← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070213.27

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 13 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070213.27 Rolnummer: 2005-0689 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-10-19 Raadplegingen: 323 - laatst gezien 2026-07-03 17:54 Fiches 1 - 3 Wanneer een regelgeving dermate complex is, begrippen bevat die voor velerlei aanvaardbare interpretaties vatbaar zijn en ook daadwerkelijk in rechtspraak en rechtsleer aanleiding blijft geven tot de meest uiteenlopende standpunten, is het voor een leek vrijwel onmogelijk om over te gaan tot een correcte interpretatie en toepassing van deze regelgeving en kan dit in hoofde van de werkgever onoverwinnelijke dwaling uitmaken. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) Vrije woorden: arbeidsovereenkomsten - algemene regeling - einde van de arbeidsovereenkomst - beëindiging om dringende reden - jaarlijkse vakantie - vakantiegeld - berekeningsbasis - werkgeversbijdragen in groepsverzekering - burgerlijke vordering gesteund op misdrijf - rechtvaardigingsgrond - onoverwinnelijke dwaling - complexiteit van regelgeving Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming Vrije woorden: arbeidsreglementering - bescherming van het loon - wettelijke intresten - jaarlijkse vakantie - vakantiegeld - berekeningsbasis - werkgeversbijdragen in groepsverzekering - burgerlijke vordering gesteund op misdrijf - rechtvaardigingsgrond - onoverwinnelijke dwaling - complexiteit van regelgeving Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 10 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Wet - 26-06-2002 - 82 - 55 ELI link Pub nr 2002012847 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Jaarlijkse vakantie - Andere Vrije woorden: sociale zekerheid voor werknemers - jaarlijkse vakantie - strafbepalingen - vakantiegeld - berekeningsbasis - werkgeversbijdragen in groepsverzekering - burgerlijke vordering gesteund op misdrijf - rechtvaardigingsgrond - onoverwinnelijke dwaling - complexiteit van regelgeving Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 28-06-1971 - 54 - 03 ELI link Pub nr 1971062850 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 35, onder III H - artikel 10 en onder VII G - artikel 54. II AAN - III H - VII G Annotaties Publicaties: SRK 2007 - - nr. 5, blz. 304-305 SRK 2007 - - nr. 5, blz. 304-306 SRK 2007 - - nr. 7, blz. 428-430 Tekst van de beslissing Tussenarrest op tegenspraak verzending naar de bijzondere rol Tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden. ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2050689 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DERTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN nv met maatschappelijke zetel gevestigd te appellante, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr., advocaat te 2018 Antwerpen, tegen : J.T., wonende te, geïntimeerde, appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 9 januari 2007. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 5 december 2005 en 9 januari 2007. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 31 mei 2005 aan de nv betekend op 29 september 2005, * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 20 oktober 2005, * de conclusies van mevrouw T., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 17 februari 2006; * de beschikking d.d. 28 juni 2006 overeenkomstig art. 747 §2 Ger. W.; * de conclusies, voor de nv , ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 14 juli 2006, * de tweede beroepsconclusie voor mevrouw T., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 8 september 2006, * de syntheseconclusie voor de nv , ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 26 oktober 2006, * de vervangende syntheseconclusie voor de nv , ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 27 oktober 2006, * de syntheseconclusie voor mevrouw T., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 1 december 2006. II. FEITEN EN PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Mevrouw T. is op 1 juli 1994 in dienst getreden van de nv , rechtsvoorganger van de nv , hierna de nv genoemd, met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur als bediende. Het staat als zodanig niet ter discussie dat de anciënniteit van bij de vorige werkgever van mevrouw T. werd overgenomen vanaf 1 februari 1980. Met deurwaardersexploot van 30 augustus 2002 beëindigde de nv de arbeidsovereenkomst met een opzeggingstermijn van 6 maanden, met ingang van 1 september 2002. Met aangetekende brief van 30 september 2002 protesteerde mevrouw T. tegen de duur van de betekende opzeggingstermijn gelet op haar overgenomen anciënniteit sedert 1980 en claimde een opzeggingstermijn van 18 maanden (stuk 3 T.). Met brief van 9 oktober 2002 stelde de nv voor om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te beëindigen met betaling van het resterende gedeelte van de door haar betekende opzeggingstermijn, waarop mevrouw T. weigerde in te gaan. Met aangetekende brief van 8 november 2002 beëindigde de nv onmiddellijk de arbeidsovereenkomst wegens beweerde dringende reden, in dezelfde brief als volgt omschreven: Op 5.11 stuurde u een intern document van de NV per telefax naar een concurrent, de firma S.. Uit dit document blijkt dat een zending