id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070214.14 Rolnummer: 2005-0216 Rechtsgebied: Overige - Insolventierecht - Burgerlijk recht - Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-04-06 Raadplegingen: 736 - laatst gezien 2026-07-04 04:15 Fiche 1 De arbeidsrechtbank is bevoegd om kennis te nemen van een vordering tot betaling van socialezekerheidsbijdragen, ook wanneer de schuldenaar een gerechtelijk akkoord heeft aangevraagd en verkregen in het raam waarvan een herstelplan werd uitgevoerd dat o.m. inhield dat aan de RSZ 60 % van haar vordering diende te worden betaald. De arbeidsrechtbank is eveneens bevoegd om kennis te nemen van de tegeneis betreffende het verbeurd zijn van dwangsommen en van het daarop gebaseerde verweer van de wettelijke schuldvergelijking. De omstandigheid dat bij de beslagrechter nog een verzetprocedure aanhangig is tegen het bevel tot betaling van de dwangsommen, doet daaraan niet af. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting en dienst rechtbanken - Arbeidsrechtbank GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Gerechtelijk akkoord Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - bevoegdheid en aanleg - materiële bevoegdheid - vordering tot betaling van socialezekerheidsbijdragen - schuldenaar die gerechtelijk akkoord heeft aangevraagd en verkregen - tegeneis betreffende het verbeurd zijn van dwangsommen - I A Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 580,1° - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 580, 1°, onder I B - artikel 1382 en onder VII A - artikel 30bis, § 4. Fiche 2 Wettelijke schuldvergelijking is mogelijk tussen de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verschuldigde socialezekerheidsbijdragen en de door deze laatste verbeurde dwangsommen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - burgerlijk recht - misdrijven en oneigenlijke misdrijven - verbintenis - schuldvergelijking - wettelijke socialezekerheidsbijdragen en door deze laatste verschuldigde dwangsommen - I B Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1382 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 580, 1°, I B - artikel 1382 en onder VII A - artikel 30bis, § 4. Fiche 3 De RSZ begaat een fout die zijn aansprakelijkheid meebrengt, wanneer hij, met miskenning van een daartoe door de rechter opgelegd verbod, via zijn voor het publiek toegankelijke gegevensbank meldt dat een bouwonderneming een R.S.Z.-schuldenaar zou zijn en dit ook herhaaldelijk doorgeeft aan de registratiecommissie voor de aannemers, met als gevolg dat deze onderneming niet kan deelnemen aan openbare aanbestedingen en haar voortbestaan in het gedrang komt. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - algemene regeling - burgerlijke sancties - onrechtmatige overheidsdaad - fout - RSZ - met miskenning van rechterlijk verbod publiekelijk bekendmaken dat bouwonderneming RSZ-schuldenaar is - VII A Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 30bis, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1969062707 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 580,10, I B - artikel 1382 en onder VII A - artikel 30bis, § 4. Annotaties Publicaties: RW 2008-2009 - - nr. 20 - blz. 829-837 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2050216 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: N.V., vennootschap in vereffening, met zetel te, met als vereffenaar de N.V., met zetel te. appellante, verschijnend bij mr.. tegen: DE RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11. geïntimeerde, verschijnend bij mr.. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgende arrest. Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden eindvonnis op 13 juli 2005 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Hasselt gekend onder het A.R. nr. 2001458 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van dit Hof op 17 augustus 2005 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusies en stavingstukken voor partijen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET PRINCIPAAL EN INCIDENTEEL HOGER BEROEP Het principaal en het incidenteel hoger beroep werden naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist en de beide rechtsmiddelen dienen dan ook ontvankelijk te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 13 december 2006 van deze kamer. ANTECEDENTEN Appellante maakte destijds deel uit van de Groep, bestaande uit. In deze vennootschappen waren in het totaal een 200-tal arbeiders en een 30-tal bedienden tewerkgesteld. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de Rechtbank van koophandel te Hasselt op 29 juli 1999 vroeg appellante, samen met de andere vennootschappen van deze groep, in toepassing van de Wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord een voorlopige opschorting van betaling aan. Bij vonnis van 14 maart 2000 kende de Rechtbank van koophandel aan appellante de definitieve opschorting van betaling toe voor de periode van 14 maart 2000 tot en met 31 december 2001 en werd het globaal herstelplan bindend verklaard voor alle schuldeisers. In dat herstelplan werd gespecificeerd dat appellante tijdens de periode van definitieve opschorting van betaling, 60 % van de hoofdsom van de door de chirografaire schuldeisers ingediende schuldvorderingen diende te voldoen waarvan 1/3 uiterlijk op 31 december 2000 en de overige 2/3 uiterlijk op 31 december 2001. Tegen dit vonnis stelde de RSZ derdenverzet in, voorhoudende dat het goedgekeurde herstelplan in strijd zou zijn met de openbare orde. De RSZ stelde eveneens derdenverzet in tegen het vonnis van de Rechtbank van koophandel te Hasselt van diezelfde datum waarbij ook voor de andere vennootschappen van de groep CHAMPAGNE het herstelplan werd goedgekeurd en bindend verklaard. Bij vonnis d.d. 28 juni 2001 van de Rechtbank van koophandel te Hasselt en nadien bij arrest d.d. 6 februari 2003 van het Hof van beroep te Antwerpen werd dat derdenverzet in de zaak tegen N.V. CHAMPAGNE HOLDING afgewezen. In het cassatiearrest d.d. 18 februari 2005 werd het cassatieberoep dat de RSZ instelde tegen voormeld arrest van het Hof van beroep verworpen. Bij vonnis d.d. 4 januari 2002 van de Rechtbank van koophandel te Hasselt werd de procedure inzake opschorting van betaling inzake CHAMPAGNE SERVICE gesloten. Appellante voerde het herstelplan uit en betaalde aan de RSZ 60 % van haar vordering. Hoewel het herstelplan bindend werd verklaard voor alle schuldeisers, waaronder ook de RSZ, bleef hij de niet-betaalde 40 %, waarvoor in het herstelplan kwijtschelding werd verleend, op rekeninguittreksels en officiële attesten noodzakelijk voor openbare aanbestedingen vermelden als een openstaande en opeisbare schuld. Teneinde hieraan een einde te maken, dagvaardde appellante de RSZ op 6 februari 2002 in kortgeding voor de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt. Bij beschikking d.d. 28 februari 2002 van de Voorzitter zetelend in kortgeding werd aan de RSZ verbod opgelegd "om melding te maken van haar beweerde schuldvordering in alle officiële attesten, mededelingen en publicaties, zowel per geschrift, via website of internet, of op welke wijze ook, in zoverre deze schuldvordering betrekking heeft op de periode voorafgaand aan het gerechtelijk akkoord, minstens hierin melding te maken van het betwist karakter van de beweerde vordering, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 EUR per dag vertraging of per dag dat er geen gevolg wordt gegeven aan de tussen te komen beschikking en dit vanaf 24u na de uitspraak van de tussen te komen beschikking". Deze beschikking werd aan de RSZ betekend op 1 maart 2002 die hiertegen beroep aantekende. Bij arrest d.d. 9 juli 2003 van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, werd de beschikking van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank, zetelend in kortgeding d.d. 28 februari 2002 bevestigd. Dit arrest werd aan de RSZ betekend op 12 september 2003. Ondertussen had appellante de RSZ opnieuw gedagvaard voor de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank zetelend in kortgeding omdat de RSZ een attest, met als datum 19 maart 2002, had afgeleverd met de vermelding dat appellante de betalingsvoorwaarden van de schuld niet had nageleefd. Aangezien de RSZ op 3 april 2002 een verbeterend attest afleverde waarin de gewraakte mededeling niet voorkwam maar dat weliswaar gedateerd was op 19 maart 2002, werd in de beschikking d.d. 10 april 2002 van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank zetelend in kortgeding enkel nog uitspraak gedaan over de kosten. Als reactie op een rekeninguittreksel dat door de RSZ werd overgemaakt op 4 december 2003 aan appellante, ontkende deze laatste in haar brief van 18 december 2003 bijdragen verschuldigd te zijn en stelde zij tegelijkertijd de RSZ in gebreke om de dwangsommen ter waarde van 800.000 EUR te betalen, minstens te compenseren met de openstaande vorderingen inzake verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen. De RSZ gaf hieraan geen gevolg en bracht verschillende dagvaardingen uit lastens appellante. Met exploot betekend door de gerechtsdeurwaarder op 6 februari 2004 op verzoek van appellante werd een bevel tot betalen gegeven aan de RSZ betreffende ondermeer de volgens haar voor de periode van 13 september 2003 tot en met 8 oktober 2003 verschuldigde dwangsommen ten bedrage van 650.000,00 EUR. Op 9 april 2004 werd door de RSZ verzet aangetekend tegen dit bevel tot betalen, bezwaar dat aldus aanhangig werd gemaakt bij de Beslagrechter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Een nieuw bevel tot betalen werd op 11 oktober 2004 betekend aan de RSZ betreffende ondermeer de volgens haar voor de periode van 18 februari 2004 tot en met 7 oktober 2004 verschuldigde dwangsommen ten bedrage van 5.800.000,00 EUR. Op 9 november 2004 werd door de RSZ verzet aangetekend tegen ook dit bevel tot betalen, bezwaar dat aldus eveneens aanhangig werd gemaakt bij de Beslagrechter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. In beide zaken betwist de RSZ de dwangsommen waarvan sprake verschuldigd te zijn. Deze door de RSZ aanhangig gemaakte bezwaren zijn nog steeds niet in staat gesteld en gepleit, zodat de Beslagrechter nog geen uitspraak heeft kunnen doen. Volledigheidshalve dient nog vermeld te worden dat de N.V. CHAMPAGNE SERVICE bij notariële akte van 1 september 2005 (B.S. 12 september 2005) werd ontbonden en dat de N.V. ECOPUR als vereffenaar werd aangesteld. PROCESVERLOOP Met dagvaarding d.d. 23 maart 2000 vorderde de RSZ vanwege huidig appellante de betaling van 2.074.723 BEF of 51.431,04 EUR, meer de verwijlintresten op 1.857.546 BEF of 46.047,36 EUR vanaf 28 januari 2000 tot de dag van gehele betaling, meer ook de gerechtskosten. Deze vordering was gesteund op het rekeninguittreksel afgesloten op 27 januari 2000, welke betrekking had op de gewone bijdragen, meer de bijdrageopslagen en de intresten, verschuldigd voor het 3de kwartaal 1999. Bij besluiten van 15 oktober 2004, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 15 oktober 2004 werd door huidig appellante, enerzijds, de onbevoegdheid van de Arbeidsrechtbank om kennis te nemen van deze vordering opgeworpen en werd de verzending gevraagd naar de Rechtbank van koophandel te Hasselt en, anderzijds, voorgehouden dat de vordering van de RSZ ongegrond was, of, in ondergeschikte orde, minstens ingevolge wettelijke schuldvergelijking is uitgedoofd of alleszins, in uiterst ondergeschikte orde, in het kader van een tegeneis waarbij enkel gesteld wordt dat de RSZ op dat ogenblik omwille van de dwangsommen waartoe hij veroordeeld is een bedrag verschuldigd is dat ruimschoots de door hem gevorderde sommen overschrijdt, de gerechtelijke schuldvergelijking moet toegestaan worden. Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie bij de Arbeidsrechtbank te Hasselt neergelegd ter griffie van voormelde Arbeidsrechtbank op 2 mei 2005. Bij eindvonnis van 13 juli 2005 verklaarde de eerste rechter de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond. Veroordeelde huidig appellante tot betaling aan de RSZ van het bedrag van 51.431,04 EUR, te vermeerderen met de intresten aan het wettelijk tarief op 46.047,36 EUR vanaf 28 januari 2000 tot de algehele betaling. De eerste rechter verklaarde de tegeneis ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde appellante tot de kosten van het geding. Met verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit Hof op 17 augustus 2005, tekende N.V., appellante, hoger beroep aan tegen alle beschikkingen van het vonnis a quo. Bij besluiten, neergelegd ter griffie van dit Hof op 28 juni 2006, tekende geïntimeerde incidenteel hoger beroep aan tegen het vonnis a quo in de mate dat daarin de oorspronkelijke tegenvordering houdende compensatie ontvankelijk werd verklaard. De RSZ is immers de mening toegedaan dat de tegenvordering van huidig appellante onontvankelijk, minstens ongegrond had moeten verklaard worden door de eerste rechter. Voor het overige vraagt geïntimeerde de bevestiging van het vonnis a quo. POSTULERINGEN VAN PARTIJEN Appellante postuleert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Derhalve het bestreden vonnis teniet te doen en, opnieuw wijzende: Te zeggen voor recht dat de oorspronkelijke vordering van de RSZ ongegrond is. Ondergeschikt, minstens vast te stellen dat de door de RSZ gevorderde sociale zekerheidsbijdragen, de bijdrageopslagen en intresten door compensatie met de aan de appellante verschuldigde dwangsommen teniet zijn gegaan derhalve niet verschuldigd zijn bij gebreke van het bestaan van een schuld. Nog meer ondergeschikt, in de mate dat het Hof zou oordelen dat de vordering van de RSZ gegrond is, de compensatie met de door de RSZ verschuldigde dwangsommen toe te staan. Tevens de RSZ te veroordelen tot de kosten van het geding. Geïntimeerde postuleert het hoger beroep onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. Het incidenteel beroep tegen het vonnis a quo in zoverre de tegenvordering houdende compensatie ontvankelijk wordt verklaard, ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens het vonnis d.d. 13 juli 2005 deels te bevestigen en aldus de initiële vordering in hoofde van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond te verklaren zoals de eerste rechter heeft gedaan. De vordering op tegeneis onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren. Appellante te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten. MOTIVERING - BEOORDELING BEVOEGDHEID 1.1. Het Hof stelt in casu in essentie vast dat de RSZ appellante initieel heeft gedagvaard voor de Arbeidsrechtbank om betaling te bekomen van sociale zekerheidsbijdragen en appellante als verweer tegen de verschuldigdheid van deze gevorderde bijdragen opwerpt, dat de schuld aan bijdragen door de schuldvergelijking van rechtswege teniet ging. In limine litis verwees appellante naar art. 574, 2° Ger.W.: "De rechtbank van koophandel neemt [...] kennis: (...) 