id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 01 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070601.6 Rolnummer: 1999-0827 Rechtsgebied: Strafrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-09-11 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 15:43 Fiches 1 - 2 Het louter handelen van de sociale verzekeringskas in uitvoering van haar opgedragen wettelijke taak in toepassing van het K.B. nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, waaronder het innen van bijdragen van hun aangeslotenen en de eventuele gerechtelijke invordering ervan, kan geen fout uitmaken die aanleiding geeft tot het betalen van een schadevergoeding overeenkomstig artikel 1382 B.W. Het handelen van de sociale verzekeringskas kan slechts als foutief worden aanzien wanneer het optreden kan beschouwd worden als een afwijkende handelswijze die beoordeeld dient te worden uitgaande van het criterium van een normaal zorgvuldige administratieve overheid geplaatst in dezelfde omstandigheden. Dit is in casu niet het geval aangezien het aanslepen van de zaak uitsluitend te wijten is aan de sociaal verzekerde zelf. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Misdrijven - Algemeen Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - burgerlijk wetboek - misdrijen en oneigenlijke misdrijven - sociaal statuut zelfstandigen - vertraging - normaal handelen van de sociale verzekeringskas is geen fout - I B Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1382 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Nota: Gerangschikt onder I B - artikel 1382 en onder VIII A - artikel 5 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige - Sociaal statuut - Verplichtingen Vrije woorden: Sociale zekerheid voor zelfstandigen - sociaal statuut - de verplichtingen - de inning der bijdragen - vertraging - normaal handelen van de sociale verzekeringskas is geen fout - VIII A Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 38 - 27-07-1967 - 15 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Koninklijk Besluit - 38 - 19-12-1967 - 14 - 01 ELI link Pub nr 1967121910 Nota: Gerangschikt onder I B - artikel 1382 en onder VIII A - artikel 15 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 990827 OPENBARE TERECHTZITTING VAN EEN JUNI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: D. G., appellant op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, op de zitting vertegenwoordigd door mr. F. H., loco mr. B. V., advocaat te 2550 Kontich, tegen: vzw Sociaal Verzekeringsfonds ACERTA, voorheen vzw Algemene Sociale Kas voor Zelfstandigen, met zetel gevestigd te 2610 Wilrijk, Sneeuwbeslaan 20, geïntimeerde op hoofdberoep, appellante op incidenteel beroep, op de zitting vertegenwoordigd door mr. G. L., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Rechtsplegingsstukken Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 3 september 1999, 6 februari 2004, 2 december 2005, 2 juni 2006, 2 februari 2007, 2 maart 2007 en 4 mei 2007; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 22 maart 1999 (A.R. 140.765 + A.R. 176.829); - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 16 juli 1999; - de 'beroepsconclusie' voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 24 juli 2003; - de 'beroepsbesluiten' voor appellant, neergelegd op de griffie van dit hof op 13 november 2003; - de 'aanvullende conclusie in beroep' voor appellant, ontvangen op de griffie van dit hof op 10 januari 2006; - de 'tweede beroepsconclusie' voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 26 mei 2006; - de 'tweede aanvullende conclusie in hoger beroep met synthese' voor appellant, ontvangen op de griffie van dit hof op 5 oktober 2006; - de 'derde beroepsconclusies' voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van dit hof op 25 april 2007; - de 'vierde conclusie in beroep' voor appellant, neergelegd op de griffie van dit hof op 26 april 2007; Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van: - de bundel van de raadsman van appellant bestaande uit 6 genummerde stukken (ontvangen op de griffie van dit hof op 16.11.2005) + een kopie uit het rechtskundig weekblad van het arrest van het arbeidshof te Gent - 4de kamer - 3 december 2004 (neergelegd op de openbare terechtzitting van dit hof op 4.5.2007); - de bundel van de raadsman van geïntimeerde bestaande uit 10 genummerde stukken (neergelegd op de griffie van dit hof op 10.11.2005) + fiches i.v.m. afrekening van de verschuldigde bedragen (neergelegd op de openbare terechtzitting van dit hof op 4.5.2007). Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 2 februari 2007, 2 maart 2007 en 4 mei
- Daarna zijn de debatten gesloten en is de zaak in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep en het incidenteel beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 16 juli 1999, tekende D. G. hoger beroep aan tegen een vonnis uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 22 maart
- Er wordt geen akte van betekening van het vonnis voorgebracht en de ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. Met conclusies ontvangen op de griffie van dit hof op 24 juli 2003 stelt geïntimeerde incidenteel beroep in tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 22 maart
- Dit incidenteel beroep is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging D. G. vestigde zich op 3 juli 1980 als zelfstandige automonteur en sloot zich per 3 juli 1980 aan bij de vzw Algemene Sociale Kas voor Zelfstandigen, afgekort ASKZ. Met dagvaarding van 20 februari 1985 vorderde de vzw ASKZ lastens D. G. betaling van 188.329 frank ten titel van achterstallige bijdragen sociaal statuut der zelfstandigen m.b.t. het derde en vierde kwartaal 1980, eerste kwartaal 1981, vierde kwartaal 1983 en het jaar 1984, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op een bedrag van 187.966 frank en met de gedingkosten. De zaak werd bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen ingeschreven in de algemene rol onder het nummer 140.
