← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070307.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070307.7 Rolnummer: 2006-0004 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-05-24 Raadplegingen: 304 - laatst gezien 2026-07-03 19:33 Fiches 1 - 3 Het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen is onwettig nu geen advies werd ingewonnen bij de afdeling wetgeving van de Raad van State omtrent dit reglementair besluit en geen beroep werd gedaan op de dringende noodzakelijkheid. Het recht van de werknemer op betaling van interest op de hem verschuldigde lonen wordt bijgevolg nog steeds geregeld door het bepaalde in artikel 10 Loonbeschermingswet, in de versie voor de wijziging van die bepaling bij artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, bepalingen die - gelet op de onwettigheid van genoemd koninklijk besluit van 3 juli 2005 - nog steeds niet in werking zijn getreden. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Algemeen (grondwet) Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - grondwet Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Nota: Gerangschikt onder I J N - art. 159, I L - art. 2 en onder III H - art.

  1. I J N Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - publiek- en administratief recht Wettelijke bepalingen: Wet - 12-01-1973 - 2 - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Nota: Gerangschikt onder I J N - art. 159, I L - art. 2 en onder III H - art.
  2. I L UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming Vrije woorden: Arbeidsreglementering - bescherming van het loon - wettelijke interesten Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 10 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Nota: Gerangschikt onder I J N - art. 159, I L - art. 2 en onder III H - art.
  3. III H Annotaties Publicaties: SRK 2008 - nr. 1 - - blz. 57-58 RW 2008-2009 - - nr. 22 - blz. 935-937 RW 2008-2009 - - nr. 22- blz. 935-937 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2060004 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN MAART TWEEDUIZEND EN ZEVEN S. O., appellant vertegenwoordigd door mr. K. VAN CAMP, loco mr. E. VERVAEKE, advocaat te Antwerpen, tegen : nv H., geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. R. LAUWERS, advocaat te Antwerpen. Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 7 februari
  4. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 18 oktober 2006 en 7 februari
  5. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het arrest door deze kamer van het arbeidshof tussen partijen uitgesproken op 18 oktober 2006, waarbij het hoger beroep ontvankelijk werd verklaard, het bestreden vonnis werd bevestigd behalve in zoverre het de vordering in betaling van intrest becijferd op de wettelijk voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing op de toegekende aanvullende opzeggingsvergoeding ongegrond verklaarde en, alvorens ten gronde te oordelen over dit punt van de vordering van de heer O., de heropening van de debatten werd bevolen teneinde partijen toe te laten in conclusies en ter zitting hun standpunt uiteen te zetten met betrekking tot de sub 2.
  6. van dit arrest opgeworpen problematiek. * de conclusies van partijen, ter griffie van het arbeidshof ontvangen op 29 januari 2007 voor de heer O. en op 30 januari 2007 voor de nv H., hierna de nv genoemd. II. DE FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING Wat de feiten en voorafgaande rechtspleging betreft kan volstaan worden met verwijzing naar het hiervoor vermelde arrest. III. BEOORDELING Artikel 3, §1, eerste lid R.v.St.-Wet bepaalt: Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers, de leden van de gemeenschaps- of gewestregeringen, de leden van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de leden van het Verenigd College respectievelijk bedoeld in het derde en het vierde lid van artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. Het advies en het voorontwerp worden gehecht aan de memorie van toelichting van de ontwerpen van wet, decreet of ordonnantie. De adviesaanvraag vermeldt de naam van de gemachtigde of van de ambtenaar die de minister aanwijst om de afdeling wetgeving de dienstige toelichtingen te verstrekken. Het advies wordt gehecht aan de verslagen aan de Koning, aan de Regering, aan het College van de Franse Gemeenschapscommissie en aan het Verenigd College. Ontwerpen van koninklijke besluiten waarbij de Koning optreedt krachtens artikel 105 of 108 van de Grondwet, moeten bijgevolg voor advies worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, voor zover zij een reglementair karakter bezitten. Reglementaire besluiten in de zin van genoemd artikel 3, §1, eerste lid zijn besluiten waarbij algemene regels worden uitgevaardigd die toepasselijk zijn op de rechtsonderhorigen in het algemeen of op een bepaalde groep van rechtsonderhorigen, die zich in dezelfde objectieve toestand bevinden en niet alleen op één van hen of op een naar aantal beperkte groep. (M. VAN DAMME, "Raad van State Afdeling wetgeving", die keure, 1998, 120 en de aldaar geciteerde rechtsleer en rechtspraak) In het verleden werd aangenomen dat een besluit dat de datum van de inwerkingtreding van een wet of van een koninklijk besluit vaststelt niet reglementair is, omdat het geen enkele nieuwe regel zou bevatten die niet reeds besloten ligt in de bepalingen die het in werking stelt. Dit standpunt kan evenwel niet worden bijgetreden vermits de inwerkingtreding een zodanig wezenlijk onderdeel van de nieuwe regeling is, dat bezwaarlijk kan worden voorgehouden dat de vaststelling van de datum van inwerkingtreding geen nieuwe norm toevoegt aan de bestaande rechtsordening. Bovendien kan de inwerkingtreding delicate rechtsvragen doen rijzen op het vlak van bijvoorbeeld een eventueel terugwerkende kracht. (M. VAN DAMME, o.c., 129) Uit de adviespraktijk van de afdeling wetgeving van de Raad van State blijkt ten andere dat de vroegere zienswijze m.b.t. het niet reglementair karakter van besluiten