2° van vorderingen en geschillen rechtstreeks ontstaan uit het faillissement, het akkoord en de opschorting van betaling (...) en waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het recht dat het stelsel van het (...) akkoord (...) beheerst." Betwistingen, welke hun rechtstreeks ontstaan vinden in het gerechtelijk akkoord behoren volgens appellante tot de uitsluitende bevoegdheid van de Rechtbank van koophandel. Het bestaan en de grootte van de schuldvordering op zich en in principe is volgens appellante reeds beslecht, voor de Rechtbank van koophandel te Hasselt. De (herneming) van de betwisting in een dagvaarding voor de Arbeidsrechtbank doet volgens appellante geen afbreuk aan het feit dat de betwisting haar rechtstreekse oorsprong in het gerechtelijk akkoord vindt, en dat de oplossing voor de betwisting dient gevonden te worden volgens de wettelijke regels, dwingend van toepassing bepaald voor het gerechtelijk akkoord. 1.2. De enkele verwijzing naar de bevoegdheid van de Arbeidsrechtbank inzake vorderingen tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen, doet volgens appellante geen afbreuk. Appellante verzoekt het Hof de onbevoegdheid van de arbeidsgerechten en de verzending van onderhavig geding naar de Rechtbank van koophandel te Hasselt uit te spreken. De Arbeidsrechtbank heeft zich naar het oordeel van het Hof terecht bevoegd verklaard uitspraak te doen over deze vordering, stellende dat de vordering geenszins de betwisting aangaande de vorm of de inhoud van een gerechtelijk akkoord betreft. Het geschil handelt over de vordering strekkende tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen waarvoor de arbeidsgerechten bevoegd zijn krachtens art. 580, 1° Ger.W. De bevoegdheidsgrond van art. 580, 1° Ger. W. is afgebakend en verleent aan de Arbeidsrechtbank de bevoegdheid om kennis te nemen van een geschil betreffende de werkgeversverplichting, opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid, waarbij de werkgever bijdrageopslagen en verwijlintresten rechtstreeks krachtens de wet verschuldigd is en de RSZ de betaling ervan vordert; niet de beoordeling van de discretionaire beslissing van de RSZ de bijdrageopslagen en de verwijlintresten al dan niet op te vorderen (Cass. 12 september 2005, Nr. S.05.0006.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050912.6, J.T.T. 2005, 457). De verschuldigdheid van de door de RSZ gevorderde sociale zekerheidsbijdragen (exclusief bijdrageopslagen en intresten) wordt op zich niet betwist door appellante. Met uitzondering van de regularisatiebijdragen ten bedrage van 204,58 EUR, betreft het overigens bijdragen die verschuldigd zijn op basis van de eigen aangifte van appellante. Het gerechtelijk akkoord en het daarin voorziene herstelplan vormt naar het oordeel van het Hof geen beletsel om uitspraak te doen over de gevorderde sociale zekerheidsbijdragen. 1.3. De RSZ stelt dat de ingestelde "tegeneis" betreffende de verbeurdverklaring van dwangsommen, ingesteld voor de Arbeidsrechtbank die uitspraak moet doen over het geschil ten gronde betreffende de achterstallige bijdragen, opslagen en intresten, onontvankelijk is wegens onbevoegdheid van de Arbeidsrechtbank. Volgens de RSZ is de Beslagrechter bevoegd om uitspraak te doen omtrent executiegeschillen. "Oordelen over de al dan niet verbeurdverklaring van dwangsommen in uitvoering van een vonnis waarbij de dwangsom wordt toegekend behoort enkel en alleen tot de bevoegdheid van de Beslagrechter." Aangezien de beoordeling van de bevoegdheid ratione materiae de openbare orde raakt, gaat het Hof hierop verder in en meent dat de arbeidsgerechten in casu bevoegd zijn om kennis te nemen, zowel van de hoofdvordering als van de ingestelde tegeneis, omdat de tegeneis, onlosmakelijk en inherent verbonden is aan het verweer dat wordt gevoerd tegen de hoofdeis (cf. infra). Alhoewel de verbeurdverklaring van dwangsommen en het juridisch dispuut hieromtrent in principe tot de bevoegdheid van de Beslagrechter behoren, wordt de Arbeidsrechtbank bevoegd om kennis te nemen van het dispuut inzake de verbeurdverklaring van de dwangsommen, gezien dit juist het (enige) verweer (geen tegenvordering) uitmaakt dat door appellante wordt gevoerd, (cf. infra). Het Gerechtelijk Wetboek stelt als regel dat de rechter van de vordering ook de rechter is van de exceptie. De regel 'le juge de l'action est juge de l'exception' is logisch te verantwoorden. Het is een regel van gezond verstand. Hij gaat terug tot het Romeins Recht. De rechter, die de gegrondheid van de vordering onderzoekt, kan dit slechts mits rekening te houden met de verweermiddelen van de verweerder. Teneinde de eenheid van het geding te handhaven, is dan ook vereist dat hij kennis neemt van alle kwesties die tijdens het geding worden opgeworpen: ne continentia causac dividatur (Perezius, Praelectiones in duodeum libres Codices lib III, til. I, nr. 9). De term exceptie moet ruim worden opgevat. Hij omvat niet alleen de excepties van procedurele aard, maar ook alle verweermiddelen ten gronde en de middelen betreffende de ontvankelijkheid of de toelaatbaarheid van de rechtsvordering. (Sociaal Procesrecht, J. PETIT, De volstrekte bevoegdheid van de Arbeidsrechtbank, afd. V, uitbreiding van bevoegdheid, p. 265). Het kan niet betwist worden dat het tot de exclusieve bevoegdheid van de Arbeidsrechtbank behoort om te oordelen over vorderingen strekkende tot de betaling van sociale zekerheidsbijdragen (art. 580, 1° - 3° Ger.W.). Dit betekent niet alleen dat de Arbeidsrechtbank kan kennis nemen van de eis tot betaling van de sociale zekerheidsbijdragen, dit betekent eveneens dat de Arbeidsrechtbank ook van ieder verweer, van welke aard dit ook moge zijn, kan kennis nemen, teneinde dit verweer op haar juridische en materiële omvang te beoordelen. Het algemeen rechtsbeginsel dat eis en verweer door de aangezochte rechter moet beoordeeld worden, ook al behoort dit verweer op zich niet tot de bevoegdheid van de aangezochte rechter, werd reeds meermaals in de rechtspraak bevestigd (Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, losbladig, artikelen 563 - 566, 3). Er werd meermaals in de rechtspraak bevestigd dat een verweer - tegeneis gesteund op grond van artikel 1382 B.W. door de Arbeidsrechtbank kan en moet behandeld worden, indien het verweer of de tegeneis verband houdt met de initieel ingestelde hoofdeis. Meer specifiek inzake zulke aansprakelijkheidsvordering bestaat er duidelijke rechtspraak (Arbrb. Hoei, 7 februari 1992, J.T.T. 1992, 416). De rechtbank die bevoegd is om uitspraak te doen over de bij haar ingeleide eis, is derhalve in de regel ook bevoegd om kennis te nemen van de verweermiddelen, zelfs wanneer deze punten opwerpen, die niet tot haar bevoegdheid behoren als zij afzonderlijk bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt en het voorwerp van onderscheiden eisen zouden moeten maken (FETTWEISS, A., Bevoegdheid, 79, nr. 124). Het Hof treedt deze rechtspraak bij, alsook de rechtsleer waarin gesteld wordt dat de Arbeidsrechtbank bevoegd is om kennis te nemen van een aansprakelijkheidsvordering ingesteld door de schuldenaar van de RSZ - bijdragen tegen de RSZ wegens mededeling aan derden van verkeerde inlichtingen nopens het bedrag van de bijdrageschuld. (Sociaal Procesrecht, J. PETIT, De Volstrekte Bevoegdheid van de Arbeidsrechtbank, afd. 3 § 10 nr. 530, pag. 566). Vooral deze laatste paragraaf rechtsleer leunt bijzonder dicht aan bij de onderhavig te beoordelen casus, zodat moet worden besloten dat de Arbeidsrechtbank in casu wel degelijk bevoegd is om kennis te nemen van zowel de hoofdvordering als van het verweer. Dat door geïntimeerde verzet aangetekend werd, waardoor de bezwaren tegen deze twee bevelen tot betalen aanhangig werden gemaakt bij de Beslagrechter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, doet geen afbreuk aan deze zienswijze. De beschikking waarbij de hoofdveroordeling onder verbeurte van een dwangsom ook de titel vormt op basis waarvan de betaling van de verschuldigde dwangsom kan uitgevoerd worden, alsmede het verzet dat tegen de uitvoering wordt ingesteld betreffen een geschil over de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten dat principieel op grond van artikel 569, lid 1, 5° van het Gerechtelijk Wetboek tot de uitsluitende bevoegdheid van de Rechtbank van eerste aanleg (de Beslagrechter) behoort. In geval van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging van een vonnis dat een dwangsom oplegt, behoort het aan de Beslagrechter te bepalen of de voorwaarden voor die dwangsom vervuld zijn (Cass. 10 november 2005, A.R. nr. C.04.0020.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051110.8, www.cass.be). Het is ook de Beslagrechter die de berekeningswijze van de dwangsom alsdan kan vastleggen (LAENENS, J., "Overzicht van rechtspraak: de bevoegdheid (1979-1992)", T.P.R. 1993, p. 1525-1526 (nr. 69)). Dat het geschil inzake de betaling van de dwangsommen (verschuldigd sinds 18 februari 2004) aanhangig werd gemaakt bij de Beslagrechter, heeft naar het oordeel van het Hof niet tot gevolg dat in afwachting daarvan de uitspraak over de vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot betaling van de sociale zekerheidsbijdragen opgeschort zou dienen te worden. Het Hof werd eerder gevat door een hoofdvordering tot betaling van RSZ - bijdragen met als verweer door appellante vanaf 18 februari 2004 op basis van dwangsommen welke voorzien werden in de beschikking van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt zetelend in kortgeding van 28 februari 2002. TEN GRONDE 2. De RSZ heeft een aangifte van schuldvordering ingediend in het gerechtelijk akkoord. Deze vordering werd volgens appellante aanvaard in het passief, het herstelplan werd ondertussen volledig nageleefd, zodat de schulden zijn voldaan. Door de huidige procedure poogt volgens appellante de RSZ een tweede titel te verkrijgen voor dezelfde bijdragen. Het instellen van een tweede procedure kan niet ertoe leiden dat de RSZ over een bijkomende titel en uitvoeringsmodaliteit zou beschikken, die hem onrechtmatige voordelen, tegen het gerechtelijk akkoord in, zou toekennen. Naar het oordeel van het Hof behoudt evenwel een schuldeiser tijdens het gerechtelijk akkoord het recht om nog verder een uitvoerbare titel te verkrijgen ten laste van de schuldenaar en het bekomen van een uitvoerbare titel is hier, in deze procedure voor de arbeidsgerechten, niet aan beperkingen onderhevig. Ten overvloede merkt het Hof op dat het gegeven dat appellante als eisende partij bij de eventuele tenuitvoerlegging van de titel die hij kan bekomen beperkingen zou kunnen ondervinden in functie van een mogelijk bij de Rechtbank van koophandel voorzien gerechtelijk akkoord op ogenblik van huidige procedure geen beletsel vormt noch in feite noch in rechte voor de bevestiging alsmede de afgifte van de uitvoerbare titel zelf door de arbeidsgerechten. 3. De afsluiting van de procedure inzake opschorting van betaling betekent volgens appellante dat: "tenzij het plan anders bepaalt, (...) de schuldenaar volledig en definitief bevrijd (
- is)door de uitvoering van het akkoord voor alle erin opgenomen schuldvorderingen" (Art. 35, derde lid Gerechtelijk Akkoord en zie H. BRAECKMANS e.a., (eds) Faillissement en het Gerechtelijk Akkoord, het Nieuwe Recht, Antwerpen, Kluwer, 1998, 51). Appellante steunt zich op het vonnis van 4 januari 2002. De RSZ heeft de vordering waarvoor hij de huidige procedure inleidde reeds ingediend in het gerechtelijk akkoord. Deze werd opgenomen in het plan, dat ondertussen is afgesloten. Aldus heeft de RSZ in de eerste plaats zelf aangetoond dat het om een schuld buiten het gerechtelijk akkoord gaat. Bovendien is appellante voor deze schuld definitief bevrijd. De RSZ handhaaft de argumentatie dat de opschorting van betaling slechts effect heeft voor de schulden die reeds bestaan op het ogenblik van de opschorting, wat niet het geval zou zijn voor de sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd voor het derde kwartaal van 1999. De schuld zou een nieuwe schuld zijn. De vervaldatum, inningregels of zelfs inningplicht van een bepaalde vordering zijn niet gelijk te stellen met het ontstaan van de vordering. Alleszins fixeert het gerechtelijk akkoord de vorderingen, op de datum van het vonnis waarbij de opschorting toegestaan wordt: - de voor deze datum bestaande vorderingen ondergaan de opschorting, en de werking van het herstelplan na goedkeuring; - de na deze datum, op de wettelijke voorziene en volgens de bevoegdheden zoals in het vonnis waarbij de opschorting toegestaan wordt aangegane verbintenissen, zijn schulden van het akkoord, met name boedelschulden. (H. BRAECKMANS e.a., Faillissement en het Gerechtelijk Akkoord, het Nieuwe Recht, Kluwer 1998, 380 en vlg.; M. TISON, Schuldeisers en het gerechtelijk akkoord, Gent, Story Gandaius Actueel, 163 en vlg., A. ZENNER, Dépistage, Faillites et Concordats, Larcier, nrs. 1329 en vlg.) De RSZ beschikt terzake niet over recht op voorkeurbehandeling en dient zich te onderwerpen aan de rechtsregels en de werking van het herstelplan, zodat de verbintenis tot het verrichten van inhoudingen en betaling van sociale zekerheidsbijdragen kleeft aan de tewerkstelling van personeelsleden. Verder heeft dit tot gevolg dat door de tewerkstelling de werkgever gehouden is tot betaling. De inning door de RSZ gebeurt in kwartaal-opeisingen; de inningwijze, datum vanaf dewelke tot effectieve opeising c.q. berekening en aanrekening van intresten en eventuele boetes wordt overgegaan, brengt geen postdatering van de verbintenis mee. Het opeisen, c.q. opeisbaarheid van een vordering verlaat het ontstaan van de vordering niet. Er anders over oordelen zou niet stroken met het doel van het gerechtelijk akkoord, dat een tijdelijke bescherming tegen schuldeisers inhoudt. Aanvaarden dat schulden die reeds bestaan maar pas opeisbaar worden na het opstellen van het herstelplan als nieuwe schulden worden beschouwd, ondermijnt die doelstelling en aldus het gerechtelijk akkoord. 