- Op 23 mei 1995 heeft de vzw ASKZ een regularisatiestaat opgesteld over periode derde kwartaal 1980 tot en met vierde kwartaal 1984 ten gevolge van wijziging van inkomsten (stuk 3 bundel geïntimeerde: regularisatiestaat sociaal statuut). Bij besluiten, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 17 november 1995, heeft de vzw ASKZ haar vordering herleid tot een bedrag van 55.627 frank te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op 60.447 frank vanaf 20 februari 1985 tot en met 11 mei 1995 en op 55.264 frank vanaf 12 mei 1995 en de gedingkosten (dagvaardingskosten 2.277 frank + 7.200 frank rechtsplegingsvergoeding). Bij besluiten, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 8 juli 1996, vorderde D. G. bij tegeneis de vzw ASKZ te veroordelen: - in afgifte van de bijdragebon derde kwartaal 1980 tot en met vierde kwartaal 1984 en dit op straffe van een dwangsom van 1.000 frank per dag, per document na betekening van het tussen te komen vonnis; - tot de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op 7.200 frank rechtsplegingsvergoeding. Met dagvaarding van 3 maart 1998 vorderde de vzw ASKZ lastens D. G. betaling van 441.325 frank ten titel van achterstallige bijdragen sociaal statuut der zelfstandigen m.b.t. het eerste kwartaal 1981 tot en met het vierde kwartaal 1983 en het eerste kwartaal 1985 tot en met het vierde kwartaal 1987, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op een bedrag van 440.541 frank en met de gedingkosten. De zaak werd bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen ingeschreven in de algemene rol onder het nummer 174.
- Bij vonnis uitgesproken op 19 april 1988 door de negende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen werd D. G. bij verstek veroordeeld om aan de vzw ASKZ te betalen de som van 441.325 frank, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op 440.541 frank. Tevens werd D. G. veroordeeld tot de kosten van het geding. Bij akte van verzet, op 25 mei 1988 betekend aan de vzw ASKZ door gerechtsdeurwaarder G. Timmermans, tekende D. G. verzet aan tegen het vonnis bij verstek gewezen op 19 april 1988 door de negende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen. Bij besluiten, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 17 november 1995, herleidde de vzw ASKZ haar vordering tot een bedrag van 184.996 frank, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op 206.068 frank vanaf 3 maart 1988 tot en met 11 mei 1995 en op 184.614 frank vanaf 12 mei 1995 en met de gedingkosten. Bij vonnis uitgesproken op 22 maart 1999 door de negende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen werd, na samenvoeging van de vorderingen ingeschreven onder algemene rolnummers 140.765 en 176.829 : - het verzet ontvankelijk verklaard; - de samengevoegde vordering wegens verjaring gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard, meer bepaald voor het tweede tot en met het vierde kwartaal 1981 en het jaar 1982, en voor het overige ontvankelijk; - in de zaak ingeschreven onder algemene rolnummer 140.765 D. G. veroordeeld om aan de vzw ASKZ te betalen de som van 55.627 frank, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op een bedrag van 60.447 frank vanaf 20 februari 1985 tot 11 mei 1995 en op 55.264 frank vanaf 12 mei 1995 en met de gedingkosten; - in de zaak ingeschreven onder algemene rolnummer 176.829 D. G. veroordeeld om aan de vzw ASKZ te betalen de som van 132.587 frank, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op 154.041 frank vanaf 3 maart 1988 tot 11 mei 1995 en op 132.205 frank vanaf 12 mei 1995 en met de gedingkosten; - het vonnis uitvoerbaar verklaard. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 16 juli 1999, tekende D. G. hoger beroep aan tegen voormeld vonnis. Bij statutenwijziging van 4 december 2000 (B.S. 1 februari 2001) werd de benaming van de vzw ASKZ gewijzigd in Acerta Sociaal Verzekeringsfonds. Bij beroepsconclusie van 22 juli 2003 stelde de vzw Acerta Sociaal Verzekeringsfonds incidenteel beroep in tegen voormeld vonnis.
