← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070418.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 18 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070418.3 Rolnummer: 2004-0376 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-05-23 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 15:32 Fiches 1 - 2 De vordering van de werknemer in betaling van een opzeggingsvergoeding, een pro rata eindejaarspremie en vakantiegeld einde dienst, is een vordering die strekt tot uitvoering van verbintenissen, die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, in de zin van artikel 1153 B.W. Artikel 1153 B.W. is een wettelijk schadebeding waardoor de vergoeding wegens de laattijdige betaling nooit in iets anders dan in de wettelijke intrest kan bestaan, tenzij de wet anders bepaalt. Artikel 10 Loonbeschermingswet, dat overigens geen toepassing vindt op vakantiegelden, bevat enkel een artikel 1153 B.W. afwijkende regeling m.b.t. het tijdstip waarop de wettelijke intrest wegens vertraging verschuldigd is, maar doet voor het overige echter geen afbreuk aan het bepaalde in artikel 1153 B.W. In de huidige stand van de wetgeving kunnen de advocatenkosten, die de werknemer heeft gemaakt in het kader van een dergelijke vordering, niet worden toegekend. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Algemeen (verbintenissen uit overeenkomst) Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - burgerlijk recht - schadevergoeding wegens niet-nakoming van de verbintenis Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1153 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Nota: Gerangschikt onder I B - art. 1153 en onder III H - art.

  1. I B UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming Vrije woorden: Arbeidsreglementering - bescherming van het loon - wettelijke intresten Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 10 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Nota: Gerangschikt onder I B - art. 1153 en onder III H - art.
  2. III H Annotaties Publicaties: JTT - - 2007 - nr. 990 - blz. 435 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2040376 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTTIEN APRIL TWEEDUIZEND EN ZEVEN nv I. appellante, incidenteel geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. A.C. TRIEST, loco mr. W. CORSTJENS, advocaat te Geel, tegen : H. T., geïntimeerde, incidenteel appellant vertegenwoordigd door mr. K. NIDLAHCEN, loco mr. Th. L'ALLEMAND, advocaat te Antwerpen. Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 7 maart
  3. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 20 september 2006 en 7 maart
  4. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het tussenarrest door deze kamer van het arbeidshof tussen partijen gewezen op 20 september 2006 waarbij het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard en waarbij de zaak naar de bijzondere rol werd verwezen teneinde partijen toe te laten bijkomend te concluderen wat de vordering betreft m.b.t. de advocatenkosten en de vergoeding wegens tergend en roekeloos verweer/vordering/hoger beroep; * de conclusies van partijen, ter griffie van het arbeidshof ontvangen op 29 december 2006 voor de nv I., hierna de nv genoemd, en op 29 januari 2007 voor de heer T.; * de beschikking d.d. 28 november 2006 overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek. II. DE FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING Wat de feiten en voorafgaande rechtspleging betreft kan volstaan worden met verwijzing naar het hiervoor vermelde tussenarrest. III. BEOORDELING
  5. Advocatenkosten Zoals reeds aangegeven in het arrest van 20 september 2006 vordert de heer T. betaling van 5.000,00 EUR provisioneel, als vergoeding voor de advocatenkosten die hij heeft moeten maken wegens de contractuele wanprestatie van de nv, zoals deze werd vastgesteld in genoemd arrest van 20 september
