← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070214.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070214.7 Rolnummer: 2006-0310 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 15:20 Fiches 1 - 3 De geneesheer specialist in opleiding, die zijn opleiding volgt in een ziekenhuis, is niet met dit ziekenhuis verbonden door een arbeidsovereenkomst wanneer hij prestaties levert onder het gezag van een stagemeester die als zelfstandige met dit ziekenhuis is verbonden en niet wordt aangetoond dat het ziekenhuis zelf gezag over de geneesheer specialist in opleiding kon uitoefenen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - algemene regeling - toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 1 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Ministerieel Besluit - 30-04-1999 - 2, § 7 - 30 ELI link Pub nr 1999043050 Nota: II AAN - Gerangschikt onder II AAN - artikel 1, VII A - artikel 2, § 1 en onder VII DN - artikel

  1. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - algemene regeling - toepassingsgebied - uitbreiding van de regeling Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 2, § 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - 15bis - 01 ELI link Pub nr 1969112813 Nota: VII A - Gerangschikt onder II AAN - artikel 1, VII A - artikel 2, § 1 en onder VII DN - artikel
  2. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Algemeen Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - coördinatie ziekte- en invaliditeitsverzekering - sociaal statuut. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 54 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: VII DN - Gerangschikt onder II AAN - artikel 1, VII A - artikel 2, § 1 en onder VII DN - artikel
  3. Annotaties Publicaties: JTT - - 2007 - nr. 992 - blz. 468-471 RW - - 2008-2009 - nr. 17 - blz. 713-716 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Verzending hof van beroep te Antwerpen Tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2060310 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN vzw met maatschappelijke zetel gevestigd appellante, incidenteel geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. E. Truyens, advocaat te 2550 Kontich, tegen : D. A. wonende te geïntimeerde, incidenteel appellante vertegenwoordigd door mr. A. Matthijs loco mr. C. Eykerman, advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 10 januari
  4. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 19 juni 2006 en 10 januari
  5. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 31 januari 2006 op tegenspraak gewezen tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 2 mei 2006; * de beschikking d.d. 28 juni 2006 overeenkomstig artikel 747§2 Ger.W.; * de conclusie van D.A. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 18 september 2006, waarbij incidenteel beroep wordt ingesteld; * de conclusie van de vzw ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 27 oktober 2006; * de syntheseconclusie van D.A. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 7 december
  6. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 9 februari 2005 vorderde D.A. de veroordeling van de vzw, hierna genoemd de vzw, tot betaling van: - 76.056,62 EUR opzeggingsvergoeding - 4.721,29 EUR achterstallig loon - 22.816,99 EUR vergoeding zwangerschapsbescherming - 3.802,84 EUR eindejaarspremie - 1,00 EUR provisioneel vakantiegeld - 2.500,00 EUR morele schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intrest. D.A. vorderde tevens de afgifte van de loonbrief, individuele rekening, fiscale fiche 281.10 m.b.t. de gevorderde bedragen onder verbeurte van een dwangsom van 25,00 EUR per dag vertraging per ontbrekend document. In conclusies neergelegd ter griffie op 29 juli 2005 vorderde D.A. in ondergeschikte orde, met name in de hypothese dat de arbeidsrechtbank zou oordelen dat partijen niet verbonden waren door een arbeidsovereenkomst betaling van 76.056,62 EUR vergoeding wegens contractuele wanprestatie en 4.721,29 EUR schadevergoeding wegens het niet verschaffen van arbeid. Bij vonnis van 31 januari 2006 beslisten de eerste rechters dat D.A. met de vzw verbonden was door een arbeidsovereenkomst, de vordering in betaling van een opzeggingsvergoeding, achterstallig loon, eindejaarspremie en vakantiegeld ontvankelijk verklaard, doch alvorens ten gronde te oordelen werd de heropening van het debat bevolen teneinde partijen toe te laten een gedetailleerde becijfering op te stellen van het brutojaarloon van D.A. en van de conform artikel 40 Arbeidsovereenkomstenwet verschuldigde vergoeding. De vorderingen in betaling van een vergoeding wegens zwangerschapsbescherming en een morele schadevergoeding werden ontvankelijk doch ongegrond verklaard. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de vzw strekt ertoe het tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 31 januari 2006 te hervormen en te zeggen voor recht dat het contract tussen D.A. en de vzw niet als arbeidsovereenkomst kan gekwalificeerd worden maar integendeel een contract sui generis; dienvolgens de vordering inzake achterstallig salaris, opzeggingsvergoeding, eindejaarspremie en vertrekvakantiegeld ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en, voor het overige m.b.t. de vergoeding wegens zwangerschapsbescherming en de morele schadevergoeding, het vonnis te bevestigen. Met conclusie van 18 september 2006 stelt D.A. incidenteel beroep in. In graad van beroep vordert zij in hoofdorde betaling van: - 70.614,98 EUR opzeggingsvergoeding - 4.721,29 EUR achterstallig loon, - 22.816,99 EUR zwangerschapsbescherming - 3.802,84 EUR eindejaarspremie - 1,00 EUR provisioneel vakantiegeld - 2.500,00 EUR morele schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intrest. D.A. vordert tevens de afgifte van de sociale en fiscale documenten m.b.t. de gevorderde bedragen m.n.: een loonbrief, individuele rekening, fiscale fiche 281.10, onder verbeurte van een dwangsom van 25,00 EUR per dag en per ontbrekend document. Ondergeschikt biedt D.A. het getuigenbewijs aan dat zij zelfstandig instond voor het behandelen van patiënten, prestaties dienden te worden geleverd onder het gezag en instructie van de vzw, dat zij wachten diende te verrichten, verlof diende te worden aangevraagd en afwezigheden dienden te worden verklaard. Ondergeschikt en met name in de hypothese dat dit arbeidshof van oordeel zou zijn dat partijen niet verbonden waren door een arbeidsovereenkomst vordert zij 70.614,98 EUR als schadevergoeding wegens contractuele wanprestatie en 4.721 EUR schadevergoeding wegens het niet verschaffen van arbeid. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
  7. De feiten Op basis van de neergelegde stukken en de niet tegengesproken feitelijke argumentatie ontwikkeld door partijen in conclusies, aanvaardt dit arbeidshof de volgende feiten als bewezen: Op 11 september 2003 sloten partijen een overeenkomst getiteld "overeenkomst geneesheer-specialist in opleiding (GSO)" waarvan de inhoud luidt als volgt: "... Artikel 1 De G.S.O. wordt in het ziekenhuis toegelaten teneinde een opleiding te volgen tot geneesheer-specialist overeenkomstig de bepalingen van het ministerieel besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van de algemene criteria voor de rekening van geneesheren-specialisten. Artikel 2 De partijen erkennen uitdrukkelijk het "sui generis"-karakter van deze overeenkomst,waarbij een beperkte R.S.Z.-regeling van toepassing is zoals vastgelegd bij koninklijk besluit van 18 maart
  8. Artikel 3 Deze overeenkomst wordt afgesloten voor de duur van 36 maanden, ingaande op 01/10/03 en neemt van rechtswege een einde op 30/09/
  9. Artikel 4 In akkoord met coördinerende stagemeester en overeenkomstig het ministerieel besluit van 30 april 1999 krijgt de G.S.O. gedurende de in artikel 3 bepaalde periode een opleiding op de dienst ALGEMENE HEELKUNDE van het ziekenhuis onder leiding van DR. V. D. S.. Artikel 5 Het reglement van inwendige orde van de dienst waarin de G.S.O. haar opleiding volbrengt en de afspraken met de stagemeester, maken integraal deel uit van deze overeenkomst. De G.S.O. verbindt zich ertoe zich hiernaar te schikken en naar best vermogen alle opdrachten uit te voeren die haar in het kader van haar opleiding worden toevertrouwd. Artikel 6 De stagemeester kent aan de G.S.O. een vergoeding toe overeenkomstig artikel 5, punt 25 van het ministerieel besluit van 30 april 1999 (schaal 10A van de barema's van het federale ambtenarenkader) Voor een vierdejaars G.S.O. bedraagt de bruto