← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070209.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 09 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070209.10 Rolnummer: 2006-0755 Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-10-19 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-07-02 15:18 Fiches 1 - 2 Wanneer uit de gedingsstukken niet met de rechtens vereiste zekerheid blijkt dat de representatieve werknemersorganisatie die de kandidatuur van de beschermde werknemer heeft voorgedragen in de dagvaarding is aangewezen en de dagvaarding de juiste bestemmeling heeft bereikt, is die dagvaarding in toepassing van artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek nietig. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Berechting excepties Vrije woorden: rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - beschermde werknemers - personeelsafgevaardigde - ontslag om dringende reden - voornemen te ontslaan - dagvaarding - organisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen - onjuiste vermelding - nietigheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 861 - 30 Link Justel databank 19671010-30 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden Vrije woorden: organisatie van het bedrijfsleven - ontslagregeling van de wet van 19/03/1991 - beschermde werknemers - personeelsafgevaardigde - ontslag om dringende reden - voornemen te ontslaan - dagvaarding - organisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen - onjuiste vermelding - nietigheid Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 6 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 861 en onder IV BIS C - artikel

  1. I A - IVBIS C Annotaties Publicaties: SRK 2007 - - nr. 5, blz. 293-295 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak tweede kamer Beschermde werknemer (Wet van 19.03.1991) ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2060755 OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN I.J, wonende te, appellant, vertegenwoordigd door mr., advocaat te 2230 Herselt, tegen :
  2. nv, met maatschappelijke zetel gevestigd te, eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr., advocaat te 1060 Sint - Gillis,
  3. De L. met burelen te, tweede geïntimeerde, niet verschenen, noch iemand regelmatig voor haar, Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 2 februari
  4. Gelet op het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 2 februari
  5. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 6 december 2006 gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout, bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan partijen, * het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 15 december 2006, * de beschikking d.d. 28 december 2006 overeenkomstig artikel 11 van de Wet van 19 maart 1991, * de beroepsconclusie voor de nv N., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 2 januari 2007, * de conclusie voor de heer J., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 17 januari 2007, * de syntheseconclusie voor de nv N., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 25 januari
  6. II. FEITEN EN VOORAFGAANDE PROCEDURE De heer J. is op 1 maart 1991 in dienst getreden van de nv H. met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur als bediende-verkoper. In de bijlage dd. 26 april 1999 aan bedoelde arbeidsovereenkomst werd de procedure en de werkwijze beschreven m.b.t. de persoonlijke aankopen, toestellen op proef, gebruik van winkeltoestellen. Op het ogenblik van de overname in het jaar 2000 door de nv N., hierna de nv genoemd, was de heer J. reeds als winkelmanager tewerkgesteld te Mol (cfr. zittingsblad van 2 februari 2007). In het kader van de sociale verkiezingen van 2000 werd de heer J. verkozen als plaatsvervangend lid van de ondernemingsraad. Bij de sociale verkiezingen van 2004 werd de heer J. met aangetekende brief van 17 maart 2004 door de Landelijke Bediendencentrale namens het Algemeen Christelijk Vakverbond voorgedragen als kandidaat personeelsafgevaardigde voor