- Eisen in hoger beroep D. G. (appellant) vordert: - het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis a quo gedeeltelijk te vernietigen; - recht doende op de oorspronkelijke vordering A.R. 140.765, deze vordering toelaatbaar doch ongegrond te verklaren; - dienvolgens het Sociaal Verzekeringsfonds ervan af te wijzen en te zeggen voor recht dat D. G. tot en met het vierde kwartaal 1984 een saldo in zijn voordeel had van 2.511,01 euro; - het Sociaal Verzekeringsfonds vzw Acerta te veroordelen tot de kosten van de procedure A.R. 140.765, aan de zijde van D. G. begroot op 218,64 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; - recht doende op de oorspronkelijke vordering A.R. 176.829, deze toelaatbaar doch slechts gedeeltelijk gegrond te verklaren met name ten belope van 1.932,45 euro, hetzij 2.464,88 euro (bijdrage verhoging inbegrepen); - te zeggen voor recht dat de vordering van geïntimeerde verminderd/gecompenseerd moet worden met de bekomen vrijstelling ten belope van 1.615,08 euro; - D. G. eveneens het voordeel te verlenen van de afkortingen; - gelet op de aanzienlijke vermindering van de vordering van geïntimeerde, de vzw Acerta te veroordelen tot een gedeelte van de kosten van het geding, aan de zijde van D. G. begroot op 218,64 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; - te zeggen voor recht dat de wapengelijkheid en de rechten van de verdediging geschonden worden door de vzw Acerta na 20 jaar vooralsnog toe te laten haar eis samen te stellen en te bewijzen; - de vzw Acerta te veroordelen in betaling van een som van 5.000 euro meer de gerechtelijke intresten; - de vzw Acerta te veroordelen in betaling van 1,00 euro provisioneel advocaatkosten. Vzw Acerta (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep als ongegrond af te wijzen; - recht doende op het incidenteel beroep, dit ontvankelijk en gegrond te verklaren; - rekening houdend met dit incidenteel beroep D. G. te veroordelen tot betaling aan de vzw Acerta van volgende bedragen: * in de zaak ingeleid bij dagvaarding van 20 februari 1985 (A.R. 140.765) een bedrag van 13.639 frank dit is 338,10 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding zoals begroot door de eerste rechter; * in de zaak ingeleid met dagvaarding van 3 maart 1988 (A.R. 176.829) een bedrag van 184.996 frank dit is 4.585,93 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding zoals begroot door de eerste rechter; - D. G. te veroordelen tot de kosten van hoger beroep, aan de zijde van de vzw Acerta begroot op 285,57 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
- Ten gronde 5.
- Bijdragen sociaal statuut der zelfstandigen 5.1.
- Dagvaarding van 20 februari 1985 Met dagvaarding van 20 februari 1985 vorderde de vzw ASKZ de betaling van volgende bijdragen: - derde kwartaal 1980: 12.707 BEF - vierde kwartaal 1980: 13.444 BEF - eerste kwartaal 1981: 2.031 BEF - vierde kwartaal 1983: 15.914 BEF - eerste kwartaal 1984: 37.907 BEF - tweede kwartaal 1984: 36.642 BEF - derde kwartaal 1984: 35.335 BEF - vierde kwartaal 1984: 33.986 BEF ____________ Totaal 187.966 BEF Aanmaningskosten 363 BEF ____________ Algemeen totaal 188.329 BEF Voormelde bijdragen werden berekend op de inkomsten van het refertejaar 1981, zijnde het eerste volledige jaar van zelfstandige activiteit, aanvankelijk bepaald op 667.705 BEF. Ingevolge een fiscale betwisting werden de inkomsten voor het refertejaar 1981, in uitvoering van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 6 april 1993, bepaald op 220.629 BEF (stuk 2 bundel ASKZ: schrijven administratie directe belastingen - controle Antwerpen 2, van 12 mei 1995). Wat betreft de bijdragen die het voorwerp uitmaken van de dagvaarding van 20 februari 1985 had dit voor gevolg dat de vordering voor het derde en het vierde kwartaal 1980 en het eerste kwartaal 1981 wegviel omdat dit regularisatiebijdragen betrof die ten gevolge van de verlaging van de beroepsinkomsten en na herberekening van de bijdragen waren weggevallen. De bijdragen voor het vierde kwartaal 1983 en het jaar 1984 werden verminderd. Overeenkomstig de