door de firma M. langs de haven van Rotterdam werd gestuurd. Dit intern document werd door werknemers van S. gebruikt om M. te overtuigen niet langer zendingen toe te vertrouwen aan de NV, maar wel aan S.. U hebt toegegeven dit document te hebben doorgestuurd naar S. ter attentie van mevrouw M. V, een ex-werkneemster van de NV. Het doorspelen van interne bedrijfsinformatie aan een directe concurrent is onaanvaardbaar. Daarnaast stelt de NV vast dat u geen gelegenheid onbenut laat om klanten erop te wijzen dat de import van zeevracht zendingen nu langs Rotterdam verlopen. Nochtans weet u dat dit een tijdelijke situatie is gezien het grote personeelsverloop te Antwerpen. Het argument dat de nv haar vracht langs Rotterdam stuurt wordt evenwel steevast gebruikt door S. bij pogingen om klanten de overstap naar hun bedrijf te laten maken. Zeker klanten in uw regio, franstalig België en Noord Frankrijk, zijn daar uiterst gevoelig voor.Wij zijn van oordeel dat deze tekortkomingen van die aard zijn dat zij elke verdere samenwerking tussen u en de nv onmiddellijk en definitief onmogelijk maken en een onmiddellijke beëindiging zonder opzegging nog vergoeding rechtvaardigen." Met aangetekende brief van 29 november 2002 protesteerde de raadsman van mevrouw T. tegen dit onmiddellijk ontslag en deed gelden dat: - het zogenaamde intern document betrekking had op een fax van de rederij U. (onderneming die het goederenvervoer tussen Rotterdam en Antwerpen op zich neemt en die zich geconfronteerd zag met een vertraging in het traject naar Antwerpen toe) aan de concurrerende vennootschap S. (firma die door de klant M .in Frankrijk gelast werd met het transport van de zending van Antwerpen naar Frankrijk); - het gebruikelijk is in de transportsector om de aankomsttijden in de haven door te geven zodat mevrouw T. correct had gehandeld. Mevrouw T. maakte tenslotte aanspraak op de betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 24 maanden loon. Op 28 februari 2003 dagvaardde mevrouw T. de nv voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen in betaling van: - 74.722,36 EUR aanvullende opzeggingsvergoeding - 25.000 EUR schadevergoeding wegens rechtsmisbruik - 2.359,66 EUR pro rata eindejaarspremie - 1.500 EUR provisioneel achterstallig vakantiegeld - 134,84 EUR feestdagenloon te vermeerderen met de wettelijke interest vanaf de vervaldata, de gerechtelijke interest en de kosten van het geding. Tevens vorderde mevrouw T. de veroordeling van de nv tot afgifte van de verbeterde sociale documenten met betrekking tot de gevorderde bedragen onder verbeurte van een dwangsom van 100 EUR per dag vertraging per document bij niet afgifte binnen de 48 uur nadat de uitspraak definitief zal geworden zijn. Ten slotte vorderde mevrouw T. de uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement. Met conclusie van 22 maart 2004 breidde mevrouw T. haar vordering uit als volgt: - 77.095,42 EUR aanvullende opzeggingsvergoeding - 1.358,59 EUR achterstallig vakantiegeld De overige onderdelen van de vordering werden gehandhaafd. Bij vonnis van 31 mei 2005 verklaarden de eerste rechters de vordering van mevrouw T. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. De nv werd veroordeeld tot betaling van: - 77.095,42 EUR aanvullende opzeggingsvergoeding - 2.500 EUR schadevergoeding wegens rechtsmisbruik - 2.359,66 EUR pro rata eindejaarspremie - 134,84 EUR feestdagenloon meer de wettelijke interest op de netto equivalenten van 77.095,42 EUR, 2.359,66 EUR en 134,84 EUR, de verwijlinterest vanaf 29 november 2002 op 2.500 EUR en de wettelijke interest op alle met de brutobedragen overeenstemmende nettobedragen. De nv werd verder veroordeeld tot afgifte van: - de verbeterde individuele rekening m.b.t. de toegekende bedragen binnen de 2 maanden na betaling ervan - de overige verbeterde sociale documenten m.b.t. de toegekende bedragen uiterlijk binnen de maand na de betekening van het vonnis. Verder beslisten de eerste rechters dat de door de nv verschuldigde interesten worden gekapitaliseerd op 26 januari 2004 en dat de aldus gekapitaliseerde interesten bij de hoofdsommen worden gevoegd en opnieuw interest opbrengen. Ten slotte verklaarden de eerste rechters het vonnis uitvoerbaar bij voorraad met mogelijkheid tot kantonnement van de netto opeisbare bruto bedragen. In uitvoering van het vonnis werd op verzoek van de nv een bedrag van 93.654,01 EUR gekantonneerd (stukken 8 en 9 dossier nv). Tegen dit vonnis stelde de nv hoger beroep in op 20 oktober 2005. Mevrouw T. stelde op haar beurt incidenteel beroep in beperkt tot de uitspraak van de eerste rechters m.b.t. afwijzing van de schadevergoeding ten titel van achterstallig vakantiegeld op werkgeversbijdragen in de groepsverzekering, m.b.t. het toegekende bedrag inzake de schadevergoeding wegens rechtsmisbruik en in zoverre de nv niet werd veroordeeld tot betaling van interest op de bruto bedragen vanaf 1 juli 2005. III. EISEN IN HOGER BEROEP Met syntheseconclusie van 26 oktober 2006, zoals herhaald met deze van 27 oktober 2006, vordert de nv het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtsprekend, de vordering van mevrouw T. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en haar te veroordelen tot de kosten van beide instanties. Minstens alvorens ten gronde te beslissen: - in hoofdorde, te zeggen voor recht dat de procedure dient te worden opgeschort in afwachting van de beslissing inzake de strafvordering; - ondergeschikt, haar toe te laten met alle wettelijke middelen, inclusief getuigen, het bewijs te leveren van de volgende feiten: - dat mevrouw T. systematisch kopieën maakte van de offertes van de nv, - dat zij deze kopieën tijdens de middagpauze naar de kantoren van de nv Schenker bracht op de luchthaven van Deurne, - dat deze kopieën daar afgegeven werden aan mevrouw V., een ex-werkneemster van de nv, zodat deze contact kon opnemen met de betrokken klanten teneinde hen een (lagere) offerte te bezorgen dan de gekopieerde offertes van de nv, - dat mevrouw T. en de heer D. o.a. offertes kopieerden aan C., M. H., S., I., M., B. M., S. (thans C.) en MDB, - dat de klant M. nog tijdens de opzegperiode van mevrouw T. door de nieuwe en lagere tarificatie van de nv S. op basis van de vroegere offerte van de nv de overstap naar de nv S. maakte, - dat mevrouw T., een aankomstbericht voor een zending aan M. doorfaxte naar de nv S., nadat M. telefonisch had laten weten dat de zending verder door de nv S. diende afgehandeld te worden. Ten slotte vordert de nv alleszins te zeggen voor recht dat: - voor zover schadevergoeding ten titel van achterstallig loon op werkgeversbijdragen groepsverzekering zou worden toegekend, mevrouw T. slechts gerechtigd is op het netto opeisbaar gedeelte van het bruto gevorderde bedrag van 1.358,59 EUR - voor zover vakantiegeld op werkgeversbijdragen groepsverzekering zou worden toegekend, de interest slechts verschuldigd is vanaf de dagvaarding - de wettelijke en gerechtelijke interest slechts verschuldigd is op het netto opeisbaar gedeelte van de eventueel toe te kennen bruto bedragen - vanaf 10 januari 2006 geen interest verschuldigd is op het in het kader van deze procedure geconsigneerde bedrag. Met syntheseconclusie van 1 december 2006 vordert mevrouw T. het hoger beroep van de nv ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg het bestreden vonnis gedeeltelijk te bevestigen en opnieuw rechtsprekend, de nv te veroordelen tot betaling van interesten op de reeds toegekende bruto bedragen vanaf 1 juli 2005 en tot betaling van: - 1.358,59 EUR schadevergoeding ten titel van achterstallig vakantiegeld op werkgeversbijdragen groepsverzekering te vermeerderen met de wettelijke interest vanaf de respectievelijke datum van opeisbaarheid en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding - 25.000 EUR schadevergoeding wegens rechtsmisbruik te vermeerderen met de moratoire interest vanaf 29 november 2002 en de gerechtelijke interest. Verder vordert mevrouw T. te zeggen voor recht dat de door de nv verschuldigde interest met toepassing van artikel 1154 van het B.W. opnieuw wordt gekapitaliseerd op 16 februari 2006 en dat de aldus gekapitaliseerde interest bij de hoofdsommen worden gevoegd en opnieuw interest opbrengen. Ten slotte vordert mevrouw T. de nv te veroordelen tot de kosten van beide instanties. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE 1. De dringende reden 1.1. Art. 4 V.T.W.Sv. De regel van openbare orde, vastgelegd in artikel 4 V.T.W.Sv., krachtens welke de burgerlijke rechtsvordering die niet terzelfdertijd voor dezelfde rechter als de strafvordering wordt vervolgd, geschorst is zolang niet definitief beslist is over de strafvordering, wordt verantwoord door het feit dat het strafvonnis ten overstaan van de afzonderlijk ingestelde burgerlijke rechtsvordering gezag van gewijsde heeft aangaande de punten die aan de strafvordering en aan de burgerlijke vordering gemeen zijn. De burgerlijke rechter is derhalve verplicht het resultaat van het strafonderzoek af te wachten zodra effectief een strafvordering werd ingesteld, doch enkel voor wat betreft de punten die gemeen zijn aan beide vorderingen. Krachtens artikel 35, derde lid, Arbeidsovereenkomstenwet mag een ontslag om dringende reden niet meer zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn worden gegeven wanneer de feiten ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend zijn aan de partij die zich hierop beroept. Het feit is aan de werkgever bekend, wanneer deze voldoende zekerheid heeft, met name voor zijn eigen overtuiging tegenover de ontslagen partij en het gerecht, om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen omtrent het bestaan van dit feit en de omstandigheden die er een dringende reden tot onmiddellijk ontslag van maken. Om te beslissen of het ontslag al dan niet binnen de in artikel 35, derde lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde termijn is gegeven, dient de arbeidsrechter alleen te onderzoeken of de aangevoerde kennis van de werkgever op het ogenblik van het ontslag niet reeds meer dan drie werkdagen bestond. Hij dient hierbij geen uitspraak te doen over het bestaan van de feiten en het zwaarwichtig karakter ervan. (Cass., 19 maart 2001, S000129N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010319.8, http://www.juridat.