4.1. In ondergeschikte orde hanteert appellante in de argumentatie de compensatie of (gerechtelijke) schuldvergelijking met reeds veroordeelde en verschuldigde dwangsommen. 4.2. Niettegenstaande het herstelplan (cf. supra) bindend werd verklaard voor alle schuldeisers, inclusief de RSZ, en door appellante binnen de gestelde termijn uitgevoerd werd, bleef de RSZ de niet-terugbetaalde 40 % waarvoor in het kader van het goedgekeurde en definitief geworden herstelplan kwijtschelding was verleend, beschouwen als een verschuldigde en openstaande vordering en als dusdanig ook vermelden op de rekeninguittreksels en ook in de officiële kennisgevingen op haar website en attesten voor openbare aanbestedingen. De RSZ weigerde ook een attest van principiële betwisting af te leveren. Bovendien gaf zij via het Ministerie van Sociale Voorzorg aan de Registratiecommissie van Limburg door dat appellante een openstaande schuld zou hebben, waarvoor geen afbetalingsplan zou bestaan. De RSZ hield op een foutieve wijze, contra de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur geen rekening met het goedgekeurde herstelplan in het kader van het toegestane gerechtelijk akkoord en met de vonnissen van de Rechtbank van koophandel te Hasselt van 1 februari 2002, waarbij het gerechtelijk akkoord afgesloten werd. Hierdoor werd appellante (b.v. bij openbare aanbestedingen) als RSZ - schuldenaar gekwalificeerd ... (vergelijk Arbh. Antwerpen, 14 september 2005, Soc. Kron. 2006, 300). Het is evident in de economische sector waarin appellante actief was, dat dit gevolgen had en meegespeeld heeft in de verdere evolutie (cf. infra sub 4.3.3.). Het rechtszekerheidsbeginsel in het kader van de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur dient nageleefd (A. Van Looveren, "Algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de sociale zekerheid" in "Actuele problemen van het sociale zekerheidsrecht", 5, Die Keure, Brugge, 1999; DE JAEGER Denise, "Rechtsbescherming tegen overheidsoptreden: toetsingsrecht en bevoegdheid van de arbeidsgerechten", R.W. 1984-1985, 1185-1222). De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die bindend zijn voor de RSZ, sluiten het recht op rechtszekerheid in, dat onder meer inhoudt dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- en beleidsregel krachtens welke de openbare diensten de door hen bij de burger gewekte gerechtvaardigde verwachtingen moeten inlossen; de toepassing van die beginselen kan in de regel evenwel geen afwijking van de wet rechtvaardigen (Cass. 29 november 2004, Soc. Kron., 2005, 9). Het Hof merkt op dat dienaangaande de bewijslast bij het openbaar bestuur berust. 4.3.1. In dat verband wenst het Hof even in te gaan op de voor deze rubriek relevante historiek, aangezien appellante bij dagvaarding in kort geding van 6 februari 2002 vorderde dat aan de RSZ verbod zou opgelegd worden "om in alle officiële attesten, mededelingen en publicaties, zowel per schrift, via website of internet of op welke wijze ook, melding te maken van haar beweerde schuldvordering in zoverre deze betrekking heeft op de periode voorafgaand aan het gerechtelijk akkoord, minstens hierin melding te maken van het betwist karakter van de beweerde vordering, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 euro per dag vertraging of per dag dat er geen gevolg gegeven wordt aan de tussen te komen beschikking en dit vanaf 24 uren na de uitspraak van het tussen te komen vonnis." Deze vordering werd bij beschikking van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt, zetelend in kort geding, van 28 februari 2002 ontvankelijk en gegrond verklaard, en deze beschikking legde de RSZ verbod op melding te maken van zijn beweerde schuldvordering in alle officiële attesten, mededelingen en publicaties, zowel per geschrift, via website of internet of op welke wijze ook, in zoverre deze schuldvordering betrekking heeft op de periode voorafgaand aan het gerechtelijk akkoord, minstens hierin melding te maken van het betwist karakter van de beweerde vordering, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 euro per dag vertraging of per dag dat er geen gevolg gegeven wordt aan de tussen te komen beschikking en dit vanaf 24 uren na uitspraak van de tussen te komen beschikking. Bij arrest van dit Hof van 9 juli 2003 werd deze beschikking van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 28 februari 2002 bevestigd (stuk 2 appellante) en het Hof wenst ten deze expliciet te verwijzen naar het gezag van gewijsde van dit arrest en de motiveringen. Dit arrest werd betekend op 12 september 2003 (stuk 16 appellante). Dat arrest komt er na de dagvaarding van 27 maart 2002 (stuk 7b appellante), waarin appellante de RSZ dagvaardde omdat deze weigerde een attest af te leveren zonder de vermelding dat appellante de betalingsvoorwaarden van de schuld niet naleefde. Pas na deze dagvaarding leverde de RSZ op 3 april 2002 een aangepast attest af, (stuk 7c appellante) geantidateerd op 19 maart 2002 (stukken 7 appellante). In de beschikking van 10 april 2002 van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt (stuk 22 appellante) op de dagvaarding van 27 maart 2002 wordt alleen uitspraak gedaan over de kosten. In het latere arrest van 10 juli 2003 bevestigt het Arbeidshof dat pas na de tweede dagvaarding, op 3 april 2002, een verbeterd attest werd afgeleverd, geantidateerd op 19 maart 2002, en stelt het aldus de fout van de RSZ in beroep vast bij de aflevering van het attest met vermelding dat de betalingsvoorwaarden niet worden nageleefd. 4.3.2. Appellante houdt (terecht) voor dat de RSZ de beschikking van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt niet naleeft, door de volgende vermeldingen en voor de volgende periodes en dit op basis van de volgende stukken: - voor de periode van 2 maart 2002 t.e.m. 3 april 2002 (zie stukken 23, 7a-d appellante, en zie de overwegingen van het Arbeidshof in het arrest van 9 juli 2003, blz. 11, nr. 2.20, stuk 2 appellante); - de vermelding van de RSZ als een aannemer met inhoudingsplicht nog op de website van de RSZ van 23 augustus 2003 (stuk 5 appellante); - voor de periode van 13 september 2003 t.e.m. minstens 9 oktober 2003 (zie stuk 6 appellante); - door vermelding van voorgehouden schulden van vóór het concordaat op een rekeninguittreksel van 2 december 2003 (stuk 8 appellante, deze rekeninguittreksels zijn ook de basis voor alle attesten en publicaties van de RSZ, zie toelichting hieronder in het randnummer 10); - door vermelding van voorgehouden schulden van vóór het concordaat op een rekeninguittreksel van 13 februari 2004 (stuk 9 appellante, deze rekeninguittreksels zijn ook de basis voor alle attesten en publicaties van de RSZ, zie toelichting hieronder in randnummer 9); - voor de periode van minstens 16 februari 2004 tot 25 februari 2004 (zie stuk 10 appellante); - voor de periode van minstens 25 februari 2004 tot minstens 27 mei 2004, en wellicht tot op heden (zie stuk 11 appellante); - en zelfs tot 4 augustus 2005, door de vermelding van appellante als een aannemer met inhoudingsplicht (stuk 24 appellante). Verder stelt appellante dat, aangezien door de van rechtswege optredende schuldvergelijking appellante op geen enkel ogenblik sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd was aan de RSZ, is in wezen elke bekendmaking van enige schuld sinds 1 maart 2002 - datum van de betekening van de beschikking van 28 februari 2002 - een inbreuk op die beschikking die de dwangsom van 25.000 EUR/dag verschuldigd maakt. Dat de inbreuken op de beschikking flagrant zijn, blijkt reeds uit de nadere toelichting bij de eerste inbreuk, voor de periode van 2 maart 2002 tot 2 april 2002. De beschikking van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt werd op 1 maart 2002 aan de RSZ betekend. Op dat ogenblik werd appellante als schuldenaar beschouwd en is er aldus vanaf de betekening een inbreuk op de beschikking waardoor de dwangsom van 25.000 EUR per dag verschuldigd is. Op 19 maart 2002 werd een attest afgeleverd, waarop appellante als een RSZ - schuldenaar is vermeld, die de betalingen niet naleeft. Aldus wordt de inbreuk voortgezet. Om de aflevering van een correct attest te verkrijgen - en niet om een nuancering van de eerste beschikking te krijgen, die immers voldoende ruim is - dagvaardde appellante opnieuw in kort geding. Pas daarna werd een correct attest afgeleverd, op 3 april 2002, maar ge(anti)dateerd 19 maart 2002. 4.3.3. Het Hof treedt de in feite en in rechte bewezen stelling van appellante bij dat de RSZ, door aldus onder meer via zijn voor het publiek toegankelijke gegevensbank ruime kennis te geven van het feit dat appellante een RSZ - schuldenaar zou zijn, en zulks onder meer ook herhaaldelijk door te geven aan de Registratiecommissie voor de erkenning van aannemers, het voortbestaan zelf van appellante bedreigde. Als bouwonderneming is zij afhankelijk van haar registratie als aannemer om opdrachten te krijgen. Door dit toedoen kan appellante als beweerde RSZ - schuldenaar alvast geen overheidsopdrachten meer binnenkrijgen. Terwijl de Rechtbank van koophandel via de geëigende procedure en na grondig nazicht appellante levensvatbaar achtte en door het gerechtelijk akkoord de kans heeft gegeven voort te werken en voort de aanzienlijke tewerkstelling te behouden heeft de RSZ volhard in haar foutief minstens onzorgvuldig gedrag t.a.v. het voortbestaan zelf van appellante, zodat evident ook de door appellante verschafte tewerkstelling er gevolgen van onderging. Gelet op de eerder reeds aangehaalde bewijslastverdeling dient het Hof ook vast te stellen dat de RSZ geen contra-argumenten of stukken voorbrengt, die de thesis van appellante ontkrachten. Anderzijds is er dienaangaande het rechtsfeit dat de RSZ in zijn verzetten inzake het gerechtelijk akkoord is afgewezen tot op het niveau van het Hof van Cassatie (stuk 14 appellante). Als verklaring voor dit onzorgvuldig gedrag wordt door appellante verwezen naar het feit dat de RSZ niet akkoord zou kunnen gaan met de gewijzigde wetgeving op het gerechtelijk akkoord ... . 4.3.4. Wat ook de intentie was, alleszins kan vastgesteld worden dat appellante het hoofd bijna niet boven water heeft kunnen houden en één van de vennootschappen, Georges Champagne, is effectief failliet gegaan, met verlies van tewerkstelling tot gevolg van 220 werknemers. Appellante stelt dat, doordat appellante vermeld werd als een aannemer met inhoudingsplicht van elke betaling door een opdrachtgever 50 % werd ingehouden, wat de ondernemingscontinuïteit in het gedrang bracht en ervoor zorgde dat de vaste lasten, waaronder de lonen van het personeel niet konden worden voldaan. Door appellante als RSZ - schuldenaar op te nemen in attesten kwam zij niet meer in aanmerking voor overheidsopdrachten, 80 % van haar omzet. Door appellante door te geven aan de Registratiecommissie met als doel de registratie als aannemer te schrappen, zou geïntimeerde verkrijgen dat niemand meer met appellante zou hebben willen werken. 4.3.5. Ook de vermelding op 23 augustus 2003 op de website van de RSZ als aannemer waarvoor de inhoudingsplicht geldt, kan naar het oordeel van het Hof worden beschouwd als een inbreuk op de beschikking van de Arbeidsrechtbank van 28 februari 2002. De heer Advocaat-generaal huldigt een andere stelling omdat op dat ogenblik de sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd voor het eerste en het tweede kwartaal van 2003 nog niet waren voldaan en die vermelding aldus geen inbreuk zou zijn op het verbod dat gaat over schulden voor de periode voorafgaand aan het gerechtelijk akkoord. Het Hof baseert deze zienswijze op de wettelijke schuldvergelijking, waarvan precies wordt aangetoond dat deze omwille van de openstaande dwangsommen onmiddellijk leidde tot het tenietgaan van de schuld aan sociale zekerheidsbijdragen waarvan de RSZ betaling vordert. Appellante heeft blijkbaar geen openstaande schuld aan sociale zekerheidsbijdragen gehad voor de kwartalen vanaf 1 maart 2002 (datum van de betekening van de beschikking van de Arbeidsrechtbank van 28 februari 2002). De loutere bewering van de RSZ dat de vermelding op de website op die beweerde schulden betrekking zou hebben gehad, wordt door het Hof niet bijgetreden aangezien deze schulden waren tenietgegaan door de schuldvergelijking (cf. infra). De aangehaalde loutere bewering van de RSZ wordt daarenboven tegengesproken door eigen stukken. Ook na de vermelding op de website op 23 augustus 2003 stelde de RSZ blijkbaar rekeninguittreksels op, waarop schulden voorkomen dagtekenend van vóór het gerechtelijk akkoord, en met name startend in het eerste kwartaal van 1998 (zie stuk 8 appellante, rekeninguittreksel opgesteld op 2 december 2003, voor de kwartalen 1/98 t.e.m. 2/03). Die rekeninguittreksels vormen de basis voor de andere attesten en kennisgevingen van de RSZ. De vermelding op 2 december 2003 van beweerd openstaande schulden vanaf het eerste kwartaal van 1998 toont ten genoege van recht aan dat de vermelding op de website die daaraan voorafgaat, minstens ook op deze schulden betrekking had. Gekoppeld aan de vaststelling dat het geen betrekking kon hebben op tenietgegane schulden, vormt de vermelding een duidelijke inbreuk op het verbod uit de beschikking van 28 februari 2002. 