id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 21 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070321.10 Rolnummer: 2002-0515 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-05-24 Raadplegingen: 319 - laatst gezien 2026-07-04 04:03 Fiches 1 - 3 Het voorwerp van de vordering in betaling van een morele schadevergoeding, advocatenkosten en verplaatsings-, administratie-, en telefoonkosten is virtueel begrepen in het voorwerp van de bij dagvaarding ingeleide vordering die strekt tot vergoeding van schade die de werknemer heeft geleden als gevolg van de door de werkgever gepleegde sociaalrechtelijke misdrijven. De werknemer kan aanspraak maken op de advocatenkosen die hij noodzakelijk heeft moeten maken om de schade die hij als slachtoffer van door zijn werkgever gepleegde sociaalrechtelijke misdrijven heeft geleden in rechte te laten vaststellen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Bewijslast Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - sociaalrechtelijke misdrijven - schade - advocatenkosten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 807 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Nota: Gerangschikt onder I A - art. 807, I B - art. 1382 en onder III H - art.
- I A UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - PERSOONLIJKE LEVENSSFEER - Algemeen (persoonlijke levenssfeer) Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - burgerlijk recht - sociaalrechtelijke misdrijven - schade - advocatenkosten Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1807 - 1382 - 33 Link Justel databank 18070321-33 Nota: Gerangschikt onder I A - art. 807 - I B - art.. 1382 en onder III H - art. 42 I B UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon Vrije woorden: Arbeidsreglementering - bescherming van het loon - strafbepalingen - sociaalrechtelijke misdrijven - schade - advocatenkosten Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 42 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 807, I B - artikel 1382 en onder III H - art.
- III H Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ___________________ ARREST A.R. 2020515 OPENBARE TERECHTZITTING VAN EENENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN ZEVEN J. D. G., appellant vertegenwoordigd door mr. D. PATTYN, advocaat te Brugge, tegen : vzw K. L. S., geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. W. ENGELEN, advocaat te Sint-Truiden. Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 21 februari
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 3 september 2003, 5 november 2003, 3 december 2003 en 21 februari
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het arrest door deze kamer van het arbeidshof tussen partijen gewezen op 3 september 2003; * het arrest van deze kamer d.d. 3 december 2003 waarbij, ter vervanging van de heer A. N., mevrouw V. N. als deskundige werd aangesteld; * het deskundig verslag, ter griffie van dit hof ontvangen op 24 juni 2005; * de conclusies van partijen, ter griffie van dit hof ontvangen op 3 april 2006, 2 november 2006 en 18 januari 2007 voor de heer D. G. en op 1 september 2006, 4 december 2006 en 9 februari 2007 voor de vzw K. L. S., hierna de vzw genoemd; * de beschikking d.d. 14 juni 2006 overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek; * de beschikking d.d. 20 december 2006 overeenkomstig artikel 748 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING Wat de voorafgaande rechtspleging betreft kan volstaan worden met verwijzing naar het hiervoor vermelde arrest van 3 september
- III. VORDERINGEN NA DESKUNDIG VERSLAG Met samenvattende conclusie van 18 januari 2007 vordert de heer D.G. de vzw te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 97.084,55 EUR, te vermeerderen met de vergoedende intrest aan de wettelijke rentevoet op 5.453,66 EUR vanaf 1 maart 1998, op 250,00 EUR vanaf 1 juli 1999 en op 91.380,89 EUR vanaf 1 juli 2004, met de gerechtelijke intrest op 5.703,66 EUR vanaf 14 augustus 2001 tot 3 april 2006 en met de gerechtelijke intrest op 97.084,55 EUR vanaf 3 april 2006 tot de dag van volledige betaling. Tevens vordert de heer D.G. te zeggen voor recht dat de betalingen van de vzw overeenkomstig artikel 1254 B.W. eerst worden toegerekend op de intresten en dan pas op het kapitaal. Verder vordert hij de vzw te veroordelen tot betaling van een provisie van 17.000,00 EUR advocatenkosten en een provisie van 1,00 EUR morele schade. Ten slotte vraagt de heer D.G. hem akte te verlenen van zijn voorbehoud voor alle andere schade die hij ingevolge de door de vzw gepleegde misdrijven zou hebben geleden. Met samenvattende conclusie van 9 februari 2007 vordert de vzw, alvorens recht te spreken, de heer D.G. te bevelen alle gegevens bij te brengen van zijn bezoldiging bij N. in de periode tot 30 juni