  1. be)Om analoge redenen geldt deze besluitvorming evenzeer voor wat betreft het onderzoek naar de correcte naleving van de krachtens artikel 35, vierde en vijfde lid Arbeidsovereenkomstenwet voorgeschreven kennisgeving van de dringende reden en voor wat betreft de beoordeling van de nauwkeurigheid van de kennisgeving. 1.2.Toepassing Uit de gegevens van het voorliggend dossier blijkt dat de nv op 17 februari 2005 klacht met burgerlijke partijstelling heeft neergelegd tegen mevrouw T. wegens valsheid in geschriften/informatica, schending van bedrijfsgeheimen, diefstal, misbruik van vertrouwen en misdrijven tegen de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van informaticasystemen. Anders dan mevrouw T. in haar syntheseconclusie van 1 december 2006 doet gelden werd tot op heden niet definitief beslist over de door de nv tegen haar ingestelde strafvordering. Het door mevrouw T. bijgebrachte stuk 18 van haar dossier heeft immers enkel betrekking op de vordering van het openbaar ministerie tot buitenvervolgingstelling; dergelijke vordering kan bezwaarlijk gelijkgesteld worden met een beschikking van de raadkamer tot afsluiting van het gerechtelijk onderzoek of buitenvervolgingstelling. Dit arbeidshof dient bijgevolg zijn beslissing over de door mevrouw T. ingestelde vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het niet verstreken gedeelte van de betekende opzeggingstermijn ( cfr. V.2. ) te schorsen, doch enkel voor wat betreft de punten die gemeen zijn aan beide vorderingen. Het arbeidshof kan bijgevolg nu reeds onderzoeken of het onmiddellijk ontslag werd gegeven met inachtneming van de door artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet voorgeschreven termijnen en formaliteiten. Ontslag om een dringende reden mag niet meer zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert tenminste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept (artikel 35,3° lid van de Arbeidsovereenkomstenwet). De bewijslast inzake de correcte naleving van de wettelijk voorgeschreven ontslagtermijn kan door alle middelen van recht worden geleverd, getuigen en vermoedens inbegrepen. Alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen de drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn (artikel 35, 4° lid van de Arbeidsovereenkomstenwet). De dringende reden ter verantwoording van het ontslag moet in de kennisgeving zodanig worden omschreven dat de ontslagen partij op de hoogte wordt gebracht van de haar verweten tekortkomingen en dat de rechter het ernstig karakter van de aangevoerde reden kan beoordelen en kan nagaan of het dezelfde is als de reden die voor hem wordt ingeroepen (Cass. 24 maart 1980, A.C. 1979 -1980, 912). Wat de eerste ingeroepen tekortkoming betreft, met name het doorgeven van interne informatie aan een directe concurrent van de nv, betwist mevrouw T. niet dat deze tenlastelegging tijdig als dringende reden werd ingeroepen ( cfr. p.6, 2de alinea beroepsconclusie T.). Terecht merken partijen op dat de eerste rechters ten onrechte hebben beslist dat het ontslag van 8 november 2002 buiten de termijn zoals bepaald in artikel 35, § 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet werd gegeven op basis van de onjuiste overweging dat de door de nv bijgebrachte geschreven verklaring van de heer D. - waarop de nv zich onder meer beroept om de gegrondheid van het ontslag aan te tonen - dateert van meer dan 3 werkdagen voor het ontslag; het staat immers als zodanig niet ter discussie dat bedoelde verklaring dateert van 12 oktober 2004 en niet van 12 oktober 2002. Het arbeidshof kan het standpunt van mevrouw T. evenwel niet delen dat de kennisgeving van het eerste feit niet voldoet aan de vereiste van nauwkeurigheid. De omschrijving van dit feit, zoals die voorkomt in de ontslagbrief van 8 november 2002 volstaat om zowel aan mevrouw T. als aan het arbeidshof toe te laten het bestaan en de ernst van de ingeroepen tekortkoming te beoordelen en om na te gaan of het hetzelfde feit is als het feit aangevoerd in het kader van deze procedure. De omstandigheid dat de nv nog andere feiten wil doen in aanmerking nemen die vreemd zijn aan de dringende redenen en die niet werden opgenomen in de ontslagbrief en die zij als begeleidende omstandigheden inroept om de ernst van het doorgeven van interne bedrijfsinformatie aan een directe concurrent te benadrukken, doet uiteraard geen afbreuk aan bovenstaande overweging en besluitvorming. Nog afgezien van de vraag naar de tijdigheid van het gegeven ontslag met betrekking tot het tweede ingeroepen feit, met name dat mevrouw T. geen gelegenheid onbenut liet om klanten erop te wijzen dat de import van zeevracht zendingen nu langs Rotterdam verlopen - argument dat volgens de nv door de concurrent nv S werd gebruikt om klanten af te werven - terwijl mevrouw T. wist dat dit slechts een tijdelijke situatie was, is het arbeidshof samen met mevrouw T. van oordeel dat voornoemd feit dan weer duidelijk niet voldoet aan de hiervoor uiteengezette vereiste van nauwkeurigheid. Het is immers voor mevrouw T. noch voor het arbeidshof duidelijk over welke gelegenheden de nv het heeft en ten overstaan van welke klanten zodanige uitspraken zouden gepleegd zijn, zodat met dit feit geen rekening kan worden gehouden ter beoordeling van het gegeven ontslag. Gelet op het voorgaande dringt zich nog enkel een onderzoek op naar het bestaan en het zwaarwichtig karakter van het eerste ingeroepen feit. Anders dan mevrouw T. voorhoudt is het arbeidshof van oordeel dat de feiten die het voorwerp uitmaken van de strafvordering tegen haar ingevolge de klacht met burgerlijke partijstelling dd. 17 februari 2005 gelieerd zijn aan het in de ontslagbrief ingeroepen ontslagmotief van schending van bedrijfsgeheim. Overigens bestaat er hic et nunc geen zekerheid omtrent het feit of het door mevrouw T. op 5 november 2002 aan de firma S. doorgestuurde document - met name een fax van de vervoersagent U.