id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070226.4 Rolnummer: 2000-0601 Rechtsgebied: Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-10-30 Raadplegingen: 238 - laatst gezien 2026-07-02 15:23 Fiches 1 - 2 Excepties die tegen de in de plaatsgestelde ontstaan zijn nadat de in de plaatsstelling is tot stand gekomen, dus na de betaling die de schuldvordering heeft doen overgaan, kunnen niet tegen de gesubrogeerde worden aangevoerd. De exceptie gesteund op het gezag van het gewijsde van het vonnis van de arbeidsrechtbank en het arrest van het arbeidshof dat in een procedure welke uitsluitend aanhangig was tussen het slachtoffer van het ongeval en de arbeidsongevallenverzekeraar werd uitgesproken na de subrogatie van de ziekteverzekeraar, kan niet tegen deze laatste worden aangevoerd. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) Vrije woorden: arbeidsongevallen - vordering ziekteverzekeraar - subrogatie - excepties Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 764 - 30 Link Justel databank 19671010-30 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving Vrije woorden: arbeidsongevallen - vordering ziekteverzekeraar - subrogatie - excepties Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 136 § 2 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: I A - VII DN Gerangschikt onder I A - artikel 764 en onder VII DN - artikel 136 §
- Tekst van de beslissing zevende kamer eindarrest op tegenspraak arbeidsongeval ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN afdeling Antwerpen ARREST AR nr. 2000601 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: LCM, appellante, verschijnend bij mr. P. Verpoorten loco mr. P. Van Rompaey, advocaat te Mol, tegen: NV M.C., geïntimeerde, verschijnend bij mr. S. Van Loon loco mr. L. Firlefijn, advocaat te Hoboken - Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen 5 september 2000, 5 maart 2002, 16 april 2002, 7 oktober 2003, 20 april 2004, 12 december 2005, 22 mei 2006, 11 december 2006 en 8 januari
- Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: * de dagvaarding, uitgebracht door gerechtsdeurwaarder J. Heughebaert met standplaats te 9000 Gent, d.d. 12 augustus 1999; * het op tegenspraak gewezen eindvonnis van 8 mei 2000 van de arbeidsrechtbank te Mechelen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 17 juli 2000 en regelmatig ter kennis gebracht in toepassing van artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek; * de conclusie voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit hof op 4 september 2001; * de conclusie voor appellante, ontvangen ter griffie van dit hof op 16 november 2001; * de syntheseconclusie voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit hof op 23 oktober 2002; * het verzoek van geïntimeerde tot vaststelling van de zaak conform artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek, ontvangen ter griffie van dit hof op 12 maart 2003; * de beschikking d.d. 2 april 2003 overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek; * de syntheseconclusie voor appellante, neergelegd ter griffie van dit hof op 28 mei 2003; * de akte van gedinghervatting voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit hof op 2 juni 2006; * de conclusie voor appellante na gedinghervatting, ontvangen ter griffie van dit hof op 24 juli
- Gelet op de regelmatige oproeping van partijen voor de openbare terechtzitting van 11 december 2006 overeenkomstig artikel 754 van het Gerechtelijk Wetboek. Partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 11 december 2006, waarna de debatten werden gesloten. De heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, werd gehoord in de voorlezing van zijn schriftelijk advies, dat tevens werd neergelegd op de openbare terechtzitting van 8 januari 2007 en dat meegedeeld werd aan partijen overeenkomstig artikel 767, § 3, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek op 9 januari 2007, waarop partijen niet repliceerden binnen de repliektermijn, waarna het hof de zaak in beraad nam.
- Ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist; het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk verklaard te worden.
