id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070222.31 Rolnummer: 2002-0092 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-10-30 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 15:22 Fiche Wanneer als enige grief tegen het vonnis wordt aangevoerd in het verzoekschrift tot hoger beroep dat verder zal uitgewerkt worden dat er geen misbruik werd gemaakt van de werkloosheidsverzekering en het houden van een personeelsregister, alsook het uithangen van werkroosters een verplichting is die rust op de werkgever, dan is niet voldaan aan de motiveringsplicht zoals vervat in artikel 1057, 1ste lid, 7° Ger. W. De beroepsakte wordt nietig verklaard omdat het Arbeidshof oordeelt dat gelet op de feitelijke elementen van het dossier de geïntimeerde ook werd geschaad in zijn belangen omdat door het verzuim het beroep te motiveren aan laatstgenoemde de kans werd ontnomen de zaak reeds op de inleidingszitting of op een nabije datum behandeld te zien. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Rechtsmiddel Vrije woorden: gerechtelijk privaatrecht - rechtsmiddel - hoger beroep - verzoekschrift - motivering - relatieve nietigheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1057, lid 1, 7° - 30 Link Justel databank 19671010-30 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2020092 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: R. V., appellante, op de zitting vertegenwoordigd door mr. K. P., loco mr. S. M., advocaat te 2800 Mechelen, tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. T. D. H., loco mr. G. V. D., advocaat te 2800 Mechelen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 6 maart 2002, 23 april 2003, 20 januari 2004, 14 december 2006 en 11 januari 2007; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 3 januari 2002 (A.R. 60.094); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 7 februari 2002; - de 'conclusie' voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 16 april 2002; - de 'beroepsconclusie' voor appellante, neergelegd op de griffie van dit hof op 15 december 2003; - de beschikking van kamervoorzitter C. Vercammen van 6 juni 2006 in toepassing van artikel 747, §2 Ger. W.; - de 'aanvullende beroepsconclusie' voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof per fax op 8 augustus 2006 en per gewone post op 9 augustus 2006; - de 'syntheseconclusie in graad van hoger beroep' voor appellante, neergelegd op de griffie van dit hof op 6 oktober 2006; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 11 januari 2007, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 11 januari 2007; - de 'repliekconclusie' voor appellante, neergelegd op de griffie van dit hof op 23 januari
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen), het schrijven aan en van de arbeidsauditeur bij de arbeidsrechtbank te Mechelen i.v.m. de strafbepaling (stukken 3 en 4 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen), de bundel van de raadsman van appellante bestaande uit 3 genummerde stukken, de bundel van de raadsman van geïntimeerde bestaande uit 2 genummerde stukken en de beslissing van 5.5.1995 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Mechelen dewelke aangetekend werd verzonden aan appellante en neergelegd op de zitting van 14.12.2006 door de raadsman van appellante. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 14 december
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 11 januari 2007 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
- Feiten en voorgaande rechtspleging Op 5 mei 1995 besliste de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Mechelen - bij toepassing van de artikelen 29, §1, 30, 42, 44, 45, 139, 142, 143, 144, 146, 153, 154, 155, 157, 158, 159, 169 en 175 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, artikel 7, §13 van de besluitwet van 28 december 1944 en artikel 157 tot en met 159 en 171 van de programmawet van 22 december 1989, gewijzigd bij de wet van 20 juli 1991-: - R. V. vanaf 1 maart 1995 tot en met 9 maart 1995 uit te sluiten van het recht op uitkeringen; - R. V. vanaf 10 november 1986 uit te sluiten van het recht op uitkeringen; - R. V. vanaf 8 mei 1995 voor een periode van 65 weken uit te sluiten van het recht op uitkeringen (13 weken in toepassing van artikel 153 + 26 weken in toepassing van artikel 154 + 26 weken in toepassing van artikel 155); - het dossier voor gevolggeving over te maken aan de arbeidsauditeur; - de eventueel ten onrechte genoten uitkeringen terug te vorderen; - ingevolge arglist, de terugvordering uit te breiden zodat de ten onrechte genoten uitkeringen dienen terugbetaald te worden voor de betalingen verricht vanaf 1 april 1990; voor wat betreft het niet voldoen aan de voorwaarden gesteld bij de wetten van de programmawet, de ten onrechte genoten uitkeringen terug te betalen vanaf 1 mei
- De directeur nam deze beslissing op grond van volgende motivering (stuk 2 administratief dossier): "Wat de grond van de zaak betreft U werkt sedert 10.11.1986 voor rekening van uw echtgenoot, de heer August Voorspoels, op uw thuisadres in een deeltijdse betrekking, aanvankelijk gedurende 8 uur per week en sedert 01.07.1990 gedurende 13 uur per week. U deed daarvan de vereiste aangiftes door middel van het formulier C4-deeltijds, met bijvoeging van de arbeidsovereenkomst d.d. 10.11.