- werd aangewend in het strafonderzoek. Derhalve dient het arbeidshof zijn beslissing omtrent het bestaan en het zwaarwichtig karakter van het eerste ingeroepen feit te schorsen in afwachting van het resultaat van de strafvordering. 2. De opzeggingsvergoeding Het staat niet ter discussie dat toepassing moet worden gemaakt van de bepalingen in de Arbeidsovereenkomstenwet die gelden voor de bedienden, inzonderheid artikel 82 van die wet. Wanneer de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder de wettelijk voorgeschreven opzeggingstermijn, dan is hij gehouden aan de werknemer een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. (artikel 39 Arbeidsovereenkomstenwet). Als de bediende is ontslagen met een opzeggingstermijn die korter is dan die waarop hij aanspraak kan maken, ontstaat het recht van de bediende op een opzeggingsvergoeding op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging, ongeacht de omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst nog tijdens de in acht genomen opzeggingstermijn blijft voortbestaan. Deze opzeggingsvergoeding, ook wel aanvullende opzeggingsvergoeding genoemd, moet worden berekend op basis van het loon waarop de bediende recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de opzegging. (vgl. Cass., 6 november 1989, R.W. 1989-90, 885, met concl. Adv.-gen. Lenaerts; Cass., 6 maart 2000, J.T.T., 2000, 226) De aanvullende opzeggingsvergoeding is dan ook te onderscheiden van de opzeggingsvergoeding die de werkgever verschuldigd is wanneer hij eenzijdig en onregelmatig een einde stelt aan de arbeidsovereenkomst tijdens de betekende opzegging, opzeggingsvergoeding die gelijk is aan het lopende loon voor het niet verstreken gedeelte van de betekende opzeggingstermijn. Het recht op laatstbedoelde opzeggingsvergoeding ontstaat slechts op het ogenblik van de effectieve beëindiging en deze opzeggingsvergoeding wordt becijferd op basis van het loon waarop de bediende op het tijdstip van de effectieve beëindiging recht heeft. Mevrouw T. maakt aanspraak op betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 24 maanden loon onder aftrek van de reeds gepresteerde opzeggingstermijn van 2 maanden en 8 dagen. De aldus gevorderde vergoeding bestaat juridisch uit twee componenten, met name de opzeggingsvergoeding overeenstemmend met (het nog niet verstreken gedeelte van) de betekende opzeggingstermijn wegens de beweerde onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de nv tijdens de opzeggingstermijn en een aanvullende opzeggingsvergoeding, overeenstemmend met de duur van de in acht te nemen opzeggingstermijn, verminderd met de duur van de betekende opzeggingstermijn. 2.1. Aanvullende opzeggingsvergoeding Om na te gaan of mevrouw T. recht heeft op een aanvullende opzeggingsvergoeding moet vooreerst de opzeggingstermijn worden vastgesteld die de nv normaal in acht diende te nemen. Tussen partijen bestaat geen betwisting over het feit dat de duur van de opzeggingstermijn die de nv in acht diende te nemen moet worden bepaald overeenkomstig artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Het staat evenmin ter discussie dat mevrouw T. op het ogenblik van haar opzegging een basisjaarloon genoot dat meer bedroeg dan de in artikel 82, §3 van de Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde jaargrens. Gelet op het ontbreken van een akkoord desbetreffend tussen partijen is het bijgevolg de rechter die de normaal door de nv in acht te nemen opzeggingstermijn moet vaststellen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de voor mevrouw T. op het ogenblik van haar ontslag bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden gelet op haar anciënniteit ( 22 jaar en 7 maanden met inbegrip van de conventioneel toegekende anciënniteit), haar leeftijd (45 jaar en 9 maanden), haar functie en haar jaarsalaris (42.574,61 EUR), volgens de gegevens eigen aan de zaak. Mits inachtneming van alle relevante elementen, zoals die bestonden op het ogenblik van de opzegging, is het arbeidshof van oordeel dat de nv een opzeggingstermijn van 24 maanden in acht had moeten nemen. De betekende opzeggingstermijn was derhalve ontoereikend zodat mevrouw T. door en op het ogenblik van de opzegging recht had op betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het loon voor 18 maanden, hetzij 63.861,84 EUR. Het arbeidshof wenst in dit verband nog te benadrukken dat als de bediende is ontslagen met een opzeggingstermijn die korter is dan die waarop hij aanspraak kan maken, het recht van de bediende op een aanvullende opzeggingsvergoeding wegens deze onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst ontstaat op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging, hoewel de arbeidsovereenkomst nog tijdens de in acht genomen opzeggingstermijn blijft voortbestaan, en dat dit recht van de bediende geen "virtueel " recht is, maar een "verworven"" recht dat niet kan worden beïnvloed door latere gebeurtenissen, ook niet door een ontslag door de werkgever wegens een dringende reden tijdens de opzeggingstermijn. (vgl. Cass. 14 april 2003, http://www.juridat.be, S020028N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.9, J.T.T. 2003, 357). 