5. Op 4 december 2003 maakte de RSZ aan appellante een rekeninguittreksel over volgens hetwelk er per 2 december 2003 een totaal bedrag aan bijdragen, bijdrageopslagen en intresten zou verschuldigd zijn van 270.233,40 EUR. Dit rekeninguittreksel heeft betrekking op de periode van het derde kwartaal 1998 tot het derde kwartaal 2003. Bij aangetekend schrijven van 18 december 2003 liet de raadsman van appellante weten dat alleen de gevorderde bedragen voor 2003 opeisbaar zijn. De RSZ werd met dezelfde brief tevens in gebreke gesteld de verschuldigde dwangsommen ten bedrage van 800.000 EUR te betalen, minstens te compenseren met de openstaande RSZ - vorderingen. Tenslotte werd de RSZ gewezen op het feit dat hij in strijd met de beschikking van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 28 februari 2002 en het arrest van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt van 9 juli 2003 handelt wanneer hij de inhoudingen, die in toepassing van art. 30bis plaatsvinden, aanrekent op de betwiste schulden voor de periode tot en met het vierde kwartaal 2001 (stuk 3 appellante: aangetekende brief van Mr. Nulens van 18 december 2003). Met een brief van 6 februari 2004 liet de RSZ weten dat hij aan deze aanmaning geen gevolg kon geven. De opname op het rekeninguittreksel van 2 december 2003 van de voorgehouden schulden van vóór het concordaat kan volgens de heer Advocaat-generaal geen inbreuk zijn op de beschikking van 28 februari 2002 omdat het rekeninguittreksel een intern boekhoudkundig stuk zou zijn dat niet onder het verbod valt. Het Hof stelt dienaangaande vast dat het verbod ruimer geformuleerd werd alsook dat een rekeninguittreksel de basis voor alle vermeldingen vormt en zeker niet als een intern boekhoudkundig stuk kan worden beschouwd. Het reeds geciteerde verbod uit de beschikking van 28 februari 2002 heeft betrekking op "alle officiële attesten, mededelingen en publicaties, zowel per geschrift via website of internet of op welke wijze ook, in zoverre deze betrekking heeft op de periode voorafgaand aan het gerechtelijk akkoord". De beschikking stelt niet als voorwaarde dat het zou gaan om een attest of mededeling gericht aan derden. "Officieel" betekent "0.1 erkend door, uitgaand van het bevoegd gezag, ambtelijk -> echt, wettig 0.2 formeel, vormelijk" (Van Dale Groot Woordenboek Nederlands). Het rekeninguittreksel dient naar het oordeel van het Hof gekwalificeerd te worden als een officieel document, uitgaande van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, een officiële instantie, een openbare instelling, en geen louter intern boekhoudkundig stuk, aangezien het aan appellante werd gericht, waardoor het geen intern boekhoudkundig stuk meer is, aangezien het van de openbare instelling (RSZ) naar een rechtsonderhorige werd gezonden (appellante). Een intern stuk is naar het oordeel van het Hof immers een stuk, dat de openbare instelling niet verlaat. De RSZ hanteert de rekeninguittreksels precies als stukken waarop de RSZ zelf mededelingen aan derden en zijn website baseert; rekeninguittreksel aldus wel bestemd voor gebruik t.a.v. derden en is het niet naleven van de beschikking in een rekeninguittreksel een inbreuk daarop. De RSZ voegt bij een dagvaarding wegens (beweerd) verschuldigde bijdragen de rekeninguittreksels als motivering van de dagvaarding en als integrerend deel van de dagvaarding (Arbh. Antwerpen, 11 februari 2005, R.W. 2005-06, 1428). Een rekeninguittreksel valt aldus om die redenen binnen de draagwijdte van het verbod opgelegd door de beschikking van de Arbeidsrechtbank van 28 februari 2002, bevestigd in beroep. De overtreding van het verbod door het rekeninguittreksel van 3 december 2003 wordt niet verder betwist. 6. De Arbeidsrechtbank is exclusief bevoegd om te oordelen over vorderingen strekkende tot de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen (art. 580, 1° Ger.W.; cf. supra). De arbeidsgerechten zijn evenzeer bevoegd om kennis te nemen en te oordelen over het verweer dat daartegen wordt ingeroepen, in casu de schuldvergelijking. Indien beide schulden vaststaand en opeisbaar zijn, dan speelt er ten gunste van géén van partijen nog een termijn, en is er geen verdere handeling nodig. Daarom spreekt men van wettelijke schuldvergelijking. Traditioneel zegt men dat de schuldvergelijking van rechtswege intreedt ("wettelijke schuldvergelijking": ipso iure compensatur) (art. 1289-1290 B.W.). Dit moet echter genuanceerd worden: - een partij kan wel afstand doen van de schuldvergelijking; dan wordt deze geacht nooit te zijn ingetreden (vgl. DE PAGE, Traité, III nr. 619; Cass. 19 februari 1979, Pas. I, 722; Hof Gent 18 mei 1994, R.W. 1994-95, 1197 noot E. DIRIX, "Afstand van de bevoegdheid tot compensatie"; Hof Antwerpen 10 maart 1997, R.W. 1997-98, 1024; Hof Brussel 6 oktober 1998, J.L.M.B. 2000, 1326); - schuldvergelijking treedt maar in indien (niet: wanneer) een van de partijen ze inroept (DE PAGE, Traité III, p. 594-595, nr. 619; F. LAURENT, p. 306 nr. 481). Wel is het zo dat indien de schuldvergelijking wordt ingeroepen, ze terugwerkt tot op het ogenblik waarop aan de wettelijke vereisten was voldaan (Hof Bergen 13 februari 2003, J.T. 2004, 764. Vgl. DE PAGE, Traité III, nr. 619) - ook indien er intussen reeds een samenloop zou zijn ontstaan, of de eigen schuldvordering intussen zou zijn verjaard, tenzij er afstand was gedaan van de schuldvergelijking. In de praktijk en ook in casu wordt de wettelijke schuldvergelijking immers bij wijze van exceptie of verweer ingeroepen nadat de wederpartij nakoming vordert. Voor de afstand gelden de criteria van het gemeen recht; het aangeven van de actieve vordering in het faillissement geldt niet als afstand van de reeds ingetreden wettelijke schuldvergelijking (Hof Gent 14 december 2000, T.B.H. 2001, 542; Hof Antwerpen, 10 maart 1997; Hof Luik 18 december 1997, T.B.H. 1998, 251 met noot DERIJCKE; Kh. Kortrijk 21 mei 2001, R.W. 2002-2003, 311; E. DIRIX, "Afstand van bevoegdheid tot compensatie", R.W. 1994-95, 1197; DIRIX, Overzicht, T.P.R. 2004, nr. 68; Kh. Gent 25 juni 1998, T.B.H. 1999, 348). Betaling van de actieve schuldvordering houdt wel afstand in. Appellante stelt dat zij de schuldvergelijking niet moet vorderen: deze ontstond volgens haar van rechtswege tussen de beide schulden, zodat appellante de schuldvergelijking aanvoert als verweer (Cass. 24 april 1997, Arr. Cass. 1997, 487, dat stelt dat de schuldvergelijking de schulden uitdooft van rechtswege op het ogenblik dat ze tegelijk bestaan). Appellante werpt de schuldvergelijking correct op als verweer op de oorspronkelijke "hoofdvordering" en dit verweer houdt in dat de bijdragen die worden gevorderd reeds voldaan zijn door de schuldvergelijking die van rechtswege optrad met de openstaande schuld aan dwangsommen. In de rechtspraak wordt bevestigd dat schuldvergelijking een verweer is tegen de hoofdvordering (zie bv. Arbh. Luik 19 januari 1998, J.T.T. (verkort), 439). Het is onmogelijk om dat verweer af te splitsen van de oorspronkelijke eis van de RSZ en de bijdragen toe te kennen, zonder zich uit te spreken over het verweer dat deze voldaan zijn. Naar het oordeel van het Hof kan in casu de bewarende maatregel, bestaande in het betekenen van een bevel tot betaling van de dwangsommen, niet de bevoegdheid aan de Arbeidsrechtbank ontnemen om over het verweer dienaangaande te oordelen. Het Hof volgt de stelling niet dat eerst de RSZ zijn eis zelf voor de Arbeidsrechtbank brengt en dan vervolgens een normaal verweer belet door te stellen dat het gewone verweer niet tot de bevoegdheid van de Arbeidsrechtbank behoort. De weigering van de RSZ om de kwestieuze dwangsommen te betalen, kan immers niet tot gevolg hebben dat de gecompenseerde bijdragen zonder meer aan haar worden toegekend en over het verweer - de compensatie met de dwangsommen - geen uitspraak zou worden gedaan door dit Hof (X, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, losbl. art. 563-566, 3, met verwijzing naar o.a. A. FETTWEISS, Handboek voor gerechtelijk recht, II, Bevoegdheid, 79). De tegenvordering is geen verweermiddel (Cass. 10 april 1978, Arr. Cass. 1978, 918). De partij die beroep doet op de wettelijke schuldvergelijking verweert zich doch stelt geen tegenvordering in (Cass. 25 oktober 1993, Arr. Cass. 1993, 876, noot J. Fl. en J.T.T. 1994, 172). De wettelijke schuldvergelijking (art. 1290 en 1291 B.W.) grijpt plaats uit kracht van wet (Cass. 24 april 1997, Arr. Cass. 1997, 487). Zij wordt voor de rechter ingeroepen die ze enkel kan vaststellen. Zij kan niet het voorwerp zijn van een tegenvordering (Arbh. Bergen 19 februari 1992, T.S.R. 1993, 50, Inf. R.I.Z.I.V. 1992, 329 (wettelijke schuldvergelijking is een verweer). Daar het om een verweer gaat kan de wettelijke schuldvergelijking voor de eerste maal in hoger beroep worden ingeroepen (Arbh. Gent, afd. Brugge 15 september 1997, J.T.T. 1998, 174). De beoordeling van de verjaring van het verweer, dat geen tegenvordering vormt, kan daarenboven niet los van de verjaring van de hoofdvordering bekeken worden (Cass. 17 september 1990, Arr. Cass. 1990-1991, 58; R.W. 1990-1991, 682). De bijzaak volgt de hoofdzaak Aangezien het Hof zonder twijfel materieel bevoegd is t.a.v. de door de RSZ gestelde hoofdvordering is het Hof ook bevoegd te oordelen over het ingeroepen verweer (de wettelijke schuldvergelijking) alsmede de tegenvordering met het oog op het bekomen van schadevergoeding ex artikel 1382 B.W. Met betrekking tot het argument van de RSZ aangaande de onbevoegdheid van dit Hof om te oordelen over het verweer van appellante, gebaseerd op de dwangsommen, verbeurd na eerdere uitspraken van dit Hof van 9 juli 2003, alsmede van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt (zetelend in kortgeding) van 28 februari 2002, argumentering die bijgetreden wordt (wat betreft de bevoegdheid althans) door de heer Advocaat-generaal in zijn schriftelijk advies, meent het Hof derhalve dat de letterlijke bevoegdheidstoewijzing van het Gerechtelijk Wetboek aangaande discussies over dwangsommen, in casu geen toepassing kan vinden omwille van de eerdere adiëring van de hoofdvordering, gesteund op artikel 580, 1° Ger.W., van geïntimeerde de RSZ, van de arbeidsgerechten en dat de loutere aanwending door appellante van de dwangsommen (opgelegd door dezelfde, gevatte arbeidsgerechten) als een louter VERWEER (schuldvergelijking) dient beoordeeld door diezelfde rechtbank. Het feit dat tevens op een later moment de zaak voor de Beslagrechter werd ingeleid (en verder blijkbaar niet benaarstigd) is in de huidige procedure niet van invloed om de materiële bevoegdheid en de rechtsmacht ten deze van dit Hof (en de arbeidsgerechten) te ontkrachten. Ten overvloede verwijst het Hof ook nog naar het gestelde in artikel 1385quinquies Ger. W. 7.1. Aangaande de schuldvergelijking argumenteert appellante dat de vordering van de RSZ is tenietgegaan. De RSZ enerzijds stelt dat de initiële hoofdvordering een vaststaande niet-betwiste schuld betreft. Appellante anderzijds meent bij wege van verweer dat wettelijke schuldvergelijking plaatsvond tussen enerzijds de schuldvordering van de RSZ met betrekking tot de achterstallige bijdragen en anderzijds de schuldvordering van appellante met betrekking tot de dwangsommen uitgesproken bij beschikking van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 28 februari 2002 en bij arrest van het Arbeidshof, afdeling Hasselt van 9 juli 2003. Op basis van het hierna uiteengezette principe in rechte alsmede de concrete toepassing is het Hof van oordeel dat de wederzijdse schulden tussen de gedingvoerende partijen zijn tenietgegaan door schuldvergelijking. WETTELIJK PRINCIPE: Het Hof wenst in rechte te wijzen op de wettelijke voorwaarden, namelijk de artikelen 1289-1299 Burgerlijk Wetboek (verder is er de aard van de dwangsom en de aan een dwangsom verbonden rechtsgevolgen): "Art. 1289. Wanneer twee personen elkaars schuldenaar zijn, heeft tussen hen schuldvergelijking plaats, waardoor de twee schulden teniet gaan, op de wijze en in de gevallen hierna vermeld. Art. 1291. Schuldvergelijking heeft alleen plaats tussen twee schulden die beide tot voorwerp hebben een geldsom of een zekere hoeveelheid vervangbare zaken van dezelfde soort en die beide vaststaande en opeisbaar zijn." De wettelijke schuldvergelijking vereist dus: - twee schuldvorderingen - tussen dezelfde personen - met vervangbare zaken van dezelfde aard of soort tot voorwerp - die opeisbaar zijn - die prompt effen kunnen worden gemaakt. De effenheid van de schuldvordering veronderstelt dat zij zowel wat hun bestaan als hun bedrag betreft, vaststaan. Zodra aan deze voorwaarden is voldaan, is het rechtsgevolg dat de wederzijdse schuldvorderingen - tot beloop van het laagste bedrag - van rechtswege teniet gaan (DIRIX, E. en DE CORTE, R., Zekerheidsrechten, Kluwer, Antwerpen, 1999, 355-360, Cass. 24 april 1997, Arr. Cass. 1997, 487). De schuldvergelijking heeft alsdan van rechtswege plaats uit kracht van de wet, zelfs buiten medeweten van de schuldenaars en dooft de wederzijdse schulden tegelijk uit ten belope van de wederzijdse bedragen (Cass. 25 oktober 1993, Arr. Cass. 1993, 876). Onder verwijzing naar de hierna uitvoerig uitgewerkte motivering in rechte alsmede aangaande het onzorgvuldig handelen van de RSZ (in het licht van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek alsmede de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur) (Kaat LEUS, "Het zorgvuldigheidsbeginsel" in I. OPDEBEEK en M. VAN DAMME (ed.), BEGINSELEN VAN BEHOORLIJK BESTUUR, die Keure, 2006, 101-128 alsook 35-60) is het Hof van oordeel dat (in toepassing van artikel 1289 Burgerlijk Wetboek) de wederzijdse schuldvorderingen ten belope van het laagste bedrag zijn tenietgegaan door schuldvergelijking. Aangezien de geciteerde wettelijke basis geen distinctie of uitzondering voorziet, is het Hof van oordeel dat principieel de schuldvergelijking voor publiekrechtelijke personen wel kan. Niets verzet zich derhalve tegen schuldvergelijking tussen dwangsommen en sociale zekerheidsbijdragen (art. 1293 Burgerlijk Wetboek is in casu niet van toepassing). Zulke uitzondering of zelfs wettelijk beletsel kan ook niet worden afgeleid uit art. 1412bis Ger.W. De eerste rechter verwijst terzijde naar