← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070608.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070608.1 Rolnummer: 2004-0214 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-09-03 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 15:46 Fiches 1 - 2 Aangezien de RSZ niet aantoont dat de feitelijke terugbetaling door een transportfirma aan haar werknemers van door hen betaalde verkeersboetes een in geld waardeerbaar voordeel was waarop de werknemers recht hadden ingevolge hun dienstbetrekking, is de vordering van de RSZ tot betaling van bijdragen die daarop is gesteund ongegrond. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming Vrije woorden: Arbeidsreglementering - bescherming van het loon - bepaling van het loon - bijdragen werknemers - terugbetaling verkeersboetes door de werkgever - geen loon - III H Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 2 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Nota: Gerangschrikt onder III H - artikel 2 en onder VII A - artikel 22 bis UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Sociale-zekerheidsbijdragen Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - algemene regeling - inning en invordering van de bijdragen - aangiften - terugbetaling verkeersboetes door de werkgever - geen loon - VII A Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 22 bis - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder III H - artikel 2 en onder VII A - artikel 22 bis Annotaties Publicaties: SRK 2008 - - nr. 7, blz. 420-421 Tekst van de beslissing ARREST A.R. nr. 2040214 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT JUNI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: ivfh, met zetel gevestigd te xxx, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. STARCKX loco mr. H. VAN DYCK, advocaat te 2200 MORKHOVEN, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID (RSZ), met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. P. STORME, advocaat te 2800 MECHELEN. Na beraadslaging, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 7 april 2004, van 22 september 2006, van 22 december 2006, van 9 maart 2007 en van 27 april 2007; Het hof keek de volgende stukken van de rechtspleging na: * het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 12 november 2003, op tegenspraak gewezen door de arbeidsrechtbank te Mechelen; * het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 15 maart 2004 en vervolgens, zoals artikel 1056 van het gerechtelijk wetboek voorschrijft, op 15 maart 2004 ter kennis gebracht aan wie het behoort; * de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 25 maart 2005; * de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 10 juni 2005; * de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 17 juni 2005; * de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 15 december 2005; * het verzoekschrift, op de griffie van dit hof ontvangen op 16 maart 2006, waarmee verweerder in hoger beroep vraagt om de conclusietermijnen te regelen en om de rechtsdag te bepalen (toepassing van artikel 750, §2 van het gerechtelijk wetboek); * het antwoord op dit verzoek van eiser in hoger beroep, op de griffie van dit hof ontvangen op 29 maart 2006; * de beschikking van 5 april 2006 van raadsheer J. Verhavert, in toepassing van artikel 750, §2 van het gerechtelijk wetboek; * de conclusies voor eiser in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 1 juni 2006; * het schriftelijke advies van het openbaar ministerie gelezen en neergelegd op de zitting van 27 april 2007 en ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid van het gerechtelijk wetboek; * de repliekconclusies van eiser in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 7 mei

  1. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 9 maart
  2. Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 27 april
  3. Feiten en wat voorafgaat Op 21 november 2001 schrijft de RSZ aan het ivfh het volgende: Op basis van de door ons verzamelde elementen en nazicht van uw dossier is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van oordeel dat de bedragen die een werkgever aan zijn werknemer betaalt als terugbetaling van een door de werknemer opgelopen strafrechtelijke of andere geldboete bij de uitoefening van zijn arbeidsovereenkomst, beantwoordt aan de loondefinitie van de Wet van 12/04/65, en is tot op heden nog steeds niet uitgesloten uit het loonbegrip voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen op basis van artikel 19 van het Koninklijk Besluit van 28/11/
  4. Derhalve gaat de rijksdienst over tot ambtshalve aangifte van de verkeersboetes terugbetaald aan de chauffeurs-werknemers, waarvan de identiteit onbekend is, voor de periode van 4/96 tot en met 4/00, steunend op artikel 22 en 22bis van de wet van 27 juni