2.2. Opzeggingsvergoeding overeenstemmend met de betekende opzeggingstermijn Voor de beoordeling van dit onderdeel van de vordering stelt zich de vraag of het ontslag wegens dringende reden al dan niet terecht werd gegeven. Nu het arbeidshof sub V.1.2. van dit arrest heeft geoordeeld zijn beslissing omtrent het bestaan en het zwaarwichtig karakter van het eerste ingeroepen feit te schorsen in afwachting van het resultaat van de strafvordering, dient de beslissing omtrent dit onderdeel van de vordering te worden aangehouden. 3. Schadevergoeding wegens rechtsmisbruik -pro rata eindejaarspremie - feestdagenloon Vermits de beoordeling van deze onderdelen van de vordering het lot volgt van de beoordeling van de dringende reden en vermits sub V.1.2. van dit arrest de beslissing in dit verband werd geschorst in afwachting van het resultaat van de lopende strafprocedure, komt het eveneens gepast voor deze onderdelen van de vordering aan te houden. 4. Schadevergoeding achterstallig vakantiegeld op de patronale premies van de groepsverzekering Uit de libellering van het motiverend gedeelte en van het beschikkend gedeelte van de beroepsconclusie van 17 februari 2006 blijkt duidelijk en ondubbelzinnig dat mevrouw T. schadevergoeding vordert wegens niet betaling van het dubbel vakantiegeld op de maandelijkse groepsverzekeringspremies tijdens de dienstbetrekking door de nv en dat zij haar vordering ex delicto stelt en met name steunt op het misdrijf bestaande uit het niet correct betalen van het verschuldigde vakantiegeld. Artikel 54 Jaarlijkse Vakantiewet stelt de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die het aldus verschuldigde vakantiegeld niet, of niet correct betalen strafbaar. Overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 3 en 4 V.T.W.Sv. kan het slachtoffer van een misdrijf voor de burgerlijke rechter een vordering instellen tot herstel van de als gevolg van dit misdrijf geleden schade. Een sociaalrechtelijk misdrijf bestaat zoals elk ander misdrijf uit een materieel en een moreel bestanddeel. (vgl. Cass., 31 januari 1989, Arr. Cass., 1988-89, 648; Cass. 16 februari 1993, Arr. Cass.,1993,193; Cass.13 december 1994, R.W., 1995-96, 533) Dit geldt evenzeer m.b.t. die misdrijven waarvan in de omschrijving geen sprake is van enig opzet of onachtzaamheid. Het positief strafrecht bepaalt nergens op uitdrukkelijke wijze onder welke voorwaarden strafrechtelijke schuld ontstaat. De wet beperkt er zich enkel toe de situaties aan te geven die strafrechtelijke schuld uitsluiten, m.n. zedelijke overmacht, krankzinnigheid en bepaalde geestesstoornissen en jeugdige leeftijd. Personen die in één van de voormelde situaties verkeren worden door de wet geacht niet in staat te zijn wilsuitingen te hebben die beantwoorden aan wat vereist is om de strafrechtelijke schuld en dus strafrechtelijke verantwoordelijkheid te hebben. Evenmin bepaalt de wet op algemene wijze waarin de strafrechtelijke schuld of het moreel element van het misdrijf bestaat. De omschrijving van de inhoud of de aard van het moreel element van het misdrijf wordt gegeven door de rechtsleer en vanuit de rechtsleer toegepast in de rechtspraak. (vgl. VANHOUDT C.J. en CALEWAERT W. Het Belgisch strafrecht ,deel I, Gent, Story Scientia, 1968, nrs. 646 en 647) Bij misdrijven waarvan in de omschrijving geen sprake is van enig opzet of onachtzaamheid, bestaat het moreel bestanddeel uit de volwaardige wil de materiële handeling of nalatigheid te stellen. Bij dergelijke misdrijven wordt het bewijs van het moreel bestanddeel beheerst door de techniek van het weerlegbaar vermoeden. Dit vermoeden bestaat in concreto uit het afleiden van het moreel bestanddeel uit het bestaan van het materieel bestanddeel en kan worden weerlegd door eventuele rechtvaardigingsgronden. (vgl. concl. Advocaat-generaal J. Du Jardin bij Cass.12 mei 1987, R.W.1987-88,538 e.v.) Het is vervolgens het openbaar ministerie of de partij die zich op het bestaan van het misdrijf beroept om het bewijs te leveren van de onjuistheid van de ingeroepen rechtvaardigingsgrond, wanneer deze niet ontbloot is van elk element van geloofwaardigheid. (vgl. Cass. 24 juni 1957, Arr. Cass., 1957, 900) Dwaling levert slechts een rechtvaardigingsgrond op wanneer zij onoverkomelijk is. Een dwaling kan door de rechter slechts als onoverkomelijk worden beschouwd wanneer uit de concrete omstandigheden valt af te leiden dat degene die zich erop beroept, heeft gehandeld zoals ieder redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld (Cass., 25 oktober 1999, R.W., 2001-2002, 1320). Het staat als zodanig niet ter betwisting tussen partijen dat de nv geen dubbel vakantiegeld heeft betaald op de maandelijks door haar betaalde werkgeversbijdragen in de groepsverzekering tijdens de dienstbetrekking, zodat het materieel bestanddeel van het misdrijf, strafbaar gesteld bij artikel 54 van de Vakantiewet, vaststaat. Rest bijgevolg de vraag of ook het moreel bestanddeel van dit misdrijf wordt bewezen overeenkomstig de principes zoals hiervoor uiteengezet. De nv beroept zich op een rechtvaardigingsgrond en laat desbetreffend gelden dat omwille van de onduidelijkheid en