- Tevens vordert de vzw, het tussenarrest verder uitwerkende, m.b.t. de hoofdvordering te zeggen voor recht dat zij voldaan heeft aan haar verplichtingen en de heer D.G. te veroordelen tot betaling van hetgeen te veel betaald werd, met name de som van 12.226,67 EUR, meer de gerechtelijke intrest vanaf 1 september 2006 en de kosten van het geding. IV. BEOORDELING
- Uitputting van rechtsmacht Naar luid van artikel 19 Ger.W. is een vonnis een eindvonnis voor zover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. De rechter die uitspraak doet over een geschilpunt dat bij hem niet meer aanhangig is, omdat hij vroeger in dezelfde zaak en tussen dezelfde partijen hierover reeds uitspraak heeft gedaan en bijgevolg zijn rechtsmacht over dit geschilpunt ten volle heeft uitgeoefend, kan niet opnieuw en anders uitspraak doen over hetzelfde geschilpunt, zonder zijn bevoegdheid te overschrijden en, derhalve, artikel 19, eerste lid Ger. W. te schenden. (Cass. 19 april 2001, C00161F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010419.5, http://www.cass.be, op datum; Cass. 18 november 1997, Arr. Cass., 1997, 484; Cass. 22 november 1993, Arr. Cass., 974) Deze regel raakt de openbare orde en moet bijgevolg zelfs ambtshalve door de rechter worden opgeworpen. In zijn arrest van 3 september 2003 heeft dit arbeidshof reeds definitief uitspraak gedaan over een aantal geschilpunten in deze zaak, zodat bedoeld arrest, wat deze geschilpunten betreft, een eindarrest is in de zin van artikel 19 Ger.W. Zo heeft dit arbeidshof onder meer beslist dat: - de vzw zich schuldig heeft gemaakt aan de sociaalrechtelijke misdrijven waarop de heer D.G. zijn vordering steunt - de vzw gehouden is tot vergoeding van de schade die de heer D.G. als gevolg van deze misdrijven heeft geleden - de heer D.G. ingevolge het niet betalen van de bijdragen aan de groepsverzekering conform de in de arbeidsovereenkomst overeengekomen modaliteiten schade heeft geleden - de kosten van de bijstand van een FIFA-agent en de buitengerechtelijke incassokosten geen deel uitmaken van deze schade. Met "de sociaalrechtelijke misdrijven waarop de heer D.G. zijn vordering steunt" bedoelde dit arbeidshof elke niet (volledige) betaling door de vzw tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst van een premie in de groepsverzekering, zoals bedongen in de rubriek "IV Vergoedingen" onder punt c1 van de arbeidsovereenkomst, met name van 15 oktober 1997 tot 30 juli
- Dit blijkt afdoende uit het geheel en de samenhang tussen de feitelijke en juridische overwegingen van genoemd arrest en sluit ook perfect aan bij de vordering, zoals ze door de heer D.G. werd gesteld in zijn inleidende dagvaarding en bij de argumentatie die hij heeft ontwikkeld in zijn latere conclusies, wat kennelijk ook door de aangestelde deskundige zo werd begrepen. Het is in dit kader overigens frappant dat de vzw geen enkele opmerking heeft geformuleerd op het haar toegezonden voorverslag, hoewel de deskundige zeer duidelijk en ondubbelzinnig de door de heer D.G. geleden schade heeft geraamd voor de volledige duur van de arbeidsovereenkomst, met name van 15 oktober 1997 tot 30 juli
- Dit arbeidshof wenst tevens te benadrukken dat de heer D.G. zowel in de inleidende dagvaarding, als in latere conclusies integrale vergoeding heeft gevorderd van de schade die hij heeft geleden als gevolg van het door de vzw gepleegde misdrijf, strafbaar gesteld bij artikel 42 Loonbeschermingswet. In de uiteenzetting van zijn middelen, zowel in de inleidende dagvaarding, als in latere conclusies, heeft de heer D.G. daarbij tot staving van zijn vordering onder meer aangevoerd: - dat hij op 13 oktober 1997 een arbeidsovereenkomst bij de vzw ondertekende, die beëindigd werd op 30 juli 1999 - dat de vzw zich in deze overeenkomst had verbonden tot betaling aan M. van een premie van 450.000 BEF per kwartaal, daarbovenop een eenmalige brutopremie van 500.000 BEF, te betalen