← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070314.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070314.3 Rolnummer: 2006-0143 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-05-23 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 15:26 Fiches 1 - 2 De toepassing van artikel 14 van de CAO nr. 32bis wordt niet uitgesloten door de tewerkstelling van de werknemer bij een derde, tijdens de periode gelegen tussen zijn ontslag door de curator en zijn indiensttreding bij de overnemer van activa uit het faillissement, voor zover aan alle in artikel 11 van de CAO nr. 32bis gestelde voorwaarden werd voldaan en de indiensttreding bij de overnemer het gevolg is van de overname van die activa. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsraad - Nationale arbeidsraad - W. 29 mei 1952 - Sociaal-economisch overleg - art. 11-19 Vrije woorden: Collectieve arbeidsverhoudingen - nationale arbeidsraad Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 32bis - 07-06-1985 - 11 - 31 Link Justel databank 19850607-31 Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 32 bis - 07-06-1985 - 14 - 31 Link Justel databank 19850607-31 Nota: Gerangschikt onder IV D - art. 11 en

  1. IV D Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2060143 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN MAART TWEEDUIZEND EN ZEVEN nv M. N. met zetel gevestigd te, appellante vertegenwoordigd door mr. A.M. Ivens, advocaat te 9100 Sint-Niklaas, tegen : E. V. D. B. wonende te, doch die keuze van woonst doet bij het ABVV Regio Antwerpen, Ommeganckstraat 35 te 2018 Antwerpen, geïntimeerde vertegenwoordigd door dhr. K. Hendrickx, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie. Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 14 februari
  2. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 15 mei 2006 en 14 februari
  3. I. DE STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 26 juni 2000 bij verstek van de nv M. N. gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het eensluidend verklaard afschrift van het op 30 mei 2005 bij verstek van de nv M. N. gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het eensluidend verklaard afschrift van het op 15 september 2003 bij verstek van de nv M. N. gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen; * het eensluidend verklaard afschrift van het op 31 oktober 2005 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 22 februari 2006; * de conclusie van de heer V. D. B. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 10 mei 2006; * de beschikking d.d. 6 september 2006 overeenkomstig artikel 747 §2 Ger.W.; * de conclusie van de nv M. N. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof per fax op 9 oktober 2006 en per post op 11 oktober
  4. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met dagvaarding, betekend op 6 juni 2000 vorderde de heer V. D. B. de veroordeling van de nv M. N., hierna de nv genoemd, tot betaling van 657.748 BEF (16.305,15 EUR) aanvullende opzegvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke intrest, de verwijlintrest minstens de vergoedende intrest vanaf 1 februari
  5. Met vonnis bij verstek van de nv gewezen op 26 juni 2000 werd de nv veroordeeld tot betaling van 657.748 BEF als aanvullende opzegvergoeding, te verminderen met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen, voor zover verschuldigd, en te vermeerderen met de wettelijke verwijlintrest vanaf 1 februari 2000 en de gerechtelijke intrest vanaf 6 juni 2000 te berekenen op het netto opeisbaar gedeelte van de bruto toegekende vergoeding. Met vonnis van 15 september 2003 bij verstek van de nv gewezen werd het vonnis van 26 juni 2000 onbestaande verklaard bij gebreke aan betekening binnen het jaar en werd opnieuw recht gedaan, waarbij de oorspronkelijke vordering van de heer V. D. B. ontvankelijk en gegrond werd verklaard en