id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070216.11 Rolnummer: 2005-0659 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-10-16 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-02 15:20 Fiche Om het gebrek aan openbaarmaking van de werkroosters van de deeltijdse werknemers op te vangen kan de werkgever er zich op beroepen dat deze verplichtring niet bestond in de periodes dat de arbeidsovereenkomst was geschorst. In dat geval draagt de werkgever weliswaar de bewijslast zowel omtrent het bestaan van deze schorsing en de exacte periodes ervan. Vermits de werkgever zich beroept op de consensuele schorsing van de arbeidsovereenkomst moet hij ook het bewijs leveren van de toestemming van beide partijen, dus ook deze van de werknemer. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) Vrije woorden: Inning en invordering van de bijdragen - aangifte - toepassingsgebied - deeltijdse werknemers - werkroosters - vermoeden van voltijdse arbeid - schorsing arbeidsovereenkomst - bewijs - VII A Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 22 ter - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Tekst van de beslissing A.R. nr. 2050659 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: bvba DO, met zetel gevestigd te x, x, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. G. MICHIELS loco mr. L. LENAERTS, advocaat te x, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te x, x, verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. L. VAN STRYDONCK loco mr. G. LANGE, advocaat te x. Na beraadslaging wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 2 november 2005, van 15 september 2006, van 20 oktober 2006, van 17 november 2006 en van 19 januari 2007; Gelet op de stukken van de rechtspleging en in het bijzonder op: * het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 5 september 2005, op tegenspraak gewezen door de arbeidsrechtbank te Antwerpen; * het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 5 oktober 2005 en vervolgens, zoals artikel 1056 van het gerechtelijk wetboek voorschrijft, op 5 oktober 2005 ter kennis gebracht aan wie het behoort; * de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 2 december 2005; * het verzoekschrift, op de griffie van dit hof ontvangen op 7 maart 2006, waarmee verweerder in hoger beroep vraagt om de conclusietermijnen te regelen en om de rechtsdag te bepalen (toepassing van artikel 747, §2 van het gerechtelijk wetboek); * de beschikking van 22 maart 2006 van raadsheer J. Verhavert, in toepassing van artikel 747, §2 van het gerechtelijk wetboek; * de conclusies voor eiser in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 27 april 2006; * de conclusies voor verweerder in hoger beroep, op de griffie van het hof neergelegd op 26 mei 2006; * de conclusies voor eiser in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 29 juni 2006; * de conclusies voor verweerder in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 3 augustus 2006; * het schriftelijke advies van het openbaar ministerie? gelezen en neergelegd op de zitting van 17 november 2006 en ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid van het gerechtelijk wetboek; * de repliekconclusies van eiser in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 27 november
- Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzittingen van 15 september 2006 en van 20 oktober 2006; Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 17 november
- De ontvankelijkheid Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaat Op zondag 29 april 2001 werd in samenwerking met de toenmalige Inspectie van de Sociale Wetten te Antwerpen en de Economische Inspectie een onderzoek ingesteld in de inrichting voor het uitbaten van publieke telefooncellen en telecommunicatiediensten, gelegen x te x. In deze inrichting wordt achter de toonbank MM aangetroffen. Er kan een personeelsregister worden voorgelegd waarin betrokkene staat ingeschreven. Tevens wordt de arbeidsovereenkomst voor deeltijdse prestaties voorgelegd. Deze overeenkomst voorziet echter geen prestaties op zondagen. Een afwijkingsdocument, in