← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070205.30

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 05 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070205.30 Rolnummer: 2006-0194 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-09-22 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-02 15:15 Fiche Een desensibilisatiekuur voor allergie tegen hommelgif dient beschouwd te worden als te vergoeden geneeskundige of verplegingszorg gelet op de ruime omschrijving die slaat op alle gezondsheidszorg in het algemeen wanneer de allergie een ernstige klinische reactie is op insectenbeet in een hommelkwekerij en dan ook het gevolg is van het ongeval en de kosten nodig zijn gelet op het risico voor volgende ernstige reacties. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Algemeen Vrije woorden: geneeskundige verzorging - vergoeding - medische kosten ingevolge het ongeval - desensibilisatiekuur voor allergie - causaal verband - kosten nodig om een volgende ernstige reactie te voorkomen Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 28 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Annotaties Publicaties: SRK - - 2009, nr. 6, blz. 323-325 Tekst van de beslissing ARREST AR nr. 2060194 BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJF FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: MENSURA, voorheen ASSUBEL-APRA ARBEIDSONGEVALLEN - GEMEENSCHAPPELIJKE KAS, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 Brussel, Zaterdagplein 1, appellant, verschijnend bij mr. A. Debaene loco mr. H. Beernaert, advocaat te Antwerpen, tegen: S.D., wonende te ..., geïntimeerde, verschijnend bij de heer J. Pauwels, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie, met volmacht. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen d.d. 8 mei 2006 en 8 januari

  1. Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: - de dagvaarding uitgaande van S.D., betekend door P. De Smet, plaatsvervanger voor S. Sacré, gerechtsdeurwaarder te Koekelberg, op 16 augustus 2004 aan de gemeenschappelijke kas Assubel-Arbeidsongevallen, daarna de gemeenschappelijke kas Assubel-Apra Arbeidsongevallen en thans MENSURA; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 12 oktober 2004 van de arbeidsrechtbank te Turnhout, waarbij de vordering ontvankelijk werd verklaard, voor recht werd gezegd dat S.D. getroffen werd door een arbeidsongeval op 9 april 2004, doch alvorens ten gronde verder recht te doen een deskundige werd aangesteld, namelijk prof. dr. R. Roelandts; - het deskundig verslag van prof. dr. R. Roelandts, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 29 april 2005; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van 22 november 2005 van de arbeidsrechtbank te Turnhout (AR 79.122) en waarvan geen bewijs van betekening werd bijgebracht; - het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van appellant, ASSUBEL-APRA Arbeidsongevallen, thans MENSURA, neergelegd ter griffie van dit hof op 13 maart 2006 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief in toepassing van artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek; - de conclusie voor geïntimeerde, aangetekend verzonden en ontvangen ter griffie van dit hof op 28 maart 2006; - de conclusie voor appellant, neergelegd ter griffie van dit hof op 9 juni
  2. Gelet op de regelmatige oproeping van partijen voor de openbare terechtzitting van 8 januari 2007 overeenkomstig artikel 750, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek. De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 8 januari 2007, waarna de debatten werden gesloten en het hof de zaak in beraad nam.
  3. Ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist; het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk verklaard te worden.
  4. Feiten en voorgaanden. S.D., verder in dit arrest het "slachtoffer" genoemd, werd op 9 april 2004 getroffen door een arbeidsongeval toen zij in dienst was van interimkantoor nv Convent, waarvan de gemeenschappelijke kas Assubel-Arbeidsongevallen, daarna de gemeenschappelijke kas Assubel-Apra Arbeidsongevallen en thans MENSURA, verder in dit arrest "de wetsverzekeraar" genoemd, de arbeidsongevallenverzekeraar is. Zij was op 9 april werkzaam als uitzendkracht bij de firma Biobest te Westerlo, een hommelkwekerij. Tijdens het werk werd zij gestoken door een hommel. Het betrof reeds de 11de steek waardoor zij een allergische huidreactie kreeg die diende behandeld te worden met cortisonen. Mevrouw Devolder was arbeidsongeschikt van 9 april 2004 tot en met 30 juni
