← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070425.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour du travail d'Anvers Jugement/arrêt du 25 avril 2007 No ECLI: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070425.13 No Rôle: 2006-0515 Domaine juridique: Droit du travail Date d'introduction: 2008-02-21 Consultations: 481 - dernière vue 2026-07-03 03:05 Fiches 1 - 2 Het K.B. van 3 juli 2005 dat bepaalt dat interesten op het bruto bedrag verschuldigd zijn, is onwettig omdat geen advies werd ingwonnen van de Raad van State en geen beroep werd gedaan op dringende noodzakelijkheid. De werknemer heeft enkel recht op interesten die worden berekend op het netto bedrag. De Belgische Staat begaat een fout door een onwettig besluit uit te vaardigen en door de datum van inwerkingtreding van een wet niet binnen een redelijke termijn vast te stellen. Zij is een schadevergoeding verschuldigd gelijk aan het verschil tussen de interesten, berekend op het bruto bedrag, en de interesten, berekend op het netto bedrag. Thésaurus UTU: DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Règlement de travail - L. 8 avril 1965 DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Rémunération DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Rémunération - Protection de la rémunération Mots libres: Wettelijke interesten - loon - onwettigheid van het K.B. van 03 juli 2005 - aansprakelijkheid van de Staat - III H Bases légales: Loi - 12-04-1965 - 10 - 04 Lien ELI No pub 1965041207 Thésaurus UTU: DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Fermeture d'entreprise DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Fermeture d'entreprise - Généralités DROIT SOCIAL - TRAVAIL - Fermeture d'entreprise - Indemnité de fermeture Mots libres: Loon - interest - onwettigheid van het K.B. van 03 juli 2005 - aansprakelijkheid van de Staat - V E Bases légales: Loi - 26-06-2002 - 82 - 55 Lien ELI No pub 2002012847 Arrêté Royal - 03-07-2005 - 2 - 36 Lien ELI No pub 2005201526 Note: Gerangschikt onder III H - artikel 10 en onder V E - artikel

  1. Annotations Publications: JTT - - 2007 - nr. 986 - blz. 369-372 Texte de la décision ARREST A.R. 2060515 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN ZEVEN nv E. met maatschappelijke zetel gevestigd te, appellante vertegenwoordigd door mr. E. Vanassche, advocaat te 2900 Schoten, tegen : 1° M. O. wonende te, 1° geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. E. Vervaeke, advocaat te 2000 Antwerpen, 2° DE B. S. vertegenwoordigd door de Minister van Werk met beleidscel gelegen te . 2° geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. Van Loon loco mr. A. Lindemans, advocaat te 1050 Brussel. Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 28 maart
  2. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 2 oktober 2006 en 28 maart
  3. I. DE STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 31 mei 2006 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 26 juli 2006; * de conclusie van de heer M.O. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 25 september 2006, waarbij incidenteel beroep wordt ingesteld; * de beschikking d.d. 10 november 2006 overeenkomstig artikel 747§2 Ger.W.; * de conclusie van de B. S. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 27 december 2006; * de conclusie van de nv ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 27 december 2006; * de syntheseconclusie van de heer M.O. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 30 januari 2007; * de syntheseconclusie van de B. S. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 27 februari 2007 waarbij incidenteel beroep wordt ingesteld; * de syntheseconclusie van de nv S. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 27 februari 2007; * de syntheseconclusie van de B. S. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 1 maart
  4. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met dagvaarding, betekend op 7 september 2005 vorderde de heer M.O. de veroordeling van de nv S., hierna genoemd de nv, tot betaling van: - 124.756,66 EUR opzeggingsvergoeding - 54.498,35 EUR uitwinningsvergoeding - 33.957,72 EUR achterstallige eindejaarspremies, minstens schadevergoeding, te vermeerderen met de verwijlintrest, minstens de vergoedende intrest vanaf 30 mei 2005 en de gerechtelijke intrest. De heer M.O. vorderde tevens de veroordeling van de nv tot afgifte van sociale documenten, met name: de loonfiche en de fiscale fiche conform de eis onder verbeurte van een dwangsom van 150 EUR per document en per dag vertraging vanaf de 10de dag na betekening van het tussen te komen vonnis en veroordeling van de nv tot de kosten van het geding. Met conclusie neergelegd op 14 december 2005 stelde de nv een tegeneis in strekkende tot betaling van: - 49.638,06 EUR als terugbetaling van ten onrechte ontvangen loon gelijk aan 9 maanden loon - 33.092,04 EUR schadevergoeding wegens contractbreuk gelijk aan 6 maanden loon - 1 EUR provisioneel wegens veroorzaakte schade. Met dagvaarding in gedwongen tussenkomst van 9 januari 2006 vorderde de heer M.O. de B. S. te veroordelen tot betaling van 1.000 EUR provisioneel als schadevergoeding wegens het niet in werking stellen of niet tijdig in werking stellen van de bepalingen van de Wet van 26 juni
  5. In conclusie van 14 februari 2006 werd deze tussenvordering als volgt gewijzigd: Voor zover de arbeidsrechtbank nv veroordeelt tot betaling van de intresten op de nettobedragen, de B. S. te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke, verwijl, minstens de vergoedende intresten vanaf 30 mei 2005 en de gerechtelijke intresten gerekend op alle bruto toe te kennen bedragen, onder aftrok van het bedrag aan intresten op de nettobedragen te betalen door nv volgens uit te spreken veroordeling; de B. S. te veroordelen tot de gerechtelijke intresten vanaf 9 januari 2006 op het bedrag van deze schadevergoeding tot het ogenblik van de betaling, de B. S. te veroordelen tot de gerechtskosten door hem veroorzaakt. Met vonnis van 31 mei 2006 werd de nv veroordeeld tot betaling van: - 124.972,65 EUR bruto aanvullende opzeggingsvergoeding - 54.565,85 EUR bruto uitwinningsvergoeding - 33.957,72 EUR bruto eindejaarspremies 1997-2004, bedragen te verminderen met de wettelijke verplichte inhoudingen in zoverre verschuldigd en te vermeerderen met de wettelijk intrest vanaf 30 mei 2005 en met de gerechtelijke intrest op het netto-opeisbare gedeelte. De nv werd tevens veroordeeld tot afgifte van een loonfiche en een fiscale fiche in overeenstemming met het vonnis. De tegenvordering van de nv werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard. De B. S. werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke intrest vanaf 30 mei 2005 en de gerechtelijke intrest gerekend op de brutobedragen van de opzeggingsvergoeding en de uitwinningsvergoeding verschuldigd door de nv, onder aftrek van het bedrag aan intresten op de nettobedragen van de opzeggingsvergoeding en de uitwinningsvergoeding te betalen door de nv en de gerechtelijke intrest vanaf 9 januari 2006 op het bedrag van deze schadevergoeding tot het ogenblik van de betaling. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de nv strekt ertoe het bestreden vonnis te horen hervormen en, opnieuw recht sprekend, de oorspronkelijke vordering van de heer M.O. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, de oorspronkelijke tegenvordering van de nv ontvankelijk toelaatbaar en gegrond te verklaren, dienvolgens de heer M.O. te veroordelen tot betaling van: - 49.638,06 EUR terugbetaling van ten onrechte ontvangen loon gelijk aan 9 maanden loon - 33.092,04 EUR schadevergoeding wegens contractbreuk gelijk aan 6 maanden loon - 1 EUR provisioneel wegens veroorzaakte schade. Met conclusie van 25 september 2006 stelt de heer M.O. incidenteel beroep in en vordert hij veroordeling van de nv tot betaling van: - 127.821,46 EUR aanvullende opzegvergoeding - 55.456,10 EUR uitwinningsvergoeding - 33.957,72 EUR eindejaarspremies/schadevergoeding te vermeerderen met de verwijlintrest, minstens de vergoedende intrest op de brutobedragen vanaf 30 mei 2005 en de gerechtelijke intrest tot de dag van betaling. De heer M.O. vordert tevens de afgifte van de sociale documenten m.n. een loonfiche en een fiscale fiche, conform de gestelde vordering, onder verbeurte van een dwangsom van 150,00 EUR per ontbrekend document en per dag vertraging, bij gebreke aan afgifte ervan binnen de 10 dagen na betekening van het tussen te komen arrest. Verder vordert de heer M.O., voor zover nv. enkel zou worden veroordeeld tot betaling van de intrest op de nettobedragen, de B. S. te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke, verwijl, minstens de vergoedende intresten vanaf 30 mei 2005 en de gerechtelijke intresten gerekend op alle bruto toe te kennen bedragen, onder aftrek van het bedrag aan intresten op de nettobedragen te betalen door nv volgens uit te spreken veroordeling; de B. S. te veroordelen tot de gerechtelijke intresten vanaf 9 januari 2006 op het bedrag van deze schadevergoeding tot het ogenblik van de betaling, de Belgische staat te veroordelen tot de gerechtskosten door hem veroorzaakt. De B. S. vordert het hoger beroep van de heer M.O. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, dienvolgens te zeggen dat de B. S. buiten zake dient gesteld te worden, minstens de oorspronkelijke vordering lastens de B. S. ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en de nv, dan wel de heer M.O. te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep. De B. S. stelt tevens incidenteel beroep in dat ertoe strekt de oorspronkelijke vordering van de heer M.O. ongegrond te verklaren. IV. ONTVANKELIJKHEID Alle beroepen werden tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld, zodat zij ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
  6. De feiten Met een brief van 18 februari 1993 bevestigde de nv de aanwerving van de heer M.O. als assistent medewerker aan de commerciële dienst. Deze brief bevestigt dat de functie van de heer M.O. hoofdzakelijk zal bestaan in het uitvoeren van commerciële en administratieve taken verbonden aan de commerciële afdeling en alle bezigheden die daaraan verbonden zijn, zoals contact met klanten en bezoek aan klanten in buitendienst. Naast de betaling van een vast maandloon werd een commissieloon toegekend op de verkopen aan de toegewezen klanten. De heer M.O. trad vervolgens in dienst op 16 april
  7. In een brief van 19 december 1997 deelde de nv aan de heer M.O. mee dat zijn functie het best kon worden gelijkgesteld met de functie internationaal handelaar in grondstoffen opgenomen in een cao van het Paritair Comité nr.
  8. Met een aangetekende brief van 26 mei 2005 verzocht de nv de heer M.O. uiterlijk per 1 juni 2005 zijn definitieve beslissing kenbaar te maken betreffende de hem toegewezen taken in de geherstructureerde "trade en trade support afdeling". Op 30 mei 2005 deelde de heer M.O. de nv mee dat hij de voorgestelde functiewijziging onmogelijk kon aanvaarden. Eveneens op 30 mei 2005 verzond de nv een aangetekende brief aan de heer M.O. waarvan de inhoud luidt als volgt: "... U bent vanmorgen terug komen werken. U bevestigde ons schrijven te hebben gelezen dat u zowel aangetekend als per gewone post werd toegestuurd op donderdag 26 mei jl. en er grondig over nagedacht te hebben. U heeft mij laconiek meegedeeld dat u niet hoeft te wachten tot woensdag - de door ons vooropgestelde datum - om mij uw antwoord te geven, aangezien voor u vaststaat dat u uitdrukkelijk geen zin heeft om een positief antwoord te geven. Ondanks alle pogingen om u uit te leggen dat u zich blootstelt aan werkweigering en dat dit ernstige consequenties kan hebben, blijft u bij uw standpunt. Wij hebben u herhaaldelijk uitgelegd én geschreven dat om bedrijfseconomische redenen om onze marktpositie veilig te stellen én om de werkgelegenheid van onze werknemers te kunnen garanderen op termijn de voorgenomen herstructurering en rationalisering noodzakelijk zijn. Wij begrijpen uw houding niet, aangezien er voor u zeker geen essentiële wijzigingen gebeuren. Wat u betreft is duidelijk uitgelegd dat het ging om een accentverschuiving,waarbij voor het overige alles ongewijzigd bleef, zowel wat betreft rapportering, verloning e.d. In de gegeven omstandigheden kunnen wij dan ook niet anders dan de arbeidsovereenkomst te beëindigen met onmiddellijke ingang. Alhoewel de redenen om u te ontslagen met dringende reden voorhanden zijn, wensen wij dit niet op te spits te drijven, en zullen wij u een vergoeding betalen per slot van rekening gelijk aan 9 maanden loon, het pro rata van uw 13de maand en uw vakantiegeld. De sociale documenten zullen u bezorgd worden..." (stuk 6 van het dossier van de heer M.O.) De nv betaalde vervolgens aan de heer M.O. een pro rata eindejaarspremie, vakantiegeld einde dienst en een opzeggingsvergoeding van 49.638,06 EUR. Zij bezorgde de heer M.O. tevens een werkloosheidsattest C4 waarop staat vermeld dat een verbrekingsvergoeding werd betaald die de periode dekt van 31 mei 2005 tot 28 februari 2006 en als "juiste oorzaak van de werkloosheid": voldoet niet meer aan de vereiste functievoorwaarden.