regularisatiestaat van 23 mei 1995 blijft nog verschuldigd (stuk 3 bundel ASKZ: regularisatiestaat bijdragen 3/80 tot 4/84): - vierde kwartaal 1983 : 12.753 BEF - eerste kwartaal 1984: 12.552 BEF - tweede kwartaal 1984: 12.161 BEF - derde kwartaal 1984: 11.728 BEF - vierde kwartaal 1984: 11.253 BEF __________ Totaal 60.447 BEF Aanmaningskosten (zie dagvaarding): 363 BEF __________ Algemeen totaal: 60.810 BEF Dit bedrag dient nog te worden verminderd met het tegoed voor volgende kwartalen: - derde kwartaal 1980: betaald: 9.307 BEF verschuldigd: -7.274 BEF _________ tegoed: 2.033 BEF - vierde kwartaal 1980: betaald: 9.846 BEF verschuldigd: -7.696 BEF _________ tegoed: 2.150 BEF Algemeen tegoed : 2.033 BEF + 2.150 BEF = 4.183 BEF. Ingevolge een aanvraag tot vrijstelling van bijdragen van 18 november 1996 heeft appellant bovendien een vrijstelling bekomen van de driemaandelijkse bijdragen voor het vierde kwartaal 1995, het vierde kwartaal 1996 en het eerste kwartaal 1997 (stuk 8 bundel ASKZ: beslissing 6 mei 1997 van de commissie voor vrijstelling van bijdragen). Aangezien appellant enkel de bijdragen voor het vierde kwartaal 1996 en het eerste kwartaal 1997 reeds had betaald, ontstaat nog een tegoed van 21.293 BEF (bijdragen vierde kwartaal 1996) + 21.695 BEF (bijdragen eerste kwartaal 1997) hetzij in totaal 42.988 BEF. Als algemeen nog verschuldigd totaal geeft dit: - verschuldigd volgens voormelde afrekening: 60.810 BEF - tegoed: -4.183 BEF - vrijstelling: -42.988 BEF __________ nog verschuldigd saldo: 13.639 BEF of 338,10 EUR In tegenstelling met wat appellant voorhoudt is er geen sprake van ten onrechte aangerekende verhogingen. Volgens de voorgebrachte regularisatiestaat van 23 mei 1995 werden voor het vierde kwartaal 1983 tot en met vierde kwartaal 1984 geen bijdragen betaald zodat er op de verschuldigde bijdragen, na regularisatie voor de periode, verhogingen verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 15, §4, 1° van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 december 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen en artikel 44 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr.
- In huidig geschil werden de verhogingen slechts aangerekend tot aan het kwartaal voorafgaand aan de dagvaarding, dit is tot 31 december 1984; bovendien vordert geïntimeerde slechts gerechtelijke intresten op het bedrag van 338,10 euro dit ondanks het feit dat de tegoeden slechts later ontstonden (ondermeer vrijstelling). 5.1.
- Dagvaarding van 3 maart 1988 Met dagvaarding van 3 maart 1988 vorderde de vzw ASKZ de betaling van de bijdragen vanaf eerste kwartaal 1981 tot en met vierde kwartaal 1983 en vanaf eerste kwartaal 1985 tot en met vierde kwartaal
- Nadat de inkomsten voor de verschillende refertejaren definitief bepaald waren ging geïntimeerde over tot regularisatie, (zie stuk 3 bundel ASKZ: regularisatiestaat bijdragen 3/80 tot 4/84). De definitieve bijdragen werden als volgt berekend: De supplementaire bijdragen voor de jaren 1981, 1982 en 1983 vielen weg gezien de inkomsten voor het refertejaar 1981 bepaald werden op 220.629 BEF, dit is onder het destijds wettelijk vastgestelde minimum. Voor de jaren bleven dus enkel de minimumbijdragen verschuldigd. Met uitzondering van de bijdragen voor het vierde kwartaal 1983 waren deze bijdragen reeds betaald. De bijdragen voor de overige jaren werden als volgt berekend: - bijdragen 1985: op de inkomsten van 1982: 250.506 BEF (zie rekeninguittreksel gehecht aan de dagvaarding) - bijdragen 1986: op de inkomsten van 1983: 400.000 BEF (zie rekeninguittreksel gehecht aan de dagvaarding) - bijdragen 1987: op de inkomsten van 1984: 350.000 BEF (zie stuk 6 bundel ASKZ: regularisatiestaat van 28/09/1990 voor bijdragen 1987) Uiteindelijk blijven volgende bijdragen verschuldigd, vermeerderd met de verhogingen tot het kwartaal vóór de dagvaarding, dit is 1 januari