- U geniet sedertdien aanvullende werkloosheidsuitkeringen als onvrijwillig deeltijdse werknemer. Uit een controleonderzoek d.d. 09.03.1995 is gebleken dat op uw werkloosheidsformulier van maart 1995 geen schrapping was aangebracht, hoewel u op het ogenblik van controle bezig was met het afwassen van produktiemateriaal; het formulier C3 deeltijds was nog volledig blanco, u beweerde dat u in de maand maart 1995 vóór 1.03.1995 nog geen prestaties had verricht, hoewel u volgens uw arbeidsovereenkomst werkt volgens een variabele uurregeling op maandag 2 uur, dinsdag 1 uur, woensdag 2 uur, donderdag 1 uur en vrijdag 2 uur. Ook is gebleken dat u werkt in een deeltijdse arbeidsregeling met variabele werktijden volgens de noodwendigheden, zonder tijdige bekendmaking van de uurregeling zoals dat voorgeschreven is bij wet van 22.12.1989, art. 157 en volgende alsmede artikel 171, gewijzigd bij de wet van 20.07.1991 houdende de sociale en diverse bepalingen; overeenkomstig deze bepalingen dienen de werkroosters openbaar te worden gemaakt en bij ontstentenis, worden de werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een voltijdse arbeidsregeling. Deze wettelijke regeling is in werking getreden op 01.05.
- Uit het onderzoek is verder gebleken dat er geen personeelsregister voorhanden is in de zaak, dat er over heel de periode van tewerkstelling geen RSZ-bijdragen zijn geweest in het stelsel der werknemers en dat er geen loon effectief is betaald; en verder dat u een arbeidscontract heeft van bedienden, terwijl u op het moment van controle bezig was met handenarbeid. Ten slotte beaamt uw boekhouder in zijn brief van 25.05.1995 dat er geen sprake is van ondergeschikt verband, zodat u niet als werknemer kan worden beschouwd, doch integendeel als medewerkende echtgenote. Uit het voorafgaande blijkt ten overvloede dat u flagrant misbruik heeftgemaakt van de werkloosheidsverzekering, zodat fraude ten stelligste dient te worden weerhouden. (...)" Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 18 mei 1995 en ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 19 mei 1995, tekende R. V. beroep aan tegen voornoemde beslissing. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 3 januari 2002 werd: - de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard; - de bestreden beslissing bevestigd; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verwezen in de kosten van het geding, aan de zijde van R. V. begroot op 98,13 euro rechtsplegings-vergoeding. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 7 februari 2002 tekende R. V. hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis.
- Eisen in hoger beroep R. V. (appellante) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens, opnieuw recht doende, de beslissing van 5 mei 1995 van de RVA te vernietigen; - de tegenvordering af te wijzen als ongegrond; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van R. V. begroot op 98,13 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, op 145,76 euro rechtsplegingsver-goeding hoger beroep en op 60,73 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (geïntimeerde) vordert: - in hoofdorde, het hoger beroep niet toelaatbaar te verklaren wegens nietigheid van de akte; - in ondergeschikte orde, het hoger beroep ongegrond te verklaren; - de tegenvordering wegens tergend of roekeloos geding ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens de gerechtskosten om te slaan ten laste van appellante.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep. Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 7 februari 2002, tekent appellante hoger beroep aan tegen een vonnis uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 3 januari 2002 (A.R. 60094). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het gerechtelijk wetboek werd het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 9 januari
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld. Geïntimeerde laat echter gelden dat het hoger beroep onontvankelijk is wegens het gebrek aan opgave van de grieven in de akte van hoger beroep. Krachtens artikel 1057, eerste lid, 7° van het Gerechtelijk Wetboek moet de akte van hoger beroep de uiteenzetting van de grieven bevatten. In de rechtspraak wordt als algemene regel gesteld dat de aangevoerde grieven specifiek moeten zijn, voldoende duidelijk en nauwkeurig. De geïntimeerde moet daaruit met zekerheid kunnen afleiden om welke redenen de appellant de beslissing aanvecht zodat hij weet waartegen hij zich moet verweren. Tevens moeten de grieven de appelrechter in staat stellen de draagwijdte ervan te beoordelen, zodat een tegensprekelijk debat over de grond van de zaak zo vlug mogelijk kan worden aangevat (zie K. Broeckx, "Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding", Maklu 1995, Antwerpen-Apeldoorn, nr. 133; Gerechtelijk recht, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, artikel 1057 Ger.W.; Laenens, J. en Broeckx, K., "Het gerechtelijk recht in een stroomversnelling", R.W., 1992-1993, p. 928; Arbh. Brussel, 19 december 1972, J.T., 1973, 60; Brussel, 30 april 1991, J.L.M.B, 1991, 1509, noot J. Englebert) De motiveringsplicht van artikel 