  9. De beoordeling 2.
  10. Opzeggingsvergoeding Uit de brief die de nv op 30 mei 2005 aan de heer M.O. verzond, blijkt ontegensprekelijk dat de nv eenzijdig en onmiddellijk een einde heeft gesteld aan de arbeidsovereenkomst met de heer M.O. én dat zij ervoor heeft geopteerd om geen dringende reden tot staving van dit ontslag in te roepen, maar om aan de heer M.O. een opzeggingsvergoeding toe te kennen. Deze duidelijke en ondubbelzinnige wilsuiting van de nv werd vervolgens herhaald en bevestigd in een email van 31 mei 2005 (stuk 4 dossier nv), door de navolgende betaling van een opzeggingsvergoeding en door de vermeldingen op het afgeleverde werkloosheidsattest C
  11. De nv kan zich op een later tijdstip niet meer distantiëren van haar eigen ontslaghandeling, zoals die wordt bevestigd in haar eigen geschriften en zij kan met name thans niet voorhouden dat de arbeidsovereenkomst eenzijdig door de heer M.O. werd beëindigd, dan wel dat zij is overgegaan tot een regelmatig ontslag wegens dringende reden. In dit verband moet tevens worden opgemerkt dat de nv de eerdere, mondelinge weigering van de heer M.O. om vanaf 1 juni 2005 de hem toegewezen nieuwe taken te vervullen niet binnen een redelijke termijn heeft aanzien en ook niet heeft ingeroepen als een arbeidsovereenkomstbeëindigende handeling vanwege de heer M.O.. Het is slechts geruime tijd later en met name in haar conclusies voor de eerste rechters dat de nv voor het eerst heeft ingeroepen dat de arbeidsovereenkomst niet door haar, maar door de heer M.O. werd beëindigd. Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat geen enkel element uit het dossier toelaat te besluiten dat de heer M.O., voorafgaand aan de door de nv toegezonden ontslagbrief, zelf eenzijdig een einde zou hebben gesteld aan de arbeidsovereenkomst of contractbreuk door de nv heeft ingeroepen en het blijkt al evenmin dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan een dringende reden in de zin van artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet. Gelet op het voorgaande beslisten de eerste rechters volkomen terecht dat de heer M.O. recht heeft op een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met de opzeggingstermijn die de nv normaal in acht had moeten nemen. Vermits het jaarloon van de heer M.O. op het ogenblik van zijn ontslag de in artikel 82, 3 Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde jaarloongrens overschreed en gelet op het ontbreken van een akkoord desbetreffend tussen partijen, is het de rechter die deze, normaal in acht te nemen opzeggingstermijn moet vaststellen. Deze termijn moet door de rechter worden bepaald met inachtneming van de op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag voor de heer M.O. bestaande kans om spoedig een aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden, gelet op zijn anciënniteit, zijn leeftijd (° 22 juli 1964), zijn functie en zijn loon, naar gelang van de elementen eigen aan de zaak. (vgl. Cass., 2 december 2002, http://www.cass.be S020060N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.7; Cass., 4 februari 1991, Pas, I, 536) Bij het vaststellen van die opzeggingstermijn dient de rechter echter enkel rekening te houden met omstandigheden die bestonden op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag, in zoverre deze omstandigheden de voor de heer M.O. bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden, beïnvloeden. (vgl. Cass., 3 februari 2003, http://www.cass.be S020090N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.10; Cass., 6 november 1989, Pas., 1990, 322) Aldus mag bijvoorbeeld geen rekening worden gehouden met de door de nv ingeroepen tekortkomingen van de heer M.O., nu deze niet van aard zijn om zijn wedertewerkstellingskansen te beïnvloeden. (vgl. Cass., 22 juni 1977, Arr. Cass., 1977, 1092 ; Cass., 23 februari 1987, Pas., 1987, I, 753) Wat het in aanmerking te nemen jaarsalaris betreft bestaat tussen partijen betwisting over het bedrag van het voordeel bestaande uit het toegelaten privégebruik van een firmawagen, de opname van premies, het betwiste privégebruik van een gsm, het bedrag van de werkgeversbijdragen in een aantal extralegale verzekeringen. Deze punten van betwisting worden als volgt beoordeeld: Privégebruik firmawagen Het staat als zodanig niet ter discussie dat aan de heer M.O. een Lancia Phaedra 2,2 JTD werd ter beschikking gesteld, die hij ook voor privédoeleinden mocht gebruiken en waarvan alle kosten, inclusief brandstof, werden gedragen door de nv. Om het loon te bepalen voor de berekening van de opzeggingsvergoeding moet rekening worden gehouden, wanneer de werknemer dit vordert, met de werkelijke waarde van het voordeel in natura, dit zijn de werkelijke kosten die de werknemer zou maken om hetzelfde voordeel te verwerven. Wanneer de werkelijke waarde van dit voordeel niet met nauwkeurigheid kan worden vastgesteld moet de rechter de werkelijke waarde zoveel mogelijk trachten te benaderen rekening houdend met de concrete elementen van de zaak, die van aard zijn om op de waardering van het voordeel invloed uit te oefenen. (Cass. 26 september 2005, S.04.0176.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050926.4, www.cass.be, op datum) Het hoeft geen betoog dat een exacte becijfering van het aan de heer M.O. toegelaten privégebruik van de firmawagen post factum niet mogelijk is. Bijgevolg moet op basis van de gekende gegevens getracht worden dit voordeel zo exact mogelijk te becijferen. M.b.t. de door de heer M.O. gemaakte "benaderende becijfering" van dit voordeel, moet worden opgemerkt dat hij uitgaat van een privégebruik van 2/3de van het totale gebruik van de firmawagen, wat dit arbeidshof overdreven en alleszins niet bewezen voorkomt. Bovendien neemt hij als basis de leasingprijs die de vennootschap Directlease aanrekent voor het leasen van een dergelijke wagen, in het kader van een contract met een looptijd van 48 maanden, prijs die uiteraard beduidend lager ligt bij een contract met een langere en meer realistische looptijd van bvb 60 maanden. Rekening houdend met de als zodanig niet betwiste kostprijs van een dergelijke wagen, het gemiddeld verbruik en een privégebruik dat in redelijkheid op 1/3de van het totale gebruik kan worden geraamd, is dit arbeidshof van oordeel dat het voordeel verbonden aan het privégebruik op 600 EUR per maand kan worden geraamd. Premies De heer M.O. houdt voor, zonder op dit punt te worden tegengesproken, dat de initieel bedongen commissieloonregeling werd vervangen door de toekenning van een jaarlijkse uitkering, door de nv gekwalificeerd als "resultaatsvergoeding" of "winstparticipatie" over het boekjaar, wat aangeeft dat het om een variabel loon gaat, waarvan het bedrag werd bepaald in functie van de tijdens elk boekjaar bereikte resultaten. Dit wordt ten andere bevestigd door de neergelegde loondocumenten en brieven. (stukken 42 tot 54 dossier M.O.) Het is dan ook terecht dat de heer M.O. het bedrag van de jaarpremie, die hem tijdens het laatste jaar voorafgaand aan zijn ontslag werd betaald, opneemt in het basisjaarloon voor de berekening van de normaal in acht te nemen opzeggingstermijn. Gsm Samen met de eerste rechters kan dit arbeidshof slechts vaststellen dat de heer M.O. het door hem ingeroepen privégebruik van de hem ter beschikking gestelde gsm niet bewijst. Werkgeversbijdragen in extralegale groepsverzekeringen De heer M.O. houdt voor dat de nv een aantal verzekeringen in zijn voordeel heeft afgesloten bij respectievelijk Fortis AG, Europeassistance, DKV en AIG waarvan zij de premies volledig ten laste nam en hij vordert hiervoor de opname in de berekeningsbasis van een bedrag van 6.697,94 EUR. Zoals de eerste rechters kan dit arbeidshof slechts vaststelen dat de nv als zodanig niet betwist dat extralegale verzekeringen in het voordeel van de heer M.O. werden afgesloten, maar zij weigert elke medewerking om het exacte bedrag van de in dit kader door haar betaalde bijdragen te bepalen. Nochtans beschikt de nv - en dit in tegenstelling tot de heer M.O. - als verzekeringsnemer over alle gegevens m.b.t. de door haar afgesloten polissen én m.b.t. de door haar in dit kader betaalde bijdragen. Hoewel het voor de nv dus zeer eenvoudig zou moeten zijn om stukken voor te brengen waaruit het exacte bedrag van de betaalde bijdragen blijkt, verschuilt zij zich achter het algemene en vage verweer dat de heer M.O. geen stukken bijbrengt die de juistheid van zijn cijfergegevens bevestigen. In die omstandigheden kan en mag uit de proceshouding van de nv besloten worden dat de door haar betaalde bijdragen ten minste gelijk zijn aan de door de heer M.O. vooropgestelde bedragen. Gelet op het voorgaande en de niet betwiste looncomponenten, dient voor het bepalen van de in acht te nemen opzeggingstermijn rekening te worden gehouden met een basisjaarloon van 128.815,35 EUR als volgt becijferd: 64.449,60 EUR (vast maandloon x 13,92) 7.200 EUR privégebruik firmawagen 46.875 EUR premies voor het boekjaar 2004 6.697 EUR werkgeversbijdragen 3.593,75 EUR dubbel vakantiegeld op premies Mits de juiste waarde toe te kennen aan hoger vermelde elementen is dit arbeidshof van oordeel dat de nv een opzeggingstermijn van 16 maanden in acht had moeten nemen, zodat de heer M.O. op het ogenblik van zijn ontslag recht had op betaling van een opzeggingsvergoeding van 171.753,79 EUR. Gelet op de niet betwiste betaling van 49.638,06 EUR, blijft thans nog een saldo verschuldigd van 122.115,73 EUR. 2.