vergoeding: 2.482,65 EUR per maand. De vergoeding wordt uitbetaald via de administratieve diensten van het ziekenhuis op de bankrekening van de G.S.O. Artikel 7 De G.S.O. wordt door de stagemeester en door ziekenhuis verzekerd voor wat betreft zijn burgerlijke aansprakelijkheid tegenover derden in het kader van de haar toevertrouwde opdrachten. De G.S.O. dient een eigen verzekering aan te gaan voor wat betreft zijn persoonlijke aansprakelijkheid bij potentieel optreden buiten de stagemeester... (stuk 1 dossier D.A.) Daarnaast sloot D.A. een overeenkomst met Dr. V.D.S. getiteld "individuele overeenkomst tussen stagemeester en geneesheer-specialist in opleiding". Dr. V.D.S. is zelf niet met de vzw verbonden door een arbeidsovereenkomst, maar werkt als zelfstandige in het vzw. In de overeenkomst die D.A. met dr. V.D.S. heeft gesloten werden de wederzijdse verplichtingen van D.A. als GSO en dr. V.D.S. als stagemeester opgenomen in het kader van de opleiding tot geneesheer-specialist. In zijn zitting van 9 september 2004 besliste de erkenningscommissie heelkunde van het Directoraat-generaal basisgezondheidszorg unaniem dat het verderzetten van de opleiding van D.A. niet langer verantwoord was en bijgevolg zou worden stopgezet op 30 september
  10. Deze beslissing werd zowel aan D.A. als aan de vzw ter kennis gebracht. Na kennisname van de beslissing van de erkenningscommissie verzond de vzw op 1 oktober 2004 een aangetekende brief aan D.A.. In deze brief deelde de vzw mee dat de uitvoering van de op 11 september 2003 gesloten overeenkomst ingevolge de beslissing van de erkenningscommissie onmogelijk was geworden en dat die overeenkomst, in afwachting van het definitief worden van de beslissing van de erkenningscommissie, werd geschorst. Op 14 oktober 2004 en dus binnen de daartoe gestelde beroepstermijn, tekende D.A. beroep aan tegen de beslissing van de erkenningscommissie. Kennelijk niet op de hoogte van dit beroep, verzond de vzw op 26 november 2004 een op 22 november 2004 gedateerde brief, waarin zij verklaarde vast te stellen dat de overeenkomst van 11 september 2003 definitief was ontbonden wegens overmacht, inzonderheid door het verstrijken van de beroepstermijn tegen de beslissing van de erkenningscommissie, zonder dat beroep werd ingesteld. Zij bezorgde D.A. tevens een werkloosheidsattest C4, waarop zij onder meer vermeldde dat D.A. voor haar rekening had gewerkt van 1 oktober tot 26 november 2004 als GSO met als juiste oorzaak van de werkloosheid "ontslag door werkgever. Erkenning van de opleiding geneesheer-specialist werd ingetrokken". D.A. ontving eveneens een attest van tewerkstelling.
  11. De beoordeling 2.
  12. T.a.v. de in hoofdorde gestelde vorderingen Overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering is het D.A. die het bewijs moet leveren dat zij met de vzw verbonden was door een arbeidsovereenkomst, wat uiteraard het bewijs veronderstelt dat partijen een overeenkomst hebben gesloten waarin D.A. zich ertoe verbond om tegen betaling van loon, onder het gezag van de vzw prestaties te verrichten. Anders dan de eerste rechters is het arbeidshof van oordeel dat D.A. faalt in deze op haar rustende bewijslast en wel om de volgende redenen: De opleiding van een geneesheer tot geneesheer-specialist wordt wettelijk geregeld en deze, door de wetgever voorgeschreven regeling is onder meer terug te vinden in het M.B. van 30 april 1999 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, hierna het M.B. van 30 april 1999 genoemd. Wat de opleiding zelf betreft bepaalt artikel 2 van het M.B. van 30 april 1999 onder meer: ... §
  13. De kandidaat-specialist moet gedurende een voor elke specialiteit vastgestelde minimum duur de vereiste opleiding volgen bij één of meer erkende stagemeesters, in één of meer erkende stagediensten, onder de voorwaarden bepaald door de bijzondere criteria voor de betrokken specialiteit. §
  14. De opleiding vereist een voltijdse aanwezigheid van de kandidaat-specialist in de stagedienst, behoudens gemotiveerde uitzondering toegestaan door de bevoegde erkenningscommissie in overleg met de stagemeester en overeenkomstig de richtlijnen van de Minister. De totale duur van de opleiding blijft in voorkomend geval ongewijzigd. §