het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk; hij werd evenwel niet verkozen. Met aangetekende brief van 28 september 2006 stelde de nv de heer J., het Algemeen Christelijk Vakverbond en de Landelijke Bediendencentrale in kennis van het voornemen de heer J. om dringende reden te ontslaan, zoals voorzien in de Wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat - personeelsafgevaardigden, hierna kortweg Wet houdende Ontslagregeling voor Personeelsafgevaardigden genoemd. De feiten die naar het oordeel van de nv elke professionele samenwerking definitief onmogelijk maken, worden in voornoemd aangetekend schrijven als volgt omschreven: "(...) Wij werden via mail uitgaande van uw districtmanager E.T op 25 september 2006 in kennis gesteld van volgende feiten: U zou, en dit niet voor de eerste keer, gebruik gemaakt hebben van een GPS-toestel uit uw winkel en dit voor persoonlijk gebruik. Na gebruik (meestal enkele dagen) zou u dit toestel gewoon terug voor verkoop in het magazijn of de etalage terugplaatsen. U zou een GSMtoestel dat u won tijdens een interne verkoopwedstrijd verkocht hebben aan een klant in uw winkel, om het daarna via een administratieve procedure, in uw voordeel terug te nemen en een ander, hoogwaardiger toestel voor persoonlijk gebruik aan te schaffen, zodat u alleen de meerprijs zou moeten betalen. Dit toestel heeft u wel reeds geruime tijd in gebruik maar nog steeds niet betaald. Gezien de ernst van deze feiten hebben wij u op 26 september 2006 door uw Districtmanager E. T. op het hoofdkantoor in Lot laten ontbieden om 14.00 uur teneinde uw versie over de feiten te vernemen. Dit onderhoud had, behalve uzelf, plaats in aanwezigheid van de heren T. en P.. U verklaarde helemaal niet te weten waarom u zo plotseling werd ontboden. Er werd u gevraagd wat meer uitleg te geven over het gebruik van GPS en verkopen van GSM toestel Samsung. U verklaarde sporadisch een GPS toestel uit de winkel te nemen, om het voor persoonlijk gebruik aan te wenden, als u naar Lot moet komen of naar een opleiding moet gaan, daar u moeilijk landkaarten leest en bovendien op die manier het toestel beter leert kennen, zodat u de klant beter kunt adviseren bij een aankoop. U zou het nooit meer in andere omstandigheden gebruikt hebben en ook niet meer recentelijk, daar u de werking ervan voldoende kende. Geconfronteerd met het recente gebruik van dit toestel, gaf u toe een toestel uit de winkel te hebben genomen, om u naar uw osteopaat in Riemst te begeven. Wat de GSM Samsung X700 ( zie ook hieronder) betreft, bleef u nog oppervlakkiger. U beperkte zich tot de verklaring dat u een GSM had verkocht aan een klant, om hem,buiten weten van de klant, achteraf terug uit te schrijven en een andere GSM voor uzelf te kopen. Geconfronteerd met de documenten die wij u voorlegden moest u volgend verloop erkennen: u verkocht in de winkel uw GSM die u had gewonnen aan een klant, een zekere Weckx en dit gebeurde op 15 september 2006 om 17u 35'. U maakte een bestelbon op en liet de klant 199 euro betalen. De klant betaalde elektronisch (bijlagen 1 en 2). Alhoewel dit anders wel gebeurt, werd nu op de factuur niet het IMEINUMMER vermeld, zodat achteraf iedere controle onmogelijk zou worden. Ongeveer één uur later, om 18u 34', rond sluitingstijd, neemt u dat toestel zogezegd terug en annuleert u de recupelbijdrage. Tezelfdertijd reserveert u het toestel Samsung SGH-X820, waardoor u het toestel kan aankopen voor 100 euro (298,50 - 198,50).