← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070510.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 10 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070510.13 Rolnummer: 2006-0413 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-09-06 Raadplegingen: 282 - laatst gezien 2026-07-03 20:13 Fiches 1 - 3 De administratieve beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau beantwoordt aan de vereisten van een 'afdoende' motivering wanneer wordt aangegeven op basis van welke concrete feitelijke gegevens en in toepassing van welke wettelijke bepalingen zij werd genomen. In deze beslissing moet niet uitvoerig geantwoord worden op het verweer dat betrokkene had aangebracht tijdens zijn verhoor. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen niet leiden tot een negatie van het wettigheidsbeginsel. Onder verwijzing naar een schending van de redelijke termijneis en de informatieplicht kan niet beslist worden dat de betrokkene gerechtigd zou zijn op werkloosheidsuitkeringen indien niet voldaan is aan de wettelijke toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden. Een mandaat als bestuurder van een vennootschap maakt een activiteit uit die ingeschakeld kan worden in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en die niet beperkt is tot het gewone beheer van eigen bezit. Sinds het arrest van het Grondwettelijk Hof van 03 november 2004 (arrest nr. 176/2004) is het de mandataris wel toegelaten, ter weerlegging van het wettelijk vermoeden, het bewijs te leveren dat hij in concreto geen beroepsactiviteit als zelfstandige uitoefende in het kader van zijn mandaat. Uit de strafrechtelijke vrijspraak van betrokkene kan niet zonder meer afgeleid worden dat hij ter goeder trouw was, ten einde de terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkeringen beperkt te zien tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning. De term goede trouw in artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit heeft een geëigende betekenis, namelijk de afwezigheid van enige tekortkoming van de werkloze in de concrete relatie met de werkloosheidsregelgeving. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Beginselen van behoorlijk bestuur - Bestuursrecht PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - publiek- en administratief recht - werkloosheidsreglementering - beginselen van behoorlijk bestuur - motiveringsplicht - zonder arbeid en loon - mandataris in een vennootschap - weerlegbaar vermoeden van zelfstandige activiteit - beperking terugvordering - goede trouw - I L Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - 2 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Afwezigheid arbeid SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Afwezigheid loon Vrije woorden: Arbeidsvoorziening - werkloosheid - toekenningsvoorwaarden - wordt als arbeid beschouwd - zonder arbeid en loon - mandataris in een vennootschap - weerlegbaar vermoeden van zelfstandige activiteit - beperking terugvordering - goede trouw - V A N Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 45 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Vrije woorden: Arbeidsvoorziening - werkloosheid - terugvordering van uitkeringen - zonder arbeid en loon - mandataris in een vennootschap - weerlegbaar vermoeden van zelfstandige activiteit - beperking terugvordering - goede trouw - V A N Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 169 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder I L - artikel 2, V A N - artikel 45 en onder artikel 169 Annotaties Publicaties: SRK 2009 - nr. 3 - - blz. 160 - blz. 164 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2060413 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN MEI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: J. L., appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. H. B., advocaat te 2018 Antwerpen, tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. G. L., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgend arrest uit.

  1. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 6 september 2006, 8 maart 2007 en 22 maart 2007; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 15 mei 2006 (A.R. 335.652); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 12 juni 2006; - de conclusies voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 28 november 2006; - de conclusies voor appellant, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 4 januari 2007; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 22 maart 2007, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 22 maart
  2. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 2 dossier auditoraat-generaal arbeidshof Antwerpen) en de bundel van de raadsman van appellant bestaande uit 43 genummerde stukken, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 1 maart
  3. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 8 maart
  4. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 22 maart 2007 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
  5. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 12 juni 2006, tekende J. L. hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 15 mei 2006 (A.R. 335.652). Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 16 mei
