← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070504.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 04 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070504.7 Rolnummer: 2000-0416 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-09-06 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 15:37 Fiche De initiële vordering waarbij de vader van zijn in 1981 geboren dochter aanspraak maakte op verhoogde kinderbijslag nadat het kind op 14-jarige leeftijd ingevolge een val een avasculaire necrose van de rechterheup opliep is gegrond. Er werd door de deskundige te weinig rekening gehouden met de ernst van de aantasting van de fysieke integriteit van het kind bij de plaatsing van een heupprothese. Men kan de situatie van een kind met een kunstheup niet vergelijken met die van een bejaarde en dit om meerdere redenen waaronder de slijtage (veel sneller bij een jongere persoon), de mentale belasting enz... UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Gezinsbijslag - Zelfstandige SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Gezinsbijslag - Zelfstandige - Voorwaarden Vrije woorden: Sociale zekerheid voor zelfstandigen - gezinsbijslag - modaliteiten en voorwaarden van uitbetaling - gevallen van voorafgaande vaststelling van ongeschiktheid door een geneesheer en voorwaarden - verhoogde kinderbijslag - een kind met een kunstheup - evaluatie - VIII C Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 08-04-1976 - 35 Annotaties Publicaties: SRK 2009 - nr. 5 - - blz. 285 - blz. 287 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2000416 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER MEI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: vzw Sociaal Verzekeringsfonds ACERTA, voorheen vzw Algemene Sociale Kas voor Zelfstandigen, met zetel gevestigd te 2610 Wilrijk, Sneeuwbeslaan 20, appellante, op de zitting vertegenwoordigd door mr. G. L., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: S. d. C. d. C., die het geding, voorheen gevoerd door de heer en mevrouw J. d. C. d. C.- M.C. R. in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige dochter S., in eigen naam hervat wegens meerderjarigheid, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. H. C., advocaat te 2300 Turnhout. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.

  1. Rechtsplegingsstukken Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 7 juni 2000, 5 mart 2004, 4 november 2005, 5 mei 2006, 2 februari 2007 en 2 maart 2007; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 20 juni 1997 (A.R.V. 21.371) tot aanstelling van Dr. A. Eykens als geneesheer-deskundige; - het deskundig verslag van Dr. A. Eykens, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 3 oktober 1997; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 27 januari 1998 (A.R.V. 21.371) tot aanstelling van Dr. A. Eykens als geneesheer-deskundige met een aanvullende opdracht; - het deskundig verslag van Dr. A. Eykens, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 29 april 1998; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 15 februari 2000 (A.R.V. 21.371) tot heropening der debatten; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 18 april 2000 (A.R.V. 21.371); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 19 mei 2000; - de conclusies voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van dit hof op 20 januari 2004; - de conclusies met akte van gedinghervatting voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 10 augustus 2005; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 2 maart 2007 en waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 2 maart
  2. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van vzw Algemene Sociale Kas voor Zelfstandigen, thans vzw Sociaal Verzekeringsfonds Acerta (stuk 2 dossier arbeidsauditoraat Turnhout), het medisch dossier van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu (stuk 3 dossier arbeidsauditoraat Turnhout) en de bundel van de raadsman van geïntimeerde bestaande uit 17 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 2 februari
  3. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 2 maart 2007 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
  4. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 19 mei 2000, tekende vzw Algemene Sociale Kas voor Zelfstandigen, thans vzw Sociaal Verzekeringsfonds Acerta hoger beroep aan tegen een vonnis uitgesproken door de vierde kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 18 april 2000, gekend onder A.R. nummer 21.