rechtsonzekerheid in de rechtsleer en rechtspraak omtrent de vraag of dubbel vakantiegeld verschuldigd is op de maandelijks betaalde werkgeversbijdragen in de groepsverzekering, geen sociaalrechtelijk misdrijf kan weerhouden worden. Samen met de eerste rechters is ook het arbeidshof van oordeel dat de nv aannemelijk maakt dat zij heeft gehandeld ingevolge een onoverwinnelijke dwaling. Slechts met zijn arrest van 4 februari 2002 ( R.W. 2001-2002, 1356) overwoog het Hof van Cassatie duidelijk en ondubbelzinnig dat met de term ' bruto wedde' in artikel 46 van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet bedoeld wordt, elk voordeel in geld of in geld waardeerbaar, toegekend door de werkgever als tegenprestatie voor de in het raam van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid, dit is het algemeen arbeidsrechtelijk loonbegrip. Daaruit kan en mag worden afgeleid dat hetzelfde loonbegrip dient te worden gehanteerd voor de berekening van het dubbel vakantiegeld staande de dienstbetrekking. De omstandigheid dat het dubbel vakantiegeld wordt berekend in functie van de bruto wedde van de maand waarin de vakantie ingaat, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Vóór voornoemd cassatiearrest was de bepaling van het loon dat de berekening van het vakantiegeld voor bedienden schraagde, uitermate verwarrend, wat aanleiding gaf tot tal van discussies in doctrine en jurisprudentie, zonder dat een overtuigende oplossing werd gevonden. Dit had alles te maken met het feit dat in het Vakantiebesluit geen enkele verduidelijking wordt gegeven m.b.t. de inhoud van het gehanteerde loonbegrip. Het kan evenmin worden tegengesproken dat er zich desbetreffend drie strekkingen manifesteerden: een eerste strekking hanteerde het arbeidsrechtelijk loonbegrip, een tweede strekking refereerde aan het loonbegrip van de Loonbeschermingswet, een derde strekking opteerde voor het loon waarop socialezekerheidsbijdragen moeten worden berekend; strekkingen die overigens steun meenden te vinden in de rechtspraak van het Hof van Cassatie en soms zelfs in dezelfde arresten ( cfr. M. DE VOS, "Verduidelijking van de sociaalrechtelijke loonbegrippen via de casus groepsverzekering. Het Hof van Cassatie stelt orde op zaken", R.W. 2002-2003, 285-286, nr.3). Wanneer een regelgeving dermate complex is, begrippen bevat die voor velerlei aanvaardbare interpretaties vatbaar zijn en ook daadwerkelijk in rechtspraak en rechtsleer aanleiding blijft geven tot de meest uiteenlopende standpunten, is het voor een leek vrijwel onmogelijk om over te gaan tot een correcte interpretatie en toepassing van deze regelgeving. Het is derhalve zeer aannemelijk dat de nv ervan overtuigd was dat geen dubbel vakantiegeld diende te worden berekend op de door haar maandelijks betaalde werkgeversbijdragen in de groepsverzekering en dat de onwetendheid waarin zij verkeerde een onwetendheid betreft waarin, in dezelfde omstandigheden, ieder redelijk en voorzichtig werkgever zou hebben verkeerd. Het arbeidshof stelt vast dat de elementen die mevrouw T. aanbrengt niet van aard zijn om het tegenbewijs te leveren, zodat in casu het bewijs van het moreel element van het ingeroepen misdrijf ontbreekt. In die omstandigheid werd dit onderdeel van de vordering van mevrouw T. door de eerste rechters terecht als ongegrond afgewezen. Het incidenteel beroep van mevrouw T. is wat dit punt betreft niet gegrond. 5. Interest op brutobedragen Mevrouw T. vordert de toekenning van de interesten op de gevorderde brutobedragen vanaf 1 juli 2005, zijnde de datum vastgelegd bij KB van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de hiervoor genoemde wet. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, verving het vroegere artikel 10 Loonbeschermingswet door de volgende bepaling: "Art. 10. Voor het loon is van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Die rente wordt berekend op het loon, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht". Nazicht van de overgangs- en slotbepalingen van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen leert dat de wetgever het aan de Koning heeft overgelaten om de datum te bepalen waarop deze wet, met inbegrip van haar artikel 82, in werking zou treden. Precies het bestaan van genoemde overgangsbepalingen sluit meteen uit dat bedoeld artikel 82 moet worden beschouwd als een interpretatieve wet, die uit haar aard en automatisch ab initio geldt. (vgl. Cass. 6 februari 2006, S050063N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.4, http://www.cass.be, op datum) Niets in de voorbereidende werken van de wet van 26 juni 2002 laat overigens toe te besluiten dat het de bedoeling is geweest van de wetgever om een interpretatieve wet tot stand te brengen en in dit verband kan nuttig verwezen worden naar de argumentatie ontwikkeld door E. Mathys en B. Vanschoebeke "Intresten op netto? En zo ja, vanaf wanneer?" , Or. 2003, 74 e.v. Tot de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 moet bijgevolg toepassing worden gemaakt van het artikel 10 van de Loonbeschermingswet zoals dit van toepassing was voor de wijziging ervan door de wet van 26 juni 2002. Bedoeld artikel 10 bepaalde dat voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Hiermee werd volgens de termen en strekking van artikel 10 alleen bedoeld het loon dat de werknemer