- Feiten en voorgaanden. De LCM, kort LCM, is de ziekteverzekeraar van de heer K.B. die op 27 september 1995 het slachtoffer werd van een arbeidsongeval, toen hij in dienst was van de nv N.V.L., waarvan de nv M.C., de arbeidsongevallenverzekeraar is (verder in dit arrest "de wetsverzekeraar genoemd). De LCM betaalde naar aanleiding van voormeld arbeidsongeval vergoedingen voor loonverlies en geneeskundige zorgen uit. Volgens de LCM is deze gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde en kan zij een vordering tot terugbetaling instellen tegen de wetsverzekeraar, conform artikel 136, § 2 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
- De vergoedingen voor loonverlies en geneeskundige zorgen welke uitbetaald werden door de ziekteverzekeraar naar aanleiding van dit arbeidsongeval werden slechts gedeeltelijk terugbetaald door de wetsverzekeraar. Met name werden uitsluitend de betalingen welke betrekking hebben op de periode vóór 1 januari 1996 ten laste genomen door de wetsverzekeraar. De wetsverzekeraar is immers de mening toegedaan dat de betalingen welke gedaan werden naar aanleiding van het herval op 13 maart 1996 en juni 1997 niet ten zijnen laste vallen omdat er geen causaal verband bestaat tussen het arbeidsongeval en de arbeidsongeschiktheden na 1 januari 1996 (datum van consolidatie). De LCM daarentegen is van mening dat voormeld herval wel in causaal verband stond met het arbeidsongeval. Tussen het slachtoffer (de heer K.B.) en de arbeidsongevallenverzekeraar werd tevoren reeds een procedure gevoerd met betrekking tot de vaststelling van de gevolgen van het arbeidsongeval. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 20 januari 1997 werd vastgesteld dat het slachtoffer volledig tijdelijk werkonbekwaam was van 27 september 1995 tot 31 december 1995, met consolidatie van de letsels op 1 januari 1996, zonder blijvende arbeidsongeschiktheid. Deze uitspraak werd gedaan in overeenstemming met het advies van de aangestelde deskundige, dr. R Mathijs, waarbij door deze arts uitdrukkelijk werd gesteld dat het herval van 12 maart 1996 geen rechtstreeks gevolg is van het arbeidsongeval van 27 september
- Bij arrest van het arbeidshof te Antwerpen d.d. 26 juni 1998 werd het vonnis van de arbeidsrechtbank bevestigd. Met exploot van dagvaarding d.d. 12 augustus 1999 vorderde de LCM de betaling van de som van 13.234,81 EUR (533.891 BEF), meer de wettelijke intresten op grond van artikel 42 van de wet van 10 april 1971, de gerechtelijke intrest en de gedingkosten. Deze vordering stelde zij in als gesubrogeerde in de rechten van de heer K.B. op grond van artikel 136, § 2 van de ZIV-wet. Verder verzocht de LCM haar voorbehoud te verlenen voor het opvorderen van alle verdere schade in causaal verband met het arbeidsongeval overkomen op 27 september 1995 aan de heer B.K. De eerste rechters verklaarden in hun op tegenspraak gewezen eindvonnis d.d. 8 mei 2000 de vordering van de LCM ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelden deze tot de gedingkosten. Zij overwogen hierbij dat de subrogatie de toestand van de schuldenaar niet kan verzwaren: de gesubrogeerde schuldeiser kan alle rechten uitoefenen die de oorspronkelijke schuldeiser had, maar ook niet meer dan die rechten. Op het ogenblik dat de rechten definitief worden vastgesteld in hoofde van het slachtoffer door het arrest d.d. 26 juni 1998, werkt deze vaststelling door naar de LCM die slechts in de plaats is getreden van het slachtoffer. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen d.d. 17 juli 2000 stelde de LCM hoger beroep in tegen voornoemd eindvonnis d.d. 8 mei
- Eisen in hoger beroep. - De LCM (LCM), appellante, verzoekt het hof haar beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw recht doende: geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de som van 13.234,81 EUR (533.891 BEF), bedrag te vermeerderen met de wettelijke intresten, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Verder verzoekt de LCM akte te verlenen dat zij voorbehoud vraagt tot het vorderen van alle verdere schade in causaal verband met het arbeidsongeval. Ondergeschikt vraagt de LCM een deskundige aan te stellen met als opdracht: "De heer K.B. te onderzoeken, en na zich omringd te hebben met alle nuttige inlichtingen of gegevens en zich zo nodig in verbinding te hebben gesteld met wie het behoort, en/of gespecialiseerde onderzoeken te hebben laten uitvoeren, zijn advies te geven nopens de graden en perioden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid ingevolge het arbeidsongeval van 27 september 1995, te zeggen of er sprake is van herval op 12 maart 1996 en op 6 juni 1997 en eveneens na te gaan of de uitgavenstaten van de LCM in causaal verband staan met het ongeval." - De nv M.C., voorheen de nv M. & N., geïntimeerde, verzoekt het hof het hoger beroep ongegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen en appellante te verwijzen tot de kosten van het geding. Met akte van gedinghervatting van 30 mei 1996, neergelegd ter griffie van dit hof op 2 juni 2006, verklaart de nv M.C. het geding in opvolging van de nv M. & N. te hervatten volgens de laatste gedingstukken.