- Eerste kwartaal 1985: 15.866 BEF Tweede kwartaal 1985: 15.386 BEF Derde kwartaal 1985: 14.906 BEF Vierde kwartaal 1985: 14.387 BEF __________ Totaal 1985: 60.545 BEF Eerste kwartaal 1986: 24.259 BEF Tweede kwartaal 1986: 23.525 BEF Derde kwartaal 1986: 22.791 BEF Vierde kwartaal 1986: 22.137 BEF __________ Totaal 1986: 92.712 BEF Eerste kwartaal 1987: 13.797 BEF Tweede kwartaal 1987: 13.318 BEF Derde kwartaal 1987: 12.963 BEF Vierde kwartaal 1987: 12.331 BEF __________ Totaal 1987: 52.409 BEF Aanmaningskosten: 784 BEF __________ Algemeen totaal: 206.450 BEF Dit saldo dient verminderd te worden met volgende bijdragen die appellant destijds teveel betaalde voor de periode van het eerste kwartaal 1981 tot en met het derde kwartaal 1983 (stuk 3 bundel ASKZ: regularisatiestaat 23.05.1995). Eerste kwartaal 1981: 1.287 BEF Tweede kwartaal 1981: 1.079 BEF Derde kwartaal 1981: 2.368 BEF Vierde kwartaal 1981: 2.142 BEF Eerste kwartaal 1982: 2.163 BEF Tweede kwartaal 1982: 1.935 BEF Derde kwartaal 1982: 1.748 BEF Vierde kwartaal 1982: 1.579 BEF Eerste kwartaal 1983: 3.096 BEF Tweede kwartaal 1983: 2.140 BEF Derde kwartaal 1983: 1.917 BEF _________ Totaal: 21.454 BEF Uiteindelijk blijft dus als saldo verschuldigd: 206.450 - 21.454 = 184.996 BEF = 4.585,93 EUR. De eerste rechter stelde ten onrechte dat de bijdragen voor het jaar 1987 reeds vervat waren in het vonnis van de 9de kamer van de arbeidsrechtbank Antwerpen van 25 oktober 1993 (stuk 9 bundel ASKZ). De eerste rechter verloor uit het oog dat wat de bijdragen van 1987 betreft, in die vorige procedure enkel het supplement werd gevorderd dat ontstaan was na de herberekening van de bijdragen op de aanvankelijke inkomsten voor het refertejaar 1984 namelijk 1.208.008 BEF (zie stuk 5 bundel ASKZ: regularisatiestaat van 23.11.1987). De minimumbijdragen werden in die procedure (dagvaarding 19.2.1990 en vonnis van 25.10.1993) niet gevorderd (zie stuk 9 bundel ASKZ: dagvaarding van 19.2.1990 en vonnis arbeidsrechtbank van 25.10.1993). Integendeel, deze gewone bijdragen voor het jaar 1987 werden in het rekeninguittreksel gehecht aan de dagvaarding vermeld in de kolom "reeds in gerechtelijke invordering". Het betreft concreet volgende bedragen: Eerste kwartaal 1987: 13.797 BEF Tweede kwartaal 1987: 13.318 BEF Derde kwartaal 1987: 12.963 BEF Vierde kwartaal 1987: 12.331 BEF Deze bedragen vindt men exact terug in het rekeninguittreksel gehecht aan de dagvaarding van 3 maart 1988 en ook in voormeld overzicht van de nog te betalen bijdragen. Het vonnis van 25 oktober 1993 betreft aldus enkel de bijdragen voor de jaren 1988 en 1989 en het supplement van de bijdragen voor het jaar 1987 (zie stuk 6 bundel ASKZ: regularisatiestaat 28.9.1990). Concreet gaat het om volgende bedragen: Eerste kwartaal 1988: 18.824 BEF Tweede kwartaal 1988: 18.237 BEF Derde kwartaal 1988: 17.650 BEF Vierde kwartaal 1988: 17.063 BEF Eerste kwartaal 1989: 25.642 BEF Tweede kwartaal 1989: 24.956 BEF Derde kwartaal 1989: 24.270 BEF Vierde kwartaal 1989: 23.542 BEF __________ 170.184 BEF Eerste kwartaal 1987: 4.518 BEF Tweede kwartaal 1987: 3.919 BEF Derde kwartaal 1987: 3.494 BEF Vierde kwartaal 1987: 3.479 BEF _________ 15.410 BEF aanmaningskosten: 414 BEF ___________ Totaal: 186.008 BEF reeds betaald: -5.000 BEF ___________ saldo: 181.008 BEF Al deze bedragen kunnen als volgt worden teruggevonden: - de bijdragen voor 1988: regularisatiestaat 28 september 1990 (zie stuk 6 bundel ASKZ); - de bijdragen voor 1989: dagvaarding 19 februari 1990 (zie stuk 9 bundel ASKZ); - de bijdragen (supplement) 1987: verschil tussen bedragen vermeld in regularisatiestaat van 28 september 1990 en minimumbijdragen vermeld in de dagvaarding van 3 maart 1988 (zie stuk 6 bundel ASKZ + stuk 1 dossier rechtspleging arbeidsrechtbank Antwerpen met A.R. nr. 174.833) Uit voormelde afrekening blijkt duidelijk dat de voorlopige minimum-bijdragen voor het jaar 1987 niet in het vonnis van de arbeidsrechtbank van Antwerpen van 25 oktober 1993 (A.R. 197.424) waren begrepen omdat zij reeds waren opgenomen in de dagvaarding van 3 maart 1988 en derhalve reeds het voorwerp uitmaakte van een gerechtelijke invordering. Samenvattend besluit het arbeidshof dat wat dit onderdeel van de vordering betreft het hoger beroep ongegrond is en het incidenteel beroep gegrond. 5.