  15. De kandidaat-specialist moet zijn medische werkzaamheden beperken tot de opleidingstaken. §
  16. De opleiding moet ononderbroken worden gevolgd, behoudens afwijking toegestaan door de bevoegde erkenningscommissie overeenkomstig de richtlijnen van de Minister. Elke onderbreking van meer dan 15 weken, berekend over het geheel van de opleiding, moet worden ingehaald op het einde van de opleiding voor het deel dat de 15 weken overschrijdt... §
  17. De kandidaat-specialist staat onder het gezag van de stagemeester en is ertoe gehouden de richtlijnen van deze laatste te volgen. De kandidaat-specialist zal, naarmate zijn opleiding vordert, gradueel een grotere persoonlijke verantwoordelijkheid dragen. §
  18. Tijdens zijn stage behoort hij tot het geneeskundig korps van het ziekenhuis; hij is dus verplicht het reglement van het ziekenhuis na te leven, voor zover het conform dit besluit is. §
  19. De kandidaat-specialist neemt actief deel aan al de werkzaamheden van de stagedienst die noodzakelijk zijn voor zijn opleiding. Hij neemt deel aan de opvang en de behandeling van de spoedgevallen in zijn eigen en de aanverwante specialiteiten, onder de leiding van zijn stagemeester en volgens de graad van zijn opleiding. Hij mag enkel onder de leiding van zijn stagemeester deelnemen aan de wachtdiensten volgens de graad van zijn opleiding en uitsluitend in het ziekenhuis waar hij zijn stagedienst verricht..." Wat de verplichtingen van de stagemeesters betreft bepaalt artikel 5 van het M.B. van 30 april 1999 onder meer:
  20. de stagemeester verbindt zich ertoe voldoende tijd te besteden aan de vorming van de geneesheer kandidaat-specialist. Door frequent persoonlijk contact leert hij de kandidaat kritisch redeneren en oordelen. Hij zal hem voorlichten omtrent de gewenste houding tegenover de patiënten, hun familie, de confraters-geneesheren, de andere medewerkers, het verplegend en administratief personeel, de openbare besturen en het publiek;
  21. de stagemeester organiseert en leidt ten minste eenmaal per week groepsvergaderingen (seminaries, gevalsbesprekingen, bespreking van medische publikaties, enz.) met inbegrip van de socio-economische en ethische aspecten in de uitoefening van de specialiteit, alsmede de sociale wetgeving. Hij bevordert de contacten met andere specialisten door het organiseren van interdisciplinaire vergaderingen;
  22. de stagemeester zet de geneesheren kandidaat-specialisten ertoe aan wetenschappelijk werk te verrichten en hun daartoe de mogelijkheid te bieden, binnen de werkweek, a rato van minimum 4 uren per week;
  23. hij geeft hun de gelegenheid de ingerichte lesuren, voordrachten en werkgroepen bij te wonen en treft hiervoor de gepaste organisatorische schikkingen;
  24. de stagemeester moet, samen met zijn medewerkers, regelmatig en op objectieve wijze de vooruitgang van elke kandidaat-specialist waarvan hij de opleiding verzorgt evalueren. Hij stelt de kandidaat-specialist in kennis van de resultaten van deze evaluatie alsook van de precieze elementen waarop zij berust;
  25. in overleg met de kandidaat-specialist is hij gehouden een opleidingsprogramma op te stellen dat rekening houdt met de opleidingscriteria en de door de kandidaat-specialist reeds gevolgde opleiding. Dit programma, ondertekend door de stagemeester en de kandidaat-specialist, wordt binnen de eerste drie maanden van de stage overgemaakt aan de erkenningscommissie en aan de stagemeester die de opleiding coördineert;
  26. minstens éénmaal per jaar en globaal op het einde van de stages moet de stagemeester de bevoegde erkenningscommissie in kennis stellen van het verloop van de vorming van de kandidaat-specialist;
  27. de stagemeester houdt toezicht op de werkzaamheden van de geneesheren kandidaat-specialisten, alsmede op de door hen opgestelde medische dossiers en medische briefwisseling;
  28. tijdens de medische activiteiten van de kandidaat-specialist in de stagedienst moet steeds de stagemeester of één van zijn medewerkers in de stagedienst aanwezig en beschikbaar zijn tijdens de werkuren en bereikbaar buiten de werkuren;
  29. de stagemeester vertrouwt aan de kandidaat-specialist slechts die verantwoordelijkheid toe welke met de graad van zijn opleiding overeenstemt, ook voor wat betreft spoedgevallen en wachtbeurten; ...