de zin van artikel 160 van de programmawet van 22 december 1989, kan niet worden voorgelegd. Met de bedoeling het administratief onderzoek verder te zetten wordt de vennootschap en haar zaakvoerder uitgenodigd om op 14 februari 2002 de sociale en andere documenten voor te leggen. Op 14 februari 2002 legt HA, de zaakvoerder, alle gevraagde documenten voor behalve de documenten voorzien bij de artikelen 157 tot en met 161 van voormelde programmawet. Uit de individuele rekeningen en de aangiften aan de RSZ blijkt duidelijk dat de werknemers deeltijds worden aangegeven. De arbeidsovereenkomsten worden op 4 maart 2002 voorgelegd. Uit de voorgelegde individuele rekeningen blijkt dat: * MM 8 dagen deeltijds heeft gewerkt en 17 dagen toegestaan afwezig was; * MA 89 dagen deeltijds heeft gewerkt en 68 dagen toegestaan afwezig was; * AS 53 dagen deeltijds heeft gewerkt en 69 dagen afwezig was; * In een periode van 353 kalenderdagen (d.i. het totaal van de periodes waarin de drie werknemers in dienst waren) er 145 dagen werd gewerkt voor een totaal van 449 uren of, in de veronderstelling van een vijfdaagse werkweek, 1,78 uur per mogelijke arbeidsdag door alle werknemers samen. De werkgever werd er op gewezen dat hij op twee maanden tijd het personeelsbestand van één werknemer naar drie werknemers uitbreidt, daar waar de gepresteerde aangegeven uren niet eens voldoende zijn om de prestaties voorzien in de arbeidsovereenkomst van één werknemer te behalen. Betreffende de toegestane afwezigheid verklaarde deze dat hij zijn personeel niet voldoende werk kon bieden om hen 21 uur, of in het geval van MM 15 uur per week aan het werk te houden. Hij deelde hen dan mee dat ze niet moesten komen werken omdat er niet genoeg werk was. De inspectie oordeelde dat dergelijke afwezigheid geen toegestane afwezigheid is, waarbij wordt verondersteld dat de werkgever de afwezigheid toestaat op verzoek van de werknemer. In dit concrete geval kan de werkgever zijn contractuele verplichting om personeel gedurende een afgesproken aantal uur per week tewerk te stellen niet naleven en heeft hij evenmin het verschuldigde loon voor contractueel overeengekomen prestaties betaald. Een bijkomende aangifte aan de RSZ van het verschil tussen het loon voor de contractueel overeengekomen prestaties en de op de individuele rekeningen vermelde lonen dringt zich op. Niettegenstaande er werd gevraagd om de documenten voorzien bij de artikelen 157 tot en met 161 van de programmawet van 22 december 1989 voor te leggen, kon HA enkel de arbeidsovereenkomsten van de drie personeelsleden voorleggen. Voor de arbeidsovereenkomsten van MA en AS, die slechts het aantal te presteren uren en dagen per week vermelden, konden de variabele werkroosters, zoals bedoeld in het artikel 159, niet worden voorgelegd. Het afwijkingsdocument, vermeld in artikel 160 van die wet, kon evenmin worden voorgelegd. In zijn verklaring van 4 maart 2002 zegt HA wel te beschikken over lijsten waarop hij de aanvangsuren en de einduren van de prestaties van zijn personeel noteert, maar de op 5 maart afgegeven documenten vermelden louter het aantal gepresteerde uren per dag. Hij verklaarde verder geen uurroosters te hebben opgesteld. Volgens de inspectie is het dus duidelijk dat artikel 159 van voormelde programmawet werd geschonden en dat artikel 22ter van de RSZ-wet moet worden toegepast. De RSZ gaat over tot een dubbele regularisatie: - in uitvoering van artikel 171, §2 van de programmawet van 22 december 1989, voor de tewerkstelling van MA en AS, - met toepassing van artikel 22 van de RSZ-wet: bijkomende aangifte van de prestaties van MM voor zijn prestaties op zondag (ontbreken van een afwijkingsdocument). De berichten van wijziging worden opgemaakt op 10 oktober 2003 voor respectievelijk 40,22 euro, 7.919,38 euro en 9.746,09 euro. Op basis van de twee laatste berichten van wijziging, gaat de RSZ op 29 januari 2004, over tot dagvaarding van de bvba DO voor een saldo van 11.848,18 euro. Het bestreden vonnis De eerste rechters, in een vonnis van 5 september 2005, wijzen de vordering van de RSZ toe. De raadslieden van de beide partijen verklaren op de terechtzitting van 15 september 2006 dat het vonnis wederzijds niet werd betekend. Eisen in hoger beroep DO tekende tegen dit vonnis hoger beroep aan op 5 oktober