- Beoordeling. 4.
- De mededeelbaarheid van de zaak en de verplichte tussenkomst van het openbaar ministerie. Krachtens artikel 764, 10° van het Gerechtelijk Wetboek worden op straffe van nietigheid aan het openbaar ministerie meegedeeld, de vorderingen bedoeld in onder meer artikel 580 van dat wetboek. Overeenkomstig artikel 580 van het Gerechtelijk Wetboek neemt de arbeidsrechtbank kennis: "1° van geschillen betreffende de verplichting van de werkgever (...) opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid, gezinsbijslag, werkloosheid, verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, rust- en overlevingspensioen, jaarlijkse vakantie, bestaanszekerheid, sluiting van ondernemingen, en door de verordeningen waarbij sociale voordelen aan de werknemers en leerlingen worden toegekend; 2° van geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van werknemers en leerlingen en hun rechtverkrijgenden, welke voortvloeien uit de wetten en verordeningen bedoeld onder 1°: (...)". De ZIV-wet van 14 juli 1994 voorziet in een wettelijke basis voor de mutualiteit om een subrogatoire vordering in te stellen tegen de arbeidsongevallenverzekeraar. Overeenkomstig artikel 136, § 2, 4de lid, van de ZIV-wet treedt de verzekeringsinstelling "rechtens in de plaats van de rechthebbende; deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden." De rechtsgrond voor een dergelijke subrogatoire vordering van de mutualiteit is dus duidelijk gelegen in de ZIV-wet en niet in de wetgeving die de schade vergoedt, zoals in casu de arbeidsongevallenwet. De vraag stelt zich dan ook of een dergelijke subrogatoire vordering niet verplicht mededeelbaar is aan het openbaar ministerie nu de rechter die ervan kennis neemt hoe dan ook dient te toetsen of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 136, § 2 van de ZIV-wet is voldaan. In geval van een subrogatoire vordering op grond van artikel 136, § 2, derde lid van de ZIV-wet treedt de verzekeringsinstelling in beginsel rechtens in de plaats van de rechthebbende tot beloop van het bedrag van de prestaties toegekend in uitvoering van de ZIV-wet, voor het geheel van de sommen die krachtens de Arbeidsongevallenwet verschuldigd zijn, en die dezelfde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden (Cass., 25 november 2002, AR nr. S.00.0056.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021125.11, www.cass.be; Cass., 8 februari 1999, AR nr. S.97.0148.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990208.6, A.C., 1999, nr. 70; Cass. 6 mei 1991, A.C., 1990-91, nr. 459; Cass. 19 december 1988, AR nr. 6350, A.C., 1988-89, nr. 233). In een arrest van 6 januari 2003 oordeelde het Hof van Cassatie dat de voorwaarden tot toekenning van de door de verzekeringsinstelling verleende prestaties waarvoor de verzekeringsinstelling over het wettelijk subrogatierecht beschikt, evenals het bedrag van deze prestaties, geregeld worden door de wetgeving inzake de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (Cass., 6 januari 2003, AR nr. C.00.0140.