  30. de stagemeester verdeelt de opgelegde werkzaamheden evenwichtig over de werkweek, van maandagochtend tot zaterdagmiddag, zodat de werkduur, exclusief de wachtbeurten, ten hoogste 9 uren per dag en 48 uren per werkweek bedraagt. Van deze maxima, wachtbeurten niet inbegrepen, mag afgeweken worden op voorwaarde dat de gemiddelde werkduur, berekend over 8 opeenvolgende weken, deze maxima niet overschrijdt. Een kandidaat-specialist kan voor vijf opeenvolgende wachtbeurten van elk twaalf uur ingezet worden, op voorwaarde dat hij gedurende die periode overdag niet hoeft te werken. In zulk geval is een gemiddelde van 48 werkuren per week, deze wachtbeurten inbegrepen, berekend over acht weken, een maximum dat niet overschreden mag worden. Een kandidaat-specialist mag niet meer dan één wachtbeurt per drie weekeinden ingezet worden, deze wachtbeurt kan vallen tussen zaterdagmiddag en maandagochtend;
  31. de stagemeester zorgt voor een bijzondere regeling betreffende de rechtsverhoudingen tussen het ziekenhuis en de kandidaten, de organisatie van de wachtdiensten en de werkvoorwaarden met inbegrip van de financiële voorwaarden die de bepalingen inzake de uit te voeren wachtdienstprestaties, alsmede hun bijzondere compensatieregelingen omvatten. Deze bijzondere regeling wordt uitgewerkt na onderling overleg tussen de kandidaten en het ziekenhuis waar hun stagedienst gesitueerd is en zij moet ter goedkeuring voorgelegd worden aan de Hoge Raad van Geneesheren-specialisten en van Huisartsen;
  32. onder staande wacht moet worden verstaan een aaneengesloten periode van beschikbaarheid buiten de normale werkuren waarbij gewoonlijk medische prestaties worden verricht. In elk geval worden de door de wet verplichte wachtdiensten als staande wacht beschouwd. De wachtfrequentie voor staande wachtbeurten mag niet meer bedragen dan één wachtbeurt op vijf opéénvolgende dagen, behoudens het in artikel 5, 17°, tweede lid bedoelde geval;
  33. onder bereikbare wacht moet worden verstaan een aaneengesloten periode van beschikbaarheid buiten de normale werkuren waarbij de kandidaat oproepbaar moet zijn. De wachtfrequentie voor bereikbare wachtbeurten bedraagt niet meer dan één op vier opéénvolgende wachtbeurten;
  34. in aansluiting op het volbrengen van een staande wachtbeurt heeft de kandidaat-specialist steeds recht op 12 uren rust;
  35. een bereikbare wachtbeurt waarbij de kandidaat-specialist in de stagedienst na middernacht, medische handelingen moet stellen, geeft recht op compensatierust volgens de bepalingen van de bijzondere regeling bepaald onder punt
  36. Bij gebreke aan goedkeuring van deze bijzondere regeling door de Hoge Raad voor Geneesheren-specialisten en Huisartsen wordt een bereikbare wachtbeurt met het stellen van medische handelingen gelijkgesteld met een staande wachtbeurt;
  37. onverminderd bovenvermelde criteria zal een onafgebroken periode van beschikbaarheid van de kandidaat ten hoogste 24 uren, inclusief de wachtbeurt, de pauzes en de dienstonderbrekingen, bedragen;
  38. de stagemeester kent aan de kandidaat-specialist, naast de wettelijke feestdagen, ten minste 20 dagen vakantie per jaar toe waarvan ten minste 7 opeenvolgende dagen. Daarnaast verleent de stagemeester de kandidaat-specialist de nodige dienstvrijstellingen om zijn burgerlijke, sociale en familiale verplichtingen na te komen;
  39. de stagemeester verbindt er zich toe dat de kandidaat-specialisten een billijke vergoeding ontvangen. Hij deelt de getroffen regeling mede aan de bevoegde erkenningscommissie. Deze billijke vergoeding is minstens gelijk aan de brutowedde van een adjunct-adviseur in het federale ambtenarenkader met gelijke anciënniteit. Indien in de stagedienst of de betrokken instelling een hogere vergoeding van kracht was voor het van kracht worden van dit besluit, moet deze behouden worden;