  6. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  7. Feiten en voorgaande rechtspleging De heer J. L. was sedert 1 februari 1982 voltijds in dienst van de N.V. Export Expediteurs (expediteursbedrijf) in de hoedanigheid van bediende. Op 10 maart 1983 wordt hij door de raad van beheer benoemd tot de functie van directeur. In de vergadering van de raad van bestuur van 19 juni 1991 werd hij benoemd tot gedelegeerd bestuurder belast met het dagelijks bestuur van de vennootschap. Het mandaat was onbezoldigd. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 21 mei 1996 werd de N.V. Export Expediteurs op bekentenis failliet verklaard (stuk 16 administratief dossier: uittreksel Belgisch Staatsblad van 29 mei 1996, 14607). De heer L. diende een aanvraag in bij de Hulpkas voor Werkloosheids-uitkeringen tot het bekomen van uitkeringen vanaf 5 juni 1996 (stuk 3 administratief dossier: werkloosheidsbewijs van 22 mei 1996). Op het formulier C1 van 7 juni 1996 gaf J. L. aan dat hij samenwoonde met zijn echtgenote die geen beroepsactiviteit uitoefende en antwoordde hij ontkennend op de vraag of hij nog een zelfstandige activiteit of een bijberoep uitoefende (stuk 2 administratief dossier: aangifte van de persoonlijke en familiale toestand). Bij beslissing van 31 juli 1996 van de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen werd hij toegelaten tot het recht op voorlopige werkloosheids-uitkeringen vanaf 5 juni
  8. Op 28 juni 1996 werd de N.V. L. S. Antwerpen opgericht door de heer F. R. en de heer J. L., waarbij laatstgenoemde werd benoemd tot bestuurder en afgevaardigd bestuurder. Op 1 september 1996 trad J. L. in dienst van diezelfde vennootschap als bediende (stuk 11 administratief dossier: arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een beding van proeftijd van 1 september 1996). Met aangetekend schrijven van 27 april 1998 werd de heer L. opgezegd met een opzeggingstermijn van drie maanden met ingang op 1 mei 1998 en eindigend op 31 juli
  9. Na een verlofperiode (01/08 - 24/08/1998) maakte J. L. opnieuw aanspraak op werkloosheidsuitkeringen vanaf 25 augustus 1998 (stuk 19 administratief dossier: formulier C4 van 30/07/1998, ontvangen door het werkloosheidsbureau Antwerpen op 28/08/1998). Op het bijhorende formulier van aangifte van de persoonlijke en familiale toestand van 24 augustus 1998 bevestigde J. L. dat hij geen zelfstandige activiteit of een bijberoep uitoefende (stuk 19 administratief dossier: formulier C1 van 24 augustus 1998). Deze persoonlijke en familiale toestand werd bevestigd op 6 september 1999 en 1 september 2000 (stuk 19 administratief dossier: formulieren C1 van 06/09/1999 en 01/09/2000). Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 6 juli 1999 werd de N.V. L. S. failliet verklaard. In oktober 2000 werd door de controlediensten van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een onderzoek opgestart omdat vastgesteld werd dat het formulier C4 - waarmee J. L. vanaf 25 augustus 1998 aanspraak maakte op werkloosheidsuitkeringen - door hem was ondertekend zowel in hoedanigheid van werkgever als van werkloze werknemer. Tijdens het verhoor op 26 oktober 2000 verklaarde J. L. het volgende: "Ik neem kennis van de reden van dit verhoor namelijk mijn functie binnen het bedrijf Leopard Shipping Antwerpen N.V. Ik bevestig inderdaad samen met Fernand Reinardts het bedrijf Leopard Shipping te hebben opgericht. De heer Reinardts was een stille partner. U vraagt mij wie deze vennootschap tegenover derden vertegenwoordigde, dat was ik, consequent met de statuten. Desondanks beslisten we het gezamenlijk, met Dhr Wyns en MR. Reinardts. Ik kan niet ontkennen dat ik statutair het laatste woord had. U vraagt mij hoe het komt dat ik besloten heb mijzelf als werknemer te laten boeken, ik antwoord U dat ik gewoon hetzelfde stramien heb toegepast als bij Export Expediteurs N.V. waar ik eveneens afgevaardigde bestuurder was en werknemer. Ik deel U mee over Export Expediteurs N.V., de andere bestuurders waren Marianne Van Dam en Marianne De Lamper. Ik was in de waan dat enerzijds afgevaardigd bestuurder zijn en anderzijds sociale bijdragen als werknemer betalen een correcte situatie was, en heb daaruitvolgend een door mijzelf ondertekend formulier C4, namens de vennootschap Leopard Shipping Antwerpen, ingediend bij de Hulpkas op 25/8/
  10. Op dezelfde manier had ik ook op 5/6/96 de C4 ingediend van Export Expediteurs, die afkomstig was weliswaar van de curator, waarin ik dus vertrouwen had." Na verder onderzoek op het handelsregister van Antwerpen werd door de sociaal inspecteurs op 29 november 2000 een proces-verbaal opgesteld waarbij volgende inbreuken werden weerhouden (stuk 19 administratief dossier: formulier C 25, 1A): - als werkloze gebruik maken van onjuiste stukken ten einde te kwader trouw uitkeringen te verkrijgen waarop hij geen recht heeft (overtreding geformuleerd in artikel 155, 1° en gesanctioneerd door artikel 175, 1°, e van het K.B. van 25.11.1991); - als werkloze onverschuldigde uitkeringen kunnen of hebben ontvangen doordat hij een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd of een verplichte verklaring anders dan deze bedoeld in artikel 134, §3 van het K.B. van 25.11.1991 niet of te laat heeft afgelegd (overtreding geformuleerd in artikel 153 en gesanctioneerd artikel 175, 1°, e van het K.B. van 25.11.1991). J. L. werd door de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen uitgenodigd voor een verhoor op 1 februari
