id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour du travail d'Anvers Jugement/arrêt du 25 avril 2007 No ECLI: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070425.13 No Rôle: 2006-0515 Domaine juridique: Droit du travail Date d'introduction: 2008-02-21 Consultations: 481 - dernière vue 2026-07-03 03:05 Fiches 1 - 2 Het K.B. van 3 juli 2005 dat bepaalt dat interesten op het bruto bedrag verschuldigd zijn, is onwettig omdat geen advies werd ingwonnen van de Raad van State en geen beroep werd gedaan op dringende noodzakelijkheid. De werknemer heeft enkel recht op interesten die worden berekend op het netto bedrag. De Belgische Staat begaat een fout door een onwettig besluit uit te vaardigen en door de datum van inwerkingtreding van een wet niet binnen een redelijke termijn vast te stellen. Zij is een schadevergoeding verschuldigd gelijk aan het verschil tussen de interesten, berekend op het bruto bedrag, en de interesten, berekend op het netto bedrag. Thésaurus UTU: DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Règlement de travail - L. 8 avril 1965 DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Rémunération DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Rémunération - Protection de la rémunération Mots libres: Wettelijke interesten - loon - onwettigheid van het K.B. van 03 juli 2005 - aansprakelijkheid van de Staat - III H Bases légales: Loi - 12-04-1965 - 10 - 04 Lien ELI No pub 1965041207 Thésaurus UTU: DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Fermeture d'entreprise DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Fermeture d'entreprise - Généralités DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Fermeture d'entreprise - Indemnité de fermeture Mots libres: Loon - interest - onwettigheid van het K.B. van 03 juli 2005 - aansprakelijkheid van de Staat - V E Bases légales: Loi - 26-06-2002 - 82 - 55 Lien ELI No pub 2002012847 Arrêté Royal - 03-07-2005 - 2 - 36 Lien ELI No pub 2005201526 Note: Gerangschikt onder III H - artikel 10 en onder V E - artikel
(1992)bepaalt dat de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is door de belastingsplichtigen die als schuldenaar bezoldigingen betalen of toekennen, terwijl, volgens artikel 272, 1°, van dat wetboek, behoudens strijdig beding, de in artikel 270, 1°, vermelde belastingschuldigen het recht hebben op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden. Bijgevolg heeft de werknemer, behoudens strijdig beding dat in deze zaak niet voorhanden blijkt, niet het recht te eisen dat hem die voorheffing zou worden betaald. Krachtens artikel 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt de bijdrage van de werknemer door de werkgever bij iedere betaling van het loon ingehouden en is deze die bijdrage, samen met de zijne, verschuldigd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Bijgevolg kan de werknemer de betaling van zijn socialezekerheidsbijdragen niet van de werkgever vorderen. De aan de heer M.O. toegekende opzeggingsvergoeding en eindejaarspremies zijn loon in de zin van de Loonbeschermingswet zodat de heer M.O. enkel intrest kan vorderen op de hem toekomende nettobedragen. (Cass. 11 december 2006, S050083N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.3, http://www.juridat.be, op datum) 2.
- Schadevergoeding vanwege de B. S. Ondergeschikt, met name in de door dit arbeidshof bijgetreden hypothese dat de nv enkel gehouden is tot betaling van intrest op de overeenstemmende nettobedragen, vordert de heer M.O. betaling door de B. S. van een vergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke, verwijl, minstens de vergoedende intrest vanaf 30 mei 2005 en de gerechtelijke intrest gerekend op alle bruto toe te kennen bedragen onder aftrek van het bedrag aan intrest op de nettobedragen te betalen door de nv volgens de uit te spreken veroordeling en de gerechtelijke intrest op het bedrag van deze schadevergoeding vanaf 9 januari 2006 tot op het ogenblik van de betaling. Deze, in ondergeschikte orde geformuleerde eis, steunt op de aansprakelijkheid van de B. S. omdat hij niet binnen een redelijke termijn het nodige zou hebben gedaan om de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, inzonderheid artikel 82 van deze wet, in werking te laten treden. Dit arbeidshof stelt vast dat, wat dit onderdeel van de vordering betreft, zoals toegekend door de eerste rechters, regelmatig beroep tegen het bestreden vonnis werd ingesteld door de heer M.O., beroep gericht tegen de B. S. én dat de B. S. op haar beurt beroep heeft ingesteld tegen het bestreden vonnis, dat gericht is tegen de heer M.O. en ertoe strekt zijn vordering in schadevergoeding ongegrond te horen verklaren. Er kan bijgevolg niet ingegaan worden op het merkwaardige verzoek van de B. S. om hem buiten zake te stellen. Ten gronde ontwikkelt de B. S. -kort samengevat- de volgende grieven tegen zijn veroordeling tot schadevergoeding, zoals toegekend door de eerste rechters: o de rechter kan bij toepassing van de oude versie van artikel 10 Loonbeschermingswet intrest toekennen op de brutobedragen van loonachterstallen o er is geen foutieve nalatigheid bij de uitvoering van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen o de heer M.O. toont geen schade aan die in verband staat met het beweerdelijk laattijdig uitblijven van het inwerkingtredingsbesluit vermits de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen enkel maar van toepassing kan zijn voor de toekomst o de inwerkingtreding van artikel 82 werd inmiddels uitgevoerd bij koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen Deze argumentatie kan niet overtuigen en wel om de volgende redenen: Zoals uitvoerig uiteengezet sub 2.