  40. noch het ziekenhuis, noch de stagemeester, noch enige inrichtende macht, mag op enigerlei wijze een inhouding doen op de bezoldiging van de kandidaat-specialisten ongeacht het motief. Geen enkel voordeel in natura mag ten laste van de kandidaat-specialisten vallen. In geen geval mogen de kosten voor het logement van de kandidaat-specialist tijdens de wachtbeurt ten laste van de kandidaat-specialist vallen;
  41. de stagemeester laat de kandidaat niet tot de opleiding toe dan nadat hij zich ervan vergewist heeft dat er een gepaste verzekering voor beroepsaansprakelijkheid werd afgesloten, in hoofde van de kandidaat-specialist, door een universiteit, een erkende stagemeester of een ziekenhuis." Aldus werd door de wetgever een gedetailleerde regeling uitgewerkt, waarbij de verantwoordelijkheid voor de opleiding van de GSO, inzonderheid de organisatie van de activiteiten in het kader van de opleiding, evenals het recht om instructies te geven en toezicht uit te oefenen, werd toevertrouwd aan de stagemeester. Het arbeidshof stelt vast dat de overeenkomsten die D.A. heeft gesloten, met respectievelijk de vzw en dr. V.D.S., perfect in overeenstemming zijn met genoemd M.B. van 30 april 1999, inzonderheid wat de wederzijdse rechten en verplichtingen betreft. De overeenkomst die D.A. met de vzw heeft gesloten doet dan ook weinig meer dan een materieel kader creëren, binnen hetwelk de opleiding zou worden verleend en de opleidingstaken, onder het gezag van dr. V.D.S., zouden worden verricht. Het arbeidshof stelt tevens vast dat geen enkele element uit het dossier toelaat te besluiten dat partijen in werkelijkheid zouden hebben afgeweken van de bepalingen van het M.B. van 30 april 1999, zoals bevestigd en nader uitgewerkt in genoemde overeenkomsten. Zo is er met name geen enkel element in het dossier dat toelaat te besluiten dat D.A. binnen het vzw andere taken heeft verricht dan de opleidingstaken die haar door dr. V.D.S. werden toevertrouwd in het kader van haar opleiding tot geneesheer-specialist. Het arbeidshof wenst er in dit verband tevens op te wijzen dat in de overeenkomst tussen D.A. en dr. V.D.S. uitdrukkelijk werd bedongen dat D.A. haar medische werkzaamheden diende te beperken tot de opleidingstaken. Dat in artikel 7 van de overeenkomst tussen D.A. en de vzw werd bedongen dat D.A. zich zelf diende te verzekeren voor haar persoonlijke aansprakelijkheid "bij potentieel optreden buiten de stagemeester", impliceert uiteraard niet dat het leveren van prestaties buiten het kader van de opleiding werden overeengekomen, en nog minder dat zulks ook daadwerkelijk is gebeurd. Anders dan D.A. voorhoudt, omvat een opleiding tot geneesheer-specialist wel degelijk de uitvoering van medische handelingen, dit wordt ten andere met zoveel woorden voorgeschreven door het M.B. van 30 april 1999 en een opleiding tot geneesheer-specialist kan en mag niet beperkt blijven tot het louter observeren van de stagemeester en/of andere geneesheren. Naar het oordeel van dit arbeidshof kan uit de hiervoor beschreven samenwerking tussen D.A., de vzw en dr. V.D.S. en de in dit kader verrichte prestaties niet worden besloten dat D.A. die prestaties heeft geleverd in een band van juridische ondergeschiktheid tegenover de vzw, integendeel. Het staat immers niet ter discussie dat D.A., zoals voorgeschreven door het M.B. van 30 april 1999 en zoals overeengekomen in de overeenkomsten die zij afsloot met de vzw en dr. V.D.S., haar taken heeft verricht onder gezag en toezicht van dr. V.D.S.. Daarbij moet worden opgemerkt dat dr. V.D.S. zelf niet met de vzw is verbonden door een arbeidsovereenkomst en het blijkt al evenmin dat dr. V.D.S. bij het afsluiten en uitvoeren van de individuele overeenkomst tussen stagemeester en geneesheer-specialist in opleiding heeft gehandeld in naam van de vzw. Er is dan ook niets in het dossier dat toelaat te besluiten dat de vzw rechtstreeks of onrechtstreeks instructies kon geven aan D.A. m.b.t. de uitvoering en de organisatie van haar opleidingstaken, alles wijst er integendeel op dat alleen dr. V.D.S. dit kon en dat dr. V.D.S. daarbij