dat artikel. Dat heeft enkel betrekking op beslagbaarheid van goederen en is uitgebreider dan de onmogelijkheid die in verouderde rechtsleer werd aangenomen aangaande de schuldvergelijking inzake belastingen. De vermeende onmogelijkheid van schuldvergelijking met sociale zekerheidsbijdragen in deze zaak kan dan ook onmogelijk naar analogie worden gegrond op art. 1412bis Ger.W., dat in deze zaak niet van toepassing is. De eerste rechter motiveert zijn standpunt inzake de onmogelijkheid van de schuldvergelijking door het verouderde standpunt van Dekkers en De Page, die schreven dat het een niet-wettelijk bepaalde "traditie" is dat schuldvorderingen uit hoofde van belastingen niet voor compensatie vatbaar zijn: "De traditie wil dat er geen compensatie tegen de overheid mag worden ingeroepen voor belastingen." (R. DEKKERS, Handboek burgerlijk recht, II, Brussel, Bruylant, 1971, 338, nr. 601). Ten overvloede wenst het Hof op te merken dat De Page dezelfde "traditie" vermeldt maar beklemtoont dat deze (vermeende) uitzondering die niet in de wet is opgenomen, strikt beperkt is tot belastingen. De recentere auteurs Roothooft en Petit (zie blz. 5 van het vonnis), verwijzen op hun beurt naar Dekkers en De Page. Het Hof volgt de verouderde rechtsleer (enkel een gezaghebbende bron van recht) niet, omdat de rechtsleer handelt over belastingen, en daarenboven deze op zich reeds verouderde rechtsleer zelf ook nog eens teruggrijpt naar de TRADITIE. De "traditionele visie" op de (vermeende) uitzonderingsregimes (onaantastbaarheid van de staat) voor publiekrechtelijke rechtspersonen zijn naar het oordeel van het Hof geëvolueerd. Ofwel gelden de gewone regels zonder uitzondering, ofwel is de uitzondering ondertussen wettelijk vastgelegd (zoals gebeurde inzake beslag met art. 1412bis Ger.W.). Aangezien er wat schuldvergelijking betreft geen wettelijke uitzondering is voorzien op art. 1289 e.v. Burgerlijk Wetboek, gelden de regels inzake schuldvergelijking onverkort (vergelijk Arbh. Brussel 9 juli 1993, Soc. Kron. 1994, 217). Elke uitzondering die op het principe van de rechtswege optredende schuldvergelijking wordt gemaakt, dient restrictief te worden geïnterpreteerd. Aangezien sociale zekerheidsbijdragen evident geen belastingen zijn, treedt het Hof de analogieredenering van de eerste rechter niet bij (cf. ook Burg. Rechtbank Brussel, 13 mei 2005, R.W. 2005-2006, 1066-1072, noot Mineke de Theije). Het Hof wenst uitdrukkelijk een bepaalde verwarring uit te sluiten en is van oordeel dat inderdaad in bepaalde gevallen gerechtelijke schuldvergelijking niet mogelijk is, met een schuld en een schuldvordering van de Staat die niet uitgaan van hetzelfde ministerie. Zowel de Raad van State als het Arbitragehof beklemtonen dat sociale zekerheidsbijdragen geen belasting zijn (Advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State bij het K.B. nr. 36 van 30 maart 1982, B.S. 1 april 1982 en Arbitragehof nr. 14/99, 10 februari 1999, F.J.F. 99/63). Het behoort overigens niet aan de rechterlijke macht om beleids- of opportuniteitsoordelen te vellen aangaande de instroom van gelden voor de financiering van de sociale zekerheid (argumentatie van de RSZ). Het Hof treedt bijgevolg de stelling bij dat de RSZ in rechte geen vordering meer had op appellante. Er vond wettelijke schuldvergelijking plaats tussen enerzijds de schuldvordering van de RSZ m.b.t. achterstallige bijdragen en anderzijds de schuldvordering van appellante m.b.t. de dwangsommen uitgesproken bij beschikking van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 28 februari 2002 en bij arrest van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt van 9 juli 2003 en opgelopen door de dwangsommen. Het Hof stelt bij controle immers vast dat de geciteerde artikelen 1289-1299 Burgerlijk Wetboek toepasbaar zijn: - twee schuldvorderingen of verbintenissen tussen dezelfde personen of rechtssubjecten: Omtrent de vervulling van deze voorwaarde kan er geen discussie bestaan. - beide wederkerige schuldvorderingen hebben vervangbare zaken van dezelfde soort tot voorwerp: Namelijk de betaling van een in euro uitgedrukte geldsom. - beide schuldvorderingen zijn opeisbaar en vaststaand (effen): Appellante erkent de opeisbaarheid en het vaststaand karakter van de schuldvordering van de RSZ m.b.t. de achterstallige bijdragen (jaren 2003 en 2004; regularisatiebijdragen eerste kwartaal 2002 t.e.m. vierde kwartaal 2002), doch ook haar schuldvordering t.a.v. de RSZ vertoont deze kenmerken (Cass. 11 april 1986, R.W. 1987-88, 1424). Artikel 1385bis bepaalt dat de dwangsom niet kan worden verbeurd verklaard vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Wanneer de gerechtelijke beslissing de datum aanduidt vanaf wanneer een dwangsom wordt verbeurd, impliceert dit dat zij noodzakelijkerwijze slechts het startpunt van de dwangsom uitmaakt in de mate dat de begunstigde vóór deze datum is overgegaan tot berekening van deze beslissing. Wanneer de partij die de dwangsom heeft bekomen de beslissing slechts betekend heeft na de datum vanaf dewelke een dwangsom verbeurd kan worden, is het de datum van betekening die bepalend is om de periode een aanvang te laten nemen. De dwangsom wordt verbeurd niettegenstaande ieder verzet of hoger beroep wanneer het vonnis dat ze oplegde uitvoerbaar is bij voorraad. Aangezien de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank in de beschikking d.d. 28 februari 2002 stelde dat vanaf 24 uren na de uitspraak van de beschikking er gevolg moet gegeven worden aan de inhoud van de beschikking zou de dwangsom in principe verbeurd verklaard zijn, met ingang vanaf 1 maart 2002, temeer omdat de gerechtelijke akte uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard. Daar appellante de beschikking betekende op 1 maart 2002 werd de dwangsom verbeurd met ingang vanaf 1 maart 2002. Van zodra een overtreding wordt vastgesteld na de betekening van de beschikking, is de opgelegde dwangsom verworven en heeft de bevoordeligde van de dwangsom een opeisbare titel. Artikel 1385quater bepaalt immers letterlijk "De dwangsom eenmaal verbeurd, komt ten volle toe aan de partij die de veroordeling heeft verkregen. Deze partij kan de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld". De opeisbaarheid van de dwangsom vloeit voort uit de rechterlijke beslissing waarbij zij werd opgelegd. Dit betekent dat tot executie kan worden overgegaan op grond van de titel waarin de dwangsom werd opgelegd. Het Hof van Cassatie liet er bij arrest d.d. 26 juni 1987 geen twijfel over bestaan dat de bevoordeligde van de dwangsom, tot uitvoering kan overgaan van zodra de hoofdveroordeling waaraan de dwangsom werd verbonden, niet werd uitgevoerd (Cass. 26 juni 1987, Arr. Cass. 1986-87, 1480 en Pas. 1987, I 1328). Het Hof van Cassatie voegde er in een cassatiearrest van 3 november 1994 nog aan toe dat het element of de schuldenaar, al dan niet de weloverwogen bedoeling had om het opgelegde verbod te schenden, totaal irrelevant is (Cass. 3 november 1994, Arr. Cass. 1994, 926). Voornoemde cassatierechtspraak maakt duidelijk dat voor de opeisbaarheid van de dwangsom enkel en alleen moet bewezen worden dat de schuldenaar het opgelegde verbod of gebod, heeft geschonden of niet nageleefd. De dwangsom kan immers worden ten uitvoer gelegd krachtens de titel waarbij zij werd vastgesteld. Geen enkele wettelijke bepaling verplicht de partij die de veroordeling onder verbeurte van een dwangsom bekwam, om aan de akte van tenuitvoerlegging van deze veroordeling, een proces-verbaal van vaststelling of van andere stukken m.b.t. de niet-nakoming zou moeten voegen om aan te tonen dat de dwangsommen daadwerkelijk verschuldigd zijn. Het is slechts in geval van betwisting over de materialiteit van de inbreuk van de hoofdveroordeling dat de bevoegde rechter, a posteriori zal beoordelen of de voorwaarden voor het verschuldigd zijn van de dwangsom verenigd zijn. Met betrekking tot de bewijsplicht alsook de concrete bewijslast stelt het Hof vast dat in casu door appellante werd aangetoond dat de RSZ respectievelijk tussen 2 maart 2002 en 2 april 2002, op 15 januari 2004, tussen 2 december 2003 en 18 december 2003, tussen 18 februari 2004 en 25 februari 2004, tussen 25 februari 2004 en 27 mei 2004, de beschikking van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt, heeft geschonden. Verder moet worden vastgesteld dat de toe te kennen dwangsom, de hoofdvordering ruim overstijgt, zodat de schuldvergelijking dient aangenomen te worden voor de totaliteit van de hoofdeis. Schuldvergelijking heeft immers van rechtswege plaats, zonder dat het vereist is om een vordering in die zin in te dienen, omdat schuldvergelijking een verweer tegen de hoofdvordering is en geen vordering. Krachtens artikel 1290 B.W. vernietigen de schulden elkaar ten belope van hun wederkerig bedrag, zonder dat de schuldenaars moeten aantonen dat ze een rechtsvordering hebben ingediend om hun schulden te doen erkennen, voor zover zij zeker, vaststaand en opeisbaar zijn. Het Hof van Cassatie omschreef recent kernachtig "Schuldvergelijking kan beschouwd worden als een tweevoudige, ingekorte betaling, waardoor de wederzijdse verbintenissen tenietgaan tot beloop van de laagste ervan" (Cass. AR C.01.0528.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030626.7, 26 juni 2003, R.W. 2003-2004, 1419). 7.2. Minstens moet worden vastgesteld dat aan de voorwaarden voor een schuldvergelijking is voldaan en moet deze worden uitgesproken. 7.3. TOEPASSING In zijn schriftelijk advies stelt de heer Advocaat-generaal terecht vast dat door partijen betwist wordt of de verbintenis waarop appellante zich steunt, met name deze tot betaling van de dwangsommen vastgesteld bij beschikking van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt, zetelend in kort geding van 28 februari 2002 en bevestigd bij arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 9 juli 2003, effen of vaststaand en opeisbaar waren op het ogenblik van de schuldvergelijking. Als uitgangspunt voor de beoordeling herinnert het Openbaar Ministerie eraan dat de dwangsom een vaststaande en opeisbare schuldvordering is van zodra kan worden besloten dat de in de beslissing vastgestelde voorwaarden voor verbeurdverklaring van de dwangsom gerealiseerd zijn. M.b.t. de verschillende inbreuken die appellante als grond voor haar schuldvordering m.b.t. de dwangsommen heeft aangevoerd, adviseert het Openbaar Ministerie als volgt: - wat betreft de schending van 1 maart 2002 tot 3 april 2002 door de vermeldingen op het door de RSZ op 19 maart 2002 afgeleverde attest; * dat er geen schending van de beschikking zou zijn omdat ook op het eerste attest vermeld werd dat de vordering m.b.t. het in het herstelplan kwijtgescholden gedeelte van de schuld het voorwerp uitmaakte van een betwisting; * dat de verbeurdverklaarde dwangsommen op 3 oktober 2002 verjaard waren; - wat betreft de schending voor 23 augustus 2003 wegens vermelding als aannemer waarvoor de inhoudingsplicht geldt op de website van geïntimeerde de RSZ; * dat geen inbreuk op de beschikking bewezen is en dat niet vaststaat dat appellante de sociale zekerheidsbijdragen voor het eerste en tweede kwartaal van 2003 nog niet had voldaan, en de vermelding daarop betrekking zou hebben gehad; - wat betreft de schending voor de periode van 3 december t.e.m. 18 december 2003 omwille van de vermelding van voorgehouden schulden van voor het gerechtelijk akkoord op een rekeninguittreksel afgesloten op 2 december 2003; * dat er geen schending is aangezien een rekeninguittreksel slechts een intern boekhoudkundig stuk is en geen attest dat aangewend moet worden t.a.v. derden; - wat betreft de dwangsommen die verder verbeurd zijn vanaf 18 februari 2004; * gelet op de bevelen tot betaling die werden betekend aan geïntimeerde RSZ op 11 oktober 2004 en 6 februari 2004 moet de uitspraak van de beslagrechter worden afgewacht. Samenvattend stelt het Openbaar Ministerie vervolgens dat met de verdere behandeling van de zaak moet worden gewacht, terwijl voor de ingeroepen inbreuken waarvoor wel kan worden geoordeeld, geen inbreuk bewezen wordt. In dit verband wenst het Hof te herinneren aan de rechtens relevante antecedenten namelijk de beschikking van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 28 februari 2002 onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 EUR per dag vertraging (cf. supra: tekst van beschikking) waarbij verbod werd opgelegd om melding te maken van de betwiste vordering m.b.t. de niet-terugbetaalde 40 % waarvoor in het kader van het door de Rechtbank van koophandel goedgekeurde herstelplan kwijtschelding werd verleend, minstens te vermelden dat het ging om een betwiste vordering (stuk 1 appellante: Beschikking Voorzitter Arbeidsrechtbank Hasselt d.d. 28 februari 2002; blad 8/9). Vermits deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard, diende de RSZ zich ondanks het hoger beroep te houden aan de bepalingen ervan. Bij arrest van 9 juli 2003 bevestigde dit Hof integraal deze beschikking van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank (stukken 2, 15 en 16 appellante). De beschikking werd betekend op 1 maart 2002 en het bevestigend arrest op 12 september 2003. Niettegenstaande deze duidelijke beschikking bleef de RSZ de schuld vermelden, zonder melding dat het om een betwiste schuld gaat. De heer Advocaat-generaal in zijn schriftelijk advies is van oordeel dat de vermelding van het betwist karakter van de schulden van vóór het gerechtelijk akkoord op het attest van 19 maart 2002 betekent dat geen inbreuk op de beschikking van de Arbeidsrechtbank van 28 februari 2002 en van het Arbeidshof van 9 juli 2003 werd begaan. Het Hof overweegt en overwoog (cf. infra) dat een inbreuk terzake voorligt, zodat de dwangsom van 1 maart tot 3 april 2002 vaststaand verschuldigd voorkomt. Ondanks voormeld bevestigend arrest van dit Hof, dat een aantal discussiepunten definitief beslechtte, bleef de RSZ op verscheidene attesten vermelden dat de schuld betwist was maar ook dat "de betalingsvoorwaarden niet strikt werden nageleefd" (blz. 8, punt 2.2.4. van het arrest van 9 juli 2003). Appellante lanceerde een