id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour du travail d'Anvers Jugement/arrêt du 20 février 2007 No ECLI: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070220.4 No Rôle: 2006-0218 Domaine juridique: Droit du travail Date d'introduction: 2007-10-19 Consultations: 277 - dernière vue 2026-07-03 16:29 Fiche De wettelijke bescherming van de personeelsafgevaardigde is in het algemeen belang ingesteld en raakt derhalve de openbare orde. Zulks verhindert niet dat de personeelsafgevaardigde na zijn ontslag verzaakt aan de bijzondere vergoeding die verworven is vanaf het ogenblijk van zijn ontslag. Thésaurus UTU: DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Organisation de l'entreprise - Protection contre le licenciement des délégués du personnel Mots libres: organisatie van het bedrijfsleven - ontslagregeling van de wet van 19 maart 1991 - gemeenschappelijke bepalingen - vergoeding - beschermde werknemers - personeelsafgevaardigde - ontslag om dringende reden - afstand van recht op beschermingsvergoeding na ontslag - niet strijdig met openbare orde Bases légales: Loi - 19-03-1991 - 16 - 32 Lien ELI No pub 1991012215 Annotations Publications: SRK 2007 - - nr. 5, blz. 295-297 Texte de la décision Eindarrest op tegenspraak (art. 1068, tweede lid Ger.W.) derde kamer Arbeidsovereenkomst voor arbeiders ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2060218 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN N.P, wonende te, appellant, in persoon verschenen bijgestaan door mr., advocaat te 2018 Antwerpen, tegen : NV, met maatschappelijke zetel gevestigd te geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr., advocaat te 3500 Hasselt. Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 16 januari 2007. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 2 mei 2006 en 16 januari 2007. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 19 december 2005 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht, * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 27 maart 2006, * de conclusie voor de nv, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 16 mei 2006, * de beschikking d.d. 6 september 2006 overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek, * de conclusie voor de heer P., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 9 oktober 2006. II. FEITEN EN VOORAFGAANDE PROCEDURE De heer P. is op 19 december 2002 in dienst getreden van de nv, hierna de nv genoemd, met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur als operator in de assemblage. Met ingang 1 maart 2004 werd de heer P. tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Het staat als zodanig niet ter discussie dat de heer P. bij de sociale verkiezingen in 2004 werd verkozen tot plaatsvervangend lid van de personeelsvertegenwoordiging in de ondernemingsraad ( cfr. zittingsblad van 16 januari 2007) en dat hij dus een personeelsafgevaardigde was zoals bedoeld in artikel 1, § 2, 1° van de Wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat -personeelsafgevaardigden, hierna de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden genoemd. Met aangetekende brief van 19 november 2004 beëindigde de nv de arbeidsovereenkomst met betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon van 28 kalenderdagen. Deze ontslagbrief luidt als volgt: " In aansluiting op ons gesprek van heden, bevestigen wij hiermede dat wij onze arbeidsovereenkomst verbreken met ingang van 19.11.2004. De verbrekingsperiode bedraagt 28 kalenderdagen en dekt de periode van 19.11.2004 tot en met 16.12.2004. Dit ontslag gebeurde in overleg met de syndicale delegatie en dhr. L. W. vermits u plaatsvervangend verkozene bent bij de sociale verkiezingen 2004. De verbrekingsvergoeding en sociale documenten worden u eerstdaags overgemaakt (...)". Met aangetekende brief van 8 december 2004 vorderde de raadsman van de heer P. de betaling van de bijzondere beschermingsvergoeding gelijk aan 2 jaar loon wegens het niet respecteren van de bepalingen van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, waarop de nv evenwel niet wenste in te gaan (stukken 10 en 11 dossier nv). Op 25 januari 2005 dagvaardde de heer P. de nv voor de arbeidsrechtbank te Turnhout in betaling van 42.406,08 EUR bijzondere ontslagvergoeding zoals voorzien in artikel 16 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, te vermeerderen met de verwijlinterest vanaf 19 november 2004 en de gerechtelijke interest. Bij conclusie van 26 juli 2005 breidde de heer P. zijn oorspronkelijke eis uit en vorderde hij de betaling van een morele schadevergoeding ten bedrage van 12.500 EUR, te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf 19 november 2004 en de gerechtelijke interest alsook de afgifte van de sociale en fiscale bescheiden binnen de maand na betekening van het tussen te komen vonnis onder verbeurte van een dwangsom van 25 EUR per dag vertraging. Bij tussenvonnis van 19 december 2005 werd de vordering in betaling van een bijzondere opzeggingsvergoeding ontvankelijk verklaard, maar alvorens ten gronde te beslissen, werd de nv gemachtigd te bewijzen door middel van getuigen " dat verweerster aan eiser ontslag gaf op 19 november 2004, dat vervolgens onderhandeld werd over de financiële gevolgen van het ontslag, en dat eiser afstand deed van de beschermingsvergoeding." De vordering in betaling van een morele schadevergoeding werd in het motiverend gedeelte (hoewel niet herhaald in het einddeel) van voornoemd vonnis ongegrond verklaard. Tegen dit tussenvonnis stelde de heer P. hoger beroep in op 27 maart 2006. III. EISEN IN HOGER BEROEP Met conclusie van 9 oktober 2006 vordert de heer P. zijn hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te niet te doen en opnieuw rechtsprekend, de nv te veroordelen: - tot betaling van 42.406,08 EUR beschermingsvergoeding, te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf 19 november 2004 en de gerechtelijke interest - tot betaling van 12.500 EUR morele schadevergoeding, ex aequo et bono begroot, te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf 19 november 2004 en de gerechtelijke interest - tot afgifte van de sociale en fiscale bescheiden een maand na betekening van het tussen te komen " vonnis", onder verbeurte van een dwangsom van 25 EUR per dag vertraging - de kosten van beide instanties. Met conclusie van 16 mei 2006 vordert de nv het hoger beroep van de heer P. ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, zijn incidenteel beroep gegrond te verklaren en het bestreden vonnis te hervormen in zoverre de vordering van de heer P. in betaling van de bijzondere beschermingsvergoeding niet als ongegrond werd afgewezen en de heer P. te veroordelen tot de kosten van beide instanties. Ondergeschikt vordert de nv het bestreden vonnis integraal te bevestigen, derhalve de zaak voor het houden van het getuigenverhoor over te maken aan de arbeidsrechtbank en de kosten van hoger beroep ten laste te leggen van de heer P.. Meer ondergeschikt, de vordering in betaling van een forfaitaire beschermingsvergoeding te herleiden tot een bedrag van 40.671,81 EUR. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE 1.De bijzondere beschermingsvergoeding Zoals blijkt uit de feitelijke omstandigheden van het geschil zoals weergegeven sub II. van dit arrest werd de heer P. bij de laatste sociale verkiezingen verkozen tot plaatsvervangend lid van de personeelsvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en was hij een beschermd persoon in de zin van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. De nv bevestigt en erkent in haar beroepsconclusie van 16 mei 2006 ( p. 13, punt 4.1.1.2., tweede en derde alinea) uitdrukkelijk dat zij de heer P. heeft ontslagen op 19 november 2004 zonder voorafgaandelijk bij de arbeidsrechtbank om de erkenning van de dringende reden voor zijn ontslag te hebben verzocht. Het staat derhalve vast dat het ontslag van de heer P. geschiedde met uitdrukkelijke miskenning van de bepalingen van de artikelen 2-11 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. De