- Zij voert in hoofdorde aan dat de arbeidsovereenkomsten met de betrokken werknemers consensueel waren geschorst, zodat er geen aanleiding is tot enige regularisatie. Zij vraagt in hoofdorde het hoger beroep gegrond te verklaren en de oorspronkelijke vordering van de RSZ als ongegrond af te wijzen. In ondergeschikte orde biedt zij het getuigenbewijs aan om te bewijzen dat alle werknemers betaald werden voor hun prestaties en de werknemers met de werkgever in onderling akkoord afspraken om de arbeidsovereenkomst te schorsen voor de andere periodes, waarvoor dan ook geen betaling diende te gebeuren. De RSZ vraagt om het hoger beroep als ongegrond af te wijzen. Bij wijze van tegenvordering vraagt zij een schadevergoeding van 2.500 euro wegens dilatoir en tergend hoger beroep. DO vraagt om de tegenvordering als ongegrond af te wijzen. Volgens het recht Allereerst sluit het hof zich aan bij het advies van het openbaar ministerie, bij zoverre het wijst op de omvang van de vordering van de RSZ. Het openbaar ministerie merkt aldus op: Het is noodzakelijk even stil te staan bij de juiste inhoud van de vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de betwisting die in het kader van deze vordering beslecht dient te worden. Het is met name duidelijk dat hierover in onderhavige procedure enige misverstanden zijn ontstaan. De vordering welke aanhangig werd gemaakt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bij dagvaarding van 29 januari 2004 heeft immers de betaling van euro 11 848,18, meer de verwijlinterest vanaf 8 januari 2004 tot de dag van betaling op euro 9 577,98, meer ook de gerechtskosten, tot voorwerp. Voor het detail van deze vordering wordt verwezen naar het rekeninguittreksel afgesloten op 8 januari 2004, dat melding maakt van een door appellante verschuldigd saldo aan regularisatiebijdragen voor het 2de kwartaal 2001 tot en met het 2de kwartaal 2002 en gewijzigde vakantiebijdragen voor het 1ste kwartaal 2002 en het 1ste kwartaal 2003 ten bedrage van in totaal euro 9 746,09 (onder afrok van een tegoed van euro 168,11 nog euro 9 577,98), meer de bijdrageopslagen ten bedrage van euro 957,77 en de interest berekend tot op de dag van het afsluiten van het rekeninguittreksel ten bedrage van euro 1 312,
- Dit alles is van belang omdat hieruit blijkt dat in dit rekeninguittreksel blijkbaar de regularisatiebijdragen met betrekking tot de prestaties op zondag 29 april 2001 van MM, welke volgens het bericht van wijziging der bijdragen euro 40,22 bedragen, niet werden opgenomen. Dit valt af te leiden uit het feit dat het rekeninguittreksel enkel de regularisatiebijdragen herneemt welke terug te vinden zijn in het bericht van wijziging opgesteld op 10 oktober 2003 met betrekking tot de prestaties uit hoofde van een tewerkstelling op voltijdse basis (i.p.v. deeltijds) van MA en AS. Het totaal bedrag van de verschuldigde regularisatiebijdragen, exclusief de bijdrageopslagen en de interest berekend tot 8 januari 2004, vermeld op het rekeninguittreksel afgesloten op 8 januari 2004 ( euro 9 746,09) is dan ook hetzelfde als het totaal van diezelfde bijdragen terug te vinden op het hoger vermelde bericht van wijziging der bijdragen ( euro 9 746,09). Dit betekent dat de regularisatiebijdragen die vermeld worden in het bericht van wijziging der bijdragen dat betrekking had op de prestaties geleverd door MM op zondag 29 april 2001 niet het voorwerp uitmaken van deze door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aanhangig gemaakte vordering, zodat deze ambtshalve regularisatie niet besproken dient te worden. Wat wel beoordeeld moet worden is de vordering tot betaling van regularisatiebijdragen welke verschuldigd zijn ingevolge een ambtshalve regularisatie op basis van de voltijdse prestaties van de werknemers MA en AR voor de volledige periode dat zij in dienst waren bij appellante - voor eerstgenoemde is dat van 12 juni tot en met 31 oktober 2001 en