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030106.13., www.cass.be). Zulks impliceert dat de rechter die kennis neemt van een dergelijke vordering in de eerste plaats het bedrag dient te bepalen van de prestaties waarop de verzekerde werknemer recht heeft op grond van de ZIV-wet, ook in de gevallen waarin die werknemer geen partij is in het geding. De omstandigheid dat daaromtrent geen betwisting bestaat tussen partijen vermag hieraan geen afbreuk te doen, nu deze materie van openbare orde is zodat de rechter ambtshalve dient te verifiëren of de ZIV-wet correct werd toegepast. Het standpunt dat het openbaar ministerie inneemt in zijn schriftelijk advies - dat er op neerkomt dat in geval van afwezigheid van een betwisting daaromtrent, de rechter zonder meer verplicht is uit te gaan van de door de verzekeringsinstelling verleende prestaties zonder deze in vraag te kunnen stellen - is in strijd met het openbare ordekarakter van de ZIV-wetgeving. Wanneer het bedrag van de verleende prestaties niet in overeenstemming blijkt te zijn met de ZIV-wetgeving zodat aan de toekenningsvoorwaarden bedoeld in voormelde cassatierechtspraak niet is voldaan, zal de rechter verplicht zijn het wettelijk subrogatierecht van de verzekeringsinstelling te beperken tot wat wettelijk verschuldigd is, ook in de gevallen waarin het slachtoffer de desbetreffende uitkeringen niet heeft betwist en geen partij is in het geding. De omstandigheid dat het slachtoffer instemt met te hoge prestaties, kan voor de rechter uiteraard geen beletsel zijn om deze te reduceren tot het wettelijk verschuldigde. Het cassatiearrest van 12 november 1998, waarnaar het openbaar ministerie in zijn advies verwijst, moet in zijn juiste context worden gelezen nu het geen betwisting betrof voor de arbeidsrechtbank, maar betrekking had op een zaak waarbij de mutualiteit een regresvordering had ingesteld in gemeen recht tegen de voor het (gewoon) ongeval aansprakelijke derde (Cass., 12 november 1998, A.C., 1998, nr. 482). De rechter die kennis neemt van de subrogatoire vordering van de mutualiteit zal dus in eerste instantie noodzakelijk uitspraak dienen te doen over de rechten van de verzekerde werknemer welke voortvloeien uit de ZIV-wet. Ook in de gevallen waarin de rechter tot de bevinding komt dat de verleende prestaties in overeenstemming zijn met de ZIV-wet, doet de rechter uitspraak over bedoelde rechten. Bedoelde vordering betreft zodoende een geschil in de zin van artikel 580, 2° van het Gerechtelijk Wetboek, zodat de arbeidsrechtbank op die grond bevoegd is om er kennis van te nemen en de zaak meteen verplicht mededeelbaar wordt aan het openbaar ministerie (in diezelfde zin: J. PETIT, Sociaal Procesrecht, Algemene reeks 14, die Keure, 2000, p. 126; S. RENETTE, Arbeidsongevallen, ARON, Ced-Samson, Comm. 5.3/4, 44, die in een voetnoot verwijst naar Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt, 16 december 1996, onuitg., AR nr. 2/6/92; Arbrb. Luik, 7 juni 1971, Pas. 1971, III, 108; Arbrb. Brussel, 21 oktober 1976, inf. RIZIV 1977, 104). Het Hof van Cassatie oordeelde overigens reeds dat geschillen betreffende rechten van de werknemer welke voortvloeien uit de wetgeving inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering verplicht mededeelbaar zijn aan het openbaar ministerie (Cass., 30 maart 1987, AR nr. 5237, A.C., 1986-97, p. 994). De zaak werd dan ook meegedeeld aan het openbaar ministerie dat zijn schriftelijk advies heeft neergelegd ter openbare terechtzitting van 8 januari
- 4.