vervolgens de nv veroordeeld werd tot betaling van 16.305,15 EUR als aanvullende opzeggingsvergoeding, te verminderen met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen, voor zover verschuldigd, en te vermeerderen met de wettelijke verwijlintrest vanaf 1 februari 2000 en met de gerechtelijke intrest vanaf 6 juni 2000, de intrest te berekenen op het netto opeisbaar gedeelte van de toegekende brutovergoeding. Met vonnis van 30 mei 2005 bij verstek van de nv gewezen werd het vonnis van 15 september 2003 onbestaande verklaard bij gebreke aan betekening binnen het jaar en werd opnieuw recht gedaan waarbij de oorspronkelijke vordering van de heer V. D. B. ontvankelijk en gegrond werd verklaard en vervolgens de nv veroordeeld werd tot betaling van 16.305,15 EUR als aanvullende opzeggingsvergoeding, te verminderen met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen, voor zover verschuldigd, en te vermeerderen met de wettelijke verwijlintrest vanaf 1 februari 2000 en met de gerechtelijke intrest vanaf 6 juni 2000, de intrest te berekenen op het netto opeisbaar gedeelte van de toegekende brutovergoeding. Tevens werd de voorlopige tenuitvoerlegging van dit vonnis bevolen. De zaak werd opnieuw aanhangig gemaakt ingevolge proces-verbaal van vrijwillige verschijning ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 22 september 2005 waarna partijen vrijwillig verschenen op de openbare terechtzitting van 3 oktober
  6. Met vonnis op tegenspraak werd het verzet ontvankelijk verklaard en werd het verstekvonnis van 30 mei 2005 vernietigd, vervolgens werd de nv veroordeeld tot betaling aan de heer V. D. B. van een bedrag van 16.305,15 EUR als aanvullende opzeggingsvergoeding, te verminderen met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen, voor zover verschuldigd, en te vermeerderen met de wettelijke verwijlintrest vanaf 1 februari 2000 en met de gerechtelijke intrest vanaf 6 juni 2000; de intrest te berekenen op het netto-opeisbaar gedeelte van de toegekende vergoeding. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de nv strekt ertoe het bestreden vonnis te vernietigen, dienvolgens de oorspronkelijke vordering van de heer V. D. B. ongegrond te verklaren. Ondergeschikt vordert de nv de vordering van de heer V. D. B. te herleiden en slechts een aanvullende opzeggingsvergoeding toe te kennen gelijk aan 3 maanden zijnde 6.987,89 EUR te verminderen met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het hoger beroep ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
  7. De feiten De heer V. D. B. was in dienst van de nv B. P. O. van 1 juli 1991 tot 6 maart 1995, datum waarop hij door de curator van de inmiddels failliet verklaarde nv B. P. O. werd ontslagen. Van 7 maart tot 28 april 1995 was de heer V. D. B. in dienst van de nv W. C. . Volgens gegevens verstrekt door de curator van het faillissement van de nv B. P. O. in een brief van 13 augustus 2003, heeft de nv W. kort na het faillissement gebruik kunnen maken van activa van het faillissement in het kader van de onderhandelingen die de curator voerde om deze activa te verzilveren en was de nv W. mede kandidaat om de activa over te nemen. Op 27 april 1995 ging de nv over tot aankoop van de activa van het faillissment van de nv B. P. O. Eveneens op 27 april 1995 sloten partijen een arbeidsovereenkomst waarin de indiensttreding van de heer V. D. B. werd bedongen als administratief bediende vanaf 1 mei
  8. Het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers heeft aan de heer V. D. B. enkel een vergoeding toegekend voor achterstallig loon, eindejaarspremie en vakantiegeld, niet voor een opzeggingsvergoeding met als motief dat de heer V. D. B. overgenomen werd door de nv. Met een aangetekende brief van 31 januari 2000 beëindigde de nv de arbeidsovereenkomst met de heer V. D. B. , met betaling van een opzeggingsvergoeding van 3 maanden.