dagvaarding om het laten schrappen van die vermelding te verkrijgen, waarop vervolgens een regeling werd gesloten waarbij de RSZ op basis van de reeds voorliggende beschikking aanvaardde deze vermelding weg te laten. De RSZ zag klaarblijkelijk in dat reeds op basis van de voorliggende beschikking van 28 februari 2002 geen melding kon worden gemaakt van het feit dat de beweerde betalingsvoorwaarden niet strikt werden nageleefd. De bewoordingen van het arrest van dit Hof zijn alleszins niet voor een andere interpretatie vatbaar, gelet op de duidelijke en letterlijke bewoordingen. De RSZ vermeldde ondertussen op de officiële attesten (die appellante in het economisch verkeer nodig had voor de openbare aanbestedingen) met droogstempel volgende vermelding (tot rechtzetting op 2 april 2002): "De vereiste kwartaalaangiften tot en met het vierde kwartaal 2001 heeft ingediend; 97.006,49 EUR aan aldus aangegeven bijdragen verschuldigd is, maar de betalingsvoorwaarden van deze schuld niet strikt naleeft. Het bedrag van 97.006,49 EUR aan bijdragen, dat krachtens het herstelplan d.d. 14 maart 2000 werd kwijtgescholden is nog niet definitief verworven gelet op het hoger beroep dat de RSZ aantekende tegen dit herstelplan en de definitieve opschorting. Onderhavig attest wordt afgeleverd zonder enige nadelige erkenning en onder alle voorbehoud." (stuk 7a appellante: RSZ - attest met droogstempel d.d. 19 maart 2002) Zowel de vermelding van het bestaan van een bijdrageschuld op zich zonder expliciete vermelding van het betwist karakter van deze schuld als de vermelding "maar de betalingsvoorwaarden van deze schuld niet strikt naleeft", is een inbreuk op de beschikking van 28 februari 2002. Het Hof overwoog hierover in zijn arrest van 9 juli 2003 (blz. 11, punt 2.18): "Door te vermelden dat de betalingsvoorwaarden van deze schuld niet strikt worden nageleefd, alhoewel de schuld ernstig betwist is en hiervoor bijgevolg geen betalingsvoorwaarden bestaan, geeft appellant minstens de indruk dat geïntimeerde haar RSZ - verplichtingen niet zou naleven. Voor een betwiste schuldvordering bestaan immers geen betalingsvoorwaarden of -termijnen, zodat niet kan vermeld worden dat deze niet worden nageleefd." Het Hof stelt in aansluiting daarop tevens vast dat niettegenstaande de beschikking van 28 februari 2002 de RSZ het attest weigerde aan te passen. Met deze overweging stelde dit Hof vast dat de vermelding dat de betalingsvoorwaarden van de schuld niet strikt worden nageleefd, ondanks het feit dat het betwist karakter van de schuld ook op dat attest is vermeld, een inbreuk is op de beschikking van 28 februari 2002. Door te vermelden dat de betalingsvoorwaarden van deze schuld niet strikt werden nageleefd, alhoewel de schuld ernstig betwist werd en hierover bijgevolg geen betalingsvoorwaarden bestonden, gaf de RSZ bijgevolg in strijd met de werkelijkheid de indruk dat appellante haar RSZ - verplichtingen niet naleefde. Het arrest werd betekend op 12 september 2003 (stuk 16 appellante). Het arrest heeft gezag en kracht van gewijsde. Wat het Hof hierover heeft beslist, kan niet meer in vraag worden gesteld. Ten overvloede merkt het Hof op dat het vermelden dat de betalingsvoorwaarden van een schuld niet worden nageleefd, evident de indruk wekt dat er een (niet-betwiste) schuld is die niet wordt betaald. Daarvan melding maken op een attest betreft juist het voorwerp van de verbiedende beschikking van de Arbeidsrechtbank van 28 februari 2002, bevestigd in beroep op 9 juli 2003. Voor een betwiste schuldvordering bestaan derhalve geen betalingsvoorwaarden of - termijnen, zodat niet vermeld kan worden dat deze niet worden nageleefd (cf. supra). 7.3.1. Niettegenstaande voormelde beschikking van de Voorzitter weigerde de RSZ derhalve het attest aan te passen en slechts nadat appellante bij dagvaarding van 27 maart 2002 deze zaak opnieuw in kortgeding aanhangig maakte bij de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt, ging de RSZ op 3 april 2002 over tot aflevering van een verbeterd attest waarin de kwestieuze mededeling niet meer voorkwam. Dit attest werd ge(anti?)dateerd op 19 maart 2002. Hiervan werd overigens akte verleend in de beschikking van de Voorzitter van 10 april 2002. Appellante formuleert dienvolgens een naar het oordeel van het Hof correct becijferde en gestaafde vordering namelijk, aangezien de RSZ gedurende 32 dagen (van 1 maart tot 3 april 2002) naliet gevolg te geven aan de beschikking van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 28 februari 2002 (bevestigd bij arrest van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt van 9 juli 2003) worden ingevolge dezelfde rechterlijke uitspraken aanspraken op volgende dwangsommen geformuleerd: 25.000 EUR x 32 dagen = 800.000 EUR. Ook de Arbeidsauditeur bij de Arbeidsrechtbank te Hasselt in zijn schriftelijk advies kwam tot deze conclusie en de RSZ formuleert ten gronde m.b.t. de becijfering zelf van de respectievelijke aangehouden bedragen geen bezwaren. De schuldvergelijking voor de 800.000 EUR dwangsommen trad in dag na dag voor de periode waarin de dwangsommen werden verbeurd, 1 maart 2002 tot 3 april 2002. Op dat ogenblik waren de gevorderde sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd en was de dwangsom naar het oordeel van het Hof nog niet verjaard (cf. infra). Het Hof treedt de argumentatie bij van appellante dat er een schending van de Beschikking van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank van 28 februari 2002, gesanctioneerd met een dwangsom van 25.000 EUR per dag is (en op de eenvoudige en correcte begroting van het door de RSZ verschuldigde bedrag cf. supra) alsmede dat er geen twijfel over kan bestaan dat de vordering in betaling van deze dwangsom vaststaand en opeisbaar is. 7.3.2. Daarnaast is bovendien 400.000 EUR dwangsom verschuldigd door vermelding van voorgehouden schulden van voor het concordaat op een rekeninguittreksel van 2 december 2003, toegezonden op 4 december 2003 en geprotesteerd op 18 december 2003, wat leidt tot een inbreuk gedurende minstens 16 dagen. Op dat rekeninguittreksel komen immers bijdragen voor die onder het gerechtelijk akkoord en de kwijtschelding van schulden vallen, m.n. uit de periode van het tweede kwartaal van 1998 tot het vierde kwartaal van 2001. De RSZ vermeldt niet dat deze schulden betwist zijn, wat had moeten gebeuren gelet op de beschikking van 28 februari 2002, maar voert integendeel een compensatie met inhoudingen op basis van de rechtsgrond van artikel 30bis R.S.Z. - Wet uit voor deze schulden (stuk 8 appellante). Dat zij op deze bijdragen niet gerechtigd was, bewijst overigens dat in de dagvaardingen in de huidige zaken enkel bijdragen vanaf 2003 worden gevorderd. Ook deze dwangsom is aldus naar het oordeel van het Hof verschuldigd. 7.3.3. Daarnaast werd appellante minstens op 15 januari 2004 als een aannemer met inhoudingsplicht vermeld (dwangsom van 25.000 EUR). 7.3.4. Op 25 februari 2004 leverde de RSZ voor appellante een rekeninguittreksel af gedagtekend 16 februari 2004, waarin opnieuw bijdragen zijn opgenomen die onder het gerechtelijk akkoord en de kwijtschelding van schulden vallen, m.n. uit de periode van het derde kwartaal van 1998 tot het eerste kwartaal van 2000. De RSZ vermeldt niet dat deze schulden betwist zijn, wat minstens had moeten gebeuren gelet op de beschikking van 28 februari 2002, maar voert integendeel een compensatie met inhoudingen op basis van art. 30bis R.S.Z. - Wet uit voor deze schulden (stuk 10 appellante). Ook voor deze feiten staat vast dat een dwangsom 175.000 EUR is verschuldigd (namelijk voor de periode van 18 februari 2004 tot 25 februari 2004 of 7 dagen). 7.3.5. Tenslotte volhardde de RSZ haar onzorgvuldig gedrag door, contra de reeds herhaaldelijk aangehaalde beschikking van 28 februari 2002 aan de registratiecommissie in Limburg op 27 mei 2004 te laten weten dat de schuld t.e.m. het vierde kwartaal van 2003 was opgelopen tot 245.320,96 EUR. Blijkens de dagvaardingen in de huidige zaak bedraagt de schuld van na het concordaat, opgeslagen en intresten inbegrepen evenwel maar 153.915,87 EUR (voor het volledige jaar 2003). Bijgevolg hield de RSZ in de bedragen die blijkens het bericht van de Registratiecommissie op 18 februari 2004 aan deze laatste werden gemeld, rekening met schulden van vóór het concordaat, zonder vermelding van de betwisting, en schendt aldus andermaal de beschikking. Deze situatie duurde tot en met 27 mei 2004, datum van de verzending van het bericht van de Registratiecommissie Limburg aan appellante, zodat minstens een dwangsom voor 61 dagen vaststaand en opeisbaar is, of 1.525.000 EUR (de dwangsom op deze grond wordt terecht geteld vanaf 25 februari omwille van de overlapping van 18 februari 2004 tot 25 februari 2004 voor de hierboven uiteengezette grond). Voor deze dwangsommen verbeurd vanaf 18 februari 2004 is het Openbaar Ministerie van oordeel dat de beslissing van de Beslagrechter (in de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel) moet worden afgewacht, bij wie verzet werd aangetekend tegen het bevel tot betaling van 11 oktober 2004. Ook dit geschil behoort volgens het Openbaar Ministerie tot de bevoegdheid van de Beslagrechter (toepassing van artikel 569, eerste lid, 5° van het Gerechtelijk Wetboek) waar het ook aanhangig werd gemaakt. Het Hof stelt dienaangaande evenwel vast dat de schuldvergelijking met de dwangsommen vanaf 18 februari 2004 werd opgeworpen bij conclusie neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Hasselt op 14 oktober 2004, vooraleer het verzet tegen het bevel tot betaling bij de Beslagrechter te Brussel werd aanhangig gemaakt, wat eerst gebeurde bij dagvaarding van 9 november 2004 (stuk 20 appellante). Voor oudere periodes werd de schuldvergelijking eerder bij conclusie van 27 maart 2004 ingeroepen (o.m. voor de eerste rechter in de zaak met AR nr. 204/0750). Een eerder aanhangig zijn van de zaak bij de Beslagrechter kan niet als bevoegdheidsargument geaccepteerd worden, omdat dat niet het geval was. Bovendien bevindt het Hof als door partijen onbetwist dat de RSZ haar verzet bij de Beslagrechter te Brussel niet benaarstigt maar kennelijk het verloop van die zaken hangende voor de arbeidsgerechten afwacht ... Bovendien is er een rechtens relevantere bevinding namelijk dat appellante de tussengekomen schuldvergelijking inroept als verweer op de hoofdvordering die strekt tot de betaling van sociale zekerheidsbijdragen. Voor die hoofdvordering werden de arbeidsgerechten gevat. Die schuldvergelijking heeft ook, minstens voor een deel van het bedrag, betrekking op de dwangsommen die werden verbeurd vanaf 18 februari 2004. In zijn schriftelijk advies bevestigt het Openbaar Ministerie dat de Arbeidsrechtbank en in graad van beroep het Arbeidshof wel degelijk bevoegd zijn om kennis te nemen van het verweer tegen de hoofdvordering die gesteund is op de schuldvergelijking (schriftelijk advies Openbaar Ministerie, blz. 7, zesde alinea, punt 4.1.3.). Die bevoegdheid die elders in dit arrest nog uitgebreider aan bod komt, kan uiteraard niet worden doorbroken voor een deel van de door schuldvergelijking teniet gegane bedragen omdat voor dat deel een verzetsprocedure bij de Beslagrechter is aanhangig gemaakt nadat de schuldvordering optrad en nadat deze in rechte werd opgeworpen voor de arbeidsgerechten, die zonder betwisting over de hoofdeis tot betaling van de sociale zekerheidsbijdragen moeten oordelen, waarop de schuldvergelijking het verweer vormt. Het Hof wenst in deze fase van de motivering andermaal te verwijzen naar de bevestiging in de rechtsleer van het algemeen beginsel dat eis en verweer door de aangezochte rechter moeten worden behandeld, ook al behoort het verweer op zich niet tot zijn bevoegdheid (zoals onder meer bevestigd in J. LAENENS, "Overzicht van rechtspraak: de bevoegdheid (1979-1992), T.P.R. 1993, 1584, nr. 134 en in X, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, losbl. Art. 563-566, 3, met verwijzing naar o.a. A. FETTWEISS, Handboek voor gerechtelijk recht, II, Bevoegdheid, 79: "De rechtbank die bevoegd is uitspraak te doen over de bij haar ingeleide eis, is tevens bevoegd om kennis te nemen van de verweermiddelen, zelfs wanneer deze punten opwerpen die niet tot haar bevoegdheid zouden behoren, als zij afzonderlijk bij de rechtbank aanhangig werden gemaakt en het voorwerp van onderscheiden eisen zouden uitmaken."). De omstandigheid dat het verzet tegen de uitvoering ingevolge artikel 569, eerste lid, 5° van het Gerechtelijk Wetboek tot de uitsluitende bevoegdheid zou behoren van de Beslagrechter doet daaraan naar het oordeel van het Hof geen afbreuk. De bevoegdheid om kennis te nemen van een verweer tegen de hoofdvordering geldt immers precies voor verweermiddelen die, mochten ze apart worden ingesteld als vordering, niet tot de bevoegdheid van de aangezochte rechter behoren. Enkel in dat geval heeft dat beginsel nut: voor een verweer waarvoor de voor de hoofdeis aangezochte rechter bevoegd is, is er naar het oordeel van het Hof geen discussie mogelijk. Dat de Beslagrechter moet oordelen over de zwarigheden inzake de tenuitvoerlegging van een vonnis, geldt derhalve niet indien dat onderdeel uitmaakt van een discussie over een schuldvergelijking die als verweer wordt opgeroepen tegen een voor de bevoegde rechter aanhangig gemaakte hoofdvordering. Het aangehaalde cassatiearrest van 10 november 2005 (AR C.04.0020.