- Ten gronde. De LCM blijft voorhouden dat ook de werkonbekwaamheid van het slachtoffer na 1 januari 1996 (met name in maart 1996 en juni 1997) het gevolg is van het arbeidsongeval, zodat zij gerechtigd is via de wettelijke subrogatie de betalingen welke door haar zijn gedaan terug te vorderen vanwege de arbeidsongevallenverzekeraar. Ongeacht de definitieve beslissingen van de arbeidsrechtbank en het arbeidshof, waarin wordt vastgesteld dat de letsels als geconsolideerd moeten beschouwd worden op 1 januari 1996 zonder blijvende arbeidsongeschiktheid alsook dat er van een herval na deze datum geen sprake kan zijn, meent de LCM dat zij toch nog gerechtigd is de betalingen gedaan na deze consolidatiedatum terug te vorderen op grond van de volgende argumentatie: - enkel de excepties die al voor de totstandkoming van de subrogatie bestaan kunnen aan de gesubrogeerde tegengeworpen worden; nu de uitgaven van de LCM dateren van vóór 26 juni 1998, datum van de uitspraak van het arbeidshof, is de exceptie gesteund op het gezag van gewijsde van het vonnis en arrest niet tegenstelbaar aan appellante; - het deskundig verslag van dr. Mathijs is niet tegenstelbaar aan de LCM, omdat zij in deze procedure niet was betrokken; minstens dient er, gelet op het medisch standpunt van de adviserende geneesheer dat strijdig is met dit van de gerechtsdeskundige, een geneesheer-deskundige te worden aangesteld met de opdracht na te gaan of er een causaal verband bestaat tussen het ongeval en het herval op 12 maart 1996 en op 6 juni
- Met betrekking tot het gezag van gewijsde van het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 20 januari 1997 en het arrest van het arbeidshof te Antwerpen d.d. 26 juni 1998 kan samen met het openbaar ministerie het volgende gesteld worden: Op grond van artikel 136, § 2 van de ZIV-wet is de verzekeringsinstelling inzake de ziekte- en invaliditeitsverzekering gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde. Ingevolge de indeplaatsstelling kunnen alle excepties tegen de oorspronkelijke gerechtigde die voor de indeplaatsstelling ontstaan zijn tegen de in de plaats gestelde worden aangevoerd. Dat geldt evenwel niet voor de excepties die tegen diezelfde gerechtigde ontstaan zijn na de betaling die de schuldvordering heeft doen overgaan. (Cass. 22 juni 1988, R.W. 1988-1989, 846) De excepties die tegen de gerechtigde zijn tot stand gekomen na het verstrekken van de prestaties, waardoor de verzekeringsinstelling ingevolge de bepalingen van de ZIV-wet in de plaats treedt van haar gerechtigde, dus na de realisatie van de subrogatie, kunnen in de regel niet tegengeworpen worden aan de verzekeringsinstelling. In dit verband kan verwezen worden naar het cassatiearrest van 23 februari 1990 (R.W. 1990-1991, 468) waarbij dit Hof volgende overwegingen maakte: "Overwegende dat de verzekeringsinstelling, ingevolge de te dezen toepasselijke tekst van artikel 70, alinea 2, van de wet van 9 augustus 1963, in de plaats van haar gerechtigde treedt doordat zij verzekeringsprestaties heeft verstrekt; dat de excepties die tegen de gerechtigde na het verstrekken van de verzekeringsprestaties zijn ontstaan, dit is na de subrogatie, de verzekeringsinstelling, in de regel, niet kunnen worden tegengeworpen; Overwegende dat het arrest ervan uitgaat dat de gerechtelijke vaststelling van het bedrag van de schuldvordering van de getroffene, de gerechtigde van eiser, voor eiser geldt ongeacht het tijdstip waarop die rechterlijke beslissing tegen de gerechtigde is gewezen; Dat het arrest aldus de voormelde wetsbepaling schendt;(...)" In casu is de exceptie, welke gesteund is op het gezag van gewijsde van het vonnis van de arbeidsrechtbank en het arrest van het arbeidshof in de procedure welke uitsluitend aanhangig was tussen het slachtoffer en de arbeidsongevallenverzekeraar, tot stand gekomen tegen de verzekerde na