nv doet evenwel gelden dat, hoewel de heer P. werd ontslagen in strijd met de bepalingen van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, hij niettemin geen aanspraak kan maken op de bijzondere beschermingsvergoeding van artikel 16 van deze wet nu hij na zijn ontslag op 19 november 2004 op rechtsgeldige wijze afstand zou hebben gedaan van zijn recht op deze vergoeding. Hoewel de nv in haar beroepsconclusie van 16 mei 2006 ( p.16, punt 4.1.1.2., tweede alinea) bevestigt dat een uitdrukkelijke afstand van het recht op de bijzondere beschermingsvergoeding niet in een of ander geschrift werd gesteld, leidt zij deze afstand af uit de ontslagbrief (stuk 8 dossier
- nv)en de schriftelijke verklaring van de ACV-secretaris, de heer L. W. (stuk 13 dossier nv). In casu stelt zich vooreerst de vraag of een personeelsafgevaardigde op het ogenblik van zijn ontslag rechtsgeldig afstand kan doen van de bijzondere beschermingsvergoeding zoals voorzien in artikel 16 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. Met zijn arrest van 4 september 1995 ( J.T.T. 1995, 493) heeft het Hof van Cassatie uitdrukkelijk beslist dat de bijzondere bescherming verleend aan de personeelsafgevaardigden en aan de kandidaat -personeelsafgevaardigden in het algemeen belang werd ingesteld en aldus van openbare orde is (zie ook: Cass. 15 mei 2000, Soc.Kron. 2000, 444, noot); rechtspraak waarbij het arbeidshof zich volledig aansluit. Het arbeidshof is evenwel van oordeel dat het Hof van Cassatie met voornoemde arresten enkel een uitspraak heeft gedaan over de juridische aard van de ontslagbeschermingsregeling op zich, doch niet over de juridische aard van de bepalingen die het bedrag van de wettelijke beschermingsvergoedingen vastleggen. Het arbeidshof kwalificeert de bepalingen die de bijzondere ontslagvergoedingen vastleggen, eens het vaststaat dat op die vergoedingen aanspraak kan worden gemaakt en dat zij individueel verworven zijn, als bepalingen van dwingend recht, nu zij op dat ogenblik louter private belangen beschermen en niet door het algemeen belang zijn ingegeven (cfr. V. Vannes, "Le conseil d'entreprise ou Comité et d'Hygiène conventionnel- Protection des travailleurs - Ordre public , J.T.T. 1995, p.489 en H.-F. Lenaerts, Het ontslag van beschermde werknemers, Sociale praktijkstudies nr.6, Ced Smson, Diegem, 2000, p.97). De omstandigheid dat het bijzonder beschermingssysteem van openbare orde is, heeft niet tot gevolg dat alle daaruit vloeiende rechten automatisch een openbareordekarakter met zich meedragen, aangezien het openbare ordekarakter van een bepaling wordt gerechtvaardigd door de aard van de belangen die zij wil beschermen. Derhalve aanvaardt het arbeidshof dat het feit dat een personeelsafgevaardigde niet geldig aan zijn ontslagbescherming kan verzaken omdat deze wettelijke bescherming in het algemeen belang werd ingesteld en daardoor de openbare orde raakt, niet verhindert dat hij rechtsgeldig afstand kan doen van de vergoeding op het ogenblik dat hij werd ontslagen en het vast staat dat zijn rechten op deze vergoeding verworven zijn. Rest derhalve de vraag of de heer P. op het ogenblik van zijn ontslag eenzijdig afstand heeft gedaan van zijn recht op de bijzondere beschermingsvergoeding zoals voorzien in artikel 16 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. Het arbeidshof kan de visie van de nv niet delen waar zij poneert dat de ontslagbrief als de geschreven verklaring van de ACV-secretaris de afstand in hoofde van de heer P. bewijzen. Krachtens een algemeen rechtsbeginsel, waarvan artikel 1045, derde lid van het Ger.W. toepassing maakt, wordt afstand van recht niet vermoed en kan het slechts worden afgeleid uit feiten en gedragingen die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. Verder moeten de rechten of de vorderingen waarvan men afstand doet nauwkeurig en ondubbelzinnig worden aangeduid ( cfr. A. VAN OEVELEN, "Afstand van recht en rechtsverwerking" in Actuele Probelemen van het Arbeidsrecht 