die de datum van inwerkingtreding van een wet bepalen, reeds geruime tijd werd verlaten en dat geregeld advies werd en wordt verleend over ontwerpen van dergelijke besluiten, waaruit impliciet doch zeker kan worden afgeleid dat de Raad van State zich daartoe bevoegd acht en derhalve van oordeel is dat dergelijke besluiten een reglementair karakter bezitten. (vgl. vermelding van adviezen verleend door de Raad van State in de aanhef van: koninklijk besluit van 17 januari 1997 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 2, 3 en 4 van de wet van 13 april 1995 tot wijziging van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet; koninklijk besluit van 26 oktober 1999 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt en van de wet van 4 mei 1999 tot aanvulling van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt met de artikelen 38, § 5, 76, 1°, 78 tot 85 en 95 tot 112 ; koninklijk besluit van 22 maart 2006 houdende vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer; koninklijk besluit van 22 augustus 2006 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 17 mei 2006 houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken) Het ontwerp van koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen moest bijgevolg voor advies worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, behoudens in geval van "met bijzondere redenen omklede" hoogdringendheid. Dit geldt des te meer nu dit koninklijk besluit zich inhoudelijk niet beperkt tot het vaststellen van een datum waarop genoemde artikelen 81 en 82 in werking treden, maar tevens bepaalt dat genoemde artikelen slechts van toepassing zijn op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli
  7. Wat de mogelijkheid tot het inroepen van hoogdringendheid betreft teneinde geen advies in te winnen, moet erop gewezen worden dat artikel 3,§1, eerste lid R.v.St.-Wet voorschrijft dat de hoogdringendheid "met bijzondere redenen moet zijn omkleed". Deze verplichting houdt in dat de aanhef van het betrokken reglementair besluit de redenen moet vermelden waarom de ontworpen regeling zo spoedeisend was dat niet om advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State kon worden gevraagd. (M. VAN DAMME, o.c., 138 e.v. en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer) Dit arbeidshof kan slechts vaststellen dat het ontwerp van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen niet voorafgaand voor advies werd voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State en dat zelfs geen dringende noodzakelijkheid werd ingeroepen om het ontbreken van een adviesaanvraag te rechtvaardigen. Het inwinnen van het advies van de Raad van State is een substantiële vormvereiste. Wanneer geen advies werd ingewonnen bij de afdeling wetgeving van de Raad van State omtrent een reglementair besluit en geen beroep werd gedaan op de dringende noodzakelijkheid of wanneer dit op een onbehoorlijke manier gebeurde, is dit besluit onwettig. Bij toepassing van artikel 159 G.W. moeten de hoven en rechtbanken zich, zo nodig ambtshalve, onthouden van elke toepassing van een reglementair besluit dat werd genomen met miskenning van de wettelijk voorgeschreven raadplegingsvereiste. (M. VAN DAMME, o.c., 156 en de aldaar geciteerde rechtspraak; Cass. 27 februari 2006, S050033F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060227.6; Cass. 9 september 2002, S000125F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020909.7, http://www.cass.be, op datum) Dit arbeidshof kan bijgevolg geen toepassing maken van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen. Dit heeft tot gevolg dat het recht van de heer O. op betaling van intrest op de hem verschuldigde opzeggingsvergoeding nog steeds wordt geregeld door het bepaalde in artikel 10 Loonbeschermingswet, in de versie vóór de wijziging van die bepaling bij artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, bepalingen die - gelet op de onwettigheid van genoemd koninklijk besluit van 3 juli 2005 - nog steeds niet in werking zijn getreden. (vgl. m.b.t. de verdere toepassing van vroegere bepalingen, die golden vóór een onwettig geachte wijziging: Cass. 14 februari 2005, S040147F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050214.6, http://www.cass.be, op datum) Om de redenen uiteengezet in het arrest dat in deze zaak op 18 oktober 2006 werd uitgesproken, kan de heer O. bijgevolg slechts aanspraak maken op betaling van intrest op het netto opeisbaar gedeelte van de hem toegekende vergoeding, inzonderheid op het gedeelte dat wordt bekomen na inhouding van de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, zoals toegekend door de eerste rechters. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Het arrest van 18 oktober 2006 verder uitwerkend. Verklaart het hoger beroep volledig ongegrond en bevestigt dienvolgens het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 20 december 2005 eveneens in zoverre het uitspraak deed over de gevorderde intrest. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de heer O. Vereffent deze aan de zijde van de heer O. op 59,49 EUR (uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep), 291,52 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidshof) en 60,73 EUR (aanvullende rechtsplegingsvergoeding heropening debatten). Vereffent deze aan de zijde van de nv op 291,52 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidshof). Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van zeven maart tweeduizend en zeven, waar aanwezig waren: mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer I. BIEGS, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer S. HENS, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, de heer L. VISKENS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070307.7 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020909.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050214.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060227.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.