  5. Deze regularisaties werden uitgevoerd op basis van de grootboekrekening 644000 van de boekhouding. De RSZ brengt aldus een bedrag in rekening van 1.447.418 BEF of 35.880,55 euro. Op 1 oktober 2001 had Hh, medebestuurder van de firma, al laten verstaan dat hij niet akkoord ging met de voorgestelde regularisatie. De RSZ ging op 25 januari 2002 tot dagvaarding over voor een bedrag, ondertussen opgelopen tot 46.230,29 euro. Het bestreden vonnis De eerste rechters, in een vonnis van 12 november 2003, wezen de vordering van de RSZ toe. Volgens de conclusies van de partijen werd dit vonnis op 26 februari 2004 betekend. Eisen in hoger beroep De firma tekende hoger beroep aan op 15 maart
  6. Zij handhaaft haar stelling dat de verkeersboetes die zij aan haar werknemers terugbetaalde niet het karakter van loon hebben waarop RSZ-bijdragen verschuldigd zijn. Zij vraagt: om haar akte te verlenen dat zij bereid is de stukken, onderliggend aan de grootboekrekening 644.000 ter beschikking te houden. Dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw rechtsprekende: de oorspronkelijke vordering van de RSZ ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. De RSZ te veroordelen tot de terugbetaling van de som van 52.416,06 euro, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 09/03/2004 tot op datum van de algehele en definitieve betaling. De RSZ vraagt om het hoger beroep als ongegrond af te wijzen. De ontvankelijkheid van het hoger beroep De RSZ voerde in eerste instantie aan dat het hoger beroep onontvankelijk is omdat de ivfh aan de deurwaarder, die het vonnis van de eerste rechters betekende, alle sommen betaalde, die de RSZ in het kader van het huidige geschil van haar had geëist en dit zonder voorbehoud. Aldus is, volgens de RSZ, de zaak geregeld en is het hoger beroep zonder voorwerp geworden. Nadat de ivfh verwees naar het stuk 7 van haar dossier, waarin het voorbehoud wel degelijk werd gemaakt, zag de RSZ af van haar argument van ontvankelijkheid. Er is geen berusting in het vonnis van de eerste rechters bewezen vanwege de ivfh. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld. Het hoger beroep is ontvankelijk. Volgens het recht De verjaring van de vordering met betrekking tot het vierde kwartaal 1996 Het hof sluit zich op dit punt aan bij het schriftelijke advies van het openbaar ministerie van 27 april 2007 (stuk 19 van de rechtspleging - punt 4.1 op blz. 3). De verjaringstermijn van vijf jaar van de rechtsvordering die de betaling beoogde van sociale zekerheidsbijdragen voor het vierde kwartaal 1996 begon in deze zaak te lopen op 1 februari
  7. De dagvaarding van 25 januari 2002 heeft deze verjaring rechtsgeldig gestuit. De grond van de zaak De eerste rechters geven in hun vonnis van 12 november 2003 (punt 4.2.1.) terecht aan dat de bijdragen inzake sociale zekerheid voor de werknemers worden berekend op basis van het loon van de werknemer. Even terecht wijzen zij er op dat de RSZ-wet voor de inhoud van het begrip loon verwijst naar de Loonbeschermingswet van 12 april
  8. In punt 4.2.2.
  9. van hun vonnis geven de eerste rechters aan dat er sprake is van loon in de zin van de Loonbeschermingswet wanneer de volgende componenten aanwezig zijn: het moet gaan om geld of in geld waardeerbaar voordeel - waarop de werknemer recht heeft - ingevolge zijn dienstbetrekking - ten laste van zijn werkgever. Op het ogenblik dat de RSZ een rechtsvordering instelt tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen moeten deze componenten voorhanden zijn. De RSZ moet aantonen dat ze op dat ogenblik voorhanden zijn. Hij is de eiser. Bij het onderzoek van de dossierstukken komt het hof tot de bevinding dat, aan de hand van de bewijsstukken die de RSZ voorlegt, er niet met zekerheid kan worden uitgemaakt of er sprake kan zijn van de toekenning van een loon in geld of een in geld waardeerbaar voordeel waarop de werknemers of sommige van de werknemers van de ivfh recht hadden of recht hebben. De bewijselementen die de RSZ voorlegt om zijn vordering aan te tonen, zijn de volgende: - zijn brief van 21 november 2001 (2 blz.): het is een eigen stuk van de RSZ dat niet de realiteit, die het beschrijft, objectief bewijst, - een onderdeel van een verslag, gedateerd op 3 oktober 2001 en ondertekend door Jn (1 blz.): de opsteller verklaart dat er door de werkgever werd gesteld dat de opgelopen verkeersboetes door de werknemers door de werkgever terug worden vergoed aan hen. De verklaring van Hh van 1 oktober 2001 (cfr. infra) bevestigt niet dat de werknemers eerst hun boetes zelf betaalden, waarna de werkgever deze aan hen terugbetaalden. Aldus vindt de bewering van de inspecteur in zijn verslag geen ondersteuning in enig ander stuk van