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051110.8., www.cass.be), heeft geen betrekking op een zaak waarin een schuldvergelijking met dwangsommen als verweer tegen een hoofdeis werd ingeroepen, en is ten deze niet relevant om over de bevoegdheid te oordelen in de huidige zaak, waarin dat wel het geval is. De Beslagrechter, die later werd gevat dan de Arbeidsrechtbank, kan niet 'opnieuw' bevoegd worden om te oordelen over de schuldvergelijking met dwangsommen die eerder voor de Arbeidsrechtbank als verweer op een hoofdeis tot het verkrijgen van sociale zekerheidsbijdragen werd ingeroepen. De Arbeidsrechtbank - en in beroep het Arbeidshof - moet dat integrale verweer beoordelen. Of de dwangsommen verbeurd zijn, maakt deel uit van dat verweer, en moet door dit Hof worden beoordeeld. Overigens ziet ook de heer Advocaat-generaal terecht geen bezwaar tegen een beoordeling door het Hof van de dwangsommen die werden verbeurd vóór 18 februari 2004. De dwangsommen die na die datum werden verbeurd verschillen niet van de dwangsommen die nadien werden verbeurd. De vraag of een als verweer opgeworpen schuldvergelijking tot de bevoegdheid van het Hof behoort, kan niet voor beide periodes - voor de dwangsommen vóór en na 18 februari 2004 - verschillend worden beantwoord. De bevoegdheidsvraag in rechte beantwoorden staat los van eventuele acties bij een andere rechtsmacht; a fortiori geldt dit t.a.v. eventuele latere acties, zoals het verzet van 9 november 2004. Anders oordelen resulteert in een dubbele beoordeling door twee verschillende rechtsmachten van één en hetzelfde verweer tegen dezelfde hoofdeis, namelijk de schuldvergelijking. Het Hof is dus van oordeel dat huidig geschil in essentie in rechte een onsplitsbaar geschil in de zin van artikel 31 Gerechtelijk Wetboek uitmaakt. 7.3.6. Ook na 27 mei 2004 blijkt de RSZ in gebreke te zijn gebleven de beschikkingen na te leven. Niet alleen ging de RSZ over tot dagvaarding, met de daaraan verbonden vermeldingen en publieke bekendmaking als vermeende RSZ - schuldenaar, tot op heden blijft appellante op de website van de RSZ vermeld staan als een aannemer met inhoudingsplicht (stuk 24 appellante; dit alles met de verzwarende omstandigheid en terwijl appellante door de van rechtswege opgetreden schuldvergelijking nooit achterstallige sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd is geweest ...). 8.1. De RSZ werpt vervolgens op dat de dwangsom verjaard zou zijn. Ook volgens de heer Advocaat-generaal zijn de dwangsommen, zelfs indien verbeurd door de inbreuk, op 3 oktober 2002 verjaard bij gebreke aan stuiting of schorsing op één van de wijzen, voorzien in artikel 2244 B.W.. Het Openbaar Ministerie adviseert weliswaar dat een ingebrekestelling de verjaring niet stuit, maar gaat niet in op het stuitend effect van een conclusie. Wat de stuiting door het bestaan van de wettelijke schuldvergelijking zelf betreft, zou dit (volgens het Openbaar Ministerie) geen stuitend effect hebben omdat die schuldvergelijking een rechtsfeit is en geen rechtshandeling. Volgens artikel 1385octies Ger.W. verjaart de dwangsom na afloop van zes maanden. Het betreft geen vervaltermijn doch wel een verjaringstermijn waarop stuiting en schorsing van toepassing zijn. De dwangsom is een geldsom als bijkomende veroordeling aan de schuldenaar bij rechterlijke uitspraak opgelegd, teneinde op de schuldenaar de druk (dwang) uit te oefenen opdat hij de tegen hem uitgesproken hoofdveroordeling zou nakomen en om in een rechtsstaat een door de rechter gegeven gebod of verbod te doen naleven. De dwangsom is accessoir ten overstaan van en afhankelijk van de hoofdveroordeling. De dwangsom kan niet worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak (art. 1385bis, derde lid Ger. W.) (Gent 24 mei 1994, R.W. 1995-96, 779). De dwangsom is geen vorm van schadeloosstelling doch alleen een dwangmiddel. Derhalve kan indien schade geleden werd boven de dwangsom nog schadevergoeding gevorderd worden. Vroeger rees de vraag of in de uitvoeringsimmuniteit een argument kon gevonden worden om het verbod van de toepassing van een dwangsom voor te staan. Niettemin oordeelde de rechtsleer dat er geen fundamentele bezwaren waren om de overheid onder verbeurte van een dwangsom te veroordelen tot nakoming van haar verplichtingen. Wel werd het onverenigbaar geacht met de idee van de rechtsstaat dat een overheid zou weigeren een gerechtelijke uitspraak na te leven (Cass. 13 april 1967, Arr. Cass. 1967, 981). De dwangsom verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop zij verbeurd is (art. 1385octies, eerste lid Ger. W.). De gewone regels van schorsing (art. 2248 en 2251 B.W.) en stuiting (art. 2223, 2244 en 2248 B.W.) van de verjaring vinden toepassing (Brussel 4 oktober 1995, P & B, 1996, 129). Artikel 1385octies, tweede lid Ger. W. voorziet nog in bijkomende schorsingsgronden: het redelijkerwijze niet bekend zijn van de veroordeelde met het verbeuren van een dwangsom. Een bevel tot betaling zal de verjaring stuiten en de gevolgen van de stuiting zullen duren tijdens het gehele geding dat volgt op het verzet tegen dit bevel ingesteld binnen de zes maanden (Cass. 7 december 1995, Arr. Cass. 1995, 1097, R.W. 1995-96, 1416). De betekening van een beslagexploot stuit de verjaring van de dwangsom voor de duurtijd van de procedure. De rechter die een dwangsom heeft opgelegd is ook bevoegd om op de vordering van de veroordeelde die op te heffen, de looptijd ervan op te schorten of het bedrag te verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdvordering te voldoen (art. 1385quinquies, eerste lid Ger. W.). Een wanverhouding tussen enerzijds de dwangsom en anderzijds de waarde van het onverricht gebleven gedeelte van de prestaties levert geen grond op voor de rechter die de dwangsom had opgelegd om haar op een daartoe strekkende vordering van de veroordeelde op te heffen of te verminderen. De verschuldigdheid van een dwangsom vindt haar grondslag in de rechterlijke uitspraak waarbij zij is opgelegd; op grond van die uitspraak is, wanneer na de betekening ervan aan de in de uitspraak aangegeven voorwaarden niet wordt voldaan, de dwangsom ten volle verschuldigd en kan zij zonder nieuwe rechterlijke uitspraak worden ten uitvoer gelegd (art. 1385quater Ger. W.). De verbeuring van een dwangsom is een onrechtstreeks executiemiddel en impliceert een uitvoerbare rechterlijke uitspraak. In geval van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging van een vonnis dat een veroordeling tot een dwangsom inhoudt, staat het aan de Beslagrechter, op grond van art. 1498 Ger. W., te bepalen of de voorwaarden waarbij de dwangsom verschuldigd is, al dan niet vervuld zijn. Luidens artikel 2244 B.W. wordt de verjaring gestuit door een dagvaarding en een betekening van een bevel of een beslag. Het begrip 'dagvaarding' wordt ruim opgevat. Een conclusie neergelegd ter griffie waarin aanspraken op de dwangsom worden gehandhaafd, geldt derhalve als een daad van burgerlijke stuiting. Een dagvaarding stuit de verjaring tot na afloop van het geding. De betekening van het bevel tot betalen stuit de verjaring (Beslag, A.P.R., Dirix en Broeckx 2001, 39-60). Het Hof van Cassatie stelt dienaangaande dat uit de omstandigheid dat de wettelijke schuldvergelijking twee schulden uitdooft op het ogenblik dat ze tegelijk bestaan, volgt dat één van de schuldvorderingen waarop de schuldvergelijking betrekking heeft niet meer kan verjaren (Cass. 24 april 1997, Arr. Cass. 1997, 487). In het arrest van 24 april 1997 overweegt het Hof van Cassatie: "Overwegende dat krachtens art. 1290 van het B.W. wettelijke schuldvergelijking van rechtswege plaatsheeft uit kracht van de wet, zelfs buiten weten van de schuldenaars, en de twee schulden elkaar vernietigen op het ogenblik dat zij tegelijk bestaan, ten belope van hun wederkerig bedrag; Dat bijgevolg één van de schuldvorderingen waarop de schuldvergelijking betrekking heeft, niet meer kan verjaren; Overwegende dat het arrest, nu het beslist dat schuldvergelijking te dezen uitgesloten is op grond dat de schuldvordering van de dwangsom, op het ogenblik dat de schuldvergelijking werd opgeworpen, verjaard was door verloop van de bij art. 1385octies van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn van zes maanden, de in het middel aangegeven wetsbepalingen schendt." Het arrest dat tot de verjaring had beslist, wordt door het Hof van Cassatie vernietigd. De omstandigheden die aan de grondslag liggen van het cassatiearrest, zijn naar het oordeel van het Hof vergelijkbaar met huidige zaak: de schuldvergelijking tussen dwangsommen en een andere schuld werd ingeroepen. Uit het cassatiearrest volgt dat zelfs indien schuldvergelijking eerst wordt ingeroepen nadat zes maanden na het verbeuren van de dwangsom zijn verstreken, geen verjaring van de dwangsom kon optreden. Het arrest van het Hof van Cassatie van 25 oktober 1993 (Arr. Cass. 1993, 876) handelt niet zozeer over het stopzetten van de verjaring door het ontstaan van de wettelijke schuldvergelijking, maar wel over de mate waarin de vordering tot het vaststellen van de schuldvergelijking een verjaringsstuitende daad is. Overigens verwijst ook de rechtsleer (CORNELIS, L., "Algemene theorie van de verbintenis", Antwerpen, Intersentia, 2000, blz. 878) naar het arrest van 24 april 1997 om te bevestigen dat het gegeven dat één van de schuldvorderingen zou verjaard zijn op het ogenblik dat de schuldvergelijking wordt ingeroepen, niet dienend is omdat de wettelijke schuldvergelijking van rechtswege plaatsvindt. Het volstaat dat de verjaring nog niet is bereikt op het ogenblik dat de schuldvergelijking intreedt (ook Matthias STORME treedt in de rechtsleer deze zienswijze bij (http://webh01.ua.ac.be/storme/schuldvergelijking.doc)). De RSZ houdt bij het inroepen van de verjaring derhalve ten onrechte geen rekening met deze schuldvergelijking. Deze schuldvergelijking treedt naar het oordeel van het Hof dus op zonder dat ze uitdrukkelijk moet worden ingeroepen. Afgezien daarvan, dagtekenen de laatst gekende en aangevoerde inbreuken van 27 mei 2004 (stuk 11 appellante) en augustus 2005 (stuk 24 appellante) en hebben zij een "voortdurend" of "voortgezet" karakter zodat geen verjaring kan weerhouden worden. Het Hof stelt bovendien en ten overvloede (gelet op de overwegingen m.b.t. het arrest van 24 april 1997) vast, bij nazicht der proceduriële akten, dat de eerste conclusie in de samen te voegen zaken reeds in eerste aanleg werd neergelegd bij de Arbeidsrechtbank op 27 maart 2004. Daarin werd schuldvergelijking opgeworpen, zodat de RSZ ten onrechte aanvoert dat geen inbreuken worden aangetoond in de periode van zes maanden voor het inroepen van de schuldvergelijking. Het Hof is van oordeel dat dit volstaat. 8.2. De dwangsom kan daarnaast nog worden uitgevoerd, en wordt momenteel uitgevoerd, en niet alleen door de ingeroepen schuldvergelijking. Bovendien werd in casu een bevel tot betaling betekend op 6 februari 2004 voor de dwangsom, hetzij tijdig (stuk 12 appellante). Een tweede bevel werd betekend op 11 oktober 2004 (stuk 19 appellante). 8.3. Verder wenst het Hof op te merken aangaande de nuttige stuiting dat de dwangsommen die wel verschuldigd zijn omwille van inbreuken die dagtekenen van langer dan zes maanden voor de eerste conclusie in de huidige procedure en tevens van langer dan zes maanden voor het eerste bevel tot betalen van 6 februari 2004 niet alleen niet verjaard zijn omdat de schuldvergelijking van rechtswege gebeurt, maar ook omdat er een geldige stuiting is gebeurd. Dienaangaande argumenteert de RSZ zelf dat overeenkomstig artikel 2044 Ger. W. een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag betekend aan diegene die men wil beletten verjaring te verkrijgen, de verjaring stuiten. De rechtsleer met name Dirix en Broeckx (Beslag in A.P.R., Gent, Story-Scientia, 2001, 59-60) stelt dat het begrip dagvaarding ruim moet worden opgevat: "Een conclusie neergelegd ter griffie waarin aanspraken op de dwangsom worden gehandhaafd, geldt derhalve als een daad van burgerlijke stuiting. Een dagvaarding stuit de verjaring tot na de afloop van het geding." Het Openbaar Ministerie stelt in zijn schriftelijk advies dat een ingebrekestelling de verjaring niet stuit. Zowel in de rechtspraak als in de rechtsleer wordt nochtans naar het oordeel van het Hof beklemtoond dat de term "dagvaarding" in de zin van art. 2244 B.W. ruim moet worden geïnterpreteerd. De recente rechtsleer beklemtoont eveneens dat het begrip "dagvaarding" ruim moet worden geïnterpreteerd en dat het ook kan gaan om de indiening van een verzoekschrift of de neerlegging van conclusies ter griffie (K. WAGNER, Dwangsom, A.P.R., Gent, Story-Scientia, 2005, 175, nr. 199). De rechtspraak is terzake duidelijk, en stelt als tweede gezaghebbende rechtsbron (na de rechtsleer) dat ook een conclusie als een dagvaarding in de zin van art. 2244 B.W. moet worden begrepen (Luik, 17 juni 1986, J.L. 1986, 492; Beslagrechter Luik, 7 december 2004, J.L.M.B. 2006, 173; Arbrb. Bergen, 5 februari 1971, J.T.T. 1971, 91). Dit Arbeidshof bevestigde reeds eerder wat betreft een vordering die in een conclusie voor de kortgedingrechter werd gesteld, dat ook deze conclusie, genomen voor een onbevoegde rechter, de verjaringstermijn stuit (Arbh. Antwerpen, 15 maart 2004, Soc. Kron. 2006, 19). Het wordt niet betwist dat appellante voor het Arbeidshof in de procedure in beroep tegen de beschikking in kort geding door de vraag tot handhaving van de in eerste aanleg opgelegde dwangsommen haar rechten deed gelden, en dit vóór 3 oktober 2002, datum waarop de vordering verjaard zou zijn (conclusie gedateerd 22 augustus 2002, stuk 21 appellante). In het kader van de procedure in hoger beroep door de RSZ tegen de beschikking waarin de dwangsommen werden opgelegd, legde appellante een eerste conclusie neer voor het Arbeidshof gedateerd op 22 augustus 2002, waarin zij de handhaving van de in eerste aanleg in kort geding opgelegde dwangsommen vroeg (stuk 21 appellante; dwangsommen periode 1 maart 2002 tot 3 april 2002). Dit was binnen de zes maanden na de betekening van de beschikking waarmee de dwangsommen werden opgelegd, op 1 maart 2002 (stuk 15 appellante). Aldus werd de verjaring van de dwangsommen gestuit door deze conclusie, tot het einde van dat geding, met het arrest van 9 juli 2003, betekend op 12 september 2003. Pas op dat ogenblik begon naar het oordeel van het Hof een nieuwe termijn van zes maanden te lopen. In aangetekende brief van 18 december 2003 werd vervolgens de schuldvergelijking ingeroepen (stuk 3 appellante) en vervolgens werd, in de conclusies neergelegd in het kader van huidige procedure voor de eerste rechter, als reactie op de dagvaarding telkens de schuldvergelijking ingeroepen. Een eerste conclusie dagtekent van 27 maart 2004. Op 6 februari en 11 oktober 2004 werden twee bevelen tot betaling betekend. Er is derhalve naar het oordeel van het Hof om deze redenen geen verjaring opgetreden voor de hierboven vastgestelde dwangsommen. 