  11. Na ontvangst van schriftelijke verweermiddelen werd J. L. opnieuw uitgenodigd voor verhoor op 8 maart 2001 en 22 maart
  12. Vervolgens besliste de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen op 27 april 2001 - in toepassing van de artikelen 30, 44, 45, 71, 139, 142, 144, 146, 153, 154, 158, 159, 169 en 175 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - : - J. L. uit te sluiten van het recht uitkeringen vanaf 5 juni 1996 op grond van de artikelen 30, 44 en 45 van het KB van 25 november 1991; - J. L. uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 30 april 2001 gedurende een periode van 13 weken in toepassing van artikel 153 van voormeld KB; - J. L. uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 30 april 2001 gedurende een periode van 15 weken in toepassing van artikel 154 van voormeld KB; - de ten onrechte en bedrieglijk genoten uitkeringen terug te vorderen vanaf 5 juni
  13. Met schrijven van 18 juni 2001 betekende de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen, in uitvoering van zijn beslissing C29 van 27 april 2001, een beslissing tot terugvordering met verzoek de onrechtmatig ontvangen uitkeringen over de periode van 25 augustus 1998 tot en met 31 maart 2001 ten bedrage van 28.741,44 euro [1.159.427 BEF] terug te betalen (stuk 33 administratief dossier: terugvordering C31). Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 27 juni 2001 en ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 28 juni 2001, tekende J. L. beroep aan tegen de administratieve beslissing van 27 april 2001 (met kenmerk: C29/71122/DA). Op 20 november 2003 werd J. L. gedagvaard door het openbaar ministerie omdat hij verdacht werd te Schilde tussen 24 augustus 1998 en 7 juli 1999 meermaals, de opeenvolgende en voortdurende feiten de uiting zijnde van hetzelfde opzet, A. als werkloze met bedrieglijk inzicht voor de aanvang van de activiteit bedoeld in artikel 45 geen melding met onuitwisbare inkt te hebben gemaakt op zijn controlekaart, nl. op de dagen van zijn activiteiten als afgevaardigd bestuurder van de N.V. L. S. A., zodat hij onverschuldigde uitkeringen kon ontvangen; B. als werkloze met bedrieglijk inzicht een onjuiste of onvolledige verklaring te hebben afgelegd zodat hij onverschuldigde uitkeringen kon ontvangen, nl. door op het C1 formulier van 24 augustus 1998 geen melding te hebben gemaakt van zijn functie als afgevaardigd bestuurder van de N.V. L. S. dewelke hij waarnam vanaf 28 juni 1996 tot 6 juli 1999, zijnde datum van het faillissement van de voornoemde N.V. Zowel de rechtbank van eerste aanleg als het hof van beroep te Antwerpen spraken J. L. respectievelijk op 10 februari 2004 en 21 april 2005 vrij van de hem ten laste gelegde feiten (stuk 43 bundel appellant: arrest hof van beroep Antwerpen van 21 april 2005) Bij vonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 15 mei 2006 werd(en): - de vordering van J. L. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard; - de administratieve beslissing van de directeur van het werkloosheids-bureau te Antwerpen van 27 april 2001 vernietigd in zoverre beslist werd J. L. uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 5 juni 1996 in toepassing van artikel 30 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering; - de administratieve beslissing van de directeur van het werkloosheids-bureau te Antwerpen van 27 april 2001 hervormd en gezegd voor recht: - dat J. L. in toepassing van artikel 153 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt uitgesloten van het recht op uitkeringen gedurende zes weken doch met uitstel; - dat J. L. met toepassing van artikel 154 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt uitgesloten van het recht op uitkeringen gedurende twaalf weken doch met uitstel; - de administratieve beslissing van de directeur van het werkloosheids-bureau te Antwerpen van 27 april 2001 voor het overige bevestigd; - de terugvorderingbeslissing van 18 juni 2001 bevestigd; - de kosten van het geding ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening gelegd, aan de zijde van J. L. begroot op 107,09 euro rechtsplegingsvergoeding. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 12 juni 2006, tekende J. L. hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis.
  14. Eisen in hoger beroep J. L. (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis van de eerste rechter gedeeltelijk te vernietigen en te zeggen dat er geen terugbetalingen dienen te gebeuren en er geen administratieve sancties worden opgelegd; - in ondergeschikte orde, het vonnis van de eerste rechter gedeeltelijk te vernietigen en te zeggen dat er slechts terugbetalingen dienen te gebeuren tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning; - in nog meer ondergeschikte orde, het vonnis van de eerste rechter gedeeltelijk te vernietigen en te zeggen dat er slechts terugbetalingen dienen te gebeuren tot 6 juli 1999; - in uiterst ondergeschikte orde, het vonnis van de eerste rechter gedeeltelijk te vernietigen en te zeggen dat er slechts terugbetalingen dienen te gebeuren tot 31 augustus 1999; - geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, inclusief de rechtsplegingsvergoeding, aan zijn zijde begroot op 107,09 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 285,55 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (geïntimeerde) vordert het hoger beroep als ongegrond af te wijzen en het bestreden vonnis van 15 mei 2006 te bevestigen.