voor laatstgenoemde van 12 juni tot en met 31 oktober 2001 en van 14 maart tot en met 31 mei 2002 - in toepassing van het vermoeden voorzien in artikel 22ter van RSZ-wet (in de versie zoals van toepassing voor 1 januari 2005). De RSZ steunt zich op de toepassing van artikel 22 ter van de RSZ-wet om zijn regularisatie van de door DO verschuldigde RSZ-bijdragen door te voeren. Artikel 22 ter, ingevoegd bij de Wet van 22 december 1989, artikel 181, 005 en in werking getreden op 9 januari 1990, bepaalt: Behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, worden de deeltijdse werknemers vermoed, bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de programmawet van 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij artikel 164 van dezelfde wet, hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet. Bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters worden de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. Ontdaan van de uitzondering, zegt de eerste zin van artikel 22 ter dat de deeltijdse werknemers worden vermoed hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt. Aldus schept de wetgever een verband tussen de theorie (de werkroosters) en de praktijk (de effectieve prestaties). Als de werkroosters op de wettelijk voorgeschreven manier openbaar zijn gemaakt dan worden de werknemers vermoed gepresteerd te hebben conform deze werkroosters. De prestaties kunnen ook afwijken van deze werkroosters. Maar in dat geval moeten deze afwijkingen ofwel worden ingeschreven in de wettelijke daartoe voorziene documenten of moeten ze worden geregistreerd via vervangende apparatuur. In deze zaak is echter de afwijking van de werkroosters niet op de eerste plaats aan de orde. De eerste zin van artikel 22 ter bevat het vereiste van openbaarmaking. En dit vereiste kan niet buiten beschouwing worden gelaten. En precies in verband daarmee voorziet artikel 22 ter in een tweede vermoeden. De tweede zin van artikel 22 ter bepaalt immers dat, wanneer er geen openbaarmaking van werkroosters is conform de wet, de deeltijdse werknemers worden vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. De RSZ beroept zich op het tweede vermoeden van deze bepaling want hij houdt voor dat door de ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters in casu, MA en AR worden vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. Het eerste wat bijgevolg moet bewezen zijn, is de 'ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters'. Welke openbaarmaking? Deze die werd bepaald in de artikelen 157 tot 159 van de programmawet van 22 december
- Wie moet dit bewijs leveren? Hij die zich beroept op de 'ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters', in casu de RSZ. Artikel 157 bepaalt: Een afschrift van de arbeidsovereenkomst van de deeltijdse werknemer, schriftelijk vastgesteld overeenkomstig artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of een uittreksel van die arbeidsovereenkomst met de werkroosters en met de identiteit van de deeltijdse werknemer waarop deze van toepassing zijn, alsmede zijn handtekening en die van de werkgever, moet worden bewaard op de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden met toepassing van artikel 15 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen. Artikel 15 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen laat er geen twijfel over bestaan dat 'de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden' de werkplaats is waar de werknemers zijn tewerkgesteld. De ratio legis van deze bepaling is dat bij controle onmiddellijk de hand moet kunnen gelegd worden op de werkroosters van de deeltijdse werknemers zodat op basis van deze werkroosters er kan worden nagegaan of de deeltijdse werknemers conform deze roosters aan het werk zijn. Het is duidelijk dat deze regeling enkel betrekking heeft op deeltijdse werknemers. In deze zaak zijn partijen het er over eens dat zowel MA als ARdoor DO waren tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid. Deze arbeidsovereenkomsten werden overigens door de zaakvoerder van DO aan de inspectie voorgelegd. Op de dag van de inspectie 