  9. De beoordeling Het staat niet ter discussie dat de heer V. D. B. op het ogenblik van zijn ontslag een brutojaarloon verdiende van 27.951,68 EUR, wat meer is dan de in artikel 82, §3 Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde jaarloongrens. Gelet op het ontbreken van een akkoord desbetreffend tussen partijen, is het de rechter die de opzeggingstermijn moet bepalen die de nv normaal in acht had moeten nemen en die de basis vormt van de ingevolge het onmiddellijk ontslag aan de heer V. D. B. verschuldigde opzeggingsvergoeding. Daarbij moet rekening worden gehouden met de voor de heer V. D. B. op het ogenblik van zijn ontslag bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden, gelet op zijn anciënniteit, zijn leeftijd (32 jaar en 5 maanden), zijn functie en zijn jaarsalaris, volgens de gegevens eigen aan de zaak. Wat de in aanmerking te nemen anciënniteit betreft staat niet ter discussie dat de heer V. D. B. daadwerkelijk in dienst is getreden van de nv op 1 mei
  10. De heer V. D. B. meent evenwel dat voor het bepalen van de normaal in acht te nemen opzeggingstermijn rekening moet worden gehouden met een ononderbroken anciënniteit sedert 1 juli 1991 en hij verwijst daarbij naar het bepaalde in artikel 14 van de cao nr. 32 bis gesloten in de Nationale Arbeidsraad betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement, hierna de cao nr. 32 bis genoemd. De eerste rechters hebben de normaal in acht te nemen opzeggingstermijn bepaald op 10 maanden, daarbij rekening houdend met een anciënniteit van 8 jaar en 7 maanden, zoals gevorderd door de heer V. D. B. . De nv betwist deze beslissing en ontwikkelt daarbij kort samengevat de volgende grieven: - de cao nr. 32 bis is niet van toepassing omdat de heer V. D. B. op eigen initiatief en geheel vrijwillig in dienst trad van de nv terwijl de cao nr. 32 bis alleen van toepassing is op de werknemer die een andere werkgever krijgt ingevolge de overgang van onderneming of ingevolge de overname van activa na faillissement - de voorwaarde voor de toepassing van artikel 14 van de cao nr. 32 bis zijn niet vervuld omdat de cao nr. 32 bis niet van toepassing is op de tewerkstelling van de heer V. D. B. bij de nv W. C. - de voorwaarden voor de toepassing van artikel 14 van de cao nr. 32 bis zijn niet van toepassing omdat de nv de heer V. D. B. niet overnam uit het faillissement maar op vrijwillige basis en omdat artikel 14 alleen van toepassing is wanneer de tewerkstelling bij de overnemer rechtstreeks volgt op de tewerkstelling bij de gefailleerde - er kan alleszins geen rekening worden gehouden met de dienstperiode bij de nv W. C. en op basis van een anciënniteit van 8 jaar en 5 maanden kon de nv volstaan met een opzeggingstermijn van 6 maanden. De door de nv ontwikkelde argumentatie kan niet worden bijgetreden en wel om de volgende redenen: Artikel 14 maakt deel uit van hoofdstuk III van de cao nr. 32 bis. In de versie van de cao nr. 32 bis zoals van toepassing in deze zaak bepaalde artikel 11: Onderhavig hoofdstuk is van toepassing bij overname van werknemers ingevolge de gehele of gedeeltelijke overname van activa van een failliete onderneming of van een onderneming, die het voorwerp is van een gerechtelijk akkoord door boedelafstand, op voorwaarde dat de overname geschiedt binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van het faillissement of van het gerechtelijk akkoord door boedelafstand. Dit hoofdstuk is van toepassing op de werknemers, die op de datum van het faillissement of van het gerechtelijk akkoord door boedelafstand nog gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst of een leerovereenkomst, alsmede op de werknemers, die worden ontslagen tijdens de periode van één maand vóór die datum, op voorwaarde dat die werknemers recht hebben op een verbrekingsvergoeding en dat die vergoeding hen op die datum nog niet werd uitbetaald. Het is van toepassing in geval van overname van die werknemers op het ogenblik van de overname van de activa of binnen een bijkomende termijn van zes maanden na die overname. Genoemd artikel 11 werd voorzien van de volgende commentaar: De algemene draagwijdte van hoofdstuk III is nader omschreven in de commentaar bij artikel 1 van onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst. Krachtens artikel 11 is dit hoofdstuk van toepassing op: - de werknemers, die op het ogenblik van het faillissement of van het gerechtelijk akkoord door boedelafstand nog gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst of een leerovereenkomst; - de werknemers die worden ontslagen tijdens de periode van één maand die de datum van het faillissement of van het gerechtelijk akkoord door boedelafstand voorafgaat, op voorwaarde dat die werknemers recht hebben op een verbrekingsvergoeding en dat die vergoeding hen op die datum nog niet werd uitbetaald. De termijn van zes maanden waarbinnen de overname moet geschieden houdt rekening met de maximumtijd waarbinnen een overname van de activa van een onderneming, met het oog op een eventuele voortzetting van de bedrijvigheid, normaal plaatsvindt. Het blijkt inderdaad dat, eenmaal die termijn is verstreken, het belang van de overname van een onderneming, meer bepaald om commerciële redenen, fel vermindert. De bijkomende termijn vanaf de datum van de overname van de onderneming voor de indiensttreding van de werknemers, laat toe de indienstnemingen in de tijd te spreiden en rekening te houden met de herstructureringsverrichtingen. Bedoelde commentaar bij artikel 1 van de cao nr. 32 bis luidt als volgt: "Onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst strekt ertoe de rechten van de werknemers te regelen eensdeels bij iedere wijziging van werkgever ingevolge een overgang van een onderneming krachtens overeenkomst en anderdeels bij overname van de werknemers door een nieuwe werkgever, die het actief overneemt van de vroegere onderneming die failliet werd verklaard of voorwerp was van een gerechtelijk akkoord door boedelafstand.