  15. Ten gronde 5.
  16. Situering van het geschil in graad van hoger beroep Huidig geschil betreft de beslissing van de directeur van het werkloosheids-bureau Antwerpen waarbij in hoofde van appellant een maatregel van uitsluiting, administratieve sanctie en een terugvordering wordt opgelegd. Op verhaal van appellant overwogen de eerste rechters: - dat appellant zowel op 5 juni 1996 als 28 augustus 1998 voldoende arbeidsdagen als loontrekkende bewees en derhalve vanaf 5 juni 1996 toelaatbaar was tot het recht op uitkeringen; - dat appellant niet voldeed aan de toekenningsvoorwaarden vermits hij in de periode van 5 juni 1996 tot en met 31 juli 1998 niet zonder loon en in de periode vanaf 1 augustus 1998 niet zonder arbeid was; na datum van faillissement voldeed hij evenmin aan de toekenningsvoorwaarden bij gebreke aan een voorafgaandelijke aangifte van de bijkomstige activiteit; - dat de administratieve sanctie terecht werden opgelegd maar de duur herleid diende te worden gelet op de correctionele vrijspraak; - dat de terugvordering van de onrechtmatig genoten uitkeringen niet kon beperkt worden tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning bij gebreke aan bewijs dat hij te goeder trouw uitkeringen ontvangen heeft. Dienvolgens besliste de arbeidsrechtbank op 15 mei 2006:
  17. de administratieve beslissing van 27 april 2001 te vernietigen in zoverre J. L. uitgesloten werd van het recht op uitkeringen vanaf 5 juni 1996 in toepassing van artikel 30 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna Werkloosheidsbesluit);
  18. de opgelegde administratieve sancties op basis van artikel 153 en 154 van het Werkloosheidsbesluit te herleiden naar respectievelijk 6 en 12 weken met uitstel;
  19. de administratieve beslissing van 27 april 2001 te bevestigen inzake de uitsluiting op grond van artikel 44 en 45 van het Werkloosheidsbesluit en de terugvordering op grond van artikel van artikel 169 Werkloosheidsbesluit;
  20. de administratieve terugvorderingbeslissing van 18 juni 2001 te bevestigen. Appellant acht zich gegriefd door het eerste vonnis en laat gelden: - in hoofdorde: dat de beginselen van behoorlijk bestuur, met name de hoorplicht, motiveringsplicht, de redelijketermijneis en informatieplicht niet zijn nageleefd zodat op grond van artikel 159 Gec. Grondwet de beslissingen van de directeur van het werkloosheidsbureau van 27 april 2001 en 18 juni 2001 buiten toepassing dienen verklaard te worden; - in ondergeschikte orde: dat het bestuurdersmandaat geen arbeid inhield in de zin van artikel 45 van het Werkloosheidsbesluit zodat de aangifte van 25 augustus 1998 correct gebeurde en er aldus geen uitkeringen dienen terugbetaald te worden; - in meer ondergeschikte orde: dat hij te goeder trouw was zodat overeenkomstig artikel 169 Werkloosheidsbesluit de teruggave beperkt moet worden tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning; - in nog meer ondergeschikte orde: dat de aangifte in elk geval correct was bij het faillissement van de naamloze vennootschap zodat de terugbetaling enkel dient te gebeuren voor de uitkeringen van 25 augustus 1998 tot 6 juli 1999; - in uiterst ondergeschikte orde: dat de nieuwe aangifte van 6 september 1999 ervoor zorgde dat er een correcte aangifte bestond zodat de terugbetaling enkel dient te gebeuren voor de uitkeringen van 25 augustus 1998 tot 1 september
  21. 5.
  22. Beginselen van behoorlijk bestuur Appellant roept een schending in van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de hoorplicht, de motiveringsplicht, de redelijketermijneis en de informatieplicht. De hoorplicht wordt traditioneel omschreven als het beginsel van behoorlijk bestuur dat impliceert dat het bestuur tegen niemand een ernstige maatregel kan treffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt geboden zijn standpunt op een nuttige wijze te doen kennen (I. Opdebeeck en M. Van Damme, Beginselen van behoorlijk bestuur, die Keure, Brugge, 2006, nr. 306). De hoorplicht werd door de wetgever geïmplementeerd in de werkloosheids-reglementering. Artikel 144, §1 van het Werkloosheidsbesluit bepaalt dat vooraleer een beslissing genomen wordt inzake ontzegging, uitsluiting of schorsing van het recht op uitkeringen, de werknemer wordt opgeroepen om gehoord te worden omtrent de feitelijke grondslag van de beslissing en omtrent zijn verweermiddelen. In huidig geschil werd appellant overeenkomstig artikel 144, §1 van het Werkloosheidsbesluit opgeroepen voor een verhoor op 23 januari 2001 (stuk 21 administratief dossier: C 36 van 11 januari 2001). Met schrijven van 17 januari 2001 vroeg appellant een nieuwe afspraak voor verhoor (stuk 22 administratief dossier). Op het verhoor van 1 februari 2001 legde appellant zijn schriftelijke verweermiddelen voor. Gezien uit de neer- gelegde stukken nieuwe elementen bleken werd hij nogmaals uitgenodigd voor een verhoor op 8 maart
  23. Op verzoek van de raadsman van appellant werd dit verhoor uitgesteld teneinde appellant toe te laten zijn dossier samen te stellen. Appellant werd opnieuw aangetekend uitgenodigd voor een verhoor op 21 maart 2001 (stuk 17 administratief dossier: C 36 van 26 februari 2001). Op het verhoor van 21 maart 2001 heeft appellant zowel een mondeling als een schriftelijk verweer ingediend (stuk 30 administratief dossier: formulier C 30 verhoor). Uit voornoemde feitelijke gegevens blijkt onweerlegbaar dat de hoorplicht in huidig geschil zorgvuldig werd nageleefd. Appellant ontwaart verder een schending van het motiveringsbeginsel omdat de directeur de tijdens het verhoor ingeroepen verweermiddelen niet in de motivering of besluitvorming heeft betrokken. Sinds 1 januari 1992 moeten alle administratieve rechtshandelingen met individuele strekking formeel worden gemotiveerd op grond van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Ook in de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde (B.S. 6 september 1995) wordt in artikel 13 eerste lid, eerste volzin bepaald dat de beslissingen tot toekenning van een recht, van een aanvullend recht, van de regularisatie van een recht of tot weigering van sociale prestaties met redenen (moeten) worden omkleed. De wet van 29 juli 1991 legt, in tegenstelling tot artikel 13 van het handvest van de sociaal verzekerde, de draagwijdte van de motiveringsplicht vast. In toepassing van artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 moeten de bestuurshandelingen van de besturen uitdrukkelijk worden gemotiveerd; de opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en de motivering moet afdoende zijn. Een afdoende motivering is een motivering die de sociaal verzekerde in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen. Met het begrip 'afdoende motivering' wordt een minder verregaande motivering beoogd dan deze bedoeld in artikel 149 van de Grondwet, dat een antwoord voor alle feitelijke en juridische argumenten oplegt; daar waar een rechter in beginsel verplicht is ritueel te antwoorden op elk middel dat een rechtzoekende opwerpt is dit niet het geval voor de overheid (Opdebeek, I., "De hoorplicht", in Opdebeek, I en Van Damme, M. (eds.), Beginselen van behoorlijk bestuur, Brugge, die Keure, 2006, 274 (nr. 367). In huidig geschil wordt in de bestreden beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau aangegeven op basis van welke concrete feitelijke gegevens en in toepassing van welke wettelijke bepalingen zij werd genomen zodat zij beantwoordt aan de vereisten van een 'afdoende' motivering. In het kader van de motiveringsplicht kan niet voorgehouden worden dat in de beslissing uitvoerig geantwoord moest worden op het verweer dat appellant had aangebracht tijdens zijn verhoor. De verwijzing in deze beslissing dat appellant gehoord werd alvorens zij werd genomen en de verwijzing naar de feiten en de wettelijke bepalingen waarop zij gesteund is volstaat. De verdediging ten aanzien van alle motieven (materiële motivering) kan gebeuren in de loop van de procedure. Tenslotte laat appellant gelden dat de directeur gehandeld heeft in strijd met de algemene zorgvuldigheidsnorm door enerzijds de beslissing niet binnen een redelijke termijn te nemen en anderzijds geen informatie te hebben verstrekt in verband met zijn rechten en plichten. De toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de redelijketermijneis en de voorlichtings- en informatieplicht, kan geen afwijking van de wet rechtvaardigen. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen niet leiden tot een negatie van het wettigheidsbeginsel. Anders dan de beginselen van behoorlijk bestuur is het wettelijkheidsbeginsel immers rechtstreeks gegrond op een grondwettekst, namelijk artikel 159 van de Grondwet, naar luid waarvan de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Met verwijzing naar een schending van de redelijketermijneis en de informatieplicht kan dienvolgens niet beslist worden dat appellant gerechtigd is op werkloosheidsuitkeringen indien niet voldaan is aan de wettelijke toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden (Cass., 29 november 2004, J.T.T., 2005, 104). Vanuit deze invalshoek beschouwd zijn bijgevolg de door appellant aangevoerde grieven i.v.m. een mogelijke schending van voornoemde beginselen van behoorlijk bestuur, en ongeacht of ze al dan niet feitelijk gegrond zijn, niet terzake dienend. Bovendien, en voor zoveel als nodig, dient te worden opgemerkt dat de sanctie voor het miskennen van de beginselen van behoorlijk bestuur een toepassing uitmaakt op de zorgvuldigheidsnorm vervat in de artikelen 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek, wat aanleiding zou kunnen geven tot schadeloosstelling voor bewezen schade wat door appellant in huidig geschil niet wordt gevorderd. 5.
  24. Toelaatbaarheidsvoorwaarden Appellant werd bij bestreden beslissing uitgesloten van het recht op uitkeringen vanaf 5 juni 1996 in toepassing van artikel 30 van het Werkloosheidsbesluit. Rekening houdende met het beperkt hoger beroep en bij gebreke aan incidenteel beroep vanwege geïntimeerde, is het bestreden vonnis definitief voor zover daarin beslist werd dat appellant vanaf 5 juni 1996 voldeed aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden zoals omschreven in artikel 30 van het Werkloosheidsbesluit. 5.
  25. Toekenningsvoorwaarden Appellant werd bij bestreden beslissing uitgesloten van het recht op uitkeringen vanaf 5 juni 1996 in toepassing van artikel 44 en 45 van het Werkloosheidsbesluit. Artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit bepaalt dat de werkloze, om uitkeringen te kunnen genieten, wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon moet zijn. Overeenkomstig artikel 46, §1 van het Werkloosheidsbesluit wordt als loon beschouwd: - het loon gewaarborgd door de wetgeving met betrekking tot de arbeidsovereenkomsten; - de vergoeding waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Uit de niet betwiste feitelijke gegevens blijkt: - dat appellant, na het faillissement van de N.V. Export-Expediteurs een opzeggingsvergoeding heeft ontvangen van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers voor de periode van 22 mei 1996 tot en met 4 december 1996 (stuk 19 administratief dossier: afrekening Sluitingsfonds aanvraag contractuele vergoedingen); - dat appellant vanaf 1 september 1996 tot en met 31 juli 1998 loon ontving ingevolge een tewerkstelling bij de N.V. L. S. In de periode vanaf 5 juni tot en met 31 juli 1998 is appellant niet zonder loon zodat hij in toepassing van artikel 44 voor deze periode terecht werd uitgesloten van het recht op uitkeringen. Na een verlofperiode van 1 augustus 1998 tot en met 24 augustus 1998 diende appellant opnieuw een aanvraag in tot werkloosheidsuitkeringen vanaf 25 augustus
  26. Bij bestreden administratieve beslissing werden de uitkeringen geweigerd omdat op het ogenblik van de uitkeringsaanvraag appellant nog een bestuurdersmandaat uitoefende. Het begrip arbeid wordt gedefinieerd in artikel 45 van het Werkloos-heidsbesluit. De wetgever onderscheidt twee soorten activiteit: 1° een activiteit verricht voor zichzelf die ingeschakeld is in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en niet beperkt is tot het gewone beheer van eigen bezit; 2° een activiteit verricht voor een derde waarvoor de werkman enig loon of materieel voordeel ontvangt dat tot zijn levensonderhoud of dat van zijn gezin kan bijdragen. Uit de voorgelegde feitelijke gegevens blijkt: - dat bij akte van notaris D. Van der Aa te Antwerpen van 28 juni 1996 de naamloze vennootschap L. S. A. werd opgericht door de heer Fernand Reinardts en appellant, waarvan het geheel geplaatst maatschappelijk kapitaal 1.250.000 BEF bedroeg, verdeeld in 100 aandelen met een nominale waarde van 12.500 BEF per aandeel; het aantal ingeschreven aandelen door Fernand Reinardts bedroeg 20 aandelen en door appellant 80 aandelen (stuk 14 bundel appellant: statuten L. S.); - dat het maatschappelijk doel van de vennootschap in de statuten als volgt wordt omschreven: aan- en verkoop van alle goederen; verzending in de ruimste zin; opereren van schepen; rederijaktiviteit; scheeps- en rivieragentuur, grensexpeditie, commissieverrichtingen, goederenopslag en alle gelijke, verwante en/of bijhorige verrichtingen; - dat bij algemene vergadering van 28 juni 1996 appellant benoemd werd tot bestuurder en gedelegeerd bestuurder (stuk 15 bundel appellant: benoeming van de heer L. als bestuurder bij L. S.); - dat appellant tijdens het verhoor van 22 maart 2001 verklaarde dat het bestuurdersmandaat onbezoldigd was (stuk 30 administratief dossier: formulier C30 verhoor); - dat na beëindiging van zijn bediendecontract bij aangetekend schrijven van 27 april 1998 door de N.V. L. S. er geen ontslag volgde als mandataris van de vennootschap. Overeenkomstig artikel 3, §1, vierde lid van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen worden personen benoemd tot mandataris in een aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet-inwoners onderworpen vennootschap of vereniging, op onweerlegbare wijze vermoed in België een zelfstandige beroepsbezigheid uit te oefenen. In uitvoering van deze bepaling wordt volgens artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van voormeld koninklijk besluit nr. 38, de uitoefening van een mandaat in een vennootschap naar rechte of in feite die zich met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt, (op onweerlegbare wijze) vermoed de uitoefening van een bedrijvigheid te zijn, die verzekeringsplicht aan het sociaal statuut der zelfstandigen met zich brengt. Een mandaat als bestuurder van een vennootschap maakt derhalve een activiteit uit verricht voor zichzelf die ingeschakeld kan worden in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en die niet beperkt is tot het gewone beheer van eigen bezit (in dezelfde zin Cass., 2 maart 1998, J.T.T. 1998, 202; Cass, 30 september 2002, J.T.T. 2003, 11; Cass. 3 januari 2005, A.R. nr. S.04.0091.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050103.7/1, www.juridat.be). Appellant laat gelden dat niet meer nuttig kan verwezen worden naar de arresten van het Hof van Cassatie van 30 september 2002 en 3 januari 2005 omdat in deze arresten nog geen rekening gehouden wordt met het arrest van het Arbitragehof van 3 november
  27. In dit arrest van het Arbitragehof (nummer 176/2004, rolnummer 2937), thans Grondwettelijk Hof genoemd sedert de Grondwetsherziening van 7 mei 2007 (Belgisch Staatsblad van 8 mei 2007), zegt het Hof voor recht: "Artikel 3, §1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de persoon die is benoemd tot mandataris in een aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet-inwoners onderworpen vennootschap of vereniging niet toestaat, wanneer die persoon in België een dergelijke vennootschap beheert, aan te tonen dat hij geen beroepsactiviteit uitoefent als zelfstandige in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38". Gelet op voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof kan appellant het bewijs leveren dat hij geen beroepsbezigheid uitoefende uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden was. Samen met het openbaar ministerie stelt het arbeidshof vast dat appellant faalt in deze bewijslast; de bewijsvoering van appellant blijft beperkt tot eigen beweringen, die echter met geen objectieve en controleerbare feitelijke elementen worden gestaafd; zo beweert appellant weliswaar dat de N.V. L. S. geen handelsactiviteiten meer ontplooide na zijn ontslag als werknemer, maar hiervan levert hij geen enkel bewijs noch enig begin van bewijs. Evenmin wordt een bewijs voorgebracht van zijn ontslag als mandataris van de vennootschap door middel van een akte bekendgemaakt in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad zodat hij als gedelegeerd bestuurder bekwaam was om in die hoedanigheid alle handelingen in rechte te stellen die inherent zijn aan de uitoefening van zijn mandaat. Terecht houdt appellant voor dat hem slechts tot op 6 juli 1999, zijnde datum van het faillissement van de N.V. L. S., het recht op uitkeringen kan ontzegd worden. Na de uitspraak van het faillissement werden alle activiteiten van deze vennootschap stopgezet (het tegendeel wordt alvast niet beweerd of aangetoond door geïntimeerde), zodat ook aan de activiteit als gedelegeerd bestuurder een einde kwam. Vermits er na deze datum geen zelfstandige nevenactiviteit meer bestond, was appellant vanaf 7 juli 1999 zonder arbeid en zonder loon en voldeed hij vanaf deze datum alleszins aan de toekenningsvoorwaarden. Er bestaat geen enkele rechtsgrond om voor de periode na 6 juli 1999 de werkloosheidsuitkeringen aan appellant te ontzeggen, daar hij vanaf dan geen nevenactiviteit meer kende en er bijgevolg ook geen verplichting meer tot voorafgaande aangifte bestond. Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, gedeeltelijk gegrond. 5.
  28. Administratieve sancties Bij bestreden beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen van 27 april 2001 werd appellant van het recht op uitkeringen vanaf 30 april 2001 uitgesloten gedurende een periode van 13 weken in toepassing van artikel 153 en gedurende een periode van 15 weken in toepassing van artikel 154 van het Werkloosheidsbesluit. Voormelde administratieve sancties in toepassing van artikel 153 en artikel 154 werden in het bestreden vonnis herleid tot respectievelijk zes weken met uitstel en twaalf weken met uitstel. Aangezien er geen incidenteel beroep door geïntimeerde werd ingesteld is het bestreden vonnis wat dit onderdeel betreft definitief. 5.
  29. Terugvordering Artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit bepaalt dat elke onrechtmatig ontvangen som dient te worden terugbetaald. In toepassing van artikel 7, §13, tweede en derde lid van de Besluitwet van 28 december 1944 verjaart het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen na drie jaar. Deze termijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist of bedrog. In de bestreden administratieve beslissing van 27 april 2001 vorderde geïntimeerde, in toepassing artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit, de ten onrechte genoten uitkeringen terug; de terugvordering werd ingevolge arglist of bedrog uitgebreid zodat de ten onrechte genoten uitkeringen werden teruggevorderd vanaf 5 juni
  30. Gelet op de strafrechtelijke vrijspraak, die inmiddels kracht van gewijsde heeft, staat het bedrieglijk inzicht van appellant niet vast zodat in casu geen toepassing kan gemaakt worden van de vijfjarige verjaringstermijn maar wel van de driejarige verjaringstermijn. Deze verjaringstermijn gaat in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling werd gedaan zodat, gelet op datum van de administratieve beslissing 27 april 2001, kan teruggevorderd worden tot 1 april
  31. In de beslissing tot terugvordering van 18 juni 2001 (stuk 33 administratief dossier: C 31 van 18 juni 2001) werd het bedrieglijk inzicht niet weerhouden en slechts teruggevorderd vanaf 25 augustus
  32. Gelet op de overwegingen in huidig arrest onder punt 5.4 inzake de toekenningsvoorwaarden dient de terugvordering ook beperkt te worden tot de ten onrechte ontvangen uitkeringen over de periode van 25 augustus 1998 tot en met 6 juli
  33. De uitsluiting van het recht op uitkeringen na laatst genoemde datum is zonder enige rechtsgrond. Appellant verzoekt om toepassing van artikel 169, tweede lid van het Werkloosheidsbesluit hetwelk bepaalt dat de terugvordering van de onrechtmatig ontvangen werkloosheidsuitkeringen kan beperkt worden tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning wanneer vaststaat dat de werkloze te goeder trouw was. Gelet op het basisprincipe dat elke onrechtmatig ontvangen som dient terugbetaald te worden moet de werkloze bewijzen dat hij te goeder trouw was toen hij onrechtmatig werkloosheidsuitkeringen ontvangen heeft (Cass., 10 september 1984, J.T.T., 1985, 57; Cass., 2 december 1985, T.S.R., 1986, 139). Ten onrechte wil appellant voorhouden dat het bewijs van zijn goede trouw volgt uit de strafrechtelijke vrijspraak. Uit een strafrechtelijke vrijspraak kan niet afgeleid worden dat de werkloze te goeder trouw was. De term 'goede trouw' in artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit heeft een geëigende betekenis, namelijk de afwezigheid van enige tekortkoming van de werkloze in de concrete relatie met de werkloosheidsregelgeving. De werkloze moet, op de wijze voorzien in de werkloosheidsreglementering, via zijn uitbetalingsinstelling, aangifte doen van de persoonlijke en familiale toestand en elke wijziging daarvan meedelen aan het bevoegde werkloosheidsbureau. Het formulier C1 bevat de vraag of de werkloze een zelfstandige activiteit of een bijberoep uitoefent of hulp verleent aan een zelfstandige. Appellant beantwoordde deze gestelde vraag op de formulieren C1 van 7 juni 1996 en 24 augustus 1998 (stukken 19 administratief dossier) negatief. Appellant kan bijgevolg moeilijk beweren dat hij niet tekort geschoten is aan zijn verplichtingen met betrekking tot de regelgeving bij zijn aangiftes en gedurende de periodes waarvoor hij onverschuldigde uitkeringen genoot. Indien appellant twijfels had omtrent het feit dat zijn activiteit als gedelegeerd bestuurder een zelfstandige nevenactiviteit was kon hij ofwel de gewenste inlichtingen inwinnen bij zijn uitbetalingsinstelling of bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Dit hof heeft meermaals overwogen in gelijkaardige betwistingen dat de ingeroepen onwetendheid omtrent de werkloosheidsreglementering niet kan aanvaard worden als bewijs van goede trouw omdat dit zou leiden tot een sociale onrechtvaardigheid; immers, de werkloze die geen aangifte deed van de uitoefening van een zelfstandige activiteit tijdens zijn werkloosheid en zich na een controle op onwetendheid beroept zou aan een totale terugvordering wegens goede trouw ontsnappen terwijl de werkloze die de verplichtingen getrouw nakomt, het recht op uitkeringen onmiddellijk verminderd ziet. Aangezien appellant niet het bewijs levert van zijn goede trouw kan de terugvordering van de onrechtmatig genoten uitkeringen niet beperkt worden tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning. Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, gedeeltelijk gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 22 maart
  34. Geen der partijen hebben gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het beperkt hoger beroep van appellant ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis uitgesproken op 15 mei 2006 in de openbare zitting van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen in zoverre: - het de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen van 27 april 2001 bevestigde inzake de uitsluiting van het recht op uitkeringen vanaf 5 juni 1996 in toepassing van artikelen 44 en 45 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 en de terugvordering van de ten onrechte genoten uitkeringen vanaf 5 juni 1996; - het de terugvorderingbeslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen van 18 juni 2001 bevestigde. Opnieuw recht doende. Hervormt de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen van 27 april 2001 waarbij appellant uitgesloten wordt van het recht op uitkeringen vanaf 5 juni 1996 in toepassing van artikelen 44 en 45 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 en de ten onrechte genoten uitkeringen teruggevorderd worden vanaf 5 juni 1996 Zegt voor recht: - dat appellant uitgesloten wordt van het recht op uitkeringen vanaf 5 juni 1996 tot en met 6 juli 1999 op grond van artikelen 44 en 45 van het koninklijk besluit van 25 november 1991; - dat geïntimeerde gerechtigd is de ten onrechte genoten uitkeringen terug te vorderen vanaf 25 augustus 1998 tot en met 6 juli
  35. Vernietigt de terugvorderingbeslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen van 18 juni 2001 waarbij de onrechtmatig ontvangen uitkeringen worden teruggevorderd van 25 augustus 1998 tot 31 maart 2001 en zegt voor recht dat appellant gehouden is de onrechtmatig ontvangen uitkeringen over de periode vanaf 25 augustus 1998 tot en met 6 juli 1999 terug te betalen; het bedrag van de terugvordering dient, na herberekening door geïntimeerde, aan appellant ter kennis te worden gebracht. Verwijst geïntimeerde, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van appellant op 145,76 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aan de zijde van geïntimeerde worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op tien mei tweeduizend en zeven door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, E. SCHERPEREEL, raadsheer in sociale zaken als werkgever, aangewezen bij beschikking van 10 mei 2007 van G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, die de eerste voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om G. VANKRUNKELSVEN, raadsheer in sociale zaken als werkgever, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen (artikel 779 Ger.W.), A. WOLPUT, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070510.13 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050103.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.