tegen uiterlijk 15 januari 1998 en doorstorting van de maandelijkse inhoudingen op zijn loon a rato van 20.000 BEF - dat noch de voorziene kwartaalpremies, noch de voorziene éénmalige premie, noch de ingehouden bijdragen correct werden betaald aan M. - dat de overeengekomen premies loon zijn in de zin van de Loonbeschermingswet - dat het niet betalen van deze premies een misdrijf is - dat de vzw dit misdrijf heeft gepleegd en dat hij integraal moet worden vergoed voor de schade die hij als gevolg van dit misdrijf heeft geleden. Dat de heer D.G. zijn vordering slechts voorlopig begrootte op 5.000.000 BEF "bedrag te verhogen of te verlagen in de loop van het geding" en bij de becijfering van het bedrag waarop hij minstens aanspraak kon maken, enkel melding maakte van de niet betaalde kwartaalpremies voor de periode van het vierde kwartaal 1997 tot en met het derde kwartaal 1998 en niet van de kwartaalpremies voor de periode na het derde kwartaal 1998, doet daaraan geen afbreuk. Terloops kan erop gewezen worden dat de heer D.G. wél expliciet heeft vermeld dat voor hem 450.000 BEF groepsverzekeringspremie had moeten worden betaald voor het derde kwartaal van 1998, dus een volledige kwartaalpremie, wat uiteraard niet strookt met de bewering dat de heer D.G. voorafgaand aan het arrest van 3 september 2003 slechts aanspraak zou hebben gemaakt op premies voor de periode van 15 oktober 1997 tot 15 augustus
- Gelet op het voorgaande kan dit arbeidshof thans niet beslissen dat de vzw niet gehouden was tot betaling van de in de arbeidsovereenkomst van 13 oktober 1997 bedongen premies voor de periode van 16 augustus 1998 tot en met 30 juli 1999, noch dat de vzw zich door het niet betalen van deze premies niet schuldig heeft gemaakt aan door artikel 42 Loonbeschermingswet strafbaar gestelde misdrijven, noch dat de vzw niet gehouden is om de heer D.G. hiervoor schadeloos te stellen. Dat de vzw, zoals thans wordt beweerd, vóór de uitspraak van het arrest van 3 september 2003 zou hebben "gedwaald" bij het ontwikkelen van haar feitelijke argumentatie, inzonderheid waar zij zelf bij herhaling in conclusies bevestigde dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen slechts een einde nam op 30 juli 1999 (vgl. eerste conclusie in eerste aanleg p.3 en 4, eerste beroepsconclusie p. 3, syntheseberoepsconclusie p. 3) doet daaraan geen afbreuk, net zomin als het feit dat zij thans nieuwe stukken neerlegt, waarvan zij voorhoudt dat hieruit zou blijken dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen definitief was beëindigd op 15 augustus 1998 en dat zij voor de periode na 15 augustus 1998 niet gehouden was tot storting van premies in de groepsverzekering voor de heer D.G., standpunt dat dit arbeidshof overigens niet deelt. Ten slotte wenst dit arbeidshof te benadrukken dat m.b.t. de aard en de omvang van de door de heer D.G. geleden schade slechts één geschilpunt definitief werd beslecht, met name dat de kosten van de bijstand van een FIFA-agent en de buitengerechtelijke incassokosten geen deel uitmaken van deze schade. Voor het overige heeft dit arbeidshof desbetreffend nog geen eindbeslissing genomen in de zin van artikel 19 Ger.W.
- Artikel 807 Ger.W./verjaring Krachtens artikel 807 Ger. W. kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, worden uitgebreid of gewijzigd indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. De uitbreiding in conclusies door de heer D.G. van zijn oorspronkelijke vordering, voldoet manifest aan de in artikel 807 Ger.W gestelde voorwaarden. In dit verband kan nuttig verwezen worden naar hetgeen hiervoor reeds werd uiteengezet over de door de heer D.G. tot staving van zijn vordering in de inleidende dagvaarding aangevoerde middelen. Het arbeidshof is tevens van oordeel dat het voorwerp van de vordering in betaling van een morele schadevergoeding, advocatenkosten en verplaatsings-, administratie-, correspondentie- en telefoonkosten virtueel begrepen is in het voorwerp van de bij dagvaarding van 14 augustus 2001 ingeleide vordering, nu de oorspronkelijke vordering, zoals de later gestelde vorderingen, strekt tot vergoeding van schade die de heer D.G. heeft geleden als gevolg van dezelfde door de vzw gepleegde sociaalrechtelijke misdrijven. De inleidende dagvaarding heeft bijgevolg tijdig de verjaring gestuit van deze onderdelen van de thans gestelde vordering.