optrad in eigen naam en onder haar eigen verantwoordelijkheid. De vergelijking die D.A. maakt met de situatie van een werkgever die zijn bevelrecht uitoefent door tussenkomst van een derde loopt dan ook volledig mank. Zoals hiervoor reeds aangegeven beschikte de vzw immers niet over een bevelrecht t.a.v. D.A. en bijgevolg kon de vzw de uitoefening van dit onbestaande recht ook niet toevertrouwen aan een derde. Tevergeefs meent D.A. een argument te kunnen putten uit de vermeldingen op de door de vzw afgeleverde sociale documenten en de standpunten ingenomen door de RSZ en het sociaal secretariaat SVMB In dit verband moet er vooreerst op gewezen worden dat partijen hun overeenkomst niet hebben gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst, maar als een overeenkomst met een "sui generis" karakter, met verwijzing naar de beperkte RSZ-regeling vastgelegd bij K.B. van 18 maart
  42. Partijen doelden daarbij uiteraard op de bij K.B. van 18 maart 1983 ingevoerde (gedeeltelijke) uitbreiding van het toepassingsgebied van de RSZ-wet op de geneesheren in opleiding tot geneesheer-specialist en de verplegingsinstellingen waar zij hun opleiding volgen. (art. 15 bis Uitvoeringsbesluit RSZ-wet) Daarbij moet worden opgemerkt dat genoemde uitbreiding van het toepassingsgebied van de RSZ-wet werd genomen in uitvoering van de in artikel 2, 1° van de RSZ-wet aan de Koning verleende bevoegdheid om de toepassing van die wet uit te breiden tot de personen die, zonder door een arbeids-overeenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden, als die van een arbeidsovereenkomst en de persoon aan te wijzen die in dit kader als werkgever wordt beschouwd. Partijen hebben aldus in hun overeenkomst aangegeven dat zij zich niet door een arbeidsovereenkomst verbonden achtten, maar door een andere type van overeenkomst. Precies gelet op de hoger vermelde uitbreiding van de RSZ-wet kan geen argument geput worden uit het feit dat D.A. op de afgeleverde sociale documenten werd aangemerkt als werknemer/bediende en de vzw als werkgever. Het gebruik van deze vermeldingen is overigens correct in het kader van de socialezekerheidswetgeving, doch hieruit kan en mag niet worden besloten dat de vzw zou hebben erkend of hebben willen erkennen dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst in de arbeidsrechtelijke betekenis bestond. Het arbeidshof twijfelt er, gelet op het voorgaande, niet aan dat afgifte van het neergelegde werkloosheidsattest C4 kadert in een - overigens begrijpelijke - vergissing omtrent het socialezekerheidsrechtelijk statuut van D.A. die, zoals gezegd, gedeeltelijk onderworpen is aan het socialezekerheidsstelsel voor werknemers. Ook hieruit kan en mag niet worden besloten dat de vzw heeft willen erkennen dat partijen verbonden waren door een arbeidsovereenkomst. Ook uit de inhoud van de neergelegde brieven uitgaande van de vzw kan geenszins worden besloten dat partijen verbonden waren door een arbeidsovereenkomst, noch dat de vzw expliciet of impliciet het bestaan van een dergelijke overeenkomst zou hebben erkend. Wat de verwijzing naar het standpunt van de RSZ en het sociaal secretariaat SVMB betreft moet vooreerst worden opgemerkt dat de rechter uiteraard niet gebonden is door interpretaties die uitgaan van genoemde instellingen. Overigens hebben deze instellingen, naar het oordeel van het arbeidshof, enkel standpunt ingenomen m.b.t. het statuut van de GSO t.a.v. de sociale zekerheid en niet in het kader van het arbeidsrecht. Evenmin kan enig argument geput worden uit het feit dat de vzw en/of dr. V.D.S. economisch voordeel hebben gehaald uit de activiteiten van D.A., noch uit het feit dat zij vanwege de vzw de wettelijk voorgeschreven vergoedingen als GSO heeft ontvangen. Ten slotte kan D.A. ook geen argument putten uit de in de overeenkomst met de vzw bedongen verplichting voor D.A. om het inwendig reglement van de vzw na te leven. In dit verband dient er vooreerst op gewezen te worden