  12. Oorspronkelijke tegeneis Om de redenen uiteengezet sub 2.
  13. is de heer M.O. uiteraard geen enkele vergoeding verschuldigd aan de nv wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. 2.
  14. Uitwinningsvergoeding Overeenkomstig het bepaalde in artikel 101 Arbeidsovereenkomstenwet is aan de handelsvertegenwoordiger met ten minste 1 jaar anciënniteit, die een cliënteel heeft aangebracht en die door zijn werkgever werd ontslagen zonder dringende reden, een uitwinningsvergoeding verschuldigd, tenzij de werkgever bewijst dat uit de beëindiging van de overeenkomst geen enkel nadeel volgt voor de handelsvertegenwoordiger. Voornoemd artikel 101 maakt deel uit van titel IV van die wet, titel waarop zich, conform het bepaalde in artikel 88, alleen de handelsvertegenwoordiger kan beroepen die in dienst werd genomen om op bestendige wijze zijn beroep uit te oefenen, zelfs indien hij door zijn werkgever werd belast met bijkomend werk van andere aard. Artikel 101 Arbeidsovereenkomstenwet vindt bijgevolg geen toepassing op de werknemers wier overeenkomst de handelsvertegenwoordiging niet als voornaamste voorwerp heeft. (vgl. Cass., 28.6.1999, J.T.T., 1999, 433) Anders dan de heer M.O. voorhoudt, vindt dit arbeidshof in dit dossier nergens een uitdrukkelijke of impliciete erkenning vanwege de nv dat de heer M.O. hoofdzakelijk als handelsvertegenwoordiger was tewerkgesteld, ook niet voor wat betreft de eerste jaren van de tewerkstelling. Dit arbeidshof is dan ook van oordeel dat, overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering, de heer M.O. het bewijs moet leveren dat de handelsvertegenwoordiging het voornaamste voorwerp van zijn arbeidsovereenkomst heeft uitgemaakt. Het artikel 4, 2de lid Arbeidsovereenkomstenwet creëert in dit kader geen weerlegbaar vermoeden ten gunste van de heer M.O.. Dit arbeidshof sluit zich aan bij de rechtspraak en rechtsleer welke de mening is toegedaan dat het vermoeden, destijds vervat in artikel 2, tweede lid van de wet van 30 juli 1963 tot instelling van het statuut der handelsvertegenwoordigers, hierna de Handelsvertegenwoordigerswet genoemd, thans artikel 4, tweede lid Arbeidsovereenkomstenwet, beperkt blijft tot het bestaan van de voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende gezagsverhouding en voorafgaand het bewijs veronderstelt door degene die het vermoeden inroept, van een overeenkomst waarbij de ene partij zich ertoe verbindt cliënteel op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken. (zie o.m. STROOBANT, M., "Het rechtsstatuut van de handelsvertegenwoordiger", T.S.R., 1964, 209; COLENS, A. en COLENS, M., "Le contrat d'emploi", Brussel, Larcier, 1980, 336; Arbh. Gent, 9 november 1972, J.T.T., 1973, 233; RYCKX, D., "Juridisch statuut van de handelsvertegenwoordiger", Or., 1989, 5) In dit verband is het nuttig om even stil te staan bij de ontstaansgeschiedenis van dit wettelijk vermoeden en de bedoeling van de wetgever die daaraan ten grondslag lag. Het vermoeden in artikel 4, tweede lid van de Arbeidsovereenkomstenwet is een vrijwel woordelijke overname van het vermoeden opgenomen in het artikel 2, tweede lid van de Handelsvertegenwoordigerswet. Bedoeld artikel 2 van de Handelsvertegenwoordigerswet werd voorafgegaan door een bijzonder uitvoerige bespreking tijdens de parlementaire werkzaamheden, vooral in de senaat. Tijdens de bespreking van dit artikel in de senaat werd herhaaldelijk benadrukt dat het de bedoeling was om een vermoeden van ondergeschiktheid te creëren, vermoeden dat echter afhankelijk werd gesteld van het voorafgaand bewijs van het uitoefenen van een activiteit zoals omschreven in het eerste lid van het wetsontwerp. (vgl. Ontwerp van wet, Parl. Doc. Senaat, 1958-59, nr. 313, Ontwerp Senaat, 1958-1959,4; Parl. Hand., Senaat 22 mei 1963, 1155-1162 en 28 mei 1963, 1167-1172) Daarentegen werd op geen enkel ogenblik tijdens de voorbereidende werken de bedoeling tot uiting gebracht om naast en los van het vermoeden van ondergeschiktheid, ten gunste van bepaalde werknemers een vermoeden te creëren van het bestaan van een hoofdzakelijke tewerkstelling als handelsvertegenwoordiger, waardoor zij konden genieten van de bijzondere bepalingen van de Handelsvertegenwoordigerswet. In dit kader is het belangwekkend om na te gaan welke motieven ertoe geleid hebben dat in het oorspronkelijke ontwerp van het tweede lid van artikel 2 dat aan de senaat werd voorgelegd de woorden "werkgever" en "handelsvertegenwoordiger" werden vervangen door "opdrachtgever" en "tussenpersoon". In het oorspronkelijke ontwerp luidden de eerste twee alinea's van artikel 2 als volgt: "Voor de toepassing van deze wet dient onder ' handelsvertegenwoordiging ' verstaan, de activiteit die erin bestaat een cliënteel te bezoeken met het oog op het onderhandelen over of het afsluiten van zaken, verzekeringen uitgezonderd, voor rekening en in naam van één of meer opdrachtgevers. Niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling van de overeenkomst of bij het stilzwijgen ervan, is een arbeidsovereenkomst voor bedienden de overeenkomst gesloten tussen de werkgever en de handelsvertegenwoordiger, welke titel hem ook wordt toegekend." In de oorspronkelijke tekst was het dan ook overduidelijk dat enkel de persoon die een activiteit uitoefende zoals omschreven in het eerste lid kon genieten van het vermoeden in het tweede lid en dat dit vermoeden evident beperkt bleef tot het bestaan van een band van ondergeschiktheid. Na een eerste bespreking van het ontwerp in de senaat werd een nieuw ontwerp overgemaakt met volgende inhoud: "Voor de toepassing van deze wet dient onder ' handelsvertegenwoordiging' verstaan, de activiteit die erin bestaat een cliënteel op te zoeken en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over of het afsluiten van zaken, verzekeringen uitgezonderd, voor rekening en in naam van één of meer opdrachtgevers. Niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling van de overeenkomst of bij het stilzwijgen ervan, wordt de overeenkomst gesloten tussen de opdrachtgever en de tussenpersoon, welke titel hem ook wordt toegekend, aangezien als een arbeidsovereenkomst voor bedienden, tenzij het tegendeel wordt bewezen." Deze wijzigingen, die in de tekst van de wet behouden bleven, vinden hun oorsprong in een o.m. door senator Houben geformuleerde bezwaar tegen het gebruik van de woorden werkgever en handelsvertegenwoordiger in de tekst van het tweede lid, met als motivering dat het vermoeden geen enkele zin had indien men eerst het bewijs diende te leveren dat er een werkgever was. Vandaar het voorstel om de woorden "werkgever" en "handelsvertegenwoordiger" te vervangen door de neutrale termen "opdrachtgever" en "tussenpersoon" en dit met geen ander doel dan om elke verwarring uit te sluiten omtrent de vereiste van een voorafgaand bewijs van ondergeschiktheid. Niets in de voorbereidende werken laat echter toe te besluiten dat het oorspronkelijke uitgangspunt, met name het voorafgaand bewijs van een activiteit zoals omschreven in het eerste lid werd verlaten. A fortiori is er niets in de voorbereidende werken dat toelaat te besluiten dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om via het tweede lid van artikel 2 een vermoeden te creëren m.b.t. het voortdurend/bestendig uitoefenen van het beroep van handelsvertegenwoordiger, zoals bedoeld in het derde lid van artikel 2 