(bijlagen 3 en 4) Er wordt geen factuur opgemaakt en het toestel wordt reeds de daarop volgende dag in gebruik genomen. (u legde tijdens het onderhoud het toestel ostentatief op tafel). Toen u werd gevraagd waarom u dit toestel nog niet had betaald, antwoordde u dat het toestel wel degelijk was betaald. Opnieuw moesten wij u er op wijzen dat het toestel niet betaald was tot op het ogenblik dat uw Districtmanager u op 26 september 2006 uitnodigde voor het onderhoud om 14.00 uur. Alhoewel u geen reden werd meegedeeld voor dit onderhoud ging u plots om 11.41 uur het toestel wel betalen en maakte u een factuur op (bijlage 5 en 6). U betaalde 100 euro en maakte een factuur op voor 298.50 euro . U betaalde via bancontact. Het is duidelijk dat u onmiddellijk wist wat u boven het hoofd hing. Deze factuur evenals het betalingsbewijs overhandigde u ons spontaan tijdens het onderhoud. Van die documenten hebben wij een afschrift gemaakt. Nergens is getekend "voor ontvangst". Bovendien bevestigde u dat u aan uw medewerkers hetzelfde systeem had voorgesteld, om hen toe te laten op die manier iets anders aan te kopen. U zou dit wel regelen, maar niet voor iedereen want anders zou het opvallen!! Niemand trapte echter in de val en u stond alleen. Wij hebben u hierop meegedeeld dat alle noodzakelijke vertrouwen was verdwenen zodat wij de procedure tot toelating ontslag zouden inzetten. (...) Nadat u de firma reeds verlaten had heeft verder onderzoek nog uitgewezen dat u de verkoopprijs van uw toestel, in uw voordeel en in het nadeel van de klant, tegenover de gangbare winkelprijs met 10 euro had verhoogd. (198,5 euro ipv 188,5 euro )" (...) Op basis van alles wat vooraf gaat moeten wij besluiten dat de voornoemde feiten - op zichzelf reeds zwaarwichtig - des te ernstiger en zwaarwichtiger zijn, rekening houdend met de verantwoordelijkheid van een winkelmanager, zodat dit een verzwarende omstandigheid is in hoofde van iemand die een vertrouwensfunctie vervult. (...) Wij kunnen dan ook niet anders dan, onder voorbehoud van al onze rechten, te besluiten dat de begane feiten, die een puur bedrog zijn, beantwoorden aan de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen werkgever en werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt, zoals bedoeld in artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet, daar u door hoger genoemde tekortkomingen het noodzakelijke vertrouwen dat uw werkgever in u als winkelmanager moet kunnen stellen, zwaar heeft geschokt. (...)". Met verzoekschrift van 28 september 2006 werd de zaak aanhangig gemaakt voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Turnhout. In toepassing van artikel 5 van de Wet houdende Ontslagregeling voor Personeelsafgevaardigden werden partijen opgeroepen door de griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout om op 11 oktober 2006 afzonderlijk en in persoon te verschijnen voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Turnhout teneinde ingelicht te worden over de draagwijdte van de te volgen procedure. Op 13 oktober 2006 werden partijen opnieuw opgeroepen teneinde ze te proberen te verzoenen. Bij beschikking van 13 oktober 2006 van de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Turnhout werd geacteerd dat partijen zich niet konden verzoenen. Met dagvaarding betekend op 9 oktober 2006 aan de heer J. en aan de Landelijke bediendencentrale ACV-LBC, volgens de vormen van het kort geding en die de dringende reden vermeldt die het verzoek rechtvaardigt, werd de zaak bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Turnhout aanhangig gemaakt. Bij beschikking van 13 oktober 2006 van de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Turnhout, zetelend in kort geding, werd de zaak verwezen naar de zitting van 28 november 2006 van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout. Bij vonnis van 6 december 2006 werd de vordering van de nv toelaatbaar en gegrond verklaard; de eerste rechters zegden voor recht dat de ingeroepen feiten die betrekking hebben op de verkoop van een GSM-toestel en de aankoop van een ander GSM-toestel door de heer J. een dringende reden uitmaakt in de zin van de Wet houdende Ontslagregeling voor Personeelsafgevaardigden en elke professionele samenwerking definitief onmogelijk maakte. III. EISEN IN HOGER BEROEP Met beroepsconclusie van 17 januari 2007 vordert de heer J. het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtsprekend, de oorspronkelijke vordering van de nv niet toelaatbaar, minstens onontvankelijk en alleszins ongegrond te verklaren. Tenslotte de nv te verwijzen in de kosten van beide instanties. Met beroepsconclusie van 2 januari 2007, en herhaald bij syntheseconclusie van 25 januari 2007, vordert de nv het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en vervolgens voor recht te zeggen dat de in de brief van 28 september 2006 beschreven feiten aangenomen worden als een dringende reden die elke professionele samenwerking definitief onmogelijk maken. Tenslotte de heer J. te veroordelen tot de kosten van beide instanties. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE Onontvankelijkheid van de vordering Het staat in deze niet ter discussie dat de heer J. met aangetekende brief van 17 maart 2004 werd voorgedragen door de Landelijke Bediendencentrale (hierna LBC genoemd) namens de interprofessionele representatieve werknemersorganisatie, het Algemeen Christelijk Vakverbond ( hierna ACV genoemd) en dit ingevolge een schriftelijke volmacht van 3 december 2003 (artikel 31 van het K.B.van 15 mei 2003 betreffende de ondernemingsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk, B.S. 4 juni 2003; stuk 5 dossier nv). Het staat bijgevolg niet ter betwisting dat overeenkomstig de wettelijke bepalingen ter zake het ACV als volmachtgever de heer J. heeft voorgedragen. De heer J. doet gelden dat de nv niet de representatieve organisatie, die hem als kandidaat van de sociale verkiezingen heeft voorgedragen, heeft gedagvaard doch wel de beroepscentrale die bij deze representatieve organisatie is aangesloten of er deel van uitmaakt en besluit tot de niet toelaatbaarheid van de vordering. De omstandigheid dat voormelde exceptie van nietigheid niet wordt opgeworpen door het ACV, is zonder enige relevantie, nu de rechter bij het niet verschijnen van de verwerende partij ambtshalve zijn bevoegdheid dient na te gaan en dient te onderzoeken of de dagvaarding ontvankelijk is. Met zijn arrest van 23 april 2001 ( J.T.T. 2001, 391) heeft het Hof van Cassatie terecht bevestigd dat artikel 5, § 6 van de Wet houdende Ontslagregeling voor Personeelsafgevaardigden, dat bepaalt dat onder partijen moet worden verstaan: de werkgever, de werknemer en de organisatie die de kandidatuur van de werknemer heeft voorgedragen, van toepassing is voor de ganse procedure tot erkenning van de dringende reden. Daaruit besluit het Hof van Cassatie terecht dat de werkgever die na verloop van de onderhandelingsprocedure, bepaald bij artikel 5, § 1 van de Wet houdende Ontslagregeling voor Personeelsafgevaardigden, bij zijn voornemen blijft om een personeelsafgevaardigde om dringende reden te ontslaan, krachtens artikel 6 van de vermelde wet, de zaak moet aanhangig maken bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank volgens de vormen van het kort geding, dit wil zeggen door dagvaarding van de werknemer en de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen. De betwisting tussen partijen heeft betrekking op de vraag of de nv, naast en buiten de werknemer (de heer J.) ook de interprofessionele organisatie die de heer J. heeft voorgedragen, in casu het ACV, heeft gedagvaard. Geen enkele bepaling van de Wet van 19 maart 1991 en geen enkel ter zake toepasselijk algemeen rechtsbeginsel zijn onverenigbaar met de toepassing van de in de artikelen 860 tot 867 van het Gerechtelijk Wetboek vervatte regeling betreffende de excepties van nietigheid op het door de bestreden beschikking vastgestelde verzuim of de vastgestelde onregelmatigheid van het verzoekschrift ( Cass. 24 maart 2003, J.T.T. 2003, 365). Uit wat voorafgaat dient het arbeidshof de vermeldingen in het exploot van dagvaarding van 9 oktober 2006, volgens de vormen van het kort geding aanhangig gemaakt bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Turnhout, te toetsen aan de algemene regels van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de nietigheden (zoals vermeld in het vierde deel, boek II, titel III, hoofdstuk VII, afdeling 5 van dat wetboek). Artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter een proceshandeling alleen dan nietig kan verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt en artikel 867 van hetzelfde wetboek bepaalt dat het verzuim of de onregelmatigheid van de