de subrogatie van het ziekenfonds. Bijgevolg kan zij als dusdanig ook niet aangevoerd worden tegen de gesubrogeerde, zijnde de LCM. Het voorgaande belet evenwel niet dat deze beslissingen van de arbeidsrechtbank en het arbeidshof, alsook het deskundig verslag waarop zij gesteund zijn, ten opzichte van de LCM bewijswaarde kunnen hebben. (Cass. 28 april 1989, Arr. Cass. 1988-1989, 1013). Het behoort aan de rechter de bewijswaarde van de verschillende door partijen overgelegde stukken te appreciëren. Het deskundig verslag van dr. R. Mathijs dat in zijn geheel ook als overtuigingsstuk wordt bijgebracht door de arbeidsongevallenverzekeraar is duidelijk: er is geen sprake van een oorzakelijk verband tussen het arbeidsongeval en de arbeidsongeschiktheid welke door de LCM na 1 januari 1996 nog werd erkend. De LCM kan ook niet voorhouden dat door het bijbrengen van dit deskundig verslag haar rechten van verdediging zouden geschonden zijn omdat dit deskundig onderzoek niet tegensprekelijk is ten opzichte van haar en zij niet de mogelijkheid heeft gehad om haar bemerkingen op dit verslag te laten kennen. Het deskundig verslag wordt immers in onderhavige procedure als bewijsstuk voorgebracht in het tegensprekelijk debat, zodat de LCM de mogelijkheid heeft gehad haar bemerkingen en kritiek op dit verslag te formuleren. Als oorspronkelijke eisende partij draagt de LCM trouwens de bewijslast van de feiten waarop haar vordering is gesteund. De LCM dient bijgevolg het bewijs te leveren dat er wel sprake is van dergelijk oorzakelijk verband en dat de arbeidsongeschiktheid na 1 januari 1996 nog altijd het gevolg is van het kwestieuze arbeidsongeval. Ter zake verwijst de LCM uitsluitend naar het verslag van haar adviserende geneesheer, dr. F. Moens. Bij gebreke aan medisch verantwoorde kritiek op het deskundig verslag van dr. R. Mathijs dient de voorkeur gegeven te worden aan het gemotiveerde advies van deze gerechtsdeskundige. Ook de brief van diezelfde adviserende geneesheer d.d. 12 maart 1999 (stuk neergelegd ter openbare terechtzitting d.d. 11 december 2006), waarin deze op vrij summiere wijze zijn reacties en bedenkingen laat kennen na kennisname van het deskundig verslag van dr. Mathijs, is niet van aard om aan de bevindingen van deze gerechtsdeskundige te twijfelen en een nieuw of aanvullend deskundig onderzoek met betrekking tot het eventueel oorzakelijk verband tussen de arbeidsongeschiktheden na 1 januari 1996 en het kwestieuze arbeidsongeval te gelasten. Gelet op wat voorafgaat, sluit het hof zich ten gronde integraal aan bij het schriftelijk advies van het openbaar ministerie en komt het hoger beroep ongegrond voor. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Gelet op het schriftelijk advies van de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, neergelegd op de openbare terechtzitting van 8 januari 2007, waarop partijen niet repliceerden. Rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 8 mei 2000, zij het op andere gronden. Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van geïntimeerde op 291,52 EUR (rechtsplegingsvergoeding) en aan de zijde van appellante op 291,52 EUR (rechtsplegingsvergoeding). Aldus gewezen en uitgesproken door de zevende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend in openbare terechtzitting te Antwerpen op zesentwintig februari tweeduizend en zeven, waar aanwezig waren: M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer, M. VAN GORP, raadsheer in sociale zaken als werkgever, L. VAN NESPEN, raadsheer in sociale zaken, als werknemer, P. DEVOCHT, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070226.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990208.6 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021125.11 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030106.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div