het dossier, - een reeks wijzigende berichten over de jaren 1996, 1997, 1998, 1999 en 2000 (5 blz.): deze berichten zijn interne stukken van de RSZ en in die zin zijn ze niet voldoende bewijskrachtig. In het dossier zijn geen andere bewijselementen terug te vinden, die deze berichten ondersteunen, - het proces-verbaal van verhoor van 1 oktober 2001 van Hh (3 blz.): deze verklaring laat uitschijnen dat de ivfh enkel de boetes betaalt tot betaling waarvan zij rechtstreeks en zonder tussenkomst van de werknemer wordt aangesproken, - uittreksel uit het grootboek van de ivfh (17 blz.): deze stukken laten enkel toe na te gaan dat er betalingen zijn gebeurd, maar ze laten geenszins toe de precieze aard van deze betalingen te identificeren, meer bepaald kan het hof niet nagaan of het hier een terugbetaling betreft van boetes, die de werknemers opliepen en die zij zelf eerst hadden betaald, - briefwisseling (8 blz.): deze stukken zijn niet relevant als bewijs omdat ze geen nuttige informatie bevat die uitgaat van de ivfh, - berichten van wijziging der bijdragen (8 blz.): deze stukken zijn interne stukken van de RSZ die enkel nuttig zijn bij de berekening van de vordering. Het administratief dossier bevat geen andere, meer relevante, stukken. Op vraag van het hof heeft de ivfh de stavingstukken neergelegd, die de verschillende posten van het grootboek verantwoorden, posten waarop de RSZ zich steunde om zijn vordering te berekenen. Na nazicht ervan komt het hof tot de bevinding dat de meeste van deze stukken aantonen dat de firma ofwel de boetes betaalde waartoe zij rechtstreeks als werkgever werd aangesproken ofwel boetes betaalde die door haar werknemers werden binnengebracht. Een enkele keer vindt het hof een terugbetaling aan een werknemer weer, die een boete eerst zelf betaalde. Deze enkele stukken zijn echter onvoldoende om een vaste en courante praktijk te bewijzen. De ivfh geeft in conclusies aan dat zij de opgelopen boetes door haar personeel beschouwt als een eigen schuld, waarvan zijzelf de betaling verzekert. Het betreft hier zowel de boetes waarvoor zijzelf rechtstreeks wordt aangesproken als de boetes waarvoor haar personeel wordt aangesproken. Daarbij is er niet aangetoond dat de ivfh de wil of de intentie had om haar personeel een voordeel toe te kennen dat als loon kan worden beschouwd. Meer nog: er is niet aangetoond dat de werknemers het recht hadden op betaling van de boetes door de ivfh, die door hun overtredingen werden opgeleverd. Het is niet omdat deze betaling de facto gebeurde door de firma (in de overtuiging dat ze een eigen schuld betaalde) dat hierdoor het recht ontstond voor de werknemers op een betaling van hun boetes door hun werkgever. Conclusie: Het hof is van oordeel dat de RSZ in het kader van dit geschil onvoldoende naar recht bewijst of de werknemers (en welke dan?) van de ivfh welk in geld waardeerbaar voordeel genoten, waarop ze ten laste van de ivfh recht hadden ingevolge hun dienstbetrekking. Het hoger beroep is gegrond. Stuk 7 in het dossier van de firma toont aan dat de ivfh op 9 maart 2004 onder voorbehoud van de uitslag in hoger beroep aan de RSZ een bedrag betaalde van 52.413,06 euro. Deze betaling is ingevolge de beslissing van het hof onverschuldigd. De tegenvordering, die ertoe strekt om terugbetaling van dit bedrag te bekomen is gegrond, verhoogd met de intresten vanaf de dag der betaling. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 27 april
  10. Eiser in hoger beroep repliceerde met conclusies ontvangen op de griffie van dit hof op 7 mei
  11. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 12 november
  12. Opnieuw wijzende, verklaart de oorspronkelijke vordering van de RSZ ongegrond en wijst hem er van af. Verklaart de tegenvordering, ingesteld bij conclusies van 17 juni 2005 ontvankelijk en gegrond, Veroordeelt de RSZ om aan de nv Ivfhterug te betalen het bedrag van TWEEENVIJFTIGDUIZEND VIERHONDERDDERTIEN euro en ZES eurocent (52.413,06 euro), te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 9 maart 2004 tot de dag van algehele betaling. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van de RSZ. Vereffent de kosten aan de zijde van de nv op 205,26 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en op 57,01 euro uitgavenvergoeding en aan de zijde van de RSZ op 188,54 euro dagvaarding, 205,26 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend en zeven, die samengesteld was uit: de heer J. VERHAVERT, raadsheer, voorzitter van de kamer, mevrouw R. DOCX, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer J. VAN DEN EYNDE, raadsheer in sociale zaken als werknemer, mevrouw L. VAN CALSTER, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070608.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.