- Omvang van de schade 3.
- Gederfde uitkering In haar terdege gemotiveerd en gedocumenteerd verslag besluit deskundige N. dat, indien de vzw de premies aan M. had gestort voor de bedragen en op de tijdstippen bepaald in de arbeidsovereenkomst van 13 oktober 1997, rekening houdend met een uitdiensttreding op 30 juli 1999, de heer D.G. op 1 juli 2004 een uitkering zou hebben bekomen van 99.544,04 EUR, terwijl hij op basis van de werkelijk gestorte premies slechts een uitkering van 8.163,15 EUR heeft ontvangen, zodat hij een schade heeft geleden die kan begroot worden op 91.380,89 EUR op datum van 1 juli
- Nazicht van het deskundig verslag leert dat de deskundige als basis voor haar berekeningen de kwartaalpremies a rato van 450.000 BEF heeft genomen, verschuldigd voor de periode van 15 oktober 1997 tot 30 juli 1999 (voor het eerste kwartaal 1997 en voor het derde kwartaal van 1999 werd de kwartaalpremie telkens geproratiseerd), alsook de eenmalige premie van 500.000 BEF en 20.000 BEF per maand, bedrag dat volgens de arbeidsovereenkomst elke maand op het loon van de heer D.G. moest worden ingehouden en vervolgens moest worden doorgestort aan M. Voor de niet doorgestorte inhoudingen wordt aldus een totaal bedrag aan premies van 430.000 BEF door de deskundige in aanmerking genomen. In zijn conclusies geeft de heer D.G. zelf aan dat slechts 11 x, met name tot aan zijn terbeschikkingstelling bij N., een bedrag van 20.000 BEF op zijn loon werd ingehouden, hetzij in totaal 220.000 BEF. Anders dan de werkgeversbijdragen en de niet doorgestorte, daadwerkelijk ingehouden premies in de groepsverzekering komen de niet ingehouden premies a rato van 210.000 BEF hetzij 5.205,76 EUR niet in aanmerking voor het bepalen van de door de heer D.G. geleden schade en moet slechts rekening worden gehouden met een totaal bedrag aan premies van 97.794 (102.999,76 EUR - 5.205,76 EUR). Tevergeefs verwijst de heer D.G. in dit verband naar het bepaalde in artikel 6.1.
- van de groepsverzekeringsovereenkomst tussen de vzw en M. Artikel 7.
- van diezelfde groepsverzekeringsovereenkomst laat immers ruimte voor persoonlijke stortingen en het is duidelijk dat de overeenkomst tussen partijen dergelijke persoonlijke stortingen a rato van 20.000 BEF per maand tot voorwerp had. Dit arbeidshof stelt vast dat de vzw aangeeft dat bij wijziging van het totale bedrag van de in aanmerking te nemen bijdragen, het bedrag van de corresponderende uitkering die de heer D.G. zou hebben moeten bekomen op 1 juli 2004 kan worden bepaald door middel van "de regel van 3". Aldus kan het bedrag van de netto uitkering die de heer D.G. normaal had moeten ontvangen bepaald worden op 94.512,93 EUR, als volgt becijferd: 99.544,04 EUR (netto uitkering becijferd door deskundige) x 97.794 EUR 102.999,76 EUR (totaal verschuldigde premies volgens deskundige). Vermits hem slechts een uitkering werd betaald van 8.163,15 EUR bedroeg het netto bedrag van de gederfde uitkering per 1 juli 2004 86.349,70 EUR. Hierop mogen de bedragen die de vzw in uitvoering van het arrest van 3 september 2003 betaalde in mindering worden gebracht (conform het niet betwiste overzicht dat de vzw heeft gegeven in conclusies), alsook een bedrag gelijk aan de intrest aan de wettelijke rentevoet, becijferd op de vóór 1 juli 2004 verrichte betalingen vanaf de datum van betaling tot en met 1 juli
- Het resterende saldo kan worden vermeerderd met vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 1 juli
- 3.