van de werkgever kan opeisen. Overeenkomstig de ter zake geldende fiscaalrechtelijke en sociaalrechtelijke bepalingen heeft de werknemer niet het recht om het bedrag van de door zijn werkgever verschuldigde bedrijfsvoorheffing en het bedrag van zijn bijdrage aan de sociale zekerheid op te eisen van de werkgever. Bijgevolg dienden enkel interesten te worden toegekend op de met de toegekende brutobedragen corresponderende nettobedragen. (vgl. Cass. 10 maart 1986, Soc. Kron., 1986, 101; Cass. 8 november 1993, J.T.T., 1994, 143). Op 3 juli 2005 werd het K.B. uitgevaardigd betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen. Genoemd K.B. van 3 juli 2005 bepaalt dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen in werking treden op 1 juli 2005 en van toepassing zijn op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005. Het arbeidshof stelt evenwel vast dat bedoeld K.B. van 3 juli 2005 in zijn aanhef geen melding maakt van een voorafgaande vraag om advies betreffende het ontwerp van K.B. aan de afdeling wetgeving van de Raad van State en dat al evenmin melding wordt gemaakt van een dringende noodzakelijkheid waardoor het niet mogelijk zou geweest zijn het advies van de Raad van State in te winnen. Aldus rijst de vraag of bedoeld K.B. in overeenstemming is met artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en daarbij aansluitend de vraag naar de wettigheid van dit K.B. in globo. (in dezelfde zin Arbhof Antwerpen, 18 oktober 2006, A.R. 2060004, onuitgegeven). Teneinde partijen de gelegenheid te geven in conclusies hun standpunt te bepalen m.b.t. deze opgeworpen problematiek, verwijst het arbeidshof dit onderdeel van de vordering naar de bijzondere rol voor verdere instaatstelling. 6. Interest na kantonnement en kapitalisatie van interest (nieuwe vordering van mevrouw T.) Ingevolge de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis, is de nv op 23 januari 2006 overgegaan tot kantonnement van een bedrag van 93.654,01 EUR (stuk 9 dossier
  2. nv)overeenkomstig het bepaalde van artikel 1405 van het Ger.W. Terecht doet de nv in dit verband opmerken dat kantonnement geldt als betaling, zodat geen interest meer verschuldigd is na datum van kantonnement, hetzij 23 januari 2006 (cfr. artikel 1404, tweede lid van het Ger.W.). A fortiori kan geen kapitalisatie van interesten worden toegekend voor de periode na het kantonnement, zodat deze vordering van mevrouw T. als ongegrond moet worden afgewezen. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van de nv ontvankelijk en reeds gedeeltelijk ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van mevrouw T. ontvankelijk en reeds gedeeltelijk ongegrond. Vernietigt het vonnis van 31 mei 2005 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen in zoverre het de nv veroordeelde tot betaling van 77.095,42 EUR aanvullende opzeggingsvergoeding, meer de wettelijke interest op het netto equivalent van 77.095,42 EUR en de wettelijke interest op de met het brutobedrag overeenstemmende nettobedrag alsook tot afgifte van sociale documenten m.b.t. het toegekende bedrag. En opnieuw rechtsprekend hieromtrent. Veroordeelt de nv tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van 63.861,84 EUR, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, voor zover verschuldigd, het overeenstemmend netto gedeelte te vermeerderen met de wettelijke interest vanaf de respectievelijke datum van opeisbaarheid en de gerechtelijke interest tot 30 juni 2005. Veroordeelt de nv binnen de maand na betekening van dit arrest tot afgifte van een verbeterde individuele rekening en verbeterde sociale documenten m.b.t. dit toegekende bedrag. Schorst bij toepassing van artikel 4 V.T.W.Sv. de verdere uitspraak over de vordering in betaling van een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het nog niet verstreken gedeelte van de betekende opzeggingstermijn in afwachting van een definitieve beslissing over de tegen mevrouw T. ingestelde strafvordering. Houdt de beslissing over de vorderingen omtrent de schadevergoeding wegens rechtsmisbruik, de pro rata eindejaarspremie en het feestdagenloon aan. Bevestigt het bestreden vonnis voor wat betreft de afwijzing van de schadevergoeding ten titel van achterstallig vakantiegeld op werkgeversbijdragen in de groepsverzekering. Zegt voor recht dat vanaf 23 januari 2006 geen interesten door de nv verschuldigd zijn op het in dit kader van deze procedure geconsigneerde bedrag. Verklaart de vordering van mevrouw T. tot kapitalisatie van interesten vanaf 10 februari 2006 ongegrond. Alvorens verder te beslissen omtrent de gevorderde interesten op bruto bedragen vanaf 1 juli 2005, verzendt de zaak naar de bijzondere rol omwille van de motieven uiteengezet sub V.5 van dit arrest. Houdt de beslissing omtrent de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 13 februari tweeduizend en zeven, waar aanwezig waren : mevrouw H. C, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer K. L, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer L. V, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, mevrouw S. V, adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070213.27 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010319.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.9 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.