beslissing van 11 juli 2003 bevestigd. De Rijksdienst voor Pensioenen werd in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek veroordeeld tot de kosten van het geding. Deze kosten werden aan de zijde van C. D. L. vereffend op 205,26 euro rechtsplegingsvergoeding. Met akte van hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 8 december 2004, tekende C. D. L. hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen. 4. Eisen in hoger beroep C. D. L. (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens de beide administratieve beslissingen van de Rijksdienst voor Pensioenen van 8 november 2002 en 11 juli 2003 te vernietigen en te zeggen voor recht dat hij vanaf 1 augustus 2001 gerechtigd is op een pensioen, minstens de Rijksdienst voor Pensioenen te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan de ontbeerde pensioen-rechten tussen 1 augustus 2001 en 1 februari 2002, voorlopig provisioneel begroot op 6.000 euro; - de Rijksdienst voor Pensioenen eveneens te veroordelen tot betaling van de gerechtelijke intresten op de toe te kennen achterstallige pensioenen of op de toe te kennen schadevergoeding, vanaf 29 januari 2003 tot op de dag der algehele betaling; - de Rijksdienst voor Pensioenen alleszins te veroordelen tot de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op 60,73 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep en 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. De Rijksdienst voor Pensioenen (geïntimeerde) vordert het hoger beroep ongegrond te verklaren en het vonnis van 26 november 2004 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen te bevestigen. 5. Ten gronde 5.1. Met betrekking tot de pensioenbeslissing van 8 november 2002. Appellant vordert in graad van hoger beroep opnieuw de vernietiging van de administratieve beslissing van 8 november 2002 waarbij hem een Belgisch rustpensioen toegekend werd ten bedrage van 12.380,83 euro bruto per jaar vanaf 1 februari 2002 (index 109,45). Overeenkomstig artikel 21bis, ,§2 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 kan de Rijksdienst de beslissing intrekken en een nieuwe beslissing nemen binnen de termijn van indiening van een verzoekschrift bij de arbeidsrechtbank of als een verzoekschrift werd ingediend, tot op de sluiting van de debatten, wanneer:

  1. a)op de ingangsdatum van het pensioen het recht door een wettelijke bepaling is gewijzigd;
  2. b)een nieuw feit of nieuwe bewijselementen die een terugslag hebben op het recht van de aanvrager tijdens het geding worden ingeroepen;
  3. c)vastgesteld wordt dat aan de beslissing een vergissing kleeft. Nadat appellant met een verzoekschrift van 31 januari 2003 een verhaal bij de arbeidsrechtbank had ingeleid tegen de beslissing van 8 november 2002 nam geïntimeerde de beslissing van 11 juli 2003, die de beslissing van 8 november 2002 vernietigde en verving. In het bestreden vonnis werd terecht vastgesteld dat de beslissing van geïntimeerde van 8 november 2002, na het instellen van het beroep en voor de sluiting der debatten, vernietigd en vervangen werd zodat het beroep tegen deze beslissing effectief zonder voorwerp is geworden. Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, ongegrond. 5.2. Met betrekking tot de pensioenbeslissing van 11 juli 2003. Bij beslissing van geïntimeerde van 11 juli 2003 werd aan appellant een rustpensioen toegekend ten bedrage van 12.510,58 euro vanaf 1 februari 2002. Appellant is van oordeel dat hij gerechtigd is op het Belgisch rustpensioen met ingang van 1 augustus 2001, minstens maakt hij aanspraak op een schadevergoeding gelijk aan de ontberende pensioenrechten tussen 1 augustus 2001 en 1 februari 2002. Overeenkomstig artikel 2, ,§1 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 gaat het rustpensioen in op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke de belanghebbende het aanvraagt en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin hij de pensioenleeftijd bereikt. Artikel 18bis van het koninklijk besluit van 21 