  6. De heer T. doelt daarbij op het ereloon verbonden aan het optreden van zijn raadsman in het kader van deze procedure, die strekte tot betaling van een opzeggingsvergoeding, een pro rata eindejaarspremie en vakantiegeld einde dienst. Het is niet voor ernstige discussie vatbaar dat de oorspronkelijke vordering van de heer T. tot betaling van een opzeggingsvergoeding, een pro rata eindejaarspremie en vakantiegeld einde dienst, een vordering is die strekt tot uitvoering van verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, in de zin van artikel 1153 B.W. (vgl. Cass. 30 mei 1968, Arr. Cass., 1968, 1191) Wanneer, zoals in deze zaak, de verbintenis van de schuldenaar alleen betrekking heeft op het betalen van een geldschuld, heeft de wetgever een wettelijk schadebeding in het leven geroepen door in artikel 1153 B.W. te bepalen dat de vergoeding wegens de laattijdige betaling nooit in iets anders dan in de wettelijke intrest kan bestaan, tenzij de wet anders bepaalt. Dit impliceert dat de schuldeiser, ook wanneer hij kan bewijzen dat zijn schade belangrijker is, toch niet meer dan de wettelijke intrest als schadevergoeding kan bekomen, wanneer de verbintenis laattijdig wordt uitgevoerd. In dit verband moet er tevens aan herinnerd worden dat t.a.v. geldschulden de niet-uitvoering of de gedeeltelijke uitvoering noodzakelijk op een laattijdige uitvoering neerkomen, zodat zij in het toepassingsbereik van artikel 1153 B.W. vallen. (vgl. CORNELIS, L. "Algemene theorie van de verbintenis", Antwerpen - Groningen, Intersentia Rechtswetenschappen, 567) Compenserende schadevergoeding bij schuldige niet-nakoming van een verbintenis strekkende tot betaling van een geldsom kan door de rechter niet worden toegestaan. De rechter kan alleen vaststellen dat de verschuldigde geldsom niet betaald werd, een uitvoerbare titel uitreiken voor de opvordering en moratoire intrest toekennen wegens de vertraging waarmee de schuld werd vereffend. (vgl. VANDEPUTTE, R., "De overeenkomst. Haar ontstaan, haar uitvoering en verdwijning, haar bewijs", Brussel, Larcier, 1977, 255 en de aldaar geciteerde rechtsleer) Artikel 10 Loonbeschermingswet, dat overigens geen toepassing vindt op vakantiegelden, bevat enkel een van artikel 1153 B.W. afwijkende regeling m.b.t. het tijdstip waarop de wettelijke intrest wegens vertraging verschuldigd is, met name vanaf de opeisbaarheid van het loon, zonder voorafgaande ingebrekestelling. Bedoeld artikel 10 Loonbeschermingswet doet voor het overige echter geen afbreuk aan het bepaalde in artikel 1153 B.W., inzonderheid wat de forfaitaire schaderegeling betreft wegens laattijdige betaling. In zijn arrest van 14 juni 2006 (95/2006, http://www.arbitragehof.be, op datum) heeft het Arbitragehof geoordeeld dat genoemd artikel 1153 B.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt en dat het aan de wetgever staat om te oordelen hoe en in welke mate de verhaalbaarheid van de kosten en honoraria van een advocaat moeten worden georganiseerd. In de huidige stand van de wetgeving kan de vordering van de heer T. evenwel niet worden toegekend.
  7. Vergoeding wegens tergend en roekeloos verweer/hoger beroep De heer T. vordert een schadevergoeding van 11.552,00 EUR "zijnde het bedrag dat de N.V. I. haar geheel onterecht afhandig trachtte te maken" omdat de nv, louter met de bedoeling om hem schade te berokkenen, minstens roekeloos twee tegeneisen heeft ingesteld en heeft gehandhaafd in graad van beroep. Overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering moet de heer T. niet alleen het bewijs leveren van het tergend en/of roekeloos karakter van de tegen hem gestelde vorderingen, maar ook van het bestaan en de omvang van de schade die hij hierdoor zou hebben geleden. Dit arbeidshof kan slechts vaststellen dat de heer T. zich ertoe beperkt een bedrag te vragen gelijk aan het bedrag van de tegen hem gestelde eisen, zonder de minste verduidelijking omtrent de aard van de schade die hij als gevolg van de ongegrond bevonden tegeneisen zou hebben geleden. In die omstandigheden kan dit arbeidshof slechts vaststellen dat de heer T. niet het bewijs levert van zijn schade zodat de gevorderde vergoeding niet kan worden toegekend. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, Het arrest van 20 september 2006 verder uitwerkend, Verklaart de vordering van de heer T. in betaling van advocatenkosten en een vergoeding wegens tergend en roekeloos verweer/vordering/hoger beroep ongegrond. Legt de kosten van beide instanties ten laste van de nv. Vereffent deze aan de zijde van de nv op nihil. Vereffent deze aan de zijde van de heer T. op 140,49 EUR (dagvaarding), 205,25 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank) en 291,52 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidshof). Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van achttien april tweeduizend en zeven, waar aanwezig waren: mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer I. BIEGS, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer S. HENS, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, de heer L. VISKENS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070418.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.