  5. Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 20 april
  6. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  7. Feiten en voorgaande rechtspleging De heer J. d. C. d. C. diende op 5 juli 1996 een aanvraag in om betaling van verhoogde kinderbijslag voor zijn dochter S., geboren op 16 september 1981, omwille van een avasculaire necrose van de rechterheup na trauma op 14-jarige leeftijd (val op 23 augustus 1995) (zie stuk 2 dossier arbeidsauditoraat Turnhout: brief van J. d. C. van 5 juli 1996). Bij beslissing van 14 november 1996 van de Algemene Sociale Kas voor Zelfstandigen (ASKZ) werd deze aanvraag geweigerd met volgende motivering (zie stuk 2 dossier arbeidsauditoraat Turnhout: beslissing ASKZ van 14 november 1996): "Het Ministerie van Sociale Voorzorg, Algemene Directie van de Gezinsbijslag en van de Uitkeringen aan Gehandicapten - Verhoogde Kinderbijslag heeft ons meegedeeld dat voornoemde persoon (S. d. C.) niet getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van tenminste 66% vanaf 1 augustus 1995 en voor onbepaalde duur." Met een verzoekschrift van 13 december 1996 stelde het echtpaar J. d. C. d. C. en M. C. R., in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun dochter S., verhaal in tegen voormelde beslissing van ASKZ van 14 november
  8. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 20 juni 1997 werd, alvorens recht te doen ten gronde, Dr. A. Eyskens (kinderarts) aangesteld als geneesheer-deskundige, met als opdracht na te gaan of S. sedert 1 augustus 1995 wegens één of meerdere aandoeningen voor tenminste 66% getroffen is door een ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of geestelijke geschiktheid, dit overeenkomstig de Officiële Belgische Schaal tot vaststelling van de graad van invaliditeit en/of overeenkomstig de lijst der aandoeningen gevoegd bij het koninklijk besluit van 3 mei
  9. De deskundige legde zijn verslag neer ter griffie op 3 oktober 1997 en kwam tot hierna volgende bevindingen (stuk 13 dossier rechtspleging arbeids-rechtbank Turnhout): "Op 18 september 1996 werd door Dr. Jacobs de invaliditeit bepaald op 40 % terwijl het attest afgeleverd op 6 november 1996 door het ministerie spreekt van 50 %. Ik ben het volledig eens met deze raming op dat ogenblik. Nadien echter is er een duidelijke verslechtering opgetreden. De femurkop heeft een verdere necrose ondergaan en de toenemende pijn maakt dat het kind praktisch niet meer naar school kon. Aanvankelijk probeerde ze nog met de fiets maar vanaf oktober 1996 ging ze bijna niet meer en verloor een schooljaar. De kringloop van toenemende pijn zowel bij zitten als bij staan werkte deprimerend op dit kind en sociaal isolerend. Ik meen dan ook dat vanaf oktober 1996 de invaliditeit bij dit kind hoger is. Volgens artikel 250 van de OBS meen ik dat 60 % invaliditeit verantwoord is. Hierbij dient opgeteld haar depressief beeld dat volgens artikel 646 een invaliditeit van 15 % geeft en de afwijking aan haar patella van de rechter knie die ze reeds vroeger had en die de flexie van de knie beperkt. Volgens artikel 266 geeft dit recht op 4 %. Samengeteld geeft dit een invaliditeit van 60 + 6 (15 % van 40) + 1,3 (4 % van 34) wat samen 67,3 % is. Gezien patiënt op het ogenblik van de expertise nog niet kon zitten of staan meen ik dat deze invaliditeit nog aanwezig was toen. Normaal gesproken moet er een verbetering optreden tussen nu en 2 maand. Ik stel voor de invaliditeit van 66 % te laten gelden vanaf oktober 1996 tot oktober
  10. Vanaf november 1997 stel ik de invaliditeit op 30 %. De verminderde zelfredzaamheid oordeel ik op 4 punten: 2 voor verplaatsing, 1 voor lichaamsbeheersing en 1 voor lichaamsverzorging. Ik meen dat het redelijk is te onderstellen dat vanaf oktober 1997 de invaliditeit sterk zal dalen. Op 23 september 1997 ontving ik een schrijven van Dr. LECHAT als antwoord op mijn voorlopig verslag. Hierin vraagt hij de invaliditeit op 66 % te houden tot eind 1997 en dan de zaak te herevalueren gezien patiënt op 11 september op raadpleging nog pijn had en met een kruk ging. Er was nog spieratrofie door weinig gebruik. Ik kan hierop antwoorden dat ik best begrijp dat er nog klachten zijn, maar gezien de invaliditeit 67,3 % bedroeg vóór de operatie en patiënt nu al stapt met een kruk is er toch een verbetering en vind ik het redelijk de invaliditeit nu onder 66 % te stellen vanaf eind oktober 1997." Bij vonnis van 27 januari 1998 werd, alvorens recht te doen ten gronde, de deskundige door de arbeidsrechtbank gelast met een aanvullende opdracht, meer bepaald na te gaan of S. ook na 1 november 1997 wegens één of meerdere aandoeningen voor ten miste 66 % getroffen is door een ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of geestelijke geschikt-heid, dit overeenkomstig de OBSI en/of overeenkomstig de lijst der aandoeningen gevoegd bij het koninklijk besluit van 3 mei
  11. In zijn bijkomend verslag in voorlezing besluit de deskundige als volgt (stuk 26 dossier rechtspleging arbeidsrechtbank Turnhout): "Indien ik de invaliditeit bepaal voortgaande op de louter functionele beperkingen kom ik aan 30 % volgens artikel 212d vermeerderd met 10 % volgens 212bis. Hierbij komt 10 % volgens artikel 251 en verder 15 % volgens artikel 648b. Dit maakt samen 40 % + 9 (15 % van 60) + 5,1 (10 % van de overige 51 %) = 54,1 %." Na de opmerkingen, geformuleerd door de raadsman van het echtpaar J. d. C. d. C. en M. C. R., te hebben beantwoord heeft de gerechtsdeskundige in het definitief deskundig verslag - neergelegd ter griffie op 29 april 1998 - zijn raming gehandhaafd op 54,1% en dit vanaf 1 november 1997 en de graad van zelfredzaamheid vastgesteld op 3 punten (1 voor verplaatsing, 1 voor lichaamsverzorging en 1 voor lichaamsbeheersing). Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 15 februari 2000 werd de heropening der debatten bevolen naar aanleiding van twee nieuwe neergelegde stukken die volgens de bodemrechters van belang konden zijn bij de beoordeling van de zaak. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 18 april 2000 werd de vordering van het echtpaar J. d. C. d. C. en M. C. R. gegrond verklaard, de beslissing van 14 november 1996 vernietigd en voor recht gezegd dat S. getroffen is voor ten minste 66 % door een ontoereikendheid of vermindering aan lichamelijke of geestelijke geschiktheid van 66 % vanaf 1 oktober 1996 en dat die ongeschiktheid ook na 1 november 1997 nog bestaat. De arbeidsrechtbank oordeelde dat S. vanaf 1 oktober 1996 rechtgevend is op de bijkomende bijslag voor mindervalide kinderen en dat de graad van vermindering van haar zelfredzaamheid moet bepaald worden op 4 punten. Met een verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 19 mei 2000, tekende vzw Algemene Sociale Kas voor Zelfstandigen, thans vzw Sociaal Verzekeringsfonds Acerta, hoger beroep aan tegen voormeld vonnis uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Turnhout op 18 april
  12. Met akte van gedinghervatting, ontvangen ter griffie op 10 augustus 2005, heeft S. d. C. d. C., gelet op haar meerderjarigheid, het geding in eigen naam hervat.
  13. Eisen in hoger beroep Acerta (appellante) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - in hoofdorde het vonnis te vernietigen en te zeggen voor recht dat er geen recht is op verhoogde kinderbijslag vanaf 1 november 1997; - in ondergeschikte orde, een nieuwe deskundige aan te stellen met opdracht de ongeschiktheid te ramen met ingang van 1 november
  14. S. d. C. d. C. (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk te verklaren, doch als ongegrond af te wijzen; - het vonnis a quo in zijn geheel te bevestigen; - de globale invaliditeit te bepalen op 67,4% (60% + 6% (15% van 40%) + 1,4% (4% van 34); - de graad van zelfredzaamheid te bepalen op 4 punten; - dit alles vanaf 1 oktober 1996 en ook nog na 1 oktober 1997; - appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, aan haar zijde begroot op 214,18 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, op 59,49 euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding na eerste deskundig onderzoek (vonnis 20.6.1997), op 59,49 euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding na bijkomend deskundig onderzoek (vonnis 27.1.1998), op 59,49 euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding heropening der debatten (vonnis 15.2.2000) en op 285,57 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
  15. Ten gronde 5.
  16. Situering van het geschil Het geschil betreft een vordering tot toekenning van een verhoogde kinderbijslag vanaf 1 oktober 1996 voor S. d. C. d. C. Om rechtgevend te zijn op de verhoogde bijslag dient het kind getroffen te zijn door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % vastgesteld aan de hand van de Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit en/of aan de hand van de lijst van aandoeningen gevoegd bij het koninklijk besluit van 3 mei
  17. Er bestaat tussen partijen geen betwisting dat, voor de periode vanaf 1 oktober 1996 tot 1 november 1997, de invaliditeit van S. 67,4% bedraagt en haar graad van zelfredzaamheid 4 punten. Voor de periode vanaf 1 november 1997 heeft de gerechtsdeskundige in een aanvullend verslag de invaliditeit geraamd op: - 30% voor stijfheid van de heup met verlies van meer dan 60° flexie (art. 212d) vermeerderd met 10% voor de pijn (art. 212bis); - 15% voor depressief beeld (art. 648b); - 10% prothese van het coxofemoraal gewricht (art. 251). Na toepassing van de regel van Baltazar werd door de deskundige een globale invaliditeit weerhouden van 54,1% (40% + 9% [15% van 60] + 5,1% [10% van de overige 51%]). Bij bestreden vonnis werd, in afwijking van het deskundig verslag, de invaliditeit geraamd op: - 30% (art. 212d) + 10% (art. 212bis) + 20% (art. 251); - 15% (art. 648b); - 4% (art. 266 - beperking knieflexie). Na toepassing van de regel van Baltazar wordt in het bestreden vonnis een globale invaliditeit weerhouden van 67,4% (60% + 6% [15% van 40] + 1,4 % [4% van 34]). Appellante acht zich gegriefd door het bestreden vonnis en laat gelden: - dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met het feit dat de toestand van het kind na de plaatsing van de heupprothese wel verbeterd is wat duidelijk blijkt uit het deskundig verslag van 23 april 1998; - dat artikel 251 wordt gebruikt voor functionele gevolgen van de heupprothese (zoals chronische infectie van het bot enz.) die door de andere artikelen 212d (de bewegingsbeperking en de spierkwijning) en 212bis nog niet geëvalueerd werden; wanneer men eerst de letsels van het gewricht in aanmerking neemt en daarna het maximumpercentage voor een totale heupprothese, is hier zeker sprake van een dubbel gebruik van de artikelen; - dat niet de zeldzaamheid van de aandoening de graad van ongeschiktheid bepaalt. 5.
  18. Wettelijk kader Met ingang van 1 april 1991 werd artikel 35 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen vervangen bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 28 augustus
  19. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 28 augustus 1991 verwijst naar de lijst van aandoeningen en naar de regels uiteengezet in koninklijk besluit van 3 mei
  20. Artikel 2, §1 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 bepaalt dat de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind vastgesteld wordt aan de hand van de "Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit" (afgekort OBSI) en/of aan de hand van de lijst van aandoeningen, gevoegd bij dit besluit. Artikel 2, §2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 bepaalt dat, onverminderd de algemene en bijzondere bepalingen over de aanwending van de OBSI, hiernavolgende regels van toepassing zijn:
  21. De bepalingen in de schaal inzake het uitsluiten van een aandoening of het verminderen van het ongeschiktheidspercentage dat voortvloeit uit een vroeger verworven of aangeboren staat, zijn niet van toepassing;
  22. Ingeval van meervoudige ongeschiktheid wordt het globale ongeschikt-heidpercentage berekend op de volgende wijze : In het geval waarbij geen enkele van de gedeeltelijke aandoeningen een totale ongeschiktheid met zich brengt, wordt het ongeschiktheids-percentage volledig toegekend voor de zwaarste aandoening, en voor elk van de bijkomende aandoeningen wordt het proportioneel berekend volgens de overblijvende geschiktheid. De verscheidene aandoeningen worden daartoe gerangschikt in dalende orde van het werkelijk ongeschiktheidspercentage. Deze berekeningswijze wordt slechts toegepast wanneer de gedeeltelijke aandoeningen verschillende ledematen of functies aantasten.
  23. Een rationele ramingswijze wordt aangewend zo meervoudige aandoeningen een lidmaat of een functie aantasten, en dat door de berekening van meervoudige ongeschiktheden, beschreven onder ten tweede, het percentage dat al zo wordt bekomen voor dit lidmaat of deze functie het verlies overschrijdt dat gelijk is aan het percentage van de totaliteit van het lidmaat of van de aangetaste functie. Het bedoelde percentage kan datgene, bepaald voor het totaal anatomisch of functioneel verlies van het desbetreffende lidmaat of de fysiologische functie, niet overschrijden. 5.
  24. Beoordeling Met betrekking tot de eerste beroepsgrief stelt het hof vast: - dat de datum van 1 november 1997 hypothetisch werd vastgesteld door de deskundige op datum van het eerste deskundig onderzoek (25 juli 1997) in de veronderstelling dat er een normale revalidatie en herstel zou zijn na plaatsing van de bi-polaire heupprothese op 13 juni 1997; - dat uit de thans voorgebrachte medische verslagen (zie stukken 5 t/m 14 bundel geïntimeerde) blijkt dat er geen normaal herstel was en geïntimeerde vanaf september 1997 tot 27 juni 2000 steeds in behandeling is gebleven bij diverse specialisten; - dat wegens behoud van ernstige invaliderende pijnklachten na de ingreep op 13 juni 1997 een reconversie werd uitgevoerd op 27 juni 2000 in het Universitair Ziekenhuis te Antwerpen waarbij de bipolaire heupprothese werd omgebouwd tot een totale heupprothese (stuk 4 bundel geïntimeerde). Uit voormelde elementen blijkt duidelijk dat er geen herstel was op 1 november 1997 en dat de invaliditeit van meer dan 66% is blijven bestaan na 1 november
  25. Met betrekking tot de tweede beroepsgrief komt het aangewezen voor de tekst van artikel 251 OBSI te citeren waarin het volgende wordt bepaald: "Prothese van het coxofemoraal gewricht : te bepalen volgens de functionele gevolgen : cfr. artikels 210, 211, 212, 212bis en