vorm van een proceshandeling, met inbegrip van de niet-naleving van de op straffe van nietigheid voorgeschreven termijnen, of van de vermelding van een vorm niet tot nietigheid kan leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt ofwel dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, ofwel dat die niet-vermelde vorm werkelijk in acht is genomen. Uit de libellering van de dagvaarding dd. 9 oktober 2006 blijkt dat het gedinginleidend exploot werd betekend aan " Mijnheer J. I." en " de LANDELIJKE BEDIENDENCENTRALE ACV-LBC, met zetel te 1030 SCHAARBEEK, Haachtsesteenweg 579". Anders dan de eerste rechters is het arbeidshof van oordeel dat op basis van de stukken van het dossier niet met de rechtens vereiste zekerheid kan worden besloten dat het ACV als interprofessionele representatieve werknemersorganisatie werd gedagvaard, zoals voorgeschreven overeenkomstig artikel 6 van de Wet houdende Ontslagregeling voor Personeelsafgevaardigden. Deze gerede twijfel wordt nog versterkt door de vaststelling dat het ACV niet verschijnt in het geding en evenmin enig verweer ten gronde heeft gevoerd noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, zodat daaruit mag worden afgeleid dat het ACV zich niet aangesproken voelde door vermeld exploot van betekening en van oordeel was dat het niet voor hem was bestemd. Het enkele feit dat de dagvaarding werd betekend op de hoofdzetel van het ACV is niet van aard afbreuk te doen aan bovenstaande overwegingen en vaststellingen. De omstandigheid dat een vakbondsverantwoordelijke van de beroepscentrale LBC als volmachthebber namens het ACV de kandidatenlijst heeft ingediend, is volstrekt irrelevant voor de beoordeling van de geldigheid van de dagvaarding, vermits hieruit enkel kan worden gededuceerd dat de organisatie die de heer J. heeft voorgedragen, het ACV was, niet meer en niet minder - wat overigens niet wordt betwist. Ook het feit dat de nv zowel het ACV als het LBC heeft betrokken in de "onderhandelingsfase" ( cfr. stuk 7 dossier nv), zoals voorzien bij de artikelen 4 en 5 van de Wet houdende Ontslagregeling voor Personeelsafgevaardigden, is ter zake niet dienend, nu - zoals hoger reeds aangegeven - het Hof van Cassatie terecht vereist dat de werkgever die na verloop van de bij artikel 5, § 1 van de Wet houdende Ontslagregeling voor Personeelsafgevaardigden vastgestelde onderhandelingsperiode bij zijn voornemen blijft om te ontslaan, naast de werknemer ook de organisatie die de kandidatuur van deze werknemer heeft voorgedragen, moet dagvaarden voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank volgens de vormen van het kort geding. Gelet op de niet naleving van de ter zake geldende bepalingen van de Wet houdende Ontslagregeling voor Personeelsafgevaardigden, dient het exploot van betekening van 9 oktober 2006 nietig te worden verklaard met de niet ontvankelijkheid van de vordering van de nv tot gevolg. Het hoger beroep is bijgevolg gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Verklaart het hoger beroep van de heer J. ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van 6 december 2006 van de arbeidsrechtbank te Turnhout. En opnieuw rechtsprekend. Verklaart de oorspronkelijke vordering van de nv onontvankelijk. Legt de kosten van beide instanties ten laste van de nv. Vereffent deze aan de zijde van I. J. op 109,32 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank, 60,73 EUR uitgavenvergoeding en 145,76 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Vereffent deze aan de zijde van de nv N. op 64,79 EUR dagvaardingskosten, 109,32 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank en 145,76 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 9 februari 2007, waar aanwezig waren : mevrouw H.C raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer W. M, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer L. L., raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, mevrouw S. V, adjunct - griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070209.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.