id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 18 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070418.14 Rolnummer: 2006-0394 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 15:33 Fiches 1 - 5 Een uitzendbureau kan de nietigheid van het proefbeding opgenomen in een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid wegens miskenning van artikel 3 van de CAO van 30 juni 1995 gesloten in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid, niet inroepen tegen de uitzendkracht en moet ten volle de consequenties dragen van zijn contractuele verbintenissen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Werklieden - Proefbeding Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - werklieden - beding van proeftijd Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 48 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: II BN - Gerangschikt onder II BN - artikel 48, II CN - artikel 67, II K II - artikel 5, II K II - artikel 8 en onder II K II - artikel
- UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Bedienden Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - bedienden - beding van proeftijd Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 67 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: II CN - Gerangschikt onder II BN - artikel 48, II CN - artikel 67, II K II - artikel 5, II K II - artikel 8 en onder II K II - artikel
- UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - tijdelijke arbeid, uitzendarbeid en ter beschikking van werknemers ten behoeve van gebruikters - proefbeding Wettelijke bepalingen: Wet - 24-07-1987 - 5 - 31 ELI link Pub nr 1987012597 Collectieve arbeidsovereenkomst - 30-06-1995 - 2 Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - tijdelijke arbeid, uitzendarbeid en ter beschikking van werknemers ten behoeve van gebruikers - vermoeden van arbeidsovereenkomst - vorm Wettelijke bepalingen: Wet - 24-07-1987 - 8 - 31 ELI link Pub nr 1987012597 Collectieve arbeidsovereenkomst - 30-06-1995 - 2 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Nietigheid Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - tijdelijke arbeid, uitzendarbeid en ter beschikking van werknemers ten behoeve van gebruikers - nietigheid Wettelijke bepalingen: Wet - 24-07-1987 - 33 - 31 ELI link Pub nr 1987012597 Nota: II K II - Gerangschikt onder II BN - artikel 48, II CN - artikel 67, II K II - artikel 5, II K II - artikel 8 en onder II K II - artikel
- Annotaties Publicaties: SRK 2007 - - nr. 7, blz. 421-422 JTT 2008 - - nr. 995 - blz. 8-9 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2060394 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTTIEN APRIL TWEEDUIZEND EN ZEVEN nv K. I., appellante, incidenteel geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. D. DE BACKER, advocaat te Kortrijk, tegen : L. B., geïntimeerde, incidenteel appellante vertegenwoordigd door mr. L. DE GRAEVE, loco mr. L. VERMEULEN, advocaat te Herselt. Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 7 maart
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 4 september 2006 en 7 maart
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 24 oktober 2005 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het eensluidend verklaard afschrift van het op 27 maart 2006 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 6 juni 2006; * het incidenteel beroep van geïntimeerde, ingesteld bij conclusie van 28 juli 2006; * de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit hof op 28 juli 2006 en 5 december 2006 voor mevrouw B. en op 3 november 2006 voor de nv K. I., hierna de nv genoemd. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 31 december 2002, vorderde de nv de veroordeling van mevrouw B. tot betaling van 4.436,25 EUR opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de kosten van het geding. Met conclusie van 8 juli 2003 stelde mevrouw B. een tussenvordering in ertoe strekkende de 21 opeenvolgende overeenkomsten voor uitzendarbeid vals te verklaren en de inbeslagneming ervan te bevelen. Met vonnis van 24 oktober 2005 verklaarden de eerste rechters de tussenvordering van mevrouw B. ontvankelijk doch ongegrond en heropenden zij ambtshalve de debatten teneinde partijen te horen omtrent de grond van de zaak. Met vonnis van 27 maart 2006 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en veroordeelden zij mevrouw B. tot betaling van 266,00 EUR opzeggingsvergoeding. Elk der partijen werd verwezen in de eigen kosten van het geding. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de nv strekt ertoe het vonnis van 27 maart 2006 gedeeltelijk te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, te zeggen voor recht dat mevrouw B. ook de resterende overeenkomsten expliciet eenzijdig en onrechtmatig verbroken heeft en derhalve een resterende opzeggingsvergoeding van 4.123,00 EUR verschuldigd blijft. Tevens vordert de nv het bestreden vonnis te bevestigen waar dit stelt dat opeenvolgende proefbedingen verboden zijn en dat zowel de werkgever als de werknemer zich hierop kunnen beroepen. Met vervangende conclusie van 5 december 2006 vordert mevrouw B. het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Tevens stelt zij incidenteel beroep in en vordert het vonnis a quo te vernietigen in zoverre het haar veroordeelde tot betaling van een opzeggingsvergoeding van 266,00 EUR. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
- De feiten De nv is een uitzendbureau, zoals bedoeld in de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, hierna de Uitzendarbeidswet genoemd. In de loop van 2002 werd de nv gecontacteerd door de nv C. met de vraag naar een uitzendkracht, voor een periode van 5 maanden, nl. van 2 april tot 30 augustus
- Op 3 april 2002 ondertekende mevrouw B. 21 opeenvolgende overeenkomsten voor uitzendarbeid, voor een bepaalde tijd, telkens voor dezelfde functie, bij dezelfde gebruiker, de nv C. In elk van deze overeenkomsten werd een proefbeding opgenomen met een duur van 3 werkdagen. Op 14 mei 2002 verzond mevrouw B. een aangetekende brief aan de nv waarvan de inhoud luidt als volgt: "Met deze wens ik vanaf heden mijn arbeidsovereenkomst van 13 mei 2002 als uitzendkracht op te zeggen. Gezien deze overeenkomst een proefbeding bevat, kan zij beëindigd worden zonder opzegging noch vergoeding, conform art. 5 van de wet van 24/07/1987 (wet op uitzendkracht). Hiermee roepen wij ook de nietigheid in van de arbeidsovereenkomsten die in de toekomst gedateerd zijn." Met een aangetekende brief van 21 mei 2002 protesteerde de nv de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door mevrouw B. en vorderde zij vanwege mevrouw B. betaling van een opzeggingsvergoeding, overeenstemmend met 3 maanden loon.
- De beoordeling Artikel 5 Uitzendarbeidswet bepaalt m.b.t. de arbeidsovereenkomst voor uitvoering van tijdelijke arbeid: "Behoudens strijdige overeenkomst worden de eerste drie arbeidsdagen als proeftijd beschouwd. Tot het verstrijken van die tijdsduur mag ieder van partijen de overeenkomst beëindigen, zonder opzegging, noch vergoeding." De memorie van toelichting betreffende het wetsontwerp van de Uitzendarbeidswet vermeldt m.b.t. genoemd artikel 5 dat wegens de noodzaak van een snelle aanpassing en integratie van de tijdelijke werknemer enerzijds, en de beperkte duur van sommige tijdelijke werkzaamheden anderzijds, artikel 5 voorziet in een proeftijd van 3 dagen. "De partijen kunnen nochtans één van de klassieke proefbedingen voorzien waarin de wetgeving op de arbeidsovereenkomsten voorziet. In dat geval mag bedoeld proefbeding niet samengaan met het bij dit ontwerp bepaalde bijzondere proefbeding..." (Memorie van toelichting, Parl. St. Kamer 1986-87, nr. 762/1,4) Er kan dan ook niet de minste twijfel over bestaan dat met "overeenkomst" in artikel 5 Uitzendarbeidswet een individuele overeenkomst werd bedoeld. Deze bepaling is, overeenkomstig artikel 8 Uitzendarbeidswet, van toepassing op de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 33 Uitzendarbeidswet zijn alle met de bepalingen van deze wet strijdige bedingen nietig, voor zover zij ertoe strekken de rechten van de werknemers in te korten of hun verplichtingen te verzwaren. De wetgever heeft zich daarbij laten inspireren door artikel 6 Arbeidsovereenkomstenwet. (Memorie van toelichting, Parl. St. Kamer 1986-87, nr. 762/1,11) De bepalingen van de Uitzendarbeidswet zijn dan ook dwingend in het voordeel van de werknemer en hiervan mag niet in het nadeel van de werknemer worden afgeweken, noch bij individuele overeenkomst, noch bij cao. Afwijkingen in het voordeel van de werknemer zijn in beginsel wel toegelaten. De in de Arbeidsovereenkomstenwet en in de Uitzendarbeidswet bedoelde nietigheid van de met deze wetten strijdige bepalingen, is in beginsel dan ook een relatieve nietigheid, waarop