  26. Vermeerdering omgekeerd evenredig met de leeftijd met 10 tot 20 %. Het is wenselijk niet te consolideren voor een tijdspanne van minstens 5 jaar, tenzij de mogelijkheid tot herziening blijft bestaan zonder tijdslimiet". Artikel 251 is duidelijk en voorziet in een vermeerdering van het invaliditeitspercentage nadat de functionele gevolgen van het heupletsel zijn vastgesteld, louter en alleen omwille van de prothese. Thans stellen dat de toepassing van zowel artikel 212bis als van artikel 251 een dubbel gebruik uitmaakt is niet alleen tegen de letter van artikel 251 OBSI maar ook tegen het deskundig verslag waar een percentage van 10% wordt weerhouden volgens artikel 251 OBSI en 40% volgens artikel 212 OBSI. Vermits artikel 251 OBSI een vermeerdering voorziet van de in artikels 212 en 212bis voorziene percentages, omgekeerd evenredig met de leeftijd, werd in het bestreden vonnis de toepassing van de regel van Baltazar terecht uitgesloten. Tenslotte werd in het bestreden vonnis in toepassing van artikel 251 OBSI het invaliditeitspercentage verhoogd naar 20% niet zozeer wegens de zeldzaamheid van de aandoening - zoals appellante in een derde beroepsgrief voorhoudt - maar wel omwille van de jeugdige leeftijd van geïntimeerde op datum van plaatsing van de heupprothese (15 jaar). Het hof sluit zich volledig aan bij volgende overwegingen van het openbaar ministerie inzake de aantasting van de fysische en psychische integriteit door plaatsing van een heupprothese bij een jonge patiënt: Hoe jonger de patiënt waarbij de prothese wordt geplaatst, hoe zwaarder de patiënt verhoudingsgewijs wordt belast in zijn lichamelijk welzijn. De fysieke integriteit van een oude patiënt wiens heup wordt vervangen, wordt substantieel minder aangetast dan deze van een jonge patiënt: hoe ouder de patiënt, hoe meer initiële slijtage aan de te vervangen heup en hoe minder vernieuwingen er van de heupprothese vereist zijn. De normale te verwachten levensduur van een heupprothese bedraagt ongeveer 15 jaar. Nochtans is dit een gemiddelde levensduur die enkel opgaat voor oudere patiënten, waarbij de vroegtijdige slijtage van de prothese vaak een ernstig probleem is. Uit de medische literatuur blijkt dat bij jonge patiënten vaak reeds problemen opduiken, enkele jaren na de implantatie. De versnelde slijtage heeft natuurlijk veel te maken met het verschil in levenswijze tussen een jonge en een oudere patiënt. Bij een jongere patiënt wordt de heupprothese meestal zwaarder belast tijdens de arbeid en bij de uitoefening van sportactiviteiten. Bij een heel jeugdig persoon, zal de groei ongetwijfeld ook een invloed hebben op de frequentie van de vernieuwing van het orthopedisch implantaat. Naast deze objectiveerbare omstandigheden, die een invloed kunnen hebben op de frequentie van de vernieuwing van de kunstheup, is er ook het aspect verwachting die men als patiënt koestert van de nieuwe heup. Het heupgewricht heeft zijn mechanische beperkingen die door een oudere patiënt veel minder negatief worden ervaren dan door een jongere patiënt. De oudere patiënt wordt meestal geconfronteerd met een gevoelige verbetering van zijn motoriek, terwijl de jongere patiënt elke dag opnieuw de confrontatie moet aangaan met de beperking van zijn mogelijkheden ten opzichte van de periode dat hij nog leefde met een gezonde heup. Geïntimeerde had een gezonde heup toen zij in augustus 1995 ten val kwam, als gevolg waarvan zij een aseptische necrose van de heup ontwikkelde die het plaatsen van een totale heupprothese in '97 onafwendbaar maakte. Hoe moeilijk geïntimeerde het had met de beperking van haar mogelijkheden, blijkt tevens uit de ontwikkeling van de psychische problematiek." Samenvattend besluit het hof dat de door appellante ingeroepen beroepsgrieven niet kunnen weerhouden worden; het bestreden vonnis dient bevestigd te worden zodat het hoger beroep ongegrond is. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 2 maart
  27. Geen der partijen hebben gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis uitgesproken op 18 april 2000 in de openbare zitting van de derde kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout (A.R.V. 21.371). Verwijst, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, appellante in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van geïntimeerde op 145,76 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aan de zijde van appellante worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op vier mei tweeduizend en zeven door de vijfde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, J. VERHAVERT, raadsheer, J. LEROY, raadsheer in sociale zaken als zelfstandige, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070504.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.