  11. Met betrekking tot de gevallen van overgang van een onderneming krachtens overeenkomst. Onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst herneemt de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32 waardoor uitvoering werd gegeven aan de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen ervan. Deze laatste voorziet meer bepaald in het behoud van de rechten van de werknemers ten aanzien van de nieuwe werkgever.
  12. Met betrekking tot de gevallen van overname van activa na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand. a) met betrekking tot de gevallen waarbij werknemers overgenomen worden ingevolge een overname van het actief van een onderneming na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand, waarvoor bedoelde richtlijn geen bepalingen bevat, zijn de organisaties van oordeel dat deze werknemers zich in een soortgelijke situatie bevinden als deze waarvoor de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32 d.d. 28 februari 1978 werd gesloten. Onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst houdt rekening met die gelijksoortigheid alsmede met verschillende economische realiteiten, die in het ene en in het andere geval gelden, door aan die werknemers soortgelijke rechten te verlenen als de rechten die de werknemers genieten waarop de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32 van toepassing is. Die rechten betreffen meer bepaald het behoud van de bij de vorige werkgever verworven anciënniteit. De overige arbeidsvoorwaarden blijven eveneens behouden, tenzij de partijen andere voorwaarden bedingen. b) Die bepalingen zijn van toepassing wanneer tussen de datum van het faillissement of van het gerechtelijk akkoord door boedelafstand en de datum van de overname van de activa: - de bedrijvigheid van de onderneming onderbroken wordt en de arbeidsovereenkomsten beëindigd worden; °- de bedrijvigheid van de onderneming voortgezet wordt en de arbeidsovereenkomsten behouden blijven; - de bedrijvigheid van de onderneming voortgezet wordt en nieuwe arbeidsovereenkomsten worden gesloten met de curator, na beëindiging van de bestaande overeenkomsten. Die bepalingen zijn onder bepaalde voorwaarden eveneens van toepassing wanneer de arbeidsovereenkomsten binnen een zekere periode vóór de datum van het faillissement of het gerechtelijk akkoord door boedelafstand beëindigd worden. c) Om de hiërarchie van de rechtsnormen te eerbiedigen, bevat deze overeenkomst geen enkele bepaling t.a.v. het behoud van de rechten van de werknemers gedurende deze periode van onderbreking. De organisaties zijn evenwel van oordeel dat er reglementaire maatregelen moeten worden genomen om gedurende die periode aan deze werknemers de uitkering van een overbruggingsvergoeding te waarborgen." Artikel 14 van de cao nr. 32 bis, nog steeds in de versie zoals van toepassing op dit geschil, luidt als volgt: "De anciënniteit, die de werknemer door zijn arbeidsprestaties bij zijn vorige werkgever heeft verworven, evenals de eventuele aan zijn nieuwe indienstneming voorafgaande periode tijdens welke de activiteit van de werknemer wordt onderbroken ingevolge faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand, worden in aanmerking genomen voor de vaststelling van de opzeggingstermijn of van de opzeggingsvergoeding. Die bepaling is niet van toepassing ingeval een werknemer tijdens een proefperiode wordt ontslagen." Dat de heer V. D. B. met de nv B. P. O. was verbonden door een arbeidsovereenkomst op het ogenblik van het faillissement van deze onderneming staat als zodanig niet ter discussie, net zo min als het feit dat hij onmiddellijk door de curator van het faillissement werd ontslagen, dat de nv het handelsfonds en alle activa van de nv B. P. O. heeft overgenomen binnen de 6 maanden na het faillissement en dat de heer V. D. B. door de nv in dienst werd genomen binnen de 6 maanden na de overname van die activa. Naar het oordeel van dit arbeidshof bevat het dossier bovendien voldoende elementen om te mogen besluiten dat de indiensttreding van de heer V. D. B. bij de nv het gevolg is van de overname van activa van de failliete nv B. P. O.. Dit arbeidshof steunt zijn besluitvorming op de volgende overwegingen: - uit de door de nv als stuk 5 neergelegde brief van de curator