alleen de werknemer zich kan beroepen. Op 30 juni 1995 werd binnen het Paritair Comité voor de uitzendarbeid een cao betreffende de eenmaligheid van de proeftijd gesloten. (algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 10 juni 1997, B.S. 28 november 1997) Artikel 2 van deze overeenkomst bevestigt en herhaalt het bepaalde in de artikelen 5 en 8 Uitzendarbeidswet. Artikel 3 van diezelfde cao luidt als volgt: "Partijen komen overeen dat ingeval een uitzendkracht, via opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid, in dezelfde functie, op dezelfde arbeidspost en bij dezelfde gebruiker tewerkgesteld wordt, opeenvolgende proeftermijnen verboden zijn." Aldus werd bij cao het sluiten van een proefbeding uitgesloten, voor arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid die volgen op een eerdere overeenkomst in dezelfde functie, op dezelfde arbeidspost en bij dezelfde gebruiker. Hoewel beide partijen bij een arbeidsovereenkomst belang kunnen hebben bij een beding van proeftijd, zijn de bepalingen die de geldigheid en de duur van dergelijke bedingen beperken, hoofdzakelijk ingegeven vanuit de bekommernis om de werknemer te beschermen. Dit is naar het oordeel van dit arbeidshof niet anders m.b.t. het bepaalde in artikel 3 van de cao van 30 juni 1995 en dit ongeacht de inhoud van het door de nv neergelegde protocol van sectoraal akkoord 2001-2002 van het Paritair Comité voor de uitzendarbeid dd. 10 december
- Bovendien kunnen de ondertekenende organisaties, gelet op het bepaalde in artikel 33 Uitzendarbeidswet, hoe dan ook niet bij cao aan een uitzendkracht de mogelijkheid ontnemen om, gedurende de met het uitzendbureau overeengekomen proeftijd van 3 dagen, een einde te maken aan zijn overeenkomst zonder opzegging, noch vergoeding. Een uitzendbureau kan bijgevolg de nietigheid van het proefbeding opgenomen in een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid wegens miskenning van artikel 3 van de cao van 30 juni 1995 niet inroepen tegen de uitzendkracht en moet ten volle de consequenties dragen van zijn contractuele verbintenissen. In deze zaak hebben partijen in elk van de 21 opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid een proefbeding met een duur van 3 arbeidsdagen opgenomen. Dat dit proefbeding een "standaardclausule" is die voorkomt op alle elektronisch opgemaakte arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid, doet uiteraard geen afbreuk aan het feit dat deze clausule deel uitmaakt van de tussen partijen gesloten overeenkomsten. Alle 21 overeenkomsten bevatten bijgevolg een proefbeding dat overeenstemt met de wettelijke regeling van het proefbeding bepaald in de artikelen 5 iuncto 8 Uitzendarbeidswet. Gelet op de hiervoor uiteengezette principes is dit arbeidshof dan ook van oordeel dat mevrouw B. deze proefbedingen kon inroepen en dat zij bijgevolg met brief van 14 mei 2002 zonder opzegging, noch vergoeding een einde kon maken aan de lopende arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid voor de periode van 13 tot 17 mei 2002 én aan alle daaropvolgende arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid. De vordering van de nv tot het bekomen van een opzeggingsvergoeding (eigenlijk vordert zij in graad van beroep 13 opzeggingsvergoedingen) is bijgevolg volledig ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 27 maart 2006 en, opnieuw rechtsprekend: Verklaart de vordering van de nv ontvankelijk doch ongegrond. Legt de kosten van beide instanties ten laste van de nv. Vereffent deze aan de zijde van de nv op 106,02 EUR (dagvaarding), 60,73 EUR (uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep), 214,18 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank) en 291,52 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidshof). Vereffent deze aan de zijde van mevrouw B. op 214,18 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank) en 291,52 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidshof). Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van achttien april tweeduizend en zeven, waar aanwezig waren: mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer I. BIEGS, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer S. HENS, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, de heer L. VISKENS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070418.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div