Handelsvertegenwoordigerswet (thans artikel 88, eerste lid Arbeidsovereenkomstenwet). Nazicht van de voorbereidende werken van de Arbeidsovereenkomstenwet leert dat m.b.t. doel en draagwijdte van het vermoeden opgenomen in artikel 4 van de Arbeidsovereenkomstenwet, geen nieuwe standpunten werden ontwikkeld, zodat mag worden aanvaard dat op dat ogenblik geen andere zienswijze voorlag. Naar het oordeel van dit arbeidshof faalt de heer M.O. in de op hem rustende bewijslast aan te tonen dat het opsporen en bezoeken van klanten met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken het voornaamste voorwerp van zijn arbeidsovereenkomst heeft uitgemaakt. Op basis van de neergelegde stukken kan immers niet worden besloten dat het opsporen en bezoeken van klanten met het oog op het onderhandelen over en afsluiten van zaken binnen het totale takenpakket van de heer M.O. de voornaamste taak was. Bovendien blijft de heer M.O. evenzeer in gebreke het bewijs te leveren dat hij een cliënteel heeft aangebracht in de zin van artikel 101 Arbeidsovereenkomstenwet. Het aanbrengen van cliënteel veronderstelt dat de handelsvertegenwoordiger door hoofdzakelijk eigen prestaties aan de firma cliënteel aanbracht, dat niet tot het patrimonium van de werkgever behoorde op het ogenblik dat de handelsvertegenwoordiger in dienst trad. Het louter behouden van een bestaand cliënteel is echter niet voldoende. (vgl. MERGITS, B. en RYCKX, D. "Uitwinningsvergoeding", in A.T.O., Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, O 601-5230; LECLERQ, P., "De arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers", A.T.O., Actuele voorinformatie, 1998, nr. 33, 112 e.v.) De evolutie van het zakencijfer tijdens de tewerkstelling van de handelsvertegenwoordiger vormt op zichzelf geen bewijs van (de afwezigheid van) cliënteelaanbreng. (vgl. MERGITS, B. en RYCKX, D., o.c., l.c.) Opdat sprake zou zijn van aanbreng van cliënteel is weliswaar niet vereist dat de aanbreng belangrijk of aanzienlijk is, doch anderzijds volstaat de aanbreng van enkele zeldzame klanten niet. In beroepsconclusies geeft de heer M.O. een lijst met de namen van 14 klanten, waarvan hij beweert dat ze voor zijn aanwerving geen koffie kochten bij de nv en dat zij door zijn toedoen klant zijn geworden van de nv. M.b.t. 10 van deze klanten werd door de nv in conclusie een gedetailleerd verweer gevoerd, waarbij zij aangeeft dat deze klanten niet door de heer M.O. werden aangebracht, maar reeds vroeger klant waren en/of deel uitmaakten van de portefeuille van een andere werknemer. Daarbij moet worden opgemerkt dat de vier resterende klanten onvoldoende zijn in aantal om te kunnen worden gekwalificeerd als een cliënteel in de zin van artikel 101 Arbeidsovereenkomstenwet. In die omstandigheden kan de heer M.O. niet volstaan met de loutere bewering dat hij de 10 betwiste klanten heeft aangebracht. Ook wat de andere door de heer M.O. in zijn conclusies vermelde klanten betreft geeft de nv een gedetailleerd verweer en de stukken uit het dossier laten niet toe te besluiten dat een of meerdere van deze klanten waren verloren gegaan en door toedoen van de heer M.O. werden teruggewonnen. Ten slotte kan de heer M.O., zoals hiervoor reeds aangegeven, evenmin een argument putten uit de door hem ingeroepen verhoging van de omzetcijfers bij een aantal bestaande klanten, waaraan kan worden toegevoegd dat de heer M.O. ook niet bewijst dat die verhoging volledig of zelfs maar voor een belangrijk deel aan hem kan worden toegeschreven. Gelet op het voorgaande heeft de heer M.O. geen recht op een uitwinningsvergoeding. 2.
  15. Eindejaarspremies De heer M.O. vordert betaling van eindejaarspremies voor de jaren 1997 tot
  16. Deze vordering werd in hoofdorde ex contractu gesteld, in ondergeschikte orde ex delicto. De eerste rechters veroordeelden de nv tot betaling van de door de heer M.O. gevorderde brutobedragen, te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen in zoverre verschuldigd. De nv verwijt de eerste rechters dat zij deze vordering toekenden niettegenstaande de heer M.O. de rechtsgrond van zijn vordering niet zou aantonen en/of verduidelijken. Dit verwijt is niet terecht. Het staat als zodanig niet ter discussie dat de nv aanvankelijk ressorteerde onder het Paritair Comité voor import, export, doorvoer en buitenlandse handel en voor de maritieme en expeditiekantoren (nr.213) (zie brief van 19 december 1997) dat in 1998 werd omgevormd in het Paritair Comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de aanverwante bedrijfstakken. (nr. 226).(zie werkloosheidsattest C4 en loondocumenten) Binnen genoemde Paritair Comité's werd aan de bedienden het recht toegekend op betaling van een eindejaarspremie gelijk aan een maandloon bij algemeen verbindend verklaarde cao's (cao van 28 februari 1991, KB 30 oktober 1991, B.S., 13 februari 1992, cao van 2 maart 1998, KB van 11 april 1999, BS 25 december 1999, cao van 12 december 2003, KB van 4 mei 2004, BS 23 september 2004) De nv kan zich in dit verband bezwaarlijk verschuilen achter haar onwetendheid nu zij - uiteraard - geacht wordt de op haar onderneming toepasselijke, algemeen verbindend verklaarde cao's te kennen. Mits zij zich de moeite had getroost genoemde cao van 12 december 2003 te lezen, zou zij hebben kunnen vaststellen dat deze cao de hoger vermelde cao van 2 maart 1998 heeft vervangen, die uitwerking had van 1 januari 1998 tot 31 december
  17. De heer M.O. had, ingevolge de bepalingen van genoemde cao's, recht op betaling van de door hem gevorderde eindejaarspremies voor de jaren 1997 -
  18. Uit de op pagina 31 van de beroepsconclusie van de nv ontwikkelde argumentatie meent dit arbeidshof te begrijpen dat de nv in graad van beroep de verjaring inroept van de ex contractu gestelde vordering, met verwijzing naar artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet. De contractuele vordering in betaling van eindejaarspremies is echter enkel verjaard voor wat betreft de premies verschuldigd voor de jaren 1997 tot
  19. M.b.t. de premies verschuldigd voor de jaren 2000 tot 2004 werd de vordering tijdig ingesteld met inleidende dagvaarding van 7 september
  20. Zoals in eerste aanleg stelt de heer M.O. zijn vordering in betaling van eindejaarspremies voor de jaren 1997, 1998 en 1999 ondergeschikt ex delicto. Het niet betalen van door algemeen verbindend verklaarde cao's voorgeschreven eindejaarspremies is een misdrijf, strafbaar gesteld bij artikel 56 CAO-wet. Terecht doet de heer M.O. opmerken dat de nv, door gedurende 8 opeenvolgende jaren, stelselmatig na te laten op het einde van het jaar aan de heer M.O. een eindejaarspremie gelijk aan een maandloon te betalen, zoals voorgeschreven door de hoger vermelde cao's, zich schuldig heeft gemaakt aan een voortgezet misdrijf zodat de ex delicto gestelde vordering niet is verjaard. Anders dan de nv voorhoudt kan de heer M.O. betaling vorderen van de brutobedragen van de hem verschuldigde eindejaarspremies, te verminderen met de aan de bevoegde instellingen over te maken op dit loon verschuldigde bedrijfsvoorheffing en socialezekerheidsbijdragen, als herstel in natura, waardoor de heer M.O. wordt teruggeplaatst in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien het misdrijf niet was gepleegd. (Cass. 22 januari 2007, S040088N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070122.2, http://www.juridat.be, op datum) 2.