29 april 2001 werd enkel MM aangetroffen. Er werd niet gevraagd om voor andere werknemers de arbeidsovereenkomsten voor te leggen. Nadien bij een verder gezet onderzoek op het bureau van de sociale inspectie kwam aan het licht dat MA en AR prestaties hadden geleverd voor DO. Hun schriftelijke deeltijdse arbeidsovereenkomsten konden door de zaakvoerder worden voorgelegd maar deze bleken geen werkroosters te bevatten. Uit de verklaring van de zaakvoerder blijkt bovendien dat dergelijke werkroosters nooit werden opgemaakt. Verder bleek uit de stukken die de zaakvoerder bijbracht dat er op variabele tijdstippen door deze werknemers werd gewerkt (zie de door hem bijgehouden overzichten van gewerkte uren). Dit betekent dat er sprake is van variabele tewerkstelling, waarop niet artikel 157 maar wel artikel 159 van de bedoelde programmawet van toepassing is. Dit artikel bepaalt: Wanneer het werkrooster variabel is, ..., zullen de dagelijkse werkroosters ten minste vijf werkdagen vooraf ter kennis worden gebracht van de werknemers door middel van aanplakking van een bericht, ..., gedateerd door de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden, in de lokalen van de onderneming ... Nu er helemaal geen werkroosters werden opgemaakt, gegeven dat door DO niet wordt betwist, kan er nooit voldaan zijn aan het vereiste van openbaarmaking, zodat er inderdaad sprake is van ontstentenis van openbaarmaking, bedoeld in artikel 22 ter van de RSZ-wet. En in geval van ontstentenis van openbaarmaking, speelt het tweede vermoeden van artikel 22 ter van de RSZ-wet en worden de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. DO roept aan deze analyse een halt toe omdat ze enkel zou opgaan wanneer de deeltijdse arbeidsovereenkomsten waarover het gaat, in uitvoering zijn. Volgens DO waren hier echter de deeltijdse arbeidsovereenkomsten deels niet in uitvoering maar wel op geregelde tijdstippen geschorst. De regularisatie kan in die omstandigheden enkel betrekking hebben op de periodes, waarin de uitvoering van de arbeidsovereenkomsten niet was geschorst. Aansluitend bij het advies van het openbaar ministerie, is het hof van oordeel dat DO niet naar recht het bewijs levert van de exacte periodes waarbinnen de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wél was geschorst. Het is wel degelijk DO die het bestaan van de schorsing moet bewijzen omdat zij zich er op beroept. De RSZ moet niet bewijzen dat er geen schorsing van de arbeidsovereenkomst is geweest. De RSZ moet enkel de toepassingsvoorwaarden van artikel 22 ter van de RSZ-wet aantonen en dat betekent dat de RSZ moet bewijzen dat de partijen in de weerhouden kwartalen samenwerkten op basis van een deeltijdse arbeidsovereenkomst en dat de openbaarmaking van de werkroosters ontbrak. Het is duidelijk dat de betrokken partijen geen geschrift opmaakten telkens als de uitvoering van de arbeidsovereenkomst werd geschorst. De schorsing zal bijgevolg anders moeten bewezen worden. Hierbij speelt de aard van de schorsing een rol. DO roept een consensuele schorsing in, dit beduidt een schorsing in onderlinge overeenstemming. Dit brengt meteen mee dat DO deze wederzijdse toestemming moet bewijzen. Het volstaat voor DO niet om haar eigen toestemming tot de schorsing te bewijzen. Ze zal even goed de toestemming van haar twee werknemers moeten bewijzen. Anders kan er immers geen sprake zijn van een consensuele schorsing. Tot bewijs van deze toestemming legt DO in haar bundel twee geschreven verklaringen van deze werknemers neer. Het hof is echter van oordeel dat deze verklaringen niet voldoende bewijskrachtig zijn. Ze zijn duidelijk opgemaakt op basis van een voorgeschreven tekst. Wie deze voorgeschreven tekst heeft opgemaakt en onder welke omstandigheden deze tekst aan de betrokkenen werd voorgelegd blijft onbekend. Of MA en AR begrepen hebben, wat ze op papier hebben gezet, staat niet vast. Bovendien werden deze verklaringen opgemaakt in het kader van deze beroepsprocedure en maken ze geen melding van de precieze periodes waarin de uitvoering van de arbeidsovereenkomsten destijds werd geschorst. Bovenop deze verklaringen, stelt DO voor de schorsingen te mogen bewijzen met getuigen. Op dit bewijsaanbod kan niet worden ingegaan omdat het gegeven dat men wil bewijzen te vaag is, gegeven dat, indien het zou bewezen zijn, de beoordeling door het hof niet vooruit helpt. Wat ontbreekt is de aanduiding van de exacte periodes van schorsing. Voor elk van deze periodes moet telkens weer de wederzijdse toestemming tot schorsing kunnen bewezen worden. Op het aanbod tot getuigenverhoor kan derhalve niet worden ingegaan. In die omstandigheden komt het hof tot het besluit dat DO niet naar recht de consensuele schorsing van de deeltijdse arbeidsovereenkomsten bewijst. Voor het overige heeft de RSZ wél naar recht aangetoond dat het inderdaad om deeltijdse tewerkstelling ging en dat, door het ontbreken van welk werkrooster dan ook, er niet was voldaan aan het vereiste van openbaarmaking, zodat het tweede vermoeden uit artikel 22 ter speelt, nu dit vermoeden niet is weerlegd door DO. Eigen stukken, die uitgaan van de werkgever en die door hem manipuleerbaar zijn, gelden niet als weerlegging van het vermoeden. Wat de berekening van de vordering van de RSZ betreft, kan het hof zich aansluiten bij het advies van het openbaar ministerie: De betwisting welke appellante op dit vlak opnieuw ter sprake brengt werd op correcte wijze beoordeeld door de eerste rechter. Voor deze berekening kan verwezen worden naar de gedetailleerde uitleg welke door de inspectiediensten werd verstrekt, onder meer in het laatste onderzoeksverslag van 2 september 2003 en de gevoegde berekeningsnota's. Appellante reikt geen elementen aan op grond waarvan getwijfeld zou kunnen worden aan de correctheid van de berekening in kwestie. De vordering wegens tergend en roekloos hoger beroep Ook wat deze supplementaire vordering van de RSZ betreft, sluit het hof zich aan bij het advies van het openbaar ministerie: De bestraffing van het tergend en roekeloos hoger beroep wordt geregeld door artikel 1072bis van het Gerechtelijk Wetboek. Op grond van die bepaling kan een schadevergoeding worden gevorderd door de geïntimeerde bij volledige afwijzing van het hoofdberoep. Tevens kan de rechter ambtshalve een burgerlijke geldboete opleggen wegens het nadeel dat door het instellen van hoger beroep wordt berokkend aan de rechtsbedeling. Daarnaast kan voor andere vormen van misbruik van hoger beroep schadevergoeding worden gevorderd op grond van de algemene regeling van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Het instellen van hoger beroep is volkomen rechtmatig wanneer het rechtsmiddel strekt tot vrijwaring van een beschermenswaardig belang, met name de hervorming of vernietiging van een nadelige rechterlijke uitspraak, op grond van ernstige grieven. Alleen kennelijk misbruik van de mogelijkheid om zich tot de beroepsrechter te wenden, bijvoorbeeld wanneer het beroep lichtzinnig wordt ingesteld of met een zuiver dilatoir oogmerk, kan tot veroordeling tot betalen van een schadevergoeding aanleiding geven. Geïntimeerde toont zeker niet aan dat appellante kennelijk misbruik zou gemaakt hebben in onderhavige zaak van de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen. Appellante heeft wel degelijk een hervorming van de eerste, voor haar nadelige uitspraak betracht op grond van ernstige grieven. De vordering wegens tergend en roekeloos beroep is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 17 november
- Eiser in hoger beroep repliceerde met conclusies ontvangen op de griffie van dit hof op 27 november
- Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 5 september
- Wijst de RSZ af van zijn vordering tot het betalen van schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van de bvba DO. Vereffent de kosten aan de zijde van de bvba op 59,49 euro rechtsplegingsvergoeding uitgavenvergoeding en op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de RSZ op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zestien februari tweeduizend en zeven, die samengesteld was uit: PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070216.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div