1057, eerste lid, 7° is voorgeschreven op straffe van nietigheid. Het betreft een relatieve nietigheid vreemd aan de openbare orde die slechts kan uitgesproken worden op verzoek van geïntimeerde die aantoont dat zijn belangen werden geschaad door het niet of onvoldoende aanvoeren van grieven (Antwerpen, 30 april 1990, Pas. 1990, II, 221; Arbh. Gent, 11 september 1990, Pas., 1991, II, 26). De niet-naleving van de door artikel 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek op straffe van nietigheid opgelegde verplichting staat immers niet vermeld in artikel 862 zodat derhalve de regel van artikel 861 Ger. W. geldt (Cass., 9 december 1983, R.W. 1984 -1985, p. 837; Le Paige A., Handboek voor gerechtelijk recht, IV, Rechtsmiddelen, Antwerpen, 1973, 84, nr. 88 bis). Uit de lezing van de beroepsakte blijkt duidelijk dat aan de motiveringsplicht van artikel 1057, eerste lid, 7° van het Gerechtelijk Wetboek niet is voldaan vermits hierin niet de minste grief wordt vermeld en alleszins geen redenen worden opgegeven waarom het bestreden vonnis moet worden vernietigd of hervormd. Appellante stelt als enige "grief" dat zij "zal" uitwerken dat zij geenszins misbruik heeft gemaakt van de werkloosheidsverzekering en dat zij eveneens "zal" uitwerken dat het houden van een personeelsregister en het uithangen van werkroosters een verplichting is die rust op de werkgever en niet op de werknemer. Op basis van dergelijke "grief", waarvan de uitwerking nog uitgesteld wordt naar een onzekere toekomst, kan niet achterhaald worden welke bezwaren appellante heeft tegen het aangevochten vonnis. Door het verzuim de beroepsakte te motiveren werd geïntimeerde in zijn belangen geschaad aangezien hij zijn verdediging in rechte niet kon voorbereiden en het procesverloop hierdoor aanzienlijk werd vertraagd. Zo legde geïntimeerde op 16 april 2002 beroepsconclusies neer waarin hij enkel besloot tot de nietigheid van het verzoekschrift en tevens een vordering instelde wegens tergend en roekeloos geding. Vervolgens zag geïntimeerde zich verplicht nu appellante naliet te concluderen binnen de wettelijke termijn om een vaststelling te vragen op grond van artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek. Eerst op 15 december 2003, of bijna twee jaar na de inleiding van de zaak in graad van hoger beroep, zijn namens appelante beroepsconclusies neergelegd ter griffie van het arbeidshof. Geïntimeerde toont dus aan dat zijn belangen effectief in het gedrang werden gebracht door het feit dat hem de kans ontnomen is de zaak reeds op de inleidingzitting of op een nabije datum behandeld te zien (Laenens, J. en Broeckx, K., "Het gerechtelijk recht in een stroomversnelling", R.W., 1992-1993, p. 928, nr. 197, met verwijzing naar rechtspraak in noot 378; Rb. Brugge, 5 februari 1993, T.B.R., 1993, nr.2, p.72; Cass., 10 februari 1975, Arr. Cass., 1975, 648). De beroepsakte is bijgevolg nietig wegens gebrek aan motivering zodat het hoger beroep onontvankelijk dient verklaard te worden.
- Vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Geïntimeerde vordert, in afwijking van de regeling van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, appellante te veroordelen tot de kosten van hoger beroep wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Krachtens artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek wordt de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 580, 581 en 582, 1° en 2°, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de gerechtigden, steeds in de kosten verwezen behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is. Het instellen van hoger beroep met een beroepsakte die niet gemotiveerd is getuigt van een lichtzinnig optreden waartoe een normaal voorzichtig persoon niet zou overgaan. Aangezien het hoger beroep roekeloos is dient appellante, krachtens artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeeld te worden tot de gedingkosten in graad van hoger beroep. De tegeneis van geïntimeerde is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 11 januari
- Appellante heeft op 23 januari 2007 schriftelijk gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep onontvankelijk. Verklaart de tegeneis wegens tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Verwijst R. V., in afwijking van de algemene regeling van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van R. V. op 145,76 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en op 54,53 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep. Aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op tweeëntwintig februari tweeduizend en zeven door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, G. VANKRUNKELSVEN, raadsheer in sociale zaken als werkgever, aangewezen bij beschikking van 22 februari 2007 van G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, die de eerste voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om E. SCHERPEREEL, raadsheer in sociale zaken als werkgever, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen (artikel 779 Ger.W.), J. RITS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070222.31 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div