- Vordering tot schadevergoeding In aanvullende conclusie in hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 10 januari 2006 (zie stuk 18 dossier rechtspleging arbeidshof) vordert appellant lastens geïntimeerde een schadevergoeding van 5.000 euro meer de gerechtelijke intresten op grond van artikel 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek. De door appellant voor het eerst in hoger beroep ingestelde vordering tot schadevergoeding strekt tot compensatie zodat deze tegeneis geformuleerd in de op tegenspraak genomen conclusies, overeenkomstig de artikelen 807 tot 810 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, ontvankelijk is. Het louter handelen van geïntimeerde in uitvoering van zijn opgedragen wettelijk taak in toepassing van het koninklijk besluit nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, waaronder van hun aangeslotenen de verschuldigde bijdragen sociaal statuut der zelfstandigen te innen en in voorkomend geval de gerechtelijke invordering ervan te vervolgen, kan geen fout uitmaken die aanleiding geeft tot betaling van een schadevergoeding overeenkomstig artikel 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek. Het handelen van de sociale verzekeringskas van de zelfstandige kan slechts als foutief worden weerhouden wanneer het optreden dient beschouwd als een afwijkende handelswijze die beoordeeld dient te worden uitgaande van het criterium van een normaal zorgvuldige administratieve overheid geplaatst in dezelfde omstandigheden. In huidig geschil laat appellant gelden dat geïntimeerde gedurende 20 jaar nagelaten heeft om een correcte afrekening inzake de verschuldigde bijdragen op te stellen. Samen met geïntimeerde stelt het arbeidshof vast dat zowel het ontstaan als het aanslepen van de gerechtelijke procedure uitsluitend door het gedrag van appellant werd veroorzaakt. Vooreerst betwistte appellant systematisch zijn fiscale inkomsten waardoor de berekening van de definitieve bijdragen ernstige vertraging opliep; appellant geeft zelf in zijn verzoekschrift tot hoger beroep aan dat de fiscale procedures ettelijke jaren in beslag namen. Concreet kreeg geïntimeerde maar kennis van de inkomsten voor het refertejaar 1981 door de brief van de Administratie der Directe Belastingen van 15 mei 1995 waarin werd medegedeeld dat uiteindelijk deze inkomsten door het arrest van het Hof van Beroep van 6 april 1993 definitief bepaald waren op 220.629 BEF. Ook van de andere inkomsten kreeg geïntimeerde maar kennis nadat zij zelf nog navraag had gedaan bij de fiscus (stuk 4 bundel ASKZ: mededeling van het Ministerie van Financiën in verband met de inkomsten van de jaren 1984, 1985 en 1986). Een en ander had ook voor gevolg dat geïntimeerde de bijdragen herhaaldelijk diende te regulariseren (regularisatiestaat 23.11.1987, regularisatiestaat 28.9.1990, regularisatiestaat 23.5.1995: zie stukken 3, 5 en 6 bundel ASKZ) om daarna de gevorderde bijdragen ingevolge de dagvaarding van 20 februari 1985 en 3 maart 1988 bij besluiten te herleiden overeenkomstig de regularisatiestaten. Vervolgens had appellant op 18 november 1996 ook nog een aanvraag ingediend tot vrijstelling van de driemaandelijkse bijdragen van 1/95 tot en met 3/95, van de driemaandelijkse bijdragen van 3/80 tot en met 4/94, van de driemaandelijkse regularisatie bijdragen van 1/95 tot en met 3/95 en van de driemaandelijkse bijdragen van 4/95 tot en met 4/
- Het door appellant voormeld genomen initiatief had, na een gedeeltelijke positieve beslissing, tot gevolg dat geïntimeerde in de loop van de beroepsprocedure haar vordering opnieuw herleidde met de reeds betaalde bijdragen voor het vierde kwartaal 1996 en het eerste kwartaal
- Geïntimeerde heeft in tegenstelling met wat appellant poneert wel degelijk de nodige gegevens en uitleg verschaft zowel in de regularisatiestaten als in haar besluiten inzake de samenstelling en herleiding van de gevorderde bijdragen. Appellant heeft echter systematisch de beroepsprocedure vertraagd door het formuleren van vage beroepsgrieven en het opmaken van allerlei onbegrijpelijke berekeningswijzen inzake de gevorderde bijdragen, die telkens door geïntimeerde dienden weerlegd te worden. Bovendien blijkt uit het verloop van de beroepsprocedure dat appellant nagelaten heeft deze procedure te activeren: ? na neerlegging van het verzoekschrift tot hoger beroep op 16 juli 1999 werd op initiatief van geïntimeerde de zaak gehandhaafd op de algemene rol (stuk 7 dossier rechtspleging arbeidshof: schrijven mr. G. Lambrechts van 24.10.2002); ? geïntimeerde heeft, na neerlegging van beroepsbesluiten op 24 juli 2003, een rechtsdag gevraagd bij toepassing van artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek; ? na redactie van beroepsbesluiten heeft appellant geen gevolg gegeven aan het verzoek van geïntimeerde om gezamenlijk een rechtsdag aan te vragen zodat geïntimeerde op 14 juni 2005 een verzoekschrift heeft neergelegd om overeenkomstig artikel 750, §2 Gerechtelijk Wetboek een rechtsdag te bepalen; ? de zaak werd vastgesteld op de zitting van 2 december 2005 en met akkoord van partijen verdaagd naar de zitting van 2 juni 2006 teneinde partijen toe te laten een correcte becijfering te maken van de verschuldigde bijdragen en verhogingen; ? op de zitting van 2 juni 2006 werd de zaak op verzoek van partijen verwezen naar de bijzondere rol; ? opnieuw heeft geïntimeerde met verzoekschrift van 3 juli 2006 op grond van artikel 747, §2 Gerechtelijk Wetboek het initiatief genomen om een rechtsdag te bepalen; ? de zaak werd vervolgens, na verzoek van appellant om ruime conclusietermijnen, vastgesteld op zitting van 2 februari
- Aangezien appellant faalt in het bewijs dat hij door een fout van zijn sociaal verzekeringskas schade heeft geleden in oorzakelijk verband met een foutief handelen is de vordering tot schadevergoeding ongegrond. 5.
- Verhaalbaarheid van de kosten van juridische bijstand In toepassing van het cassatiearrest van 2 september 2004 vordert appellant de betaling van de advocaatkosten ten bedragen van 1,00 euro provisioneel. De materie van de uitgaven en de kosten in een gerechtelijke procedure wordt behandeld in de artikelen 1017 tot 1024 Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1017 Gerechtelijk bepaalt dat "tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigd". De invorderbare kosten worden opgesomd in artikel 1018 Gerechtelijk Wetboek. Hoewel deze opsomming niet limitatief is, blijkt uit de parlementaire voorbereiding van het Gerechtelijk Wetboek dat het honorarium van advocaten in geen geval deel uitmaakt van de gerechtskosten (Parl. St. Kamer 1965 - 66, nr. 59/49, 151; K. Van Kildonck, "Verhaalbaarheid advocatenhonorarium", NJW, 16 februari 2005, pag. 182). Artikel 1018 Gerechtelijk Wetboek betreft immers de kosten die werden gemaakt wegens het verrichten van bepaalde materiële akten waarvan het tarief is uitgewerkt in het koninklijk besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. Titel IV van het Gerechtelijk Wetboek ("uitgaven en kosten") bevat voorts geen enkele bepaling in verband met het bedrag aan onkosten en ereloon dat een procespartij aan zijn advocaat verschuldigd is. In het door appellant aangehaalde arrest van 2 september 2004 (Cass. 2 september 2004, R.W. 2004-2005, 1401) bevestigt het Hof van Cassatie dat het honorarium en de kosten van een advocaat of van een technisch raadsman die de benadeelde van een contractuele fout heeft betaald, een vergoedbaar element van zijn schade kunnen vormen in zoverre zij dat noodzakelijk karakter vertonen. Hoewel voormeld arrest geen uitsluitsel biedt over de mogelijkheid tot verhaalbaarheid van advocatenkosten in geval van buitencontractuele aansprakelijkheid wordt er algemeen voorlopig van uitgegaan dat het principe verwoord in voormeld arrest ook toepassing vindt in gevallen van buitencontractuele aansprakelijkheid (artikel 1382-1386 Burgerlijk Wetboek). (B. Wilms en K. Christiaens, noot onder arrest Hof van Cassatie van 2 september 2004, R.W. 2004-2005, pag. 543; B. De Temmerman, De verhaalbaarheid van kosten van juridische bijstand op het knooppunt van aansprakelijkheidsrecht en procesrecht, R.W. 2004-2005, 1401). Aangezien, zoals hoger uiteengezet, appellant in gebreke blijft te bewijzen dat geïntimeerde een fout heeft begaan waardoor schade is ontstaan in oorzakelijk verband met een foutief handelen, is de vordering tot betaling van 1 euro provisioneel voor kosten van juridische bijstand ongegrond. 5.