4, M. Rigaux (ed), Maklu Uitgevers, Antwerpen-Apeldoorn, 1994, blz. 48-49). Anders dan de nv voorhoudt, wijst geen enkele element in de ontslagbrief van 19 november 2004 er op dat de heer P. expliciet of impliciet akkoord is gegaan met de betaling van de gewone opzeggingsvergoeding van 28 kalenderdagen, a fortiori dat hij afstand zou hebben gedaan van zijn recht op de bijzondere beschermingsvergoeding. Uit de ontslagbrief kan hoogstens worden afgeleid dat het ontslag heeft plaatsgevonden in overleg met de syndicale delegatie en de heer L.W. (ACV-secretaris), wat overigens niet wordt betwist door de heer P.. Uit de ondertekening door de heer P. 'voor ontvangst' van de ontslagbrief waarin de beslissing tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst uitgaande van de nv mits betaling van een verbrekingsvergoeding van 28 kalenderdagen werd ter kennis gebracht (stuk 8 dossier nv), kan niet het bewijs van de ingeroepen overeenkomst omtrent de financiële gevolgen van het ontslag, noch enige afstand van recht worden afgeleid; er wordt zelfs geen aanduiding gegeven van welke rechten de heer P. afstand zou hebben gedaan. Ook de geschreven verklaring van de heer L. W. is evenmin van aard het gevraagde bewijs bij te brengen. Dergelijke geschreven verklaring van een derde, opgesteld op verzoek van één van de partijen om als bewijs te dienen in een gerechtelijke procedure, wordt niet als bewijsmiddel of als een begin van schriftelijk bewijs aanvaard en des te minder als getuigenverklaring (cfr.H. BUYSSENS, Het bewijs in sociale zaken -arbeidsrecht, in Reeks: Recht en Bewijs, Mys en Breesch, Gent, 1999, p.38 en de aldaar geciteerde rechtspraak); het maakt enkel een feitelijk vermoeden uit dat evenwel door geen enkel element van het dossier wordt ondersteund. De nv bood in de procedure voor de eerste rechters evenwel aan het bewijs te leveren met getuigen van het feit dat de heer P., nadat hij mondeling ontslagen was op 19 november 2004, vrijwillig afstand deed van zijn rechten op de bijzondere beschermingsvergoeding voorzien in artikel 16 van Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. De door de heer P. ingeroepen argumentatie die ertoe strekt het aangeboden getuigenverhoor af te wijzen, kan niet overtuigen. Waar de heer P. volkomen terecht opmerkt dat geen bewijs door getuigen kan geleverd worden tegen of boven de inhoud van een geschrift ( artikel 1341, tweede lid van het B.W.), dat als bewijs van een rechtshandeling (zoals in casu een ontslag) wordt opgesteld, gaat hij er blijkbaar aan voorbij dat de ontslagbrief, die de kennisgeving van het ontslag inhoudt, geen enkele bepaling bevat waaruit zou kunnen worden opgemaakt of de heer P. al dan niet heeft verzaakt aan zijn recht op de bijzondere ontslagvergoeding. Gelet op de afwezigheid van enig geschrift desbetreffend waarvan de inhoud indruist tegen voornoemd bewijsaanbod, alsook de vaststelling dat de bepalingen omtrent de bijzondere beschermingsvergoeding geen openbaarordekarakter hebben (cfr. supra), hebben de eerste rechters terecht een onderzoeksmaatregel bevolen. Nu het niet betwist wordt dat de heer P. op 19 november 2004 werd ontslagen door de nv, is het bewijsaanbod omtrent dit feit niet dienend; het volstaat derhalve dat de nv wordt gemachtigd het bewijs te leveren van het feit dat " volgend op het ontslag van de heer P. op 19 november 2004, in aanwezigheid van de heer P., onderhandeld werd over de financiële gevolgen van het ontslag en dat de heer P. afstand deed van de beschermingsvergoeding". Het hoger beroep van de heer P. en het incidenteel beroep van de nv zijn wat dit punt betreft derhalve ongegrond. 