  21. Sociale documenten De in het kader van deze procedure toegekende bedragen rechtvaardigen de afgifte van bijkomende sociale documenten, zoals toegekend door de eerste rechters, zij het dat deze documenten uiteraard moeten worden opgesteld conform de door dit arrest uitgesproken veroordeling. Dit arbeidshof vindt evenmin elementen in het dossier die een veroordeling tot afgifte onder verbeurte van een dwangsom zouden kunnen rechtvaardigen. In dit verband kan tevens opgemerkt worden dat de heer M.O. weliswaar de hervorming van het bestreden vonnis op dit punt nastreeft, maar desbetreffend geen enkele grief heeft ontwikkeld. 2.
  22. Intrest De heer M.O. vordert betaling door de nv van intrest op de door hem gevorderde brutobedragen met verwijzing naar het bepaalde in artikel 10 Loonbeschermingswet, zoals gewijzigd bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen. 2.6.
  23. Ex delicto gestelde vordering Artikel 10 Loonbeschermingswet is niet van toepassing op ingevolge het misdrijf "niet-betaling van het op gezette tijden verschuldigd loon" als herstel in natura toegekend loonbedrag. (Cass. 22 januari 2007, S040088N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070122.2, http://www.juridat.be, op datum) Op de in dit kader toegekende bedragen kan enkel de gevorderde vergoedende intrest worden toegekend, zoals hierna bepaald. 2.6.
  24. Ex contractu gestelde vordering Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, verving het vroegere artikel 10 Loonbeschermingswet door de volgende bepaling: "Art.
  25. Voor het loon is van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Die rente wordt berekend op het loon, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht". Nazicht van de overgangs- en slotbepalingen van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen leert dat de wetgever het aan de Koning heeft overgelaten om de datum te bepalen waarop deze wet, met inbegrip van haar artikel 82, in werking zou treden. Precies het bestaan van genoemde overgangsbepalingen sluit meteen uit dat bedoeld artikel 82 moet worden beschouwd als een interpretatieve wet, die uit haar aard en automatisch ab initio geldt. (vgl. Cass. 6 februari 2006, S050063N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.4, http://www.cass.be, op datum) Niets in de voorbereidende werken van de wet van 26 juni 2002 laat overigens toe te besluiten dat het de bedoeling is geweest van de wetgever om een interpretatieve wet tot stand te brengen en in dit verband kan nuttig verwezen worden naar de argumentatie ontwikkeld door E. Mathys en B. Vanschoebeke "Intresten op netto? En zo ja, vanaf wanneer?" (Or, 2003, 74 e.v.) Slechts op 3 juli 2005 werd het koninklijk besluit uitgevaardigd betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen. Genoemd koninklijk besluit van 3 juli 2005 bepaalt dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen in werking treden op 1 juli 2005 en van toepassing zijn op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli
  26. Gelet op het voorgaande en nog afgezien van de vraag naar de wettigheid van dit K.B. kan de nv niet veroordeeld worden tot betaling van intrest op de toegekende brutobedragen vermits artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 geen interpretatieve wetsbepaling is en omdat krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 de inwerkingtreding op 1 juli 2005 van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 slechts van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005, wat in dit dossier niet het geval is. Bovendien is genoemd koninklijk besluit van 3 juli 2005, zoals terecht werd aangevoerd door de nv, onwettig en wel om de volgende redenen: Artikel 3, §1, eerste lid R.v.St.-Wet bepaalt: Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers, de leden van de gemeenschaps- of gewestregeringen, de leden van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de leden van het Verenigd College respectievelijk bedoeld in het derde en het vierde lid van artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. Het advies en het voorontwerp worden gehecht aan de memorie van toelichting van de ontwerpen van wet, decreet of ordonnantie. De adviesaanvraag vermeldt de naam van de gemachtigde of van de ambtenaar die de minister aanwijst om de afdeling wetgeving de dienstige toelichtingen te verstrekken. Het advies wordt gehecht aan de verslagen aan de Koning, aan de Regering, aan het College van de Franse Gemeenschapscommissie en aan het Verenigd College. Ontwerpen van koninklijke besluiten waarbij de Koning optreedt krachtens artikel 105 of 108 van de Grondwet, moeten bijgevolg voor advies worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, voor zover zij een reglementair karakter bezitten. Reglementaire besluiten in de zin van genoemd artikel 3, §1, eerste lid zijn besluiten waarbij algemene regels worden uitgevaardigd die toepasselijk zijn op de rechtsonderhorigen in het algemeen of op een bepaalde groep van rechtsonderhorigen, die zich in dezelfde objectieve toestand bevinden en niet alleen op één van hen of op een naar aantal beperkte groep. (M. VAN DAMME, "Raad van State Afdeling wetgeving", die keure, 1998, 120 en de aldaar geciteerde rechtsleer en rechtspraak) In het verleden werd aangenomen dat een besluit dat de datum van de inwerkingtreding van een wet of van een koninklijk besluit vaststelt niet reglementair is, omdat het geen enkele nieuwe regel zou bevatten die niet reeds besloten ligt in de bepalingen die het in werking stelt. Dit standpunt kan evenwel niet worden bijgetreden vermits de inwerkingtreding een zodanig wezenlijk onderdeel van de nieuwe regeling is, dat bezwaarlijk kan worden voorgehouden dat de vaststelling van de datum van inwerkingtreding geen nieuwe norm toevoegt aan de bestaande rechtsordening. Bovendien kan de inwerkingtreding delicate rechtsvragen doen rijzen op het vlak van bijvoorbeeld een eventueel terugwerkende kracht. (M. VAN DAMME, o.c., 129) Uit de adviespraktijk van de afdeling wetgeving van de Raad van State blijkt ten andere dat de vroegere zienswijze m.b.t. het niet reglementair karakter van besluiten die de datum van inwerkingtreding van een wet bepalen, reeds geruime tijd werd verlaten en dat geregeld advies werd en wordt verleend over ontwerpen van dergelijke besluiten, waaruit impliciet doch zeker kan worden afgeleid dat de Raad van State zich daartoe bevoegd acht en derhalve van oordeel is dat dergelijke besluiten een reglementair karakter bezitten. (vgl. vermelding van adviezen verleend door de Raad van State in de aanhef van: koninklijk besluit van 17 januari 1997 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 2, 3 en 4 van de wet van 13 april 1995 tot wijziging van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet; koninklijk besluit van 26 oktober 1999 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt en van de wet van 4 mei 1999 tot aanvulling van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt met de artikelen 38, § 5, 76, 1°, 78 tot 85 en 95 tot 112 ; koninklijk besluit van 22 maart 2006 houdende vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer; koninklijk besluit van 22 augustus 2006 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 17 mei 2006 houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken) Het ontwerp van koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen moest bijgevolg voor advies worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, behoudens in geval van "met bijzondere redenen omklede" hoogdringendheid. Dit geldt des te meer nu dit koninklijk besluit zich inhoudelijk niet beperkt tot het vaststellen van een datum waarop genoemde artikelen 81 en 82 in werking treden, maar tevens bepaalt dat genoemde artikelen slechts van toepassing zijn op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli
  27. Wat de mogelijkheid tot het inroepen van hoogdringendheid betreft teneinde geen advies in te winnen, moet erop gewezen worden dat artikel 3,§1, eerste lid R.v.St.-Wet voorschrijft dat de hoogdringendheid "met bijzondere redenen moet zijn omkleed". Deze verplichting houdt in dat de aanhef van het betrokken reglementair besluit de redenen moet vermelden waarom de ontworpen regeling zo spoedeisend was dat niet om advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State kon worden gevraagd. (M. VAN DAMME, o.c., 138 e.v. en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer) Dit arbeidshof kan slechts vaststellen dat het ontwerp van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen niet voorafgaand voor advies werd voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State en dat zelfs geen dringende noodzakelijkheid werd ingeroepen om het ontbreken van een adviesaanvraag te rechtvaardigen. Het inwinnen van het advies van de Raad van State is een substantiële vormvereiste. Wanneer geen advies werd ingewonnen bij de afdeling wetgeving van de Raad van State omtrent een reglementair besluit en geen beroep werd gedaan op de dringende noodzakelijkheid of wanneer dit op een onbehoorlijke manier gebeurde, is dit besluit onwettig. Bij toepassing van artikel 159 G.W. moeten de hoven en rechtbanken zich, zo nodig ambtshalve, onthouden van elke toepassing van een reglementair besluit dat werd genomen met miskenning van de wettelijk voorgeschreven raadplegingsvereiste. (M. VAN DAMME, o.c., 156 en de aldaar geciteerde rechtspraak; Cass. 27 februari 2006, S050033F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060227.6; Cass. 9 september 2002, S000125F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020909.7, http://www.cass.be, op datum) Dit arbeidshof kan bijgevolg geen toepassing maken van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen. Artikel 10 Loonbeschermingswet, zoals te dezen van toepassing, naar luid waarvan voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar is, slaat blijkens de bewoordingen en het opzet van dat artikel, enkel op het loon dat de werknemer van zijn werkgever kan vorderen. Artikel 270, 1° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen

(1992)bepaalt dat de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is door de belastingsplichtigen die als schuldenaar bezoldigingen betalen of toekennen, terwijl, volgens artikel 272, 1°, van dat wetboek, behoudens strijdig beding, de in artikel 270, 1°, vermelde belastingschuldigen het recht hebben op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden. Bijgevolg heeft de werknemer, behoudens strijdig beding dat in deze zaak niet voorhanden blijkt, niet het recht te eisen dat hem die voorheffing zou worden betaald. Krachtens artikel 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt de bijdrage van de werknemer door de werkgever bij iedere betaling van het loon ingehouden en is deze die bijdrage, samen met de zijne, verschuldigd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Bijgevolg kan de werknemer de betaling van zijn socialezekerheidsbijdragen niet van de werkgever vorderen. De aan de heer M.O. toegekende opzeggingsvergoeding en eindejaarspremies zijn loon in de zin van de Loonbeschermingswet zodat de heer M.O. enkel intrest kan vorderen op de hem toekomende nettobedragen. (Cass. 11 december 2006, S050083N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.3, http://www.juridat.be, op datum) 2.
  1. Schadevergoeding vanwege de B. S. Ondergeschikt, met name in de door dit arbeidshof bijgetreden hypothese dat de nv enkel gehouden is tot betaling van intrest op de overeenstemmende nettobedragen, vordert de heer M.O. betaling door de B. S. van een vergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke, verwijl, minstens de vergoedende intrest vanaf 30 mei 2005 en de gerechtelijke intrest gerekend op alle bruto toe te kennen bedragen onder aftrek van het bedrag aan intrest op de nettobedragen te betalen door de nv volgens de uit te spreken veroordeling en de gerechtelijke intrest op het bedrag van deze schadevergoeding vanaf 9 januari 2006 tot op het ogenblik van de betaling. Deze, in ondergeschikte orde geformuleerde eis, steunt op de aansprakelijkheid van de B. S. omdat hij niet binnen een redelijke termijn het nodige zou hebben gedaan om de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, inzonderheid artikel 82 van deze wet, in werking te laten treden. Dit arbeidshof stelt vast dat, wat dit onderdeel van de vordering betreft, zoals toegekend door de eerste rechters, regelmatig beroep tegen het bestreden vonnis werd ingesteld door de heer M.O., beroep gericht tegen de B. S. én dat de B. S. op haar beurt beroep heeft ingesteld tegen het bestreden vonnis, dat gericht is tegen de heer M.O. en ertoe strekt zijn vordering in schadevergoeding ongegrond te horen verklaren. Er kan bijgevolg niet ingegaan worden op het merkwaardige verzoek van de B. S. om hem buiten zake te stellen. Ten gronde ontwikkelt de B. S. -kort samengevat- de volgende grieven tegen zijn veroordeling tot schadevergoeding, zoals toegekend door de eerste rechters: o de rechter kan bij toepassing van de oude versie van artikel 10 Loonbeschermingswet intrest toekennen op de brutobedragen van loonachterstallen o er is geen foutieve nalatigheid bij de uitvoering van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen o de heer M.O. toont geen schade aan die in verband staat met het beweerdelijk laattijdig uitblijven van het inwerkingtredingsbesluit vermits de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen enkel maar van toepassing kan zijn voor de toekomst o de inwerkingtreding van artikel 82 werd inmiddels uitgevoerd bij koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen Deze argumentatie kan niet overtuigen en wel om de volgende redenen: Zoals uitvoerig uiteengezet sub 2.