- Terugbetaling van ingehouden premies Gelet op het voorgaande kan de heer D.G. uiteraard niet tegelijkertijd een vergoeding vragen gelijk aan de gederfde pensioenuitkering berekend op de niet doorgestorte looninhoudingen én terugbetaling van deze looninhoudingen. 3.
- Morele schade Niets in het dossier laat toe te besluiten dat de heer D.G. morele schade heeft geleden als gevolg van de door de vzw gepleegde sociaalrechtelijke misdrijven. 3.
- Advocatenkosten M.b.t. dit onderdeel van de vordering beperkt de vzw haar verweer tot twee argumenten die als volgt kunnen worden samengevat: - advocatenkosten kunnen niet worden toegekend in het kader van een vordering die strekt tot herstel van schade geleden ingevolge een misdrijf - het provisioneel gevorderde bedrag is exorbitant. Deze argumentatie kan niet overtuigen. Anders dan de vzw voorhoudt kunnen het honorarium en de kosten van een advocaat, die de benadeelde van een extracontractuele fout heeft betaald, een te vergoeden bestanddeel van zijn schade uitmaken, in zoverre ze noodzakelijk zijn om de benadeelde de mogelijkheid te bieden om zijn rechten op vergoeding van zijn schade te doen gelden. (Cass. 16 november 2006, C050124F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061116.4, http://www.cass.be, op datum) Gelet op de complexiteit van dit dossier kan er niet de minste twijfel bestaan over de noodzaak voor de heer D.G. om zich te laten bijstaan door een advocaat, om het bestaan en de omvang van de door hem geleden schade in rechte te laten vaststellen. Het honorarium en de kosten van zijn advocaat maken bijgevolg een deel uit van de door de vzw te vergoeden schade. Dit arbeidshof stelt verder vast dat de heer D.G. als stuk 17 een zeer gedetailleerde staat van erelonen en onkosten van zijn advocaat neerlegt, met een minutieuze opsomming van alle in dit dossier geleverde prestaties en gemaakte kosten. Naar het oordeel van dit arbeidshof is het verweer dat de vzw desbetreffend ontwikkelt weinig ernstig, nu zij nergens concretiseert waarom zij de aangerekende bedragen exorbitant vindt en al evenmin aangeeft of en zo ja welke prestaties ten onrechte werden aangerekend. Dit arbeidshof is integendeel van oordeel dat het aangerekende uurtarief redelijk is. Eenzelfde bemerking geldt de aangerekende secretariaatskosten en verplaatsingskosten. In die omstandigheden kan aan de heer D.G. een provisie worden toegekend voor het honorarium en de kosten van zijn advocaat van 17.000,00 EUR. Vermits partijen tegenspraak hebben kunnen voeren en ook hebben gevoerd omtrent dit onderdeel van de vordering is er geen enkele reden om dit onderdeel van de vordering naar de bijzondere rol te verwijzen, zoals gevraagd door de vzw. Het is dit arbeidshof niet meteen duidelijk wat de vzw precies beoogt waar zij "de taxatie door de Raad van Orde van de Balie te Antwerpen" vraagt. Alleszins kan dit arbeidshof geen instructies geven aan de Orde van Advocaten te Antwerpen en moet dit arbeidshof zelf de gegrondheid van de vordering van de heer D.G. beoordelen, eventueel na advies te hebben ingewonnen van een deskundige, wat dit arbeidshof in deze zaak niet nodig acht. 3.
- Verplaatsings-, administratie-, correspondentie- en telefoonkosten De heer D.G. houdt voor dat hij als gevolg van het door de vzw gepleegde misdrijf verplaatsings-, administratie-, correspondentie- en telefoonkosten heeft moeten maken met het oog op o.m. het contacteren van zijn raadslieden, de opvolging van de procedure en het deskundig onderzoek. Hij vordert hiervoor een bedrag van 250,00 EUR, vermeerderd met vergoedende intrest. Dit arbeidshof stelt vast dat de vzw het bestaan en de omvang van deze kosten niet in vraag stelt, net zomin als hun causaal verband met de door de vzw gepleegde sociaalrechtelijke misdrijven. Het in dit kader gevorderde bedrag kan bijgevolg worden toegekend. Dit arbeidshof stelt evenwel vast dat de heer D.G. vergoedende intrest vordert op dit bedrag vanaf 1 juli 1999, terwijl de procedure slechts werd ingeleid met dagvaarding van 14 augustus
- Het merendeel van de door de heer D.G. ingeroepen kosten en zeker de kosten verbonden aan het opvolgen van de procedure en het deskundig onderzoek situeren zich dan ook geruime tijd na 1 juli
- In die omstandigheden en gelet op het ontbreken van nadere preciseringen nopens het tijdstip waarop deze kosten werden gemaakt kent dit arbeidshof slechts intrest toe vanaf 3 april 2006, datum waarop voor het eerst in conclusie een vergoeding voor deze kosten werd gevorderd. 3.
