← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070606.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 06 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070606.4 Rolnummer: 2005-0502 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-09-03 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 15:45 Fiches 1 - 2 De eerste rechter vernietigde ten onrechte de OCMW-beslissing omdat de hoorplicht niet werd nageleefd. De rechter is verplicht het recht toe te passen op de feiten die hem door partijen worden voorgelegd, zodat hij in concreto dient na te gaan of de betrokkene krijgt waarop hij recht heeft, niet minder, maar ook niet meer. De rechter mag de vordering van de gerechtigde niet inwilligen wanneer deze niet aan alle wettelijke vereisten voldoet. De eerste rechter vergist zich door te stellen dat een scholier geen werkbereidheid moet aantonen bij zijn aanspraak op het voordeel van de maatschappelijke integratie (Wet 26 mei 2002). Van een student die aanspraak maakt op de gemeenschapsgelden mag worden verwacht dat hij weekend- en vakantiejobs uitoefent. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum Vrije woorden: Sociale voorzorg - recht op maatschappelijke integratie - algemene bepalingen - niet naleven hoorplicht - werkbereidheid - X G N Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - 3 - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Vrije woorden: Sociale voorzorg - recht op maatschappelijke integratie - onderzoek van de aanvraag - niet naleven hoorplicht - werkbereidheid - X G N Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - 19 - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Nota: Gerangschikt onder X G N - artikel 3 en onder artikel 19 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2050502 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZES JUNI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak van: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN MECHELEN, gevestigd te 2800 Mechelen, Lange Schipstraat 27, appellant, vertegenwoordigd door mr. A. H. loco mr. A. H., advocaat te Mechelen, tegen: de heer C. B., geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. L. P., advocaat te Mechelen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 7 september 2005 en 2 mei

  1. Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: * het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 15 juni 2005 uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen, overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, Ger. W., aan het O.C.M.W. van Mechelen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 23 juni 2005; * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 5 juli 2005 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 6 juli 2005; * de conclusies voor C. B., ontvangen ter griffie van dit hof op 11 augustus 2005; * de conclusies voor het O.C.M.W. van Mechelen, ontvangen ter griffie van dit hof op 31 augustus 2005; * de aanvullende conclusies voor C. B., ontvangen ter griffie van dit hof op 19 september
  2. Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 2 mei
  3. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 5 juli 2005, tekende het O.C.M.W. van Mechelen hoger beroep aan tegen een vonnis van 15 juni 2005 (A.R. 86.517) van de arbeidsrechtbank te Mechelen. De machtiging daartoe werd verleend door de raad voor maatschappelijk welzijn op 27 juli
  4. Het vonnis werd aan het O.C.M.W. van Mechelen ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, Ger. W., bij gerechtsbrief op 23 juni
  5. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  6. Feiten en voorafgaande procedure C. B. werd geboren in Turkije op 10 oktober
  7. Hij woont samen met zijn ouders en vijf broers, waarvan één meerderjarige. Zijn ouders ontvingen leefloon en vanaf 2005 een inkomensvervangende tegemoetkoming en een integratie-uitkering voor een gezin. Zijn meerderjarige broer B. geniet eveneens leefloon als samenwonende. De kinderbijslag bedraagt 1 240,10 EUR per maand. C. B. loopt school. Op 30 augustus 2004 bood hij zich aan op het O.C.M.W. van Mechelen met de vraag een leefloon te ontvangen vanaf zijn 18de verjaardag. Het bijzonder comité voor sociale zaken besliste op 21 september 2004 het leefloon categorie samenwonende personen, t.b.v. 4 906,62 EUR per jaar, te weigeren vanaf 10 oktober 2004, met de motivering: - de aanvraag van het leefloon werd ontvangen op 30 augustus 2004; - het sociaal onderzoek werd uitgevoerd; - de cliënt woont in bij zijn ouders; - omdat hij op 10 oktober 2004 de meerderjarige leeftijd bereikt vraagt hij leefloon aan; - de gezinsinkomsten bestaan reeds geruime tijd uit leefloon van de ouders, gezinsvergoeding en leefloon van de broer B.; - er deden zich recent geen drastische wijzigingen voor in de financiële situatie van het gezin, zodoende kan de cliënt niet plots als behoeftig worden beschouwd; - tevens zijn de ouders verplicht verder in het levensonderhoud van hun zoon te voorzien aangezien hij nog steeds schoolgaand is en er gezinsvergoeding wordt uitgekeerd. Deze beslissing werd C. B. aangetekend ter kennis gebracht op 11 oktober
  8. C. B. tekende hiertegen verhaal aan bij de arbeidsrechtbank te Mechelen met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 6 december
  9. In hun vonnis van 15 juni 2005 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk, vernietigden de bestreden beslissing omwille van schending van de hoorplicht en, opnieuw recht doende, zegden voor recht dat C. B. gerechtigd was op het leefloon, categorie samenwonende, vanaf 10 oktober 2004; het O.C.M.W. van Mechelen werd veroordeeld tot betaling aan C. B. van de ingevolge voormelde vernietiging verschuldigde uitkeringen. Het O.C.M.W. van Mechelen stelde tegen dit vonnis hoger beroep in met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 5 juli
  10. Eisen in hoger beroep Het O.C.M.W. van Mechelen vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en, opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering van C. B. ongegrond te verklaren. C. B. vraagt het vonnis a quo integraal te bevestigen.