van het faillissement van de nv B. P. O. blijkt dat de nv op 27 april 1995 het handelsfonds en de overige materiële en immateriële activa van de gefailleerde heeft overgenomen, wat alleszins voldoende is en wijst op de intentie om de activiteit van de gefailleerde verder te zetten - de aanwerving van de heer V. D. B. op de dag van de overname van de activa maakt het bijzonder waarschijnlijk dat er een causaal verband is tussen beide - dit geldt des te meer nu de heer V. D. B. tijdens de periode gelegen tussen het faillissement en overname van de activa in dienst was van de vennootschap die in die periode de activa van de gefailleerde heeft gebruikt - het feit dat de nv geen grieven ontwikkelt tegen het bestreden vonnis waar de eerste rechters in hun feitenrelaas hebben overwogen dat niet werd betwist dat de heer V. D. B. bij de nv dezelfde functie uitoefende als voorheen bij de nv B. P. O. Anders dan de nv voorhoudt creëert de cao nr. 32 bis geen automatische overgang van alle rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst met de gefailleerde naar de overnemer. De cao nr. 32 bis stelt immers geen enkele beperking aan de vrije keuze van de overnemer m.b.t. de overname van werknemers van de gefailleerde, terwijl er ook voor de werknemers van de gefailleerde geen enkele verplichting is om in dienst te treden van de overnemer. (VAN HOOGENBEMT, H., "Overgang van onderneming", in "A.T.O.", Kluwer, T 4210) De overname van een werknemer ingevolge overname van activa na faillissement vereist dan ook het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Uit het feit dat de heer V. D. B. -uiteraard- vrijwillig in dienst is getreden van de nv kan dan ook geenszins worden besloten dat hoofdstuk III van de cao nr. 32 bis niet van toepassing is. Eenzelfde bemerking geldt het feit dat geen overeenkomst werd gesloten tussen de nv en de curator m.b.t. de overname van de heer V. D. B. . Anders dan de nv voorhoudt sluit artikel 14 van de cao nr. 32 bis ook nergens werknemers uit die tijdens de periode gelegen tussen het faillissement en hun indiensttreding bij de overnemer van activa van het faillissement een activiteit hebben uitgeoefend bij een andere onderneming en de cao nr. 32 bis vereist geenszins dat de tewerkstelling bij de overnemer rechtstreeks volgt op de tewerkstelling bij de gefailleerde. De tewerkstelling van de heer V. D. B. bij de nv W. C. verhindert bijgevolg de toepassing van artikel 14 van de cao nr. 32 bis niet en het is daarbij volstrekt irrelevant of de tewerkstelling bij de nv W. C. ressorteerde onder het toepassingsgebied van de cao nr. 32 bis. Ten slotte is dit arbeidshof van oordeel dat voor het bepalen van de in aanmerking te nemen anciënniteit niet alleen rekening moet worden gehouden met de dienstperiode bij de nv B. P. O. , maar eveneens met de dienstperiode bij de nv W. C. . Met periode tijdens dewelke de activiteit van de werknemer wordt onderbroken ingevolge het faillissement wordt in artikel 14 van de cao nr 32 bis immers de periode bedoeld voorafgaand aan de indiensttreding bij de overnemer, tijdens dewelke de werknemer de activiteit die hij bij de gefailleerde uitoefende niet heeft kunnen uitoefenen als gevolg van het faillissement. Gelet op het voorgaande beslisten de eerste rechters volkomen terecht dat de nv een opzeggingstermijn van 10 maanden in acht had moeten nemen, zodat evenzeer terecht de gevorderde aanvullende vergoeding werd toegekend. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging recht sprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 31 oktober
  13. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de nv M. N.. Vereffent deze aan de zijde van de nv M. N. op 59,49 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep en op 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Vereffent deze aan de zijde van de heer V. D. B. op nihil. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 14 maart 2007, waar aanwezig waren: mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer I. BIEGS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer S. HENS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, mevrouw L. PELEMANS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070314.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.