9.1. Gelet op de overwegingen in rechte m.b.t. de schuldvergelijking en dienvolgens de verdere concrete toepassing van de rechtens relevante principes, dient besloten dat door de schuldvergelijking de schuldvorderingen teniet zijn gegaan ten belope van het laagste bedrag. Door het feit dat er compensatie is opgetreden, werden dan ook de verschuldigde RSZ-bijdragen tijdig vereffend door huidig appellante; deze stelling heeft tot gevolg dat de RSZ ten onrechte bijdrageopslagen en intresten aanrekent. 9.2. Onder verwijzing naar de letterlijke bewoordingen van de motiveringen van enerzijds de beschikking van 28 februari 2002 van de Arbeidsrechtbank en anderzijds van het arrest van dit Arbeidshof van 9 juli 2003, waarbij de dwangsommen werden opgelegd (en bevestigd), dient het Hof vervolgens te oordelen over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de door appellante ingestelde tegenvordering tot betaling van het saldo van de dwangsommen, na de weerhouden schuldvergelijking. 9.3. Rekening houdend met het gezag van gewijsde van de aangehaalde gerechtelijke uitspraken, stelt het Hof ten overvloede in huidige casus vooreerst vast (zoals reeds aangehaald) dat appellante de schuldvordering met de dwangsommen opgeworpen heeft als verweer tegen de hoofdeis. Het totaal bedrag van dwangsommen overstijgt de gevorderde sociale zekerheidsbijdragen, na schuldvergelijking resteert een saldo. Tijdens de procedure is uit de argumentatie van de RSZ in zijn conclusies gebleken dat de verschuldigdheid van de integrale dwangsommen wordt betwist, en dat aldus de inbreuken die de dwangsommen deden verbeuren, worden betwist. Het Hof stelt m.b.t. dit onderdeel van de tegenvordering vast dat deze eis in het verzoekschrift tot hoger beroep substantieel werd verhoogd. Het Hof dient eveneens vast te stellen dat aangaande de becijfering op zich van één en ander enerzijds appellante de vorderingen van de RSZ IN SE niet betwistte (cf. supra) en dat anderzijds geïntimeerde de tegenvordering van het SALDO na schuldvergelijking IN SE niet betwistte. Over de vraag of die inbreuken al dan niet werden begaan, bestaat derhalve een geschil, dat moet worden beoordeeld door de gevatte rechter. Dat geschil werd alleszins nog niet beslecht in de beschikking van 28 februari 2002 of het arrest van 9 juli 2003 zodat appellante m.b.t. dit vorderingsonderdeel nog niet over een uitvoerbare titel beschikt. Het gezag van gewijsde strekt zich overeenkomstig artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van het geschil uitmaakt. Het gezag van gewijsde van die beschikkingen kan naar het oordeel van het Hof niet zijn geschonden door de vordering van appellante strekkende tot de betaling van het saldo aan dwangsommen aangezien de vordering inhoudt dat over het niet beoordeelde geschilpunt van de inbreuken en verschuldigdheid van de dwangsommen wordt geoordeeld. Het geschil over de inbreuken en de verschuldigdheid moet aldus nog worden beslecht. De bevoegde rechter hiervoor is in deze zaak dit Arbeidshof. De betwisting over de verschuldigdheid van de dwangsommen is onsplitsbaar in de zin van artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek (cf. supra). Indien enerzijds het Arbeidshof - ten belope van het verweer, en dus van het bedrag van de gevorderde sociale zekerheidsbijdragen op hoofdvordering - en anderzijds de Beslagrechter - ten belope van het saldo na schuldvergelijking - zouden geroepen worden om te oordelen over de dwangsommen, zou over dezelfde inbreuken waardoor deze dwangsommen werden verbeurd, anders kunnen worden geoordeeld, en aldus meteen ook verschillend over de verschuldigdheid van de dwangsommen zelf. Verschillende uitspraken daarover zouden niet samen kunnen worden tenuitvoer gelegd (cf. supra). Samenhang en a fortiori onsplitsbaarheid onderstelt een objectieve verbinding tussen de vorderingen die laat vrezen dat het ontbreken van samenvoeging van de gezamenlijke aangelegenheden tot gedeeltelijk en van elkaar afwijkende oplossingen zal leiden. Hoewel het Wetboek een omschrijving geeft van samenhang, is de beoordeling van de omstandigheid waaruit hij ontstaat telkens weer een feitelijke aangelegenheid, waarover de feitenrechters in hoogste aanleg oordelen (A. FETTWEISS, Handboek voor Gerechtelijk Recht, deel II, Bevoegdheid, p. 110). Zo stelt ook J. PETIT dat het oordeel of er samenhang een feitelijke kwestie is (Cass. 6 juni 1961, Pas. 1961, I, 1082; Cass. 14 januari 1960, Pas. 1960, I, 538; Cass. 3 maart 1959, Pas. 1959, I, 666; Cass. 16 april 1953, Pas. 1953, I, 616 met noot W.G.; Cass. 13 mei 1937, Pas. 1937, I, 145) (J. PETIT, De Volstrekte Bevoegdheid van de Arbeidsrechtbank, samenhang p. 292). De onsplitsbaarheid van de vorderingen houdt in dat de onderlinge afhankelijkheid van twee vorderingen zo innig is dat geweigerd moet worden om het risico van tegenstrijdige beslissingen te lopen, gezien gelijktijdige tenuitvoerlegging ervan onmogelijk zou zijn. Wanneer de samenhang zozeer wordt verstrekt dat men tot een eenheid komt die niet voor splitsing in aanmerking kan komen, zijn de vorderingen onsplitsbaar en moeten zij aanleiding geven tot één enkele rechtspleging ten aanzien van alle in het geding betrokken partijen. De onsplitsbaarheid van het geding legt ten aanzien van hen eenheid van het rechterlijk gewijsde op (A. FETTWEISS, Handboek voor Gerechtelijk Recht, deel II, Bevoegdheid, Samenhang en Onsplitsbaarheid, p. 117). Artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek is van openbare orde (zie verslag VAN REEPINGEN op blz. 32 HAYOIT DE TERMICOURT, J.T., 1966, noot 43 onder bladzijde 499 - TROUSSE, Ann. Droit, LEUVEN, 1968, op blz. 439 en noot 27 onderaan op deze bladzijde) en stelt dat een geschil onsplitsbaar is wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk zou zijn. Een tegengestelde beoordeling van de vordering geformuleerd als een verweer dan wel geformuleerd als een tegenvordering, te behandelen voor een andere rechtbank, veroorzaakt of kan aanleiding geven tot een contradictoire uitvoering van rechterlijke beslissingen, op een dergelijke manier dat uitvoering, de facto, onmogelijk wordt. Aangezien het Arbeidshof onbetwist exclusief bevoegd is voor de beoordeling van de hoofdeis, de vordering tot de betaling van sociale zekerheidsbijdragen, en dus ook voor de beoordeling van het verweer daarop, de schuldvergelijking met dwangsommen, dat een onsplitsbaar geheel vormt met de beoordeling van de verschuldigdheid van het geheel van de dwangsommen, kan niet worden beslist dat voor de beoordeling van de verschuldigdheid van een deel van de dwangsommen - deze verbeurd na 18 februari 2004 - het Arbeidshof niet bevoegd is. Het Arbeidshof is bevoegd voor de beoordeling van het gehele onsplitsbare twistpunt over de dwangsommen en is van oordeel dat de tegenvordering gegrond voorkomt op basis van de hierboven aangehaalde omstandige motivering in rechte en in feite. 10. Als tweede onderdeel van de tegenvordering formuleert appellante een eis tot SCHADEVERGOEDING. Dit gedeelte van de tegenvordering is (impliciet) gesteund op artikel 1382 e.v. B.W., (ANDRE, J.J., "Fout, schade en gemeenrechtelijk schadeherstel in de sociale zekerheid", Soc. Kron. 2006, 493 e.v.). Daarbij meent appellante terecht dat de fout van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid er in bestaat dat hij, hoewel de vorderingen strekkende tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen tenietgingen op het ogenblik dat zij eisbaar werden ingevolge wettelijke compensatie met de verschuldigde dwangsommen, deze steeds bleef vermelden op de rekeninguittreksels en in de officiële kennisgevingen en dat hij tevens appellante bleef vermelden op de website als een aannemer waarvoor de inhoudingsplicht in het kader van artikel 30bis, § 4, lid 2 van de RSZ - wet gold. De beoordeling van de fout die verweten wordt aan geïntimeerde hangt nauw samen met het standpunt of er al dan niet een dwangsom verschuldigd is door deze laatste op grond van een schending van het rechterlijk verbod opgelegd in de beschikking van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Hasselt zetelend in kortgeding van 28 februari 2002, bevestigd door dit Hof (cf. supra: 4.3.3.). De RSZ heeft evident de wettelijke taak en plicht op de toepassing van de wet van 27 juni 1969 controle uit te oefenen. Het louter handelen in uitvoering van deze wettelijke opdracht, op basis van een naar mening van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid correcte beoordeling van de voor handen zijnde feitelijke gegevens, kan in principe geen fout uitmaken die aanleiding geeft tot betaling van een schadevergoeding overeenkomstig artikel 1382 en 1383 B.W. De fout van een bestuurlijke overheid die zijn aansprakelijkheid op grond van artikel 1382 en 1383 B.W. tot gevolg kan hebben, kan slechts bestaan in een gedraging die als foutief moet beschouwd worden omdat zij niet overeenstemt met wat van een normaal zorgvuldige en voorzichtige overheid, geplaatst in dezelfde feitelijke situatie, mag verwacht worden. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid heeft inderdaad tot wettelijke taak zorg te dragen voor de inning van sociale zekerheidsbijdragen en moet op basis van de door hem in het kader van zijn onderzoeksplicht gedane onderzoeken beslissen om al dan niet over te gaan tot gerechtelijke invordering. Het feit op zich dat de Arbeidsrechtbank of het Arbeidshof zich niet bij de analyse van het feitenmateriaal van de RSZ aansluit, houdt op zich natuurlijk nog niet in dat de RSZ bijgevolg een fout heeft begaan zoals bedoeld in artikel 1382 en 1383 B.W. De ter zake door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid genomen beslissingen dienen evenwel als foutief gekarakteriseerd te worden omdat er in casu, gelet op de chronologie van de aangehaalde rechtsfeiten en rechtshandelingen naar het oordeel van het Hof sprake is van een bestuurlijk handelen dat omschreven kan worden als een afwijkende handelwijze, wat dient beoordeeld te worden uitgaande van het criterium van een normaal zorgvuldige en voorzichtige administratieve overheid geplaatst in dezelfde omstandigheden (Cass. 25 oktober 2004, Soc. Kron. 2005, 79-81; J.T.T. 2005, 106-108). Zo kan het concreet ageren van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid als foutief omschreven daar de verweten gedragingen niet van een zorgvuldige en voorzichtige overheid kunnen verwacht worden: de aangehaalde onterechte vermeldingen van appellante als RSZ - schuldenaar berokkenden appellante (tot op heden) schade aangezien appellante hierdoor o.a. niet in aanmerking kwam voor deelname aan openbare aanbestedingen, klanten verloor, moeilijk betaling bekwam van facturen, geconfronteerd werd met inhoudingen van medecontractanten ex artikel 30bis § 4 Wet 27 juni 1969 enz. ... . Gelet op deze overwegingen komt het forfaitair gevorderde bedrag in de hierboven geschetste context naar het oordeel van het Hof niet als overdreven voor. 11. INCIDENTEEL HOGER BEROEP Het incidenteel hoger beroep strekt tot vernietiging van het vonnis a quo in zoverre dit de tegenvordering houdende de betaling van een schadevergoeding wegens beweerde foutieve vermeldingen door geïntimeerde ontvankelijk verklaarde en naar de rol verwees. De RSZ vordert dat deze tegenvordering onontvankelijk, minstens ongegrond zou worden verklaard, doch laat na te omschrijven op welke gronden deze tegenvordering onontvankelijk zou moeten verklaard worden. De RSZ stelt weliswaar (cf. supra) dat de Arbeidsrechtbank en het Arbeidshof niet bevoegd zouden zijn om kennis te nemen van de tegenvordering inzake verbeurd te verklaren dwangsommen, maar dit middel van onbevoegdheid heeft geen uitstaans met de ontvankelijkheid van de vordering tot het bekomen van een schadevergoeding op grond van artikel 1382 e.v. B.W., zodat het Hof geen redenen ziet om ook dit gedeelte van de tegenvordering onontvankelijk te verklaren. Deze tegeneis deelt het lot van de hoofdzaak / hoofdbeoordeling en komt naar het oordeel van het Hof ontvankelijk en gegrond voor, gelet op bovenvermelde motieven. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer Frans SLACHMUYLDERS, Substituut-generaal, in de lezing van zijn gedeeltelijk eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 10 januari 2007, waarop de raadsman van appellante schriftelijk repliceerde. Beslissend op tegenspraak na beraadslaging. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Vernietigt het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 13 juli 2005 gewezen onder A.R. nr. 2001458. Verklaart de initieel ingestelde vordering ongegrond en zegt verder voor recht dat de door geïntimeerde de RSZ gevorderde sociale zekerheidsbijdragen door schuldvergelijking met de aan appellante verschuldigde dwangsommen teniet zijn gegaan. Zegt dienvolgens voor recht dat de bijdrageopslagen en interesten derhalve niet verschuldigd zijn bij gebreke van het bestaan van een schuld. Verwijst geïntimeerde in de kosten van het geding in beide aanleggen; aan de zijde van appellante vereffend op 214,18 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 59,49 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep en 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; aan de zijde van geïntimeerde vereffend op 117,52 EUR dagvaardingskosten, 214,18 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van veertien februari tweeduizend en zeven, waar aanwezig waren: Dhr. J. MARTENS, Kamervoorzitter, Dhr. G. HELLINGS, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, Dhr. J. VRANKEN, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer - arbeider, Mevr. L. COLLA, e.a. Adjunct-griffier. ?? A.R. 2050216 - 4e kamer - blz. 41 Blz 1 PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070214.14 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030626.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050912.6 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051110.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div