  5. De wetsverzekeraar erkende de feiten als een arbeidsongeval, doch nam de werkongeschiktheid vanaf 6 juni 2004 niet meer ten laste. Een bloedonderzoek dat daaropvolgend werd uitgevoerd, wees uit dat zij een allergie voor hommelgif had ontwikkeld. Hiervoor werd een "desensibilisatiekuur" ontwikkeld, doch de wetsverzekeraar was van oordeel deze niet te kunnen vergoeden omwille van het feit dat de allergie van het slachtoffer niet te wijten was aan een plots feit, maar aan het chronisch blootstellen in haar arbeidssituatie aan hommelsteken. De eenmalige elfde steek heeft daar niets aan veranderd, aldus de wetsverzekeraar. Aangezien partijen hierover niet tot een akkoord konden komen, werd de wetsverzekeraar bij exploot d.d. 16 augustus 2004 door het slachtoffer gedagvaard voor de arbeidsrechtbank te Turnhout. Het slachtoffer vorderde van de wetsverzekeraar de betaling van de vergoedingen voorzien in de Arbeidsongevallenwet voor de tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid van 9 april 2004 tot en met 30 juni 2004, de medische behandeling tegen haar allergie voor hommelsteken en voor een eventuele blijvende arbeidsongeschiktheid vanaf een nader te bepalen consolidatiedatum; dit alles zo nodig vast te stellen na deskundig onderzoek en de vergoedingen te berekenen op een basisloon van 26.410,73 EUR, eventueel te vermeerderen of te verminderen in de loop van het geding en te verhogen met de verwijlintresten, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Zij vorderde de voorlopige tenuitvoerlegging van het te vellen vonnis, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement. Bij tussenvonnis van de arbeidsrechtbank van Turnhout d.d. 12 oktober 2004 werd de vordering ontvankelijk verklaard, voor recht gezegd dat S.D. getroffen werd door een arbeidsongeval op 9 april 2004, en prof. dr. R. Roelandts aangesteld als geneesheer-deskundige met de gebruikelijke zending inzake arbeidsongevallen. Prof. dr. Roelandts legde zijn definitief deskundig verslag neer ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 29 april 2005 waarbij hij de zaak als volgt besprak en tot het volgende besluit kwam: "Mevrouw Devolder vertoonde geen persoonlijke of familiale aanleg voor allergische reacties (negatieve atopie) op het ogenblik dat ze in de hommelkwekerij Biobest is gaan werken. Door herhaalde hommelsteken heeft ze zich progressief gesensibiliseerd. Toen ze haar elfde hommelsteek kreeg op vrijdag 9 april 2004, ontstond op korte tijd een min of meer veralgemeende huidreactie, waarvoor een cortisonespuit nodig was. De huidletsels verdwenen op enkele dagen tijd. Sindsdien heeft patiënte niet meer gewerkt in de hommelkwekerij, omdat ze teveel angst heeft voor nieuwe hommelsteken met ernstige huidreacties. Ze kan er alleen maar verder werken wanneer een desensibilisatiekuur voor hommelgif zou gegeven worden. Een dergelijke kuur wordt niet terugbetaald door het RIZIV en zou ongeveer 1200 EUR per flacon kosten, eerst om de week en dan om de maand, gedurende de ganse tijd dat patiënte in de hommelkwekerij zou werken. Anderzijds wenst patiënte om familiale redenen niet meer voltijds te werken maar liever deeltijds, wat bij haar vroegere werkgever in de hommelkwekerij niet mogelijk is. De huidreactie die mevrouw Devolder op 9 april 2004 heeft gehad kan beschouwd worden als een arbeidsongeval. Ze is hierdoor volledig tijdelijk arbeidsongeschikt geweest van 9 april 2004 tot en met 6 juni
  6. De datum van consolidatie is 7 juni
  7. Er is geen blijvende arbeidsongeschiktheid, omdat de huidletsels verdwenen zijn zonder restletsels. De allergie die patiënte nu heeft voor hommelgif valt buiten het arbeidsongeval, omdat ze het gevolg is geweest van herhaalde beten en geen acuut feit is. De kosten van een eventuele desensibilisatiekuur vallen dan ook niet onder het arbeidsongeval. Mevrouw Devolder zal in de toekomst bijna alle beroepshandelingen min of meer normaal kunnen uitoefenen, behalve werk in een hommelkwekerij. BESLUIT Mevrouw Devolder heeft een arbeidsongeval gehad op 9 april 2004, waarvoor ze volledig tijdelijk arbeidsongeschikt is geweest van 9 april 2004 tot en met 6 juni