december 1967 bepaalt dat de personen die in het buitenland verblijven hun aanvraag indienen bij een ter post aangetekende brief die rechtstreeks aan de Rijksdienst voor pensioenen wordt gericht, onverminderd echter de bepalingen van de verordeningen van de Raad van de Europese Gemeenschappen en van de wederkerigheids-overeenkomsten waarbij België partij is. Artikel 36.1 van verordening 574/72 bepaalt dat, om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens de artikelen 40 tot 51 van de verordening, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 35 van de toepassingsverordening, de aanvrager verplicht is een aanvraag tot het orgaan van de woonplaats te richten, volgens de voorschriften van de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling. Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt: - dat appellant, na zijn studie hoger onderwijs (Officier Lange Omvaart), onafgebroken werkzaam was in België van 13 augustus 1963 tot 24 januari 1966 in hoedanigheid van zeevarend officier onder Belgische vlag, van 24 januari 1966 tot 30 september 1966 als vervangingsofficier en van 1 oktober 1966 tot 30 september 1995 in hoedanigheid van voltijds bediende (stuk 4 administratief dossier: historiek beroepsloopbaan); - dat appellant vervolgens werkzaam was in Luxemburg als voltijds bediende bij N.V. Cobelfret van 1 oktober 1995 tot 31 maart 2001(stuk 4 administratief dossier: historiek beroepsloopbaan); - dat appellant vanaf 15 juni 1995 gedomicilieerd was te Bertrange (Luxemburg), aanvankelijk op het adres Rue de Leudelange, 127A en vanaf 1 maart tot 5 mei 2002 op het adres Cité Riedgen (zie stuk 14 administratief dossier: Demande en obtention de la pension de veiellesse, 6) Indications au sujet de la résidence). Aangezien appellant tot 6 mei 2002 woonachtig was te Luxemburg diende hij, in toepassing van artikel 36.1 van verordening 574/72, zijn pensioenaanvraag te richten tot het Luxemburgs pensioenorgaan volgens de voorschriften van de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling. Appellant houdt voor dat zijn pensioenaanvraag bij het Luxemburgs orgaan dateert van 2 januari 2001 terwijl volgens geïntimeerde de pensioenaanvraag dateert van 17 januari 2002. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt: - dat appellant op 17 januari 2002 bij de 'Caisse de Pensioen des Employés Privés' een aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een vervroegd rustpensioen (zie stuk 3 administratief dossier: Demande en obtention de la pension de vieillesse anticipée, door appellant ondertekend op 16 januari 2002); - dat het Luxemburgs pensioenorgaan met schrijven van 11 april 2002 aan geïntimeerde de formulieren E 202L, E 205L en E 207L bezorgde en om toezending verzocht van het de formulieren E 205 en E 210; in het formulier E 202 wordt melding gemaakt dat de pensioenaanvraag van appellant dateert van 17 januari 2002 (stuk 7 administratief dossier: schrijven Caisse de Pensioen des Employés Privés van 11 april 2002); - dat met schrijven van 8 april 2003 de 'Caisse de Pension des Employés Privés' aan geïntimeerde nogmaals een kopie van de pensioenaanvraag van appellant van 17 januari 2002 overmaakte alsmede een kopie van een brief van 2 januari 2001 uitgaande van de Fiduciaire Reuter-Wagner en gericht aan het Luxemburgs pensioenorgaan (stuk 14 administratief dossier: schrijven 8 april 2003 van de Caisse de Pensioen des Employés Privés aan Office National des Pension te Brussel). Appellant, onder verwijzing naar stuk 1 en 2 van zijn stukkenbundel, blijft tevergeefs voorhouden dat hij reeds op 2 januari 2001, minstens op 29 januari 2001, conform de Europese regelgeving een pensioenaanvraag heeft ingediend bij de 'Caisse de Pension des Employés Privés'. Immers, bij lezing van voormelde stukken stelt het hof vast: - dat stuk 1 een schrijven betreft waarbij de Fiduciaire Reuter-Wagner een vraag om inlichtingen richtte tot het Luxemburg pensioenorgaan nopens de pensioenrechten van appellant (stuk 1 bundel appellant: brief Fiduciaire Reuter-Wagner et Associés van 02.02.2001 -"Notre mandant, Monsieur DE LAET Charles, nous ayant chargé de vérifier ses droits à la pension....."); - dat stuk 2 een schrijven betreft van 29 januari 2001 uitgaande van de 'Caisse de Pension des Employés Privés' en gericht aan de Belgische pensioendienst met verzoek om toezending van het formulier E 205 B (stuk 2 bundel appellant: brief CPEP aan RVP van 29.01.2001); noch in het schrijven van 29 januari 2001 noch in de daarop volgende herinneringen (zie stukken 3 t/m 7 bundel appellant) is er sprake van een formele 'pensioenaanvraag'; - dat geïntimeerde met schrijven van 1 oktober 2001 (stuk 12 bundel appellant: brief Office national des pensions van 1.10.2001 aan C. D. L.) niet de ontvangst van een pensioenaanvraag bevestigde doch wel de ontvangst van het document E 205 zijnde een 'loopbaanoverzicht' (relevé de carrière). Het getalm van geïntimeerde bij de terugzending van het formulier E 205 B belette appellant geenszins om reeds eerder dan 17 januari 2002 een formele pensioenaanvraag in te dienen bij de 'Caisse de Pensioen des Employés Privés' te Luxemburg; de in ondergeschikte orde gestelde vordering tot schadevergoeding dient derhalve te worden afgewezen bij gebreke aan bewijs van een oorzakelijk verband tussen fout en schade. Artikel 36.4 van de verordening 574/72 bepaalt dat een aanvraag om uitkeringen die aan het orgaan van een lidstaat wordt gericht automatisch tot gevolg heeft dat de uitkeringen krachtens de wettelijke regeling van alle betrokken lidstaten aan de voorwaarden waarvan de aanvrager voldoet, gelijktijdig worden vastgesteld, behalve wanneer de aanvrager overeenkomstig artikel 44, lid 2, van de verordening wenst dat de vaststelling van de ouderdomsuitkeringen die krachtens de wettelijke regeling van één of meer lidstaten zouden zijn verkregen, wordt uitgesteld. Ten onrechte leidt appellant hieruit af dat die uitkeringen ook alle dezelfde ingangsdatum zouden moeten hebben. Artikel 49 van de verordening 1408/71 voorziet duidelijk in de mogelijkheid dat de uitkeringen verschillende ingangsdata hebben naargelang aan de voorwaarden voor het recht erop is voldaan. Zolang geen pensioenaanvraag is ingediend is niet voldaan aan één van de voorwaarden voor het recht op een Belgisch pensioen. Dat naar Luxemburgs recht een toekenning met terugwerkende kracht mogelijk is brengt niet mee dat zulks ook voor het Belgisch pensioen mogelijk wordt. Samenvattend besluit het hof dat uit de stukken van het administratief dossier duidelijk blijkt dat de pensioenaanvraag van appellant dateert van 17 januari 2002. Overeenkomstig artikel 2, ,§1 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 kan aan appellant slechts een rustpensioen toegekend worden met ingang van 1 februari 2002, zijnde de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke appellant zijn pensioenaanvraag heeft ingediend. De eerste rechter heeft dienvolgens terecht de administratieve beslissing van 11 juli 2003 bevestigd. Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord J. Dekeersmaeker, substituut-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 7 december 2006. De raadsman van appellant werd gehoord in zijn opmerkingen over het advies. De raadsman van geïntimeerde verklaarde geen opmerkingen te hebben over het advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken op 26 november 2004 in de openbare terechtzitting van de zesde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 353.814 + 359.596). Verwijst de Rijksdienst voor Pensioenen, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van C. D. L. op 58,25 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep en op 145,76 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aan de zijde van de Rijksdienst voor Pensioenen worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op één februari tweeduizend en zeven door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070201.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.