dat de verplichting tot naleving van het inwendig reglement van het ziekenhuis waar de GSO stage loopt wordt voorgeschreven door het M.B. van 30 april 1999 en dat de overeenkomst tussen partijen bijgevolg weinig meer bevat dan de herhaling en concretisering van de toepasselijke wettelijke bepaling. Bovendien geeft D.A. geen enkele precisering nopens de inhoud van het inwendig reglement van de vzw, zodat evident niet kan worden vastgesteld of de verplichting tot naleving van dit reglement wijst op het bestaan van een juridische ondergeschiktheid van de D.A. tegenover de vzw. Samenvattend en besluitend is dit arbeidshof van oordeel dat D.A. niet het bewijs levert dat zij met de vzw verbonden was door een arbeidsovereenkomst, zodat alle vorderingen die steunen op het bestaan van een dergelijke overeenkomst ongegrond moeten worden verklaard. Het bewijsaanbod, dat D.A. in ondergeschikte orde formuleert, is niet van aard om aan deze falende bewijsvoering te kunnen verhelpen, zodat hierop niet moet worden ingegaan. Het staat immers als zodanig niet ter discussie dat D.A. instond voor het behandelen van patiënten, dat zij wachten diende te verrichten, verlof moest aanvragen en afwezigheden diende te rechtvaardigen. Zoals hiervoor reeds aangegeven staat evenmin ter discussie dat zij in dit kader handelde onder het gezag van dr. V.D.S. en dat zij de instructies van dr. V.D.S. moest naleven. Deze gezagsuitoefening door dr. V.D.S. mag echter niet automatisch worden toegerekend aan de vzw en is het precies het bewijs van de (juridische mogelijkheid tot) gezagsuitoefening door de vzw zelf, dat in dit dossier ontbreekt. Weliswaar biedt D.A. aan om met getuigen te bewijzen dat zij prestaties diende te leveren "onder het gezag en instructie van de vzw", maar zij vermeldt geen duidelijke, concrete feiten op basis waarvan tot het bestaan van een dergelijke gezags(uitoefening) door de vzw zou kunnen worden besloten. Het bewijsaanbod voldoet bijgevolg, wat dit aspect betreft, niet aan het in artikel 915 Ger.W. gestelde vereiste van nauwkeurigheid.
  43. T.a.v. de in ondergeschikte orde gestelde vorderingen Samen met partijen is dit arbeidshof van oordeel dat de in ondergeschikte orde gestelde vorderingen, inzonderheid de vorderingen gesteld in de door dit arbeidshof bijgetreden hypothese dat partijen niet verbonden waren door een arbeidsovereenkomst, niet behoren tot de materiële bevoegdheid van de arbeidsgerechten. Gelet op het voorgaande en bij toepassing van artikel 643 Ger.W. moet de zaak worden verwezen naar het hof van beroep te Antwerpen. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging recht sprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 31 januari
  44. Verklaart de vorderingen van D.A. in betaling van een opzeggingsvergoeding, achterstallig loon, vergoeding zwangerschapsbescherming, eindejaarspremie, vakantiegeld, morele schadevergoeding en afgifte van sociale en fiscale documenten welke steunen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen partijen ongegrond. Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de overige door D.A. gestelde vorderingen. Verzendt de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen bij toepassing van artikel 643 Ger.W. met inbegrip van de begroting van de kosten. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 14 februari 2007, waar aanwezig waren: mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer I. BIEGS, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, aangewezen bij beschikking d.d. 14 februari 2007 door mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, die de eerste voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om de heer H. CLOOSTERMANS, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. (art. 779 Ger.W.) de heer F. LINGIER, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, mevrouw L. PELEMANS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070214.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.