- werd door de Koning tot op heden geen uitvoering gegeven aan de bij artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen gegeven opdracht om de datum te bepalen waarop artikel 82 van deze wet in werking zal treden en kan op basis van artikel 10 Loonbeschermingswet, in de versie zoals van toepassing voor de wijziging bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, geen intrest op het brutobedrag van de aan de werknemer verschuldigde loonachterstallen worden toegekend. Het arbeidshof stelt vast dat tussen partijen - terecht - geen betwisting bestaat over het feit dat op de uitvoerende macht de verplichting rust om binnen een redelijke termijn uitvoering te geven aan een wettelijke bepaling, tenzij voor het uitstel ervan een redelijke verantwoording zou bestaan. Dit geldt evenzeer wanneer de wetgever de koning machtigt om de datum van de inwerkingtreding van een wet te bepalen. Ook wanneer de wetgever hiervoor geen termijn heeft voorgeschreven heeft de Koning de plicht om de datum van inwerkingtreding binnen een redelijke termijn te laten vallen. (vgl. VANDE LANOTTE, J. en GOEDERTIER, G., "Overzicht publiek recht", die keure, 2001, nr.1052 en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer) De B. S. kan in dit kader aansprakelijk worden gesteld voor de schade veroorzaakt door de miskenning van de algemene zorgvuldigheidsnorm van artikel 1382-1383 B.W. (vgl. Cass. 23 april 1971, R.W., 1970-71, 1793) Zoals de eerste rechters is dit arbeidshof van oordeel dat de redelijke termijn waarover de uitvoerende macht kon beschikken om maatregelen te nemen teneinde artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen in werking te laten treden, op 30 mei 2005 reeds was verstreken en dat hiervoor geen enkele redelijke verantwoording wordt ingeroepen. De B. S. betwist dat hem een foutieve nalatigheid kan worden verweten, waarbij hij verwijst naar de vermeende noodzaak om alle uitvoeringsmaatregelen in het kader van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen in één globaal besluit te nemen. Zoals terecht werd opgemerkt door de heer M.O., hierin gevolgd door de eerste rechters, staan de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen eigenlijk los van de overige bepalingen uit die wet en was en is er hoegenaamd geen noodzaak om de inwerkingtreding van deze bepalingen te koppelen aan de inwerkingtreding van de overige bepalingen van die wet. Het onwettige koninklijk besluit van 3 juli 2005 illustreert en bevestigt ten andere dat de uitvoerende macht zelf van oordeel was dat het perfect mogelijk was om deze bepalingen afzonderlijk in werking te laten treden. Overigens bevestigt en illustreert het koninklijk besluit van 3 juli 2005 dat er naar het oordeel van de uitvoerende macht zelf op dat ogenblik geen redelijke verantwoording meer was voor een verder uitstel van de inwerkingtreding van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen. De uitvoerende macht heeft dan ook wel degelijk een fout begaan, die haar aansprakelijkheid in het gedrang brengt, door slechts op 3 juli 2005, hetzij meer dan 3 jaar na het uitvaardigen van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen een koninklijk besluit uit te vaardigen, met als gevolg dat de heer M.O. vanwege de nv geen intrest kan opeisen op het brutobedrag van de hem verschuldigde loonachterstallen, doch enkel op het nettobedrag. Bovendien kan en mag uiteraard aan de B. S. worden verweten dat op 3 juli 2005 een onwettig koninklijk besluit werd uitgevaardigd, zodat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 van de wet betreffende de sluiting van ondernemingen nog steeds niet in werking is getreden. De B. S. kan evenmin gevolgd worden waar hij voorhoudt dat de heer M.O. geen schade heeft geleden ingevolge dit foutief optreden, gelet op het feit dat een nieuwe wet in beginsel alleen voor de toekomst werkt. In dit verband dient er vooreerst op gewezen te worden dat, om de hiervoor uiteengezette redenen, dit arbeidshof van oordeel is dat de B. S. de nodige maatregelen had kunnen en moeten nemen om ervoor te zorgen dat artikel 82 van de wet betreffende de sluiting van ondernemingen reeds op 30 mei 2005 in werking was getreden. Bovendien is dit arbeidshof, zoals de heer M.O., van oordeel dat artikel 90 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen aan de Koning niet de bevoegdheid verleende om de toepassing van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 te beperken tot de lonen waarvan het recht op betaling is ontstaan vanaf een bepaalde datum en met uitsluiting van de lonen die voordien eisbaar zijn geworden, maar nog niet werden betaald. Anders dan de B. S. voorhoudt impliceert het beginsel van de onmiddellijke werking van de wet, dat een nieuwe wettelijke reglementering in beginsel niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de gevolgen van de onder de vroegere reglementering ontstane toestanden, die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe reglementering en voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. (vgl. VANDE LANOTTE, J. en GOEDERTIER, G., o.c., nr. 273 en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer) Niets in de wet van 26 juni 2002 laat toe te besluiten dat de wetgever van dit beginsel heeft willen afwijken. Een correcte toepassing van dit beginsel zal er dan ook - bij hypothese - toe leiden dat vanaf de door de Koning bepaalde datum van de inwerkingtreding van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 intrest verschuldigd is op de brutobedragen van àlle nog openstaande loonachterstallen, zonder uiteraard afbreuk te doen aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Gelet op het voorgaande kan de door de heer M.O. gevorderde schadevergoeding worden toegekend voor de toegekende opzeggingsvergoeding en voor de ex contractu gevorderde achterstallige eindejaarspremies. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging recht sprekend op tegenspraak. Verklaart de hogere en incidentele beroepen ontvankelijk. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 31 mei 2006 behalve in zoverre het de tegeneis van de nv tegen de heer M.O. ontvankelijk doch ongegrond verklaarde en, opnieuw recht sprekend. Verklaart de ex contractu gestelde vordering van de heer M.O. tegen de nv in betaling van eindejaarspremies voor de jaren 1997,1998 en 1999 verjaard. Verklaart de overige vorderingen van de heer M.O. tegen de nv ontvankelijk. Verklaart de vordering in betaling van een uitwinningsvergoeding ongegrond. Veroordeelt de nv tot betaling van: - 122.115,73 EUR (honderd tweeëntwintigduizend honderd vijftien euro drieënzeventig cent) opzeggingsvergoeding - 4.147,51 EUR (vierduizend honderd zevenenveertig euro eenenvijftig cent) eindejaarspremie 2000 - 4.230,00 EUR (vierduizend tweehonderd dertig euro) eindejaarspremie 2001 - 4.255,24 EUR (vierduizend tweehonderd vijfenvijftig euro vierentwintig cent) eindejaarspremie 2002 - 4.600,00 EUR (vierduizend zeshonderd euro) eindejaarspremie 2003 - 4.630,00 EUR (vierduizend zeshonderd dertig euro) eindejaarspremie 2004, bedragen te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, het overeenstemmende nettogedeelte te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 30 mei 2005 en de gerechtelijke intrest. Veroordeelt de nv tot betaling van: - 3.973,73 EUR (drieduizend negenhonderd drieënzeventig euro drieënzeventig cent) eindejaarspremie 1997 - 3.973,73 EUR (drieduizend negenhonderd drieënzeventig euro drieënzeventig cent) eindejaarspremie 1998 - 4.147,51 EUR (vierduizend honderd zevenenveertig euro eenenvijftig cent) eindejaarspremie 1999, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, als herstel in natura wegens het door de nv gepleegde sociaalrechtelijk misdrijf bestaande uit het niet correct betalen van door algemeen verbindend verklaarde cao's voorgeschreven eindejaarspremies, het overeenstemmende nettobedrag te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf 30 mei 2005 en de gerechtelijke intrest. Veroordeelt de nv tot afgifte van een loonfiche en een fiscale fiche conform de toegekende bedragen. Verklaart de vordering in tussenkomst van de heer M.O. tegen de B. S. ontvankelijk en gegrond als volgt. Veroordeelt de B. S. tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke en de gerechtelijke intrest berekend op de in dit arrest toegekende bruto opzeggingsvergoeding en eindejaarspremies voor de jaren 2000 tot 2004, vanaf 30 mei 2005, onder aftrek van het bedrag aan wettelijke en gerechtelijke intrest door de nv verschuldigd op de overeenstemmende nettobedragen en de gerechtelijke intrest vanaf 9 januari 2006 op het bedrag van deze schadevergoeding tot het ogenblik van betaling. Legt de kosten van de inleidende dagvaarding van 7 september 2005 ten laste van de nv, legt de kosten van de dagvaarding van 9 januari 2006 ten laste van de B. S.. Verwijst de nv en de B. S. in de eigen kosten in beide aanleggen. Verwijst de nv in 3/4de van de overige kosten van de heer M.O. en de B.S. in 1/4de van diezelfde kosten. Vereffent deze aan de zijde van de heer M.O. op 132,62 EUR dagvaarding (nv), op 142,57 EUR dagvaarding (B. S.), op 214,18 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank en op 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Vereffent deze aan de zijde van de nv E op 214,18 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank, op 60,73 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep en op 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Vereffent deze aan de zijde van de B. S. op 291,50 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof, kosten arbeidsrechtbank in hoger beroep niet begroot. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 25 april 2007, waar aanwezig waren: mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer I. BIEGS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer S. HENS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, mevrouw L. PELEMANS, griffier. Document PDF ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070425.13 Publication(s) liée(s) citant: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020909.7 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.10 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050926.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060227.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070122.2 Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet <div