id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070426.12 Rolnummer: 2006-0354 Rechtsgebied: Strafrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-09-06 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-07-02 15:35 Fiches 1 - 4 Het geheim van strafrechtelijk onderzoek, zoals vervat in de artikelen 28quinquies, § 1 en 57 van het Wetboek van Strafvordering, verbiedt de politiediensten de door hen bij zo een onderzoek verzamelde gegevens mede te delen aan een sociale inspectiedienst zonder de uitdrukkelijke machtiging daartoe van het bevoegd openbaar ministerie. Wanneer in strijd hiermee toch gegevens worden overgemaakt is dit een handeling die strijdig is met de materiële wet en zelfs door middel van het plegen van een misdrijf. De omstandigheid dat een bewijselement op onrechtmatige wijze werd verkregen heeft als gevolg dat het hof, bij het vormen van haar overtuiging, dat element noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks mag in aanmerking nemen. Al het bewijsmateriaal dat voortvloeit uit het aldus onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal kan evenmin als regelmatig verkregen bewijs in aanmerking genomen worden. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Geheim karakter SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - strafvordering - opsporingsonderzoek - werkloosheidsreglementering - bewijs - initieel P.V. politie - geheim karakter van het strafonderzoek - onrechtmatig verkregen bewijs - I D Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 28 bis, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - strafvordering - opsporingsonderzoek - werkloosheidsreglementering - bewijs - initieel P.V. politie - geheim karakter van het strafrechtelijk onderzoek - onrechtmatig verkregen bewijs - I D Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 28 quinquies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - strafvordering - het gerechtelijk onderzoek - werkloosheidsreglementering - bewijs - initieel P.V. politie - geheim karakter van het strafrechtelijk onderzoek - onrechtmatig verkegen bewijs - I D Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 57 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek - Geheim karakter SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Arbeidsinspectie SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid Vrije woorden: Toezicht en controle sociale wetten - arbeidsinspectie - werkloosheidsreglementering - bewijs - initieel P.V. politie - geheim karakter van het strafrechtelijk onderzoek - onrechtmatig verkregen bewijs - XIV A Wettelijke bepalingen: Wet - 16-11-1972 - 6, § 1, laatste lid - 01 ELI link Pub nr 1972111604 Koninklijk Besluit - 28-12-1950 - 125, lid 1 - 30 ELI link Pub nr 1950122806 Nota: Gerangschikt onder I D - artikel 28 bis, § 1, artikel 28 quinquies, artikel 57 en onder XIV A - artikel 6, § 1, laatste lid Annotaties Publicaties: JTT 2008 - - nr. 995 - blz. 6-8 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2060354 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. D. G., loco mr. G. L., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: N. A., geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. F. G., loco mr. J. L., advocaat te 2018 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 6 september 2006 en 22 maart 2007; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 21 april 2006 (A.R. 377.731); - het verzoekschrift tot hoger beroep van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, neergelegd op de griffie van dit hof op 19 mei 2006; - de conclusies voor N. A., ontvangen op de griffie van dit hof op 27 september
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 3 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen). Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 22 maart
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 19 mei 2006, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd gewezen door de elfde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 21 april 2006 (A.R. 377.731). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 26 april
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging N. A. genoot uitkeringen als volledig werkloze. Op 27 september 2004 om 21.04 uur werd N. A. verhoord door de inspecteur van de politie te Sint-Niklaas waarvan een proces-verbaal werd opgesteld. Voornoemd proces-verbaal werd door de politie van Sint-Niklaas per faxbericht van 30 september 2004 overgemaakt aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Sint-Niklaas die het op hun beurt verder overmaakte aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen. N. A. legde op 3 december 2004 om 11.30 uur ten overstaan van de sociale controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening volgde verklaring af (stuk 8 administratief dossier: formulier C25.2): "Vanaf 12.10.04 ben ik ingeschreven in de BVBA RAHMAN - Simonstraat 20, betreft groenten- en fruitwinkel. Tot 29.11.04 was de zaakvoerder OZEN NURGUL, zij is de echtgenote van mijn broer. Daarna werd de zaak op naam van mijn vrouw gezet nl. AKSAPLI Gulten. Dit omdat mijn broer opgepakt was in Polen en hij daar in hechtenis zit. Als ik tegen de politie van St. Niklaas op 27.9.04 verklaard had dat ik bijna elke dag help in de zaak van mijn broer dan bedoelde ik daarmee dat ik daar elke dag in de winkel, of af en toe aanwezig was om advies te geven omdat ik ervaring had in de branche omdat ik vroeger (+- 2 jaar geleden) een gelijkaardige zaak heb gehad in de Charlottalei (BVBA FIM). Voordat ik in dienst getreden ben was er geen personeel in dienst van de BVBA Rahman. Ik heb nooit melding gemaakt van deze prestaties op mijn controlekaart omdat ik dit niet als werken beschouw." Met een aangetekend schrijven van 21 januari 2005 werd N. A. door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening uitgenodigd om meer uitleg te geven over het feit dat hij bijna elke dag hulp biedt in de zaak van zijn broer en geen schrappingen plaatste op zijn controlekaart zodat hij ten onrechte werkloosheidsuitkeringen kon ontvangen. Op 3 februari 2005 legde N. A. volgende verklaring af: "Sedert 15 december 2003 tot 29 november 2004 was mijn schoonzus, OZEN NURGUL, zaakvoerster van de BVBA RAHMAN. Vermits ik ervaring had in de sector werd ik gevraagd om raad te geven. Dit vanaf augustus
- Ik werd hier niet voor bezoldigd, ook niet in natura. Ik was niet alle dagen aanwezig in de zaak, slechts 1 à 2 maal per week. Ik besliste hierover zelf. De zaak is alle dagen geopend behalve de zaterdag (sluitingsdag). Omdat de hulp die ik bood onbezoldigd was en enkel bestond uit het geven van raad, heb ik geen aangifte gedaan van de hulp. Ik heb nooit klanten bediend of geld ontvangen van klanten. Ik gaf advies over de prijzen van de verkochte goederen. Mijn schoonzus maakte dan de prijskaartjes en bediende de klanten. Er was geen ander personeel in dienst. Vanaf 12 oktober 2004 was ik 3 uur per dag ingeschreven van maandag tot vrijdag. Op 29 november 2004 heeft mijn echtgenote de zaak van haar zus overgenomen. Op 12 januari 2004 ben ik zelf als zelfstandige gestart. Ik verbeter vanaf 12 januari 2005." Op 16 maart 2005 besliste vervolgens de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen - in toepassing van de artikelen 44, 45, 71, 139, 142, 144, 154, 158 en 169 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - : - N. A. uit te sluiten van het recht op uitkeringen voor 2 dagen per week vanaf 1 augustus 2004 tot en met 12 oktober 2004 (artikelen 44, 45 en 71 van het Werkloosheidsbesluit); - N. A. uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 21 maart 2005 gedurende een periode van 1 week omdat hij heeft nagelaten vóór het begin van een activiteit die niet verenigbaar is met het recht op uitkeringen, het overeenstemmende vakje van zijn controlekaart zwart te maken (artikel 154 Werkloosheidsbesluit); - de uitkeringen terug te vorderen die N. A. onrechtmatig ontving voor 2 dagen per week vanaf 1 augustus 2004 tot en met 12 oktober 2004 (artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit). Met schrijven van 16 maart 2005 betekende de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen, in uitvoering van zijn beslissing C29 van 16 maart 2005, een beslissing tot terugvordering met verzoek de onrechtmatig ontvangen uitkeringen over de periode van 1 augustus 2004 tot en met 12 oktober 2004 ten bedrage van 773,31 euro terug te betalen (stuk 13 administratief dossier: terugvordering C31). Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 13 april 2005, tekende N. A. beroep aan tegen de admi-nistratieve beslissing van 16 maart 2005 (met kenmerk: C29/71122/45/LS). Bij vonnis van de elfde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 21 april 2006 werd: - de vordering van N. A. ontvankelijk en gegrond verklaard; - de administratieve beslissing van 16 maart 2005 vernietigd; - voor recht gezegd dat N. A. vanaf 1 augustus 2004 verder recht heeft op werkloosheidsuitkeringen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bij toepassing van artikel 1017, tweede lid Ger. W. veroordeeld tot de kosten van het geding; de kosten werden door geen der partijen begroot. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 19 mei 2006 tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis.
- Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het vonnis van de eerste rechter te vernietigen en de administratieve beslissing te bevestigen. N. A. (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - het vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van N. A. begroot op 109,32 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
- Ten gronde 5.
- Situering van het geschil Het voorwerp van het geschil betreft de administratieve beslissing van 16 maart 2005 van de directeur van het Werkloosheidsbureau te Antwerpen waarbij ten aanzien van N. A. een maatregel van uitsluiting, terugvordering en een administratieve sanctie werd opgelegd in toepassing van de artikelen 44, 45, 71, 154 en 169 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna: Werkloosheidsbesluit). De bestreden administratieve beslissing is gesteund op een onderzoek dat door de controledienst van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd opgestart na ontvangst op 30 september 2004 van een faxbericht van de politie Sint-Niklaas waarbij een proces-verbaal van verhoor werd gevoegd; hierin verklaarde N. A. op 27 september 2004 dat hij hulp bood in de winkel van zijn broer. Op verhaal van N. A. vernietigde de eerste rechter de administratieve beslissing wegens schending van het geheim van het strafonderzoek; de gegevens die verkregen worden met schending van het geheim van het onderzoek kunnen niet als bewijsmiddel gebruikt worden. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening acht zich gegriefd door het bestreden vonnis en laat gelden: - dat overeenkomstig artikel 5 en 6 van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie de toestemming van de rechterlijke overheid vereist is voor de mededeling van documenten betreffende gerechtelijke procedures of wanneer het gaat om inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de gerechtelijke overheid; in casu blijkt niet dat er een voorafgaandelijke opdracht werd gegeven door een gerechtelijke instantie aan de politiediensten te Sint-Niklaas of dat er een gerechtelijke procedure werd aangevat; - dat in strafzaken er slechts sprake is van een gerechtelijke procedure wanneer de onderzoeksrechter of de strafrechter werd gevat overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering; stukken die de inspectiediensten op eigen initiatief opstellen brengen de gerechtelijke procedure nog niet op gang en zelfs een opsporingsonderzoek van het openbaar ministerie stelt niet automatisch de strafvordering in werking maar heeft enkel tot doel de gegevens te verzamelen die het mogelijk maken zich over de opportuniteit van de vervolging uit te spreken; enkel vervolgingsdaden uitgaande van het openbaar ministerie brengen de gerechtelijke procedure op gang; - dat het proces-verbaal van verhoor van 27 september 2004 van de politie te Sint-Niklaas in overweging kan genomen worden omdat uit niets blijkt dat de gerechtelijke overheid na het proces-verbaal van verhoor vervolgingsdaden instelde dan wel het proces-verbaal van verhoor seponeerde; indien men niettemin zou besluiten tot een onregelmatige transmissie van het proces-verbaal van verhoor van de politie naar de controlediensten van de rijksdienst dan schendt het arbeidshof de rechtspraak van het Hof van Cassatie; overeenkomstig het cassatiearrest van 12 oktober 2005 verbiedt geen enkele wettelijke bepaling volledig een bewijs te gebruiken dat op directe of indirecte wijze door enige onregelmatigheid is verkregen behoudens het geval van miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm, of wanneer de bewijsverkrijging is aangetast door een gebrek waardoor de betrouwbaarheid ervan wegvalt of waardoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht; - dat de administratieve beslissing van 16 maart 2005 niet enkel gebaseerd is op het proces verbaal van verhoor van de politie maar tevens op een bijkomend onderzoek van de controledienst van de rijksdienst; betrokkene, gehoord in zijn verweermiddelen op 3 december 2004 en 3 februari 2005, erkende hulp te hebben geboden in de zaak van zijn broer sinds augustus
- 5.
- Beoordeling Uit de niet betwiste feitelijke gegevens blijkt dat appellant een administratief onderzoek opstartte na ontvangst van een faxbericht van de politie te Sint-Niklaas waarin melding wordt gemaakt dat geïntimeerde, hoewel hij verklaarde werkloos te zijn, hulp verleende in de winkel van zijn broer te Antwerpen; tevens werd door de hoofdinspecteur van de politie Sint-Niklaas een kopie van het proces-verbaal van verhoor van 27 september 2004 (grotendeels onleesbaar gemaakt met zwarte viltstift) overgemaakt. Vanaf het ogenblik dat de politie een proces-verbaal opstelt, hetwelk onbetwistbaar een akte van onderzoek is, stelt hij een handeling die onder de toepassing valt van het opsporingsonderzoek. Artikel 28 bis, §1 van het Wetboek van Strafvordering omschrijft het opsporingsonderzoek als het geheel van handelingen die ertoe strekken de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitvoering van de strafvordering. Vanaf het ogenblik van de vaststelling van een inbreuk door middel van een proces-verbaal geldt het geheim van het strafrechtelijk onderzoek. Het geheim karakter van het strafrechtelijk onderzoek is een essentieel en onbetwistbaar begrip in het wetboek van strafvordering. Het kan beschouwd worden als een van de pijlers waarop de strafvordering is gebaseerd en geldt dus eveneens in het sociaal strafrecht (zie Bosly, H., "Secret de l'instruction et décision administrative en matière sociale", J.T.T. 1988, p. 334 nr. 6; Hubin, J., De la communication de renseignements révélant une infraction a la législation sociale, Soc. Kron. 1996, p. 136, noot 64; Declercq, R., Beginselen van Strafrechtspleging, Kluwer, Mechelen, 2003, 190 e.v.; Verstraeten, R., Handboek Strafvordering, Maklu, Antwerpen, 1999, 298 e.v.; Van den Wyngaert, C., Strafrecht en strafprocesrecht, Maklu, Antwerpen, 1998, 466). Het geheim karakter van het strafrechtelijk onderzoek wordt expliciet opgenomen in het Wetboek van Strafvordering en met name in artikel 28 quinquies § 1 en artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 28 quinquies en artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering bepalen dat, behoudens de wettelijke uitzonderingen, het opsporings- en het gerechtelijk onderzoek geheim zijn en dat eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het opsporings- en het gerechtelijk onderzoek, tot geheimhouding verplicht is en dat hij die dit geheim schendt, gestraft wordt met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek. Het geheim van het onderzoek verbiedt de politiediensten de door hen bij het strafonderzoek verzamelde gegevens aan een sociale inspectiedienst mee te delen behoudens uitdrukkelijke machtiging daartoe door het bevoegd openbaar ministerie; uitdrukking van dit beginsel wordt teruggevonden in artikel 125, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken en artikel 6, §1, laatste lid, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie. In de voorgelegde overtuigingsstukken waarop het hof vermag acht te slaan bevindt zich geenszins het bewijs dat het openbaar ministerie zijn toestemming zou gegeven hebben om de inlichtingen, verkregen naar aanleiding van een verhoor van geïntimeerde op 27 september 2004, over te maken aan het werkloosheidsbureau te Sint-Niklaas. Het is derhalve duidelijk dat de administratieve beslissing van 16 maart 2005 gesteund is op onrechtmatig verkregen bewijs. Het bewijs wordt onrechtmatig verkregen indien naar aanleiding van de bewijsgaring ofwel een handeling wordt gesteld in strijd met een materiële wetsbepaling, ofwel een handeling werd gesteld in strijd met een regel van formeel procesrecht, ofwel een handeling werd gesteld die ingaat tegen de algemene rechtsbeginselen (Traest, Ph., Het bewijs in strafzaken, Gent, Mys en Breesch, 1992, 285; Cass. 13 mei 1986, Pas., 1986, I, 1107, met conclusie van Advocaat-generaal, J. Dujardin; Cass., 23 december 1998, R.W., 1998-1999, 1309; Cass. 4 januari 1994, R.W., 1994-1995, 187; Cass., 13 januari 1999, R.D.P., 1999, 904). Het bewijs dat geleid heeft tot de beslissing van de directeur van 16 maart 2005 is onrechtmatig omdat het verkregen is ingevolge een handeling die strijdig is met de materiële wet en zelfs door middel van het plegen van een misdrijf (artikel 458 van het Strafwetboek). Het door appellant aangehaalde arrest van het Hof van Cassatie van 12 oktober 2005 is in huidig burgerlijk geschil niet relevant daar het gewezen is in een strafprocedure hetgeen volgens andere wetmatigheden functioneert wat betreft de bewijsvoering. De omstandigheid dat een bewijselement op onrechtmatige wijze werd verkregen heeft als gevolg dat de rechter, bij het vormen van zijn overtuiging, dat element noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks in aanmerking mag nemen (Cass. 23 december 1998, R.W. 1999-2000; Cass., 14 oktober 2003, R.W. 2003-2004, 814). De rechtmatigheid van het bewijs (verzameling van gegevens) wordt aangetast vanaf het moment dat de politie dit bewijs heeft overhandigd aan de controledienst van appellant, met schending van het geheim karakter van het opsporingsonderzoek. Alle bewijsmateriaal dat voortvloeit uit het aldus onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal kan evenmin als regelmatig verkregen bewijs in aanmerking genomen worden; dienvolgens kan geen rekening gehouden worden met de inhoud van de door geïntimeerde afgelegde verklaringen op 3 december 2004 en 3 februari
- Aangezien appellant geen andere bewijsstukken voorbrengt waaruit zou blijken dat geïntimeerde tijdens zijn werkloosheid arbeid heeft verricht in de zin van artikel 45 van het Werkloosheidsbesluit, heeft de eerste rechter terecht de bestreden administratieve beslissing vernietigd. Het hoger beroep is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 22 maart
- Partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben over het advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken op 21 april 2006 in de openbare zitting van de elfde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 377.731), behoudens wat de begroting van de kosten betreft. Verwijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van beide instanties. Vereffent de kosten aan de zijde van N. A. op 107,09 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 145,76 euro rechtsplegings-vergoeding hoger beroep. Aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op zesentwintig april tweeduizend en zeven door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, G. VANKRUNKELSVEN, raadsheer in sociale zaken als werkgever, A. WOLPUT, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070426.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div