  2. werd door de Koning tot op heden geen uitvoering gegeven aan de bij artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen gegeven opdracht om de datum te bepalen waarop artikel 82 van deze wet in werking zal treden en kan op basis van artikel 10 Loonbeschermingswet, in de versie zoals van toepassing voor de wijziging bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, geen intrest op het brutobedrag van de aan de werknemer verschuldigde loonachterstallen worden toegekend. Het arbeidshof stelt vast dat tussen partijen - terecht - geen betwisting bestaat over het feit dat op de uitvoerende macht de verplichting rust om binnen een redelijke termijn uitvoering te geven aan een wettelijke bepaling, tenzij voor het uitstel ervan een redelijke verantwoording zou bestaan. Dit geldt evenzeer wanneer de wetgever de koning machtigt om de datum van de inwerkingtreding van een wet te bepalen. Ook wanneer de wetgever hiervoor geen termijn heeft voorgeschreven heeft de Koning de plicht om de datum van inwerkingtreding binnen een redelijke termijn te laten vallen. (vgl. VANDE LANOTTE, J. en GOEDERTIER, G., "Overzicht publiek recht", die keure, 2001, nr.1052 en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer) De B. S. kan in dit kader aansprakelijk worden gesteld voor de schade veroorzaakt door de miskenning van de algemene zorgvuldigheidsnorm van artikel 1382-1383 B.W. (vgl. Cass. 23 april 1971, R.W., 1970-71, 1793) Zoals de eerste rechters is dit arbeidshof van oordeel dat de redelijke termijn waarover de uitvoerende macht kon beschikken om maatregelen te nemen teneinde artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen in werking te laten treden, op 30 mei 2005 reeds was verstreken en dat hiervoor geen enkele redelijke verantwoording wordt ingeroepen. De B. S. betwist dat hem een foutieve nalatigheid kan worden verweten, waarbij hij verwijst naar de vermeende noodzaak om alle uitvoeringsmaatregelen in het kader van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen in één globaal besluit te nemen. Zoals terecht werd opgemerkt door de heer M.O., hierin gevolgd door de eerste rechters, staan de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen eigenlijk los van de overige bepalingen uit die wet en was en is er hoegenaamd geen noodzaak om de inwerkingtreding van deze bepalingen te koppelen aan de inwerkingtreding van de overige bepalingen van die wet. Het onwettige koninklijk besluit van 3 juli 2005 illustreert en bevestigt ten andere dat de uitvoerende macht zelf van oordeel was dat het perfect mogelijk was om deze bepalingen afzonderlijk in werking te laten treden. Overigens bevestigt en illustreert het koninklijk besluit van 3 juli 2005 dat er naar het oordeel van de uitvoerende macht zelf op dat ogenblik geen redelijke verantwoording meer was voor een verder uitstel van de inwerkingtreding van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen. De uitvoerende macht heeft dan ook wel degelijk een fout begaan, die haar aansprakelijkheid in het gedrang brengt, door slechts op 3 juli 2005, hetzij meer dan 3 jaar na het uitvaardigen van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen een koninklijk besluit uit te vaardigen, met als gevolg dat de heer M.O. vanwege de nv geen intrest kan opeisen op het brutobedrag van de hem verschuldigde loonachterstallen, doch enkel op het nettobedrag. Bovendien kan en mag uiteraard aan de B. S. worden verweten dat op 3 juli 2005 een onwettig koninklijk besluit werd uitgevaardigd, zodat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 van de wet betreffende de sluiting van ondernemingen nog steeds niet in werking is getreden. De B. S. kan evenmin gevolgd worden waar hij voorhoudt dat de heer M.O. geen schade heeft geleden ingevolge dit foutief optreden, gelet op het feit dat een nieuwe wet in beginsel alleen voor de toekomst werkt. In dit verband dient er vooreerst op gewezen te worden dat, om de hiervoor uiteengezette redenen, dit arbeidshof van oordeel is dat de B. S. de nodige maatregelen had kunnen en moeten nemen om ervoor te zorgen dat artikel 82 van de wet betreffende de sluiting van ondernemingen reeds op 30 mei 2005 in werking was getreden. Bovendien is dit arbeidshof, zoals de heer M.O., van oordeel dat artikel 90 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen aan de Koning niet de bevoegdheid verleende om de toepassing van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 te beperken tot de lonen waarvan het recht op betaling is ontstaan vanaf een bepaalde datum en met uitsluiting van de lonen die voordien eisbaar zijn geworden, maar nog niet werden betaald. Anders dan de B. S. voorhoudt impliceert het beginsel van de onmiddellijke werking van de wet, dat een nieuwe wettelijke reglementering in beginsel niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de gevolgen van de onder de vroegere reglementering ontstane toestanden, die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe reglementering en voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. (vgl. VANDE LANOTTE, J. en GOEDERTIER, G., o.c., nr. 273 en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer) Niets in de wet van 26 juni 2002 laat toe te besluiten dat de wetgever van dit beginsel heeft willen afwijken. Een correcte toepassing van dit beginsel zal er dan ook - bij hypothese - toe leiden dat vanaf de door de Koning bepaalde datum van de inwerkingtreding van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 intrest verschuldigd is op de brutobedragen van àlle nog openstaande loonachterstallen, zonder uiteraard afbreuk te doen aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Gelet op het voorgaande kan de door de heer M.O. gevorderde schadevergoeding worden toegekend voor de toegekende opzeggingsvergoeding en voor de ex contractu gevorderde achterstallige eindejaarspremies. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging recht sprekend op tegenspraak. Verklaart de hogere en incidentele beroepen ontvankelijk. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 31 mei 2006 behalve in zoverre het de tegeneis van de nv tegen de heer M.O. ontvankelijk doch ongegrond verklaarde en, opnieuw recht sprekend. Verklaart de ex contractu gestelde vordering van de heer M.O. tegen de nv in betaling van eindejaarspremies voor de jaren 1997,1998 en 1999 verjaard. Verklaart de overige vorderingen van de heer M.O. tegen de nv ontvankelijk. Verklaart de vordering in betaling van een uitwinningsvergoeding ongegrond. Veroordeelt de nv tot betaling van: - 122.115,73 EUR (honderd tweeëntwintigduizend honderd vijftien euro drieënzeventig cent) opzeggingsvergoeding - 4.147,51 EUR (vierduizend honderd zevenenveertig euro eenenvijftig cent) eindejaarspremie 2000 - 4.230,00 EUR (vierduizend tweehonderd dertig euro) eindejaarspremie 2001 - 4.255,24 EUR (vierduizend tweehonderd vijfenvijftig euro vierentwintig cent) eindejaarspremie 2002 - 4.600,00 EUR (vierduizend zeshonderd euro) eindejaarspremie 2003 - 4.630,00 EUR (vierduizend zeshonderd dertig euro) eindejaarspremie 2004, bedragen te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, het overeenstemmende nettogedeelte te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 30 mei 2005 en de gerechtelijke intrest. Veroordeelt de nv tot betaling van: - 3.973,73 EUR (drieduizend negenhonderd drieënzeventig euro drieënzeventig cent) eindejaarspremie 1997 - 3.973,73 EUR (drieduizend negenhonderd drieënzeventig euro drieënzeventig cent) eindejaarspremie 1998 - 4.147,51 EUR (vierduizend honderd zevenenveertig euro eenenvijftig cent) eindejaarspremie 1999, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, als herstel in natura wegens het door de nv gepleegde sociaalrechtelijk misdrijf bestaande uit het niet correct betalen van door algemeen verbindend verklaarde cao's voorgeschreven eindejaarspremies, het overeenstemmende nettobedrag te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf 30 mei 2005 en de gerechtelijke intrest. Veroordeelt de nv tot afgifte van een loonfiche en een fiscale fiche conform de toegekende bedragen. Verklaart de vordering in tussenkomst van de heer M.O. tegen de B. S. ontvankelijk en gegrond als volgt. Veroordeelt de B. S. tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke en de gerechtelijke intrest berekend op de in dit arrest toegekende bruto opzeggingsvergoeding en eindejaarspremies voor de jaren 2000 tot 2004, vanaf 30 mei 2005, onder aftrek van het bedrag aan wettelijke en gerechtelijke intrest door de nv verschuldigd op de overeenstemmende nettobedragen en de gerechtelijke intrest vanaf 9 januari 2006 op het bedrag van deze schadevergoeding tot het ogenblik van betaling. Legt de kosten van de inleidende dagvaarding van 7 september 2005 ten laste van de nv, legt de kosten van de dagvaarding van 9 januari 2006 ten laste van de B. S.. Verwijst de nv en de B. S. in de eigen kosten in beide aanleggen. Verwijst de nv in 3/4de van de overige kosten van de heer M.O. en de B.S. in 1/4de van diezelfde kosten. Vereffent deze aan de zijde van de heer M.O. op 132,62 EUR dagvaarding (nv), op 142,57 EUR dagvaarding (B. S.), op 214,18 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank en op 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Vereffent deze aan de zijde van de nv E op 214,18 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank, op 60,73 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep en op 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Vereffent deze aan de zijde van de B. S. op 291,50 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof, kosten arbeidsrechtbank in hoger beroep niet begroot. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 25 april 2007, waar aanwezig waren: mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer I. BIEGS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer S. HENS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, mevrouw L. PELEMANS, griffier. Document PDF ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070425.13 Publication(s) liée(s) citant: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020909.7 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.10 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050926.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060227.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070122.2 Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.