  8. Er is geen blijvende arbeidsongeschiktheid. De datum van consolidatie is 7 juni 2004." Met tegensprekelijk eindvonnis d.d. 22 november 2005 sloten de eerste rechters zich aan bij het advies van prof. dr. Roelandts met betrekking tot de tijdelijke arbeidsongeschiktheid en de consolidatiedatum, doch niet bij zijn advies wat de desensibilisatiekuur betrof. De arbeidsrechtbank overwoog dat de gerechtdeskundige in zijn conclusie aangaf dat de allergie die het slachtoffer ontwikkelde voor hommelgif, wel degelijk een gevolg is van herhaalde steken waarvan niet betwist wordt dat ze het gevolg zijn van de hommelsteken opgelopen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. De eerste rechters waren aldus van oordeel dat de kosten van de desensibilisatiekuur wel degelijk ten laste kwamen van de wetsverzekeraar; dat het slachtoffer langzaam een allergie ontwikkelde voor hommelgif die ten gevolge van de 11de steek acuut werd, "staat hieraan niet in de weg." Zij waren van mening dat deze kosten medische kosten zijn in de zin van artikel 28 van de Arbeidsongevallenwet. De eerste rechters verklaarden de vordering van het slachtoffer dan ook ontvankelijk en gegrond en zegden voor recht dat zij een tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 100% opliep van 9 april 2004 tot en met 7 juni 2004 ingevolge het arbeidsongeval d.d. 9 april 2004; zij veroordeelden de wetsverzekeraar tot betaling van de wettelijk voorziene vergoedingen, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten en tenslotte tot betaling van de kosten voor de desensibilisatiekuur voor de allergie tegen hommelgif. Het basisloon werd vastgesteld op 19.641,73 EUR en de wetsverzekeraar werd veroordeeld tot de kosten van het geding. De voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis werd toegestaan. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 13 maart 2006, tekende de wetsverzekeraar hoger beroep aan tegen voormeld vonnis van 22 november
  9. Eisen in hoger beroep. - MENSURA, voorheen Assubel-Apra Arbeidsongevallen - gemeenschappelijke kas, appellant, vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw rechtsprekend, te zeggen voor recht dat het arbeidsongeval op volgende basis dient vergoed te worden: o basisloon: 19.641,73 EUR; o tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid van 9 april 2004 tot en met 6 juni 2004; o datum van consolidatie: 7 juni 2004; o geen blijvende arbeidsongeschiktheid. Tenslotte vordert appellant te zeggen voor recht dat deze niet gehouden is tot betaling van de kosten van de desensibilisatiekuur voor de allergie tegen hommelgif. "Kosten als naar recht". - S.D., geïntimeerde, vordert het hoger beroep van appellant ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen in alle beschikkingen en appellant te veroordelen tot de kosten van het geding.
  10. Beoordeling. Het hoger beroep beperkt zich hoofdzakelijk tot de discussie of de desensibilisatiekuur voor de allergie tegen hommelgif al dan niet ten laste dient te worden gelegd van de wetsverzekeraar. Het feit dat S.D. op 9 april 2004 het slachtoffer werd van een arbeidsongeval wordt als dusdanig niet betwist. Tussen partijen bestaat er evenmin betwisting over de tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid (van 9 april 2004 tot en met 6 juni 2004), de consolidatiedatum (7 juni 2004), de blijvende arbeidsongeschiktheid (0%) en het basisloon (19.641,73 EUR). Overeenkomstig artikel 28 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 heeft de getroffene recht op de geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen die ingevolge het ongeval nodig zijn. Een desensibilisatiekuur voor allergie tegen hommelgif dient beschouwd te worden als "geneeskundige, heelkundige, farmaceutische of verplegingszorg" gelet op de ruime omschrijving die slaat op alle gezondheidszorg in het algemeen. Een tweede vereiste is dat deze medische kosten het gevolg zijn van het ongeval. De gerechtsdeskundige, prof. dr. R. Roelandts, vermeldt uitdrukkelijk in de bespreking van zijn deskundig verslag dat toen S.D. haar elfde hommelsteek kreeg op 9 april 2004, er op korte tijd een min of meer veralgemeende huidreactie ontstond, waarvoor een cortisonespuit nodig was. In de anamnese van het deskundig verslag wordt het volgende vermeld: "Na ongeveer 4 weken kreeg patiënte haar eerste steek, op de kin. Het was een rode vlek, zonder oedeem en jeuk, die na een paar uren terug volledig weg was. De dag nadien was er niets meer te zien. Iedereen van de werknemers wordt gestoken, en sommigen al vanaf de eerste week. In totaal zou mevrouw Devolder tien steken gehad hebben, die progressief alsmaar erger werden. Vanaf de eerste steek werd een pilletje gegeven (oa Xyzall). De reacties duurden langer en langer en werden heviger en heviger. Op vrijdag 9 april 2004, rond 14u15, kreeg ze haar elfde steek. Ze was suikerwater aan het nakijken om te zien of er nog genoeg drinken was. Het was haar ergste en laatste steek, en het was een steek op haar linker bovenarm. Zoals altijd voelde patiënte de steek onmiddellijk. Na een half uur begon progressief overal jeuk op te treden, samen met een gevoel van onwel zijn. Ongeveer een uur later verschenen jeukende papels in de nek, op de schouders en op de laterale zijden van de beide bovenbenen. Tevens was er een opflakkering van het oedeem boven, naast en onder het rechteroog dat ontstaan was rond de achtste steek. De opflakkering ontstond alhoewel patiënte op die plaats geen nieuwe steek had gekregen en een latere steek, evenmin op aangezicht, toen geen opflakkering had gegeven. Dr. J. Weyts, huisarts te Tongerlo en vaste arts van de kwekerij, werd er bijgeroepen, keek de letsels na en gaf een cortisonespuit (Solumedrol), Phenergan intramusculair en Xyzall tabletten. Hij stelde voor een week nadien bloed te laten nemen, om te zien of patiënte allergisch geworden was. Zodra iemand allergisch wordt, wordt normaal een desensibilisatie toegepast, behalve bij de interims..." Hieruit blijkt dat bij de 10 eerste steken zich geen veralgemeende allergische reactie heeft voorgedaan: het is de 11de hommelsteek die spreekwoordelijke "de druppel was die de emmer deed overlopen". Het feit dat de 10 vorige steken een sensibilisatie hebben gecreëerd bij het slachtoffer, doet niets af aan de vaststelling dat de allergie niet was ontstaan, moest er geen 11de steek geweest zijn. Het slachtoffer verwijst in dit verband naar een schrijven van prof. dr. A.M. Kochuyt d.d. 17 januari 2006 (stuk 3, inventaris geïntimeerde) alsmede een mail van deze arts d.d. 22 maart 2006 (stuk 4, inventaris geïntimeerde). Hieruit blijkt dat de 11de steek een ernstige klinische reactie heeft veroorzaakt en deze is zonder twijfel een strikte medische indicatie tot behandeling omdat het bekend is dat eens een dergelijke reactie ontstaat, het risico voor volgende ernstige reacties veel hoger ligt dan voordien. Het hof is van oordeel dat aan de hand van de medische bevindingen van prof. dr. A.M. Kochuyt, in samenlezing met de anamnese vermeld in het deskundig verslag van prof. dr. Roelandts, het slachtoffer naar genoegen van recht heeft bewezen dat er een causaal verband bestaat tussen de zogenaamde desensibilisatiekuur en het ongeval. De stelling van gerechtsdeskundige prof. dr. Roelandts waar deze vermeldt dat de allergie die getroffene nu heeft voor hommelgif, buiten het arbeidsongeval valt, komt niet overtuigend over. Het hof is uiteraard niet gebonden door het advies op dit punt van prof. dr. Roelandts. Een derde vereiste tenslotte is dat de kosten moeten nodig zijn. In de voorbereidende werken worden verschillende aanduidingen gegeven dat hier een brede interpretatie past (M.v.T, o.c., 11). Het criterium dat gehanteerd dient te worden is het mogelijk nut van de medische zorg, met het oog op het herstel van de fysische toestand die deze van vóór het ongeval zo dicht mogelijk benadert (in die zin ook: Cass., 27 april 1998, A.C., 1998, nr. 214). De vergoeding voor medische kosten is onafhankelijk van deze voor arbeidsongeschiktheid. Daarom moeten ook kosten die werden gemaakt na consolidatie worden vergoed door de wetsverzekeraar, voorzover deze kosten in causaal verband staan met het arbeidsongeval en de daarbij opgelopen letsels. Consolidatie betekent immers niet dat er geen verdere medische verzorging meer nodig zou zijn. Het hof is van oordeel dat het slachtoffer afdoend bewijst aan de hand van de verslagen van prof. dr. A.M. Kochuyt dat een desensibilisatiekuur nodig is, gelet op de ernstige klinische reactie die werd veroorzaakt door het ongeval d.d. 9 april 2004 en het risico voor volgende ernstige reacties die veel hoger liggen dan voordien. Rekening houdend met wat voorafgaat, besluit het hof, samen met de eerste rechters, dat de wetsverzekeraar gehouden is tot betaling van de kosten voor de desensibilisatiekuur voor de allergie tegen hommelgif. Het hoger beroep komt op dit punt ongegrond voor. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout d.d. 22 november 2005 (AR 79.122), met die nuancering dat S.D. ingevolge het arbeidsongeval d.d. 9 april 2004 tijdelijk volledig arbeidsongeschikt was van 9 april 2004 tot en met zes juni 2004, met consolidatie op 7 juni 2004, zonder blijvende arbeidsongeschiktheid. Verwijst appellant in de kosten van het hoger beroep, in toepassing van artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
  11. Laat de kosten aan de zijde van beide partijen onvereffend bij gebrek aan neergelegde kostenbegroting. Aldus gewezen en uitgesproken door de zevende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de buitengewone openbare terechtzitting van vijf februari tweeduizend en zeven, waar aanwezig waren: M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer, M. VAN GORP, raadsheer in sociale zaken als werkgever, L. VAN NESPEN, raadsheer in sociale zaken als werknemer, P. DEVOCHT, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070205.30 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.