  11. Ten gronde 4.
  12. Ultra petita De eerste rechters vernietigden de bestreden beslissing omwille van het feit dat het O.C.M.W. van Mechelen de hoorplicht niet respecteerde. Het hof stelt aan de hand van de stukken van het rechtsplegingsdossier vast dat C. B. nergens de schending van de hoorplicht inriep en de nietigheid van de bestreden beslissing op deze grond vorderde. Het komt de eerste rechters niet toe de eventuele schending van de hoorplicht ambtshalve te onderzoeken. Zij oordeelden derhalve ultra petita en schonden het beschikkingsbeginsel. Hoe dan ook, de toepasselijke wetgeving raakt de openbare orde. De rechter is verplicht het recht toe te passen op de feiten die hem door partijen worden voorgelegd, zodat hij in concreto dient na te gaan of de betrokkene krijgt waarop hij recht heeft, niet minder, maar ook niet meer; de rechter mag de vordering van de gerechtigde niet inwilligen wanneer deze niet aan alle wettelijke vereisten voldoet. (Concl. Adv.-gen. Lenaerts bij Cass., 18 juni 1984, R.W., 1984-85, 1022; Cass., 18 februari 1993, A.C., 1993, 202; Cass., 15 januari 1996, R.W., 4 mei 1996, 1234). 4.
  13. Artikel 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie bepaalt dat de persoon die aanspraak maakt op het voordeel van die wet, niet over toereikende bestaansmiddelen mag beschikken, noch er aanspraak op kan maken, noch in staat mag zijn deze hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven. Hetzelfde artikel schrijft verder voor dat de aanvrager werkbereid moet zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is. Recht op leefloon ontstaat niet automatisch bij de loutere aanvraag. De betrokkene dient eerst en vooral zelf te bewijzen dat hij niet in staat is door eigen inspanningen toereikende bestaansmiddelen te verwerven. C. B. laat dit na. De eerste rechters verwijten het O.C.M.W. van Mechelen dan ook ten onrechte geen integratiecontract te hebben opgesteld. Vooraleer zo'n contract zich opdringt dient immers eerst nagegaan te worden of de betrokkene voldoet aan de voorwaarden van de wet. Er moet in de eerste plaats onderzocht worden of de aanvrager al dan niet in staat is om door eigen inspanningen toereikende bestaansmiddelen te genereren. De eerste rechters vergissen zich waar zij menen dat een scholier geen werkbereidheid moet tonen en zij deden geen onderzoek naar de werkbereidheid van C. B. Er mag integendeel wel degelijk verwacht worden dat een student, die aanspraak maakt op gemeenschapsgelden, weekend- en vakantiejobs uitoefent ten einde de lasten van die gemeenschap niet nodeloos te bezwaren. In huidige zaak blijkt uit niets dat C. B. moeite deed en zelfs maar de behoefte gevoelde om zelf de handen uit de mouwen te steken en uit te kijken naar een studentenjob om alzo aan het verwachte geldbedrag te geraken. In plaats daarvan bevroeg hij zonder meer het O.C.M.W., en dus de gemeenschap. Dat hij gedurende een korte tijd lessen bedrijfsbeheer zou hebben gevolgd volstaat niet om als werkbereid te worden beschouwd, evenmin als een loutere inschrijving bij de VDAB of een interim-kantoor. Er bestaat ook niet de minste aanleiding om over te gaan tot het opstellen van een integratiecontract. C. B. volgt school en woont probleemloos bij zijn ouders, die over een meer dan voldoende gezinsinkomen beschikken waarin niet de minste wijziging is gekomen door de simpele verjaardag van C. B. Bovendien primeert in onze rechtsorde nog steeds de familiale solidariteit op deze van de gemeenschap. De onderhoudsplicht steunt immers op een universele basiswaarde, met name de familiale solidariteit, die een hoeksteen uitmaakt van onze samenleving. Ouders zorgen voor hun kinderen en omgekeerd. Alleen wanneer voor vaststaand en overtuigend aangetoond wordt dat ouders niet voor hun kinderen kunnen zorgen - en vice versa -, is de gemeenschap gehouden deze taak over te nemen. Alle andere argumenten zijn ter zake niet meer dienend want ze doen niets af aan bovenvermelde vaststellingen. C. B. voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 3 van de wet. Het hoger beroep is gegrond. Op die gronden, het hof, Heeft kennis genomen van het mondeling advies, uitgebracht door de heer J. DEKEERSMAEKER, substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 2 mei 2007, waarover partijen verklaren geen opmerkingen te hebben. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Doet het vonnis van 15 juni 2005 (A.R. 86.517) van de arbeidsrechtbank te Mechelen teniet, behalve wat de ontvankelijkheid van de vordering en de kosten betreft. Opnieuw recht doende, verklaart de oorspronkelijke vordering ongegrond en bevestigt de bestreden beslissing van het bijzonder comité voor sociale zaken van 21 september
  14. Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van het O.C.M.W. van Mechelen, door C. B. begroot op 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding en door het hof vereffend op 145,76 EUR rechtsplegingsvergoeding; de kosten van het O.C.M.W. van Mechelen worden door het hof niet vereffend daar geen kosten-opgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op zes juni tweeduizend en zeven. Het hof bestond uit: mevrouw C. VERCAMMEN, kamervoorzitter, de heer C. AMSSOMS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, mevrouw G. SCHAMPAERT, raadsheer in sociale zaken als werknemer, aangewezen bij beschikking van 6 juni 2007 door mevrouw C. VERCAMMEN, kamervoorzitter, die de eerste voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid, Ger. W.) om de heer E. DE DECKER, raadsheer in sociale zaken als werknemer, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest waarover hij mede beraadslaagd heeft bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen (art. 779 Ger. W.), de heer R. SMETS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070606.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.