2. De morele schadevergoeding De heer P. vordert bijkomend de veroordeling van de nv tot betaling van een morele schadevergoeding ten bedrage van 12.500 BEF. Ongeacht het resultaat van de door de eerste rechters bevolen onderzoeksmaatregel, zoals bevestigd bij dit arrest, is ook het arbeidshof van oordeel dat dit onderdeel van de vordering nu reeds ongegrond moet worden verklaard. Overeenkomstig het bepaalde van artikel 16 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden heeft de onregelmatig ontslagen werknemer, bij ontstentenis van een tijdige aanvraag tot reïntegratie, recht op de bijzondere vergoeding ( met name 2, 3 of 4 jaar afhankelijk van zijn anciënniteit in de onderneming), en dit, onverminderd het recht op een hogere vergoeding, verschuldigd op grond van de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst of van de gebruiken en op elke andere schadevergoeding wegens materiële of morele schade. De bijzondere vergoeding vervangt voor de beschermde werknemers de gewone opzeggingsvergoeding in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, tenzij het bedrag van deze laatste vergoeding hoger zou liggen ( Parl.St, Senaat, 1990-1991, 1105-1, 17). Nu de gewone opzeggingsvergoeding op forfaitaire wijze alle schade dekt die uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voortvloeit, zowel de materiële als de morele (Cass.7 mei 2001, www.juridat.be, S.00.0047.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6), dekt de bijzondere beschermingsvergoeding alle schade, zowel de materiële als de morele, die uit een onregelmatig ontslag van een beschermde werknemer voortkomt. Hieruit volgt dat de beschermingsvergoeding kan gecumuleerd worden met een schadevergoeding die een buitengewone schade dekt die niet werd veroorzaakt door het ontslag zelf. Overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering behoort het bijgevolg aan de heer P. om de realiteit van een fout van de nv te bewijzen die losstaat van de fout die werd begaan door het feit zelf van dit ontslag en van de schade die losstaat van die welke hersteld wordt door de forfaitaire beschermingsvergoeding. Samen met de eerste rechters is ook het arbeidshof van oordeel dat de heer P. faalt in deze op hem rustende bewijslast. De elementen die de heer P. inroept, met name de mededeling door de nv dat hij werd ontslagen zonder naleving van de voorziene ontslagprocedure alsook dat hij geen verdere prestaties meer diende te leveren tengevolge waarvan hij onmiddellijk uit het bedrijf verdween, hebben allen betrekking op de foutieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Evenmin bewijst de heer P. het bestaan ( noch de omvang) van een bijzondere morele of materiële schade die in al haar bestanddelen te onderscheiden is van die welke gedekt wordt door de forfaitaire beschermingsvergoeding. In die omstandigheid werd dit onderdeel van de vordering terecht als ongegrond afgewezen door de eerste rechters. Het hoger beroep van de heer P. is wat dit punt betreft ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van de heer P. en het incidenteel beroep van de nv ontvankelijk doch ongegrond. Vernietigt het vonnis van 19 december 2005 van de arbeidsrechtbank te Turnhout in zoverre de nv werd toegelaten met getuigen te bewijzen dat zij aan de heer P. op 19 november 2004 ontslag heeft gegeven. Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige en verzendt de zaak terug naar de eerste rechters overeenkomstig artikel 1068, tweede lid van het Ger.W. Verwijst de heer P. in de kosten van het hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van de heer P. op 59,49 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep en 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Vereffent deze aan de zijde van de nv op 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Aldus gewezen en uitgesproken door de derde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 20 februari 2007, waar aanwezig waren : mevrouw H.C, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer E. V, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer C. S, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, mevrouw S. V, adjunct - griffier. Document PDF ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070220.4 Publication(
- s)liée(
- s)citant: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6 Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet <div