id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 01 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070601.5 Rolnummer: 2005-0840 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-09-04 Raadplegingen: 124 - laatst gezien 2026-07-02 15:43 Fiches 1 - 3 Gezien de toepassing van het fiscaal vermoeden dient de betrokkene die thuis notariële akten heeft ingeschreven in de registers van FOD Financiën voor rekening van de hypotheekbewaarder het tegenbewijs te leveren, namelijk dat zij geen zelfstandige was en gebonden door een arbeidsovereenkomst. De arbeidsgerechten beslissen op grond van de hen voorgelegde feitelijke gegevens of thuiswerkers arbeid verrichten in gelijkaardige omstandigheden als die van een arbeidsovereenkomst. Het is niet bewezen dat betrokkene haar werk onder gezag uitoefende. De hypotheekbewaarder heeft slechts de prestaties van zijn medewerkster georiënteerd. Het geven van richtlijnen door de hypotheekbewaarder is niet automatisch indicatief voor het bestaan van een band van ondergeschiktheid. In ieder geval kan betrokkene niet genieten van de verruiming van de R.S.Z.-wet : artikel 3 van het K.B. van 28 november 1969 geldt enkel voor handarbeiders. Bovendien moet worden vastgesteld dat de hypotheekbewaarder geen handelaar is. De betrokkene brengt ook geen elementen bij waaruit blijkt dat zij volgens de criteria in artikel 333, § 1 van de Programmawet van 27 december 2006 (arbeidsrelatiewet), haar werkzaamheden als overschrijver van akten zou uitgeoefend hebben in ondergeschikt verband. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Huisarbeiders Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - huisarbeiders - sociaal statuut - thuis inschrijven van notariële akten in opdracht van de hyptoheekbewaarder - geen arbeidsovereenkomst - II J Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 119.1 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Toepassingsgebied Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - algemene regeling - toepassingsgebied - personen - thuis inschrijven van notariële akten in opdracht van de hypotheekbewaarder - geen arbeidsovereenkomst - VII A Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - 3 - 01 ELI link Pub nr 1969112813 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige - Sociaal statuut - Toepassingsgebied Vrije woorden: Sociale zekerheid voor zelfstandigen - sociaal statuut - toepassingsgebied - thuis inschrijven van notariële akten in opdracht van de hypotheekbewaarder - geen arbeidsovereenkomst - VIII A Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-07-1967 - 3, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Nota: Gerangschikt onder II J - artikel 119.1, VII A - artikel 1 en onder VIII A - artikel 3, § 1 Tekst van de beslissing ARREST AR nr. 2050840 OPENBARE TERECHTZITTING VAN EEN JUNI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: C.N., wonende te ..., appellante, verschijnend bij mr. P. Dekeersmaeker, advocaat te Antwerpen, tegen: RIJKSINSTITUUT VOOR DE SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Jan Jacobsplein 6, doch woonst kiezend op het adres van zijn gewestelijke zetel te 2000 Antwerpen, Oudaan 8 - 10, geïntimeerde, verschijnend bij mr. F. Lambrechts, advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen d.d. 3 februari 2006, 3 november 2006 en 4 mei
- Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: - de dagvaarding uitgaande van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (kort: RSVZ), d.d. 23 december 2003 bij het ambt van gerechtsdeurwaarder J. Huybrechts, met standplaats te Antwerpen; - het op tegenspraak gewezen eindvonnis d.d. 12 september 2005 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (AR 364.169); - het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van C.N., d.d. 30 december 2005 neergelegd ter griffie van dit hof en regelmatig ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek; - de conclusie voor het RSVZ, ontvangen ter griffie van dit hof op 6 april 2006; - de conclusie voor C.N., ontvangen ter griffie van dit hof op 13 september
- Gelet op de regelmatige oproeping van partijen met toepassing van artikel 751 - 754 van het Gerechtelijk Wetboek voor de openbare terechtzitting van 4 mei
- De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 4 mei 2007, waarna de debatten werden gesloten en het hof de zaak in beraad nam.
- Ontvankelijkheid. Het hoger beroep werd regelmatig ingesteld naar vorm en termijn, en dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard.
- Feiten en voorgaande rechtspleging. Met inleidende dagvaarding d.d. 23 december 2003 bij het ambt van gerechtsdeurwaarder J. Huybrechts, met standplaats te Antwerpen, vorderde het RSVZ de veroordeling van C.N. tot betaling van achterstallige sociale bijdragen, verhogingen en kosten ten bedrage van 5.223,27 EUR over de periode van het eerste kwartaal van 1999 tot en met het vierde kwartaal van 2000 en vermeerderd met een verhoging van 3% per kwartaal op de som van 3.400,40 EUR vanaf 1 oktober 2001 tot het einde van het kwartaal voorafgaand aan datgene in de loop waarvan de dagvaarding werd betekend, de gerechtelijke intresten op 5.223,27 EUR en op de hiervoor beoogde verhogingen van 3% vanaf de datum van dagvaarding en de kosten van het geding. Verder vorderde het RSVZ de voorlopige tenuitvoerlegging van het tussen te komen vonnis. Tussen 1 januari 1999 en 19 december 2000 heeft C.N. thuis notariële akten ingeschreven in de registers van de FOD Financiën voor rekening van de hypotheekbewaarder van het hypotheekkantoor van Antwerpen. Zij heeft hieruit volgende inkomsten genoten: - 1999: 5.826,99 EUR - 2000: 6.619,40 EUR. Het RSVZ is de mening toegedaan dat zij een zelfstandige activiteit uitoefende omdat in casu niet werd gewerkt in gelijkaardige omstandigheden als die van een arbeidsovereenkomst en tevens op grond van het fiscaal vermoeden van artikel 3, § 1 van het KB nr. 38 van 27 juli
- C.N. diende een bezwaarschrift in met betrekking tot de inkomsten van 1999, doch dit werd door haar volledig en onvoorwaardelijk ingetrokken. Zij oefende volgens het RSVZ dan ook wel degelijk een zelfstandige activiteit uit. Mevrouw C.N. daarentegen is van oordeel dat zij haar arbeid verrichtte onder strikte instructies, binnen een strikte deadline en zij werd gecontroleerd door de hypotheekbewaarder en bezat geen enkel initiatiefrecht. Zij werkte aldus onder het gezag en het toezicht van de hypotheekbewaarder. Met eindvonnis d.d. 12 september 2005 verklaarden de eerste rechters de vordering van het RSVZ ontvankelijk en gegrond en veroordeelden C.N. om aan het RSVZ de som van 5.223,27 EUR te betalen, vermeerderd met een verhoging van 3% per kwartaal op de som van 3.400,40 EUR vanaf 1 oktober 2003, de gerechtelijke intresten op 5.223,27 EUR en op de hierboven beoogde verhogingen van 3% tot de dag der algehele betaling. C.N. werd veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding. De eerste rechters overwogen hierbij dat het overschrijvingswerk gebeurde onder zeer strikte richtlijnen en diende gedaan te worden binnen een vooraf bepaalde termijn, maar dat de hypotheekbewaarder geen verplichtingen oplegde van werkuren, verlofregeling, ziekte of ongeval. Wel bepaalde deze de vergoedingen eenzijdig. Uit dit laatste element kon volgens de eerste rechters echter niet worden afgeleid dat er "gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst" waren. Verder overwogen zij dat het overschrijven van notariële akten niet kan aanzien worden als "het bewerken van grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten", dat het inschrijven van akten wel kan aanzien worden als een "bewerking", doch dit element is onvoldoende om te spreken van een ondergeschikt verband. Tenslotte stelden ze nog dat een hypotheekbewaarder niet aanzien kan worden als een "handelaar". Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 30 december 2005, tekende C.N. hoger beroep aan tegen voornoemd eindvonnis. Zij blijft bij haar mening dat zij als werknemer werd tewerkgesteld en dit onder het statuut van huisarbeidster, maar zeker niet als zelfstandige.
- Eisen in hoger beroep. - C.N., appellante, vordert haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het betreden vonnis te vernietigen in alle beschikkingen en de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde als ongegrond af te wijzen. Tenslotte vordert appellante geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding. - Het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekering der Zelfstandigen (RSVZ), geïntimeerde, vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en tenslotte appellante te veroordelen tot de kosten van het geding.
- Beoordeling door het hof. 4.
- Tussen 1 januari 1999 en 19 december 2OOO heeft appellante thuis notariële akten ingeschreven in de registers van de FOD Financiën voor rekening van de hypotheekbewaarder van het hypotheekkantoor van Antwerpen waarvoor ze betaald werd aan een vast bedrag. Deze activiteit werd uitgeoefend zonder dat er tussen partijen een geschreven arbeidsovereenkomst werd opgesteld. Ieder persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent, die inkomsten kan opleveren bedoeld in artikel 23, § 1, 1° of 2°, of in artikel 30,2°, van het W.I.B.
(1992)wordt, overeenkomstig artikel 3, § 1, tweede lid, van het KB nr. 38 van 27 juli 1967, houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, geacht, tot bewijs van het tegendeel, die activiteit als zelfstandige te hebben uitgeoefend. Dit weerlegbaar vermoeden is ten deze toepasselijk nu appellante de litigieuze inkomsten in haar aangiften in de personenbelasting zelf aangaf als inkomsten uit een zelfstandige activiteit en zij als dusdanig werd belast. Tegen de aanslag over het aanslagjaar 2000 tekende appellante op 6 februari 2002 weliswaar bezwaar aan, doch zonder enige grief aan te voeren tegen de wijze van taxatie. Zij voerde louter aan destijds niet op de hoogte te zijn gebracht van het feit dat er belastingen dienden te worden betaald op deze inkomsten. Dit bezwaarschrift werd door appellante in een verklaring van 10 juni 2002 onvoorwaardelijk ingetrokken, hetgeen resulteerde in een directoriale beslissing dd. 10 juni 2002 waarbij de afstand werd aanvaard. Nu uit het voorgaande volgt dat het fiscaal vermoeden van artikel 3, § 1, tweede lid, in casu toepasselijk is, gaat appellante er in haar conclusie ten onrechte van uit "dat het aan geïntimeerde is en niet aan haar om te bewijzen dat zij ressorteerde onder het sociaal statuut der zelfstandigen." Appellante dient bijgevolg het tegenbewijs te leveren dat zij door een arbeidsovereenkomst verbonden was en de activiteit niet heeft uitgeoefend als zelfstandige. 4.
- Appellante houdt voor dat zij geenszins als zelfstandige maar wel als werknemer was tewerkgesteld en dit onder het statuut van huisarbeider. Zij stelt te ressorteren onder de bepalingen van artikel 119.1 van de arbeidsovereenkomstenwet welke de huisarbeiders omschrijft als de werknemers die tegen loon arbeid verrichten onder gezag van een werkgever in hun woonplaats of op elke andere door hen gekozen plaats zonder dat zij onder het toezicht of de rechtstreekse controle van deze werkgever staan. Voorts verwijst appellante terloops naar artikel 3, 4° van het KB van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, dat de toepassing van de R.S.Z.-wet verruimt tot "de personen die, op een door hen gekozen plaats in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerken die een of verschillende handelaars hen hebben toevertrouwd en die alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen, alsmede tot die handelaars." Beide bepalingen nopen het hof ertoe na te gaan of appellante als huisarbeider tewerkgesteld was in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst. Zoals alle arbeidsovereenkomsten wordt de overeenkomst van huisarbeiders gekenmerkt doordat enerzijds de werknemer onder het gezag van een werkgever arbeid verricht en anderzijds door de betaling van een loon in ruil voor de prestaties van de werknemer. Huisarbeid wordt echter niet noodzakelijk verricht binnen een arbeidsovereenkomst: het is ook hier de band van ondergeschiktheid die toelaat de huisarbeiders te onderscheiden van zelfstandigen die hun beroep thuis uitoefenen (P. TIERENS en I. VERREYT, Arbeidsovereenkomstengids, Antwerpen, 2004, nr. 1082). De arbeidsgerechten beslissen op grond van de hen voorgelegde feitelijke gegevens of thuiswerkers arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst; die feitelijke beoordeling valt in beginsel buiten het toezicht van het Hof van Cassatie (Cass., 8 januari 1996, A.R. nr. S.95.0063.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960108.6, A.C., 1996, nr. 14). Om uit te maken of thuiswerkers arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst, en dus onderworpen zijn aan de R.S.Z.-wet, mag de rechter volgens vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie evenwel geen rekening houden met gegevens die niets te maken hebben met de voorwaarden en de omstandigheden waarin de arbeid wordt verricht, hetgeen door dat Hof kan worden getoetst (Cass., 8 januari 1996, A.R. nr. S.95.0063.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960108.6, A.C., 1996, nr. 14; Cass., 10 oktober 1983, A.R. nr. 3962, A.C., 1983-84, nr. 80; Cass., 9 april 1979, 1978-79, 944). Zo oordeelde het Hof van Cassatie reeds dat de rechter ten onrechte rekening hield met de aansluiting bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen (arrest dd. 10 oktober 1983), terwijl in een andere casus werd geoordeeld dat de rechter wel rekening mocht houden met "de feiten dat verweerster niet verplicht was werk te verschaffen en dat de thuiswerker niet verplicht was een werk te aanvaarden" (arrest dd. 8 januari 1996). De eerste rechters hebben dan ook terecht dit laatste criterium getoetst en konden op grond van de in het bestreden vonnis aangehaalde elementen wettig oordelen dat niet aangetoond wordt "dat er een regeling heeft bestaan waarbij de hypotheekbewaarder verplicht was om werk te verschaffen, zomin dat verweerster verplicht was om het aangeboden werk te aanvaarden". De algemene regels van de arbeidsovereenkomstenwet (AOW) zijn in beginsel van toepassing op de huisarbeiders, behoudens voor die punten waarop de wet een afwijking inhoudt (cfr. de regels inzake de schorsing van de uitvoering van de overeenkomst vervat in de artikelen 70 t.e.m. 77 voor de huisarbeiders die in hoofdzaak intellectuele arbeid verrichten). Appellante toont niet aan bij de uitvoering van haar door de hypotheekbewaarder toevertrouwde opdrachten aan deze regels onderworpen te zijn geweest. De eerste rechters hebben in dit verband pertinent vastgesteld dat de hypotheekbewaarder geen verplichtingen oplegde inzake verlofregeling, ziekte of ongeval. Nochtans onderwerpt de AOW de huisarbeiders aan een strengere controle in geval van arbeidsongeschiktheid (cfr. art. 119.9, 1° en 2°, AOW). Uit de door appellante bijgebrachte verklaringen kan niet worden afgeleid dat zij haar werk onder gezag uitoefende. Zulks kan evenmin worden afgeleid uit het gegeven dat zij strikte instructies ontving vanwege de hypotheekbewaarder hoe het werk diende te worden uitgevoerd, evenmin als uit de omstandigheid dat het werk telkens diende gedaan te zijn binnen de door de hypotheekbewaarder vooropgestelde deadline. Aldus heeft de hypotheekbewaarder slechts de prestaties van zijn zelfstandige medewerkster georiënteerd; "Ook aan zelfstandigen kunnen immers nauwkeurige instructies, verregaande controles en sancties worden opgelegd." (P. TIERENS en I. VERREYT, o.c., nr. 24; A. VAN REGENMORTEL, Het onderscheid tussen werknemer en zelfstandige, in J. VAN STEENBERGHE en A. VAN REGENMORTEL, Actuele problemen van het socialezekerheidsrecht, Brugge, Die Keure, 1995, 71, en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer; K. VAN DEN LANGENBERGH, Schijnzelfstandigen of oneigenlijke werknemers, federaal ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, 1999, p. 89; R. BLANPAIN, Ondergeschikt verband: de sleutel op de deur van het arbeidsrecht, T.S.R., bijz. nr., 20 jaar arbeidsovereenkomstenwet, 1998, p. 184; I. PLETS, Uitlenen van personeel: mogelijkheden en beperkingen, in Actuele problemen van het arbeidsrecht 6, Intersentia Rechtswetenschappen, 2001, p; 504, nr. 22). In de mate waarin de zelfstandige, zoals in voorliggend geval, een resultaatverplichting op zich neemt, kunnen algemene onderrichtingen, verplichtingen en richtlijnen verenigbaar zijn met een aannemingsovereenkomst indien zij het gevolg zijn van de aard van de uitgeoefende activiteit of indien zij noodzakelijk zijn met het oog op de verwezenlijking van een vastgesteld resultaat. (H. VAN HOOGENBEMT, Zelfstandigheid en schijnzelfstandigheid na de Programmawet (I) van 27 december 2006, Oriëntatie 3, maart 2007, p. 57, in fine). In deze omstandigheden zijn praktijken zoals het geven van richtlijnen hoe de akten dienen te worden ingeschreven en tegen welke deadline niet automatisch kenmerkend voor een band van ondergeschiktheid. Appellante faalt in haar bewijslast de haar toevertrouwde taken, waarvoor zij telkens tegen een vast bedrag werd vergoed, te hebben uitgevoerd in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst. 4.
- Met de eerste rechters neemt het hof bovendien aan dat akten en boeken waarin werd overgeschreven, niet kunnen beschouwd worden als "grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten", in de zin van artikel 3, 4°, van het KB van 28 november
- De regeling waarin dat artikel voorziet geldt overigens alleen voor de manuele huisarbeiders die grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerken (P. TIERENS en I. VERREYT, o.c., nr. 11O4). De hypotheekbewaarder kan bovendien niet aanzien worden als een "handelaar" in de zin van deze wetsbepaling. 4.
- Zoals blijkt uit het zittingsblad d.d. 4 mei 2007 hebben de partijen de gelegenheid gekregen zich uit te spreken over de toepassing van de Programmawet (I) van 27 december 2006, BS, 28 december 2006, ed. 3, p. 75.178, op onderhavige betwisting. De relevante artikelen 331, 332, en 333 zijn reeds in werking getreden op 1 januari 2007 (cfr. art. 343 van de wet bepaalt de inwerkingtreding op "de eerste dag van de maand na de maand waarin zij in het BS is verschenen"). Artikel 333 somt vier algemene criteria op die het mogelijk maken het bestaan of de afwezigheid van een gezagsband te beoordelen (cfr. hierna onder de randnrs. 4.4.
- t.e.m. 4.4.4). De wetgever benadrukte daarbij uitdrukkelijk dat het zijn bedoeling lag om de vaste rechtspraak terzake, waaronder die van het Hof van Cassatie, te formaliseren (Parl. Doc., Kamer, 2006-2007, 51 - 2773/001,205). 4.4.
- De wil der partijen zoals die in hun overeenkomst werd uitgedrukt, voor zover deze laatste overeenkomstig de bepalingen van artikel 331 wordt uitgevoerd. De wilsautonomie blijft dus, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie, de regel. De partijen behouden derhalve een keuzevrijheid, voor zover zij daarbij geen imperatieve wetten schenden en voor zover zij hun overeenkomst ook uitvoeren rekening houdend met de gemaakte keuze. Zij dienen dan ook de gevolgen van hun keuze ten volle te aanvaarden (cfr. Cass., 23 december 2002, J.T.T., 2003, 271; Cass., 8 december 2003, J.T.T., 2004, 123; Cass., 28 april 2003, www.cass.be; Cass., 22 mei 2006, www.cass.be). Hebben de partijen, zoals in voorliggende zaak, geen overeenkomst opgesteld, moet de rechter noodzakelijkerwijs de aard van de samenwerking tussen de partijen bepalen aan de hand van al de feitelijke elementen van het dossier. Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt evenwel dat de aldus gevolge indiciënmethode slechts kan worden bijgetreden in de mate waarin zij zich exclusief steunt op juridische criteria die het bestaan van ondergeschiktheid aantonen (H. VAN HOOGENBEMT, o.c., p. 54). Het hof stelt vast dat uit de feitelijke gegevens blijkt dat partijen niet de bedoeling hebben gehad hun samenwerking aan te gaan in de vorm van een arbeidsovereenkomst. Zo blijkt uit het attest van de hypotheekbewaarder dd. 4 april 2003 expliciet dat appellante haar werkzaamheden op zijn kantoor uitoefende als "zelfstandige overschrijver van akten " (cfr. stukken geïntimeerde). In haar schrijven van 4 april 2003 gericht aan geïntimeerde stelt appellante zelf geen zelfstandige beroepsactiviteit meer uit te oefenen tot eind 2000 (cfr. stukken geïntimeerde). Uit het door appellante op 5 december 2001 ingevulde inlichtingsblad blijkt dat zij het vak II "Inlichtingen met betrekking tot de inkomsten belast als zelfstandige of als helper in 1999" ingevuld heeft zonder de vooropgestelde kwalificatie van de inkomsten te betwisten. De aard van deze inkomsten werd door appellante omschreven als "ereloon of vacatiegeld". Bovendien heeft appellante, zoals hoger gezegd, in haar aangifte in de personenbelasting over het aanslagjaar 2000 de inkomsten zelf aangegeven als inkomsten uit een zelfstandige activiteit, terwijl zij in haar bezwaarschrift, dat uiteindelijk werd ingetrokken, de kwalificatie van deze inkomsten niet eens betwistte. Terzake mag niet uit het oog worden verloren dat overeenkomstig artikel 333, § 3, van de wet "de wijze waarop de inkomsten bij de fiscale administratie worden aangegeven", op zichzelf genomen, niet bij machte is om de arbeidsrelatie adequaat te kwalificeren. Zelfs als dit element geen separaat criterium kan vormen, kan het niettemin toch inzicht geven in de bedoeling van de partijen, zeker wanneer er geen schriftelijke kwalificatie gebeurde. Het bedoelde element wordt daardoor geen afzonderlijk criterium, maar enkel een middel om, naast andere middelen, te peilen naar de wil van de partijen (H. VAN HOOGENBEMT, o.c., p. 56). Uit de bovenstaande elementen volgt dat partijen duidelijk de bedoeling hebben gehad appellante op zelfstandige basis tewerk te stellen. 4.4.
- De vrijheid van organisatie van de werktijd. Zoals tijdens de parlementaire voorbereiding werd benadrukt, moet dit criterium in concreto worden beoordeeld in functie van de concrete arbeidsrelatie (Parl. Doc., Kamer, 2006-2007, 51-2773/001, 216; H. VAN HOOGENBEMT, o.c., p. 57 en 58). In dit verband weze opgemerkt dat de in beginsel flexibele huisarbeider zich in een geheel verschillende situatie bevindt dan de andere werknemers nu rechtstreeks toezicht en controle van de opdrachtgever ontbreken. Bovendien zijn de regels over de zondagsrust, de arbeidsduur, de nachtarbeid, het naleven van de uurroosters, de rusttijden en de pauzes niet van toepassing op de huisarbeiders. Uit de omstandigheid dat appellante over een grote vrijheid beschikte om haar werktijd vrij te organiseren, kan bijgevolg niet ipso facto worden afgeleid dat zij haar activiteit als zelfstandige heeft uitgeoefend. Anderzijds volgt uit het gegeven dat appellante haar opdrachten telkens diende uit te voeren tegen een door de hypotheekbewaarder vooropgestelde "deadline", niet dat haar arbeidsrelatie noodzakelijk in ondergeschikt verband werd uitgeoefend (cfr. zie hoger onder nr. 4.2). Zoals hoger reeds gesteld hebben de eerste rechters inzake de organisatie van de werktijd pertinent vastgesteld dat de hypotheekbewaarder geen verplichtingen oplegde inzake verlofregeling, ziekte of ongeval. Nochtans onderwerpt de AOW de huisarbeiders aan een strengere controle in geval van arbeidsongeschiktheid (cfr. art. 119.9, 1° en 2°, AOW). Zulks wijst er op dat de activiteit door appellante werd uitgeoefend op zelfstandige basis. 4.4.
- De vrijheid van organisatie van het werk. Het al dan niet beschikken over de vrijheid om het werk te organiseren behoort eveneens tot de algemene criteria om uit te maken of er al dan niet een band van ondergeschiktheid bestaat. Ook dit criterium moet met omzichtigheid worden benaderd, nu ook de in loonverband werkende huisarbeider door de omstandigheid dat hij thuis werkt, over de mogelijkheid beschikt zijn werk min of meer vrij te organiseren. Uit het gegeven dat appellante strikte instructies ontving vanwege de hypotheekbewaarder hoe het werk diende te worden uitgevoerd, kan anderzijds niet worden afgeleid dat zij haar werk in ondergeschikt verband of onder gezag uitoefende (cfr hoger, onder nr. 4.2.). Zo kunnen wettelijke of reglementaire verplichtingen op het vlak van organisatie of werking, zoals in casu de verplichting de akten op de voorgeschreven wijze in te schrijven, op zich niet worden beschouwd als aanwijzingen voor het bestaan van een band van ondergeschiktheid (H. VAN HOOGENBEMT, o.c., p. 58). Appellante, die voorts volledig vrij was om haar werk te organiseren, toont niet aan dat zij op het vlak van de organisatie van het werk haar werkzaamheden van overschrijver van akten in ondergeschikt verband zou hebben uitgeoefend. 4.4.
- De mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen. Over het algemeen is de mogelijkheid om te worden gecontroleerd of onder toezicht te staan, ongeacht of deze controle al dan niet daadwerkelijk wordt uitgeoefend, een aanwijzing voor het bestaan van een band van ondergeschiktheid. Wanneer de controle en het toezicht worden gekenmerkt door de macht van één van de partijen om de andere echte tuchtsancties op te leggen is er sprake van een arbeidsrelatie in loonverband (Parl. Doc., Kamer, 2006-2007, 51-2773/001, 218; H. VAN HOOGENBEMT, o.c., p. 58). Appellante toont niet aan dat zulks in casu het geval was. Zij brengt evenmin elementen bij die erop wijzen dat zij in de loop van de uitvoering van haar werkzaamheden als overschrijver van akten aan een hiërarchische controle vanwege de hypotheekbewaarder was onderworpen. Nu appellante ingevolge haar werkzaamheden als overschrijver een resultaatverplichting op zich nam, is de eindcontrole door de hypotheekbewaarder of het geleverde werk wel volgens de vooropgestelde richtlijnen werd uitgevoerd, louter het gevolg van de aard van de uitgeoefende activiteit en aldus niet automatisch kenmerkend voor een band van ondergeschiktheid. Uit niets blijkt overigens dat appellante verplicht was het door de hypotheekbewaarder aangeboden werk te aanvaarden. 4.4.
- Het hof besluit dan ook dat appellante geen elementen bijbrengt waaruit blijkt dat zij volgens de criteria vastgelegd in artikel 333, § 1, van de Programmawet (I) van 27 december 2006, haar werkzaamheden als overschrijver van akten zou hebben uitgeoefend in ondergeschikt verband. Het hof stelt bijgevolg vast dat appellante het op haar overeenkomstig artikel 3, § 1, van het KB nr. 38 rustend tegenbewijs niet heeft geleverd, zodat het hoger beroep ongegrond voortkomt en het bestreden vonnis dient bevestigd. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 12 september 2005 (AR 364.169). Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van appellante in toepassing van artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek. Vereffent deze kosten aan de zijde van appellante op 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding, en aan de zijde van geïntimeerde eveneens op 291,52 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken door de vijfde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van een juni tweeduizend en zeven, waar aanwezig waren: M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer, J. VERHAVERT, raadsheer, J. LEROY, raadsheer in sociale zaken als zelfstandige, P. DEVOCHT, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070601.5 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960108.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div