- Voorbehoud De heer D.G. vraagt voorbehoud voor alle andere schade die hij ingevolge de door de vzw gepleegde misdrijven zou hebben geleden. De vzw verzet zich hiertegen op grond van de overweging dat alle mogelijke vorderingen inmiddels verjaard zijn. Dit arbeidshof kan zich uiteraard bezwaarlijk uitspreken over de verjaring van vorderingen die (nog) niet werden ingesteld en ziet geen enkel bezwaar om akte te verlenen van het door de heer D.G. gevraagde voorbehoud.
- Tegeneis Gelet op hetgeen hiervoor werd uiteengezet is de door de vzw gestelde tegeneis uiteraard ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, De arresten van 3 september en 3 december 2003 verder uitwerkend, Verklaart de vordering van de heer D.G. zoals gewijzigd in conclusies na genoemde arresten van 3 september en 3 december 2003 ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Veroordeelt de vzw tot betaling aan de heer D.G. van: 1) 86.349,70 EUR (zesentachtigduizend driehonderdnegenenveertig euro zeventig cent) vergoeding wegens gederfde pensioenuitkering, te verminderen met de door de vzw in uitvoering van het arrest van 3 september 2003 betaalde bedragen te weten: - 5.400 EUR betaald op 28 oktober 2003 - 5.400 EUR betaald op 28 november 2003 - 5.400 EUR betaald op 29 december 2003 - 173, 24 EUR betaald op 30 december 2003 - 5.400 EUR betaald op 28 januari 2004 - 5.400 EUR betaald op 26 februari 2004 - 5.400 EUR betaald op 2 april 2004 - 5.400 EUR betaald op 28 april 2004 - 5.400 EUR betaald op 28 mei 2004 - 5.400 EUR betaald op 30 juni 2004 - 5.090,89 EUR betaald op 28 juli 2004 - 220,02 EUR betaald op 28 juli 2004 - 87,79 EUR betaald op 28 juli 2004 en te verminderen met een bedrag gelijk aan de intrest berekend aan de wettelijke rentevoet op de hiervoor vermelde, vóór 1 juli 2004 door de vzw betaalde bedragen, te rekenen vanaf de datum van betaling tot en met 30 juni
- Het resterende saldo te vermeerderen met de vergoedende intrest berekend aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 juli
- 2) 17.000,00 EUR (zeventienduizend euro nul cent) provisioneel ter dekking van advocatenkosten 3) 250,00 EUR (tweehonderdvijftig euro nul cent) vergoeding voor verplaatsings-, administratie-, correspondentie- en telefoonkosten, te vermeerderen met vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 3 april
- Verleent akte aan de heer D.G. van zijn voorbehoud voor alle andere schade die hij ingevolge de door de vzw gepleegde misdrijven zou hebben geleden. Verklaart de tegeneis van de vzw ontvankelijk doch ongegrond. Legt de kosten van beide instanties voor 1/10de ten laste van de heer D.G. en voor 9/10de ten laste van de vzw. Vereffent deze aan de zijde van de heer D.G. op 128,68 EUR (dagvaarding), 196,33 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank), 173,24 EUR (betekening-bevel), 291,52 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidshof), 59,49 EUR (aanvullende rechtsplegingsvergoeding deskundigenonderzoek) en 4.840,00 EUR (expertisekosten). Vereffent deze aan de zijde van de vzw op 196,33 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank), 291,52 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidshof) en 59,49 EUR (aanvullende rechtsplegingsvergoeding deskundigenonderzoek). Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van eenentwintig maart tweeduizend en zeven, waar aanwezig waren: mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer I. BIEGS, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer S. HENS, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, de heer L. VISKENS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070321.10 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010419.5 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061116.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div