- Prejudiciële vraagstelling In een aanvullende conclusie in beroep van 6 januari 2006 vordert appellant een prejudiciële vraag te stellen "met betrekking tot de grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie tussen procespartijen waarbij een eisende partij na circa 20 jaar nog een mogelijkheid wordt geboden het bewijs van een gestelde eis en de correcte samenstelling ervan te leveren." Op de openbare terechtzitting van 2 maart 2007 verklaart de raadsman van appellant dat hij afstand doet van zijn prejudiciële vraagstelling zoals geformuleerd in zijn aanvullende beroepsbesluiten van 6 januari
- 5.
- Afkortingen Appellant verzoekt om afbetalingsfaciliteiten voor de nog verschuldigde achterstallige bijdragen sociaal statuut zelfstandigen. Op grond van artikel 1244, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek, hebben de hoven en rechtbanken de bevoegdheid om gematigd uitstel van betaling toe te kennen aan de schuldenaar die ongelukkig en te goeder trouw is. Bij de beoordeling van het verzoek van termijnen van respijt dient het arbeidshof omzichtig tewerk te gaan en rekening te houden: - enerzijds met de termijnen die de schuldenaar reeds heeft genoten; - anderzijds met de toestand van beide partijen, dus niet alleen met de toestand van de bijdrageplichtige zelfstandige maar eveneens met de situatie van de sociale verzekeringskas die tot opdracht heeft bij hun aangeslotene de bijdragen te innen ter financiering van de sociale zekerheid. In huidig geschil stelt het arbeidshof vast: - dat appellant reeds een ruime termijn van respijt heeft genoten vermits de oorspronkelijke vorderingen betrekking hebben op achterstallige bijdragen vanaf het derde kwartaal 1980 tot en met vierde kwartaal 1987; - dat appellant in gebreke blijft te bewijzen dat hij zich thans in een financieel precaire toestand bevindt waardoor hij in de onmogelijkheid zou zijn het saldo van de schuld in éénmaal te betalen. Het verzoek van appellant tot het bekomen van afbetalingsfaciliteiten dient als ongegrond te worden afgewezen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk. Verklaart het hoger beroep ongegrond en het incidenteel beroep gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis uitgesproken op 22 maart 1999 in de openbare zitting van de negende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 140.765) behalve de beschikking inzake de ontvankelijkheid van de vordering en de veroordeling tot de gerechtskosten. Opnieuw recht doende. Veroordeelt appellant, gelet op de herleiding van de vordering, om aan geïntimeerde te betalen: - in de zaak ingeleid bij dagvaarding van 20 februari 1985, de som van driehonderd achtendertig euro en tien cent [338,10 euro] (13.639 frank) ten titel van achterstallige bijdragen over de periode vierde kwartaal 1983 tot en met vierde kwartaal 1984, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op een bedrag van 329 euro; - in de zaak ingeleid met dagvaarding van 3 maart 1988, de som van vierduizend vijfhonderd vijfentachtig euro en drieënnegentig cent [4.585,93 euro] (184.996 frank) ten titel van achterstallige bijdragen over de periode eerste kwartaal 1985 tot en met vierde kwartaal 1987 te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op een bedrag van 4.566,50 euro. Verklaart de door appellant ingestelde eis tot schadevergoeding op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek ten bedrage van 5.000 euro en de vordering tot betaling van de kosten van juridische bijstand ten bedrage van 1 euro provisioneel, ontvankelijk doch ongegrond. Verleent akte aan appellant van zijn afstand van prejudiciële vraagstelling. Wijst het verzoek van appellant tot het bekomen van afbetalingsfaciliteiten als ongegrond af. Verwijst, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, appellant in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van geïntimeerde op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding, en aan de zijde van appellant op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding. Uitgesproken in openbare terechtzitting op een juni tweeduizend en zeven door de vijfde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, J. VERHAVERT, raadsheer, J. LEROY, raadsheer in sociale zaken als zelfstandige, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070601.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div