← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070608.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070608.2 Rolnummer: 2005-0042 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-09-18 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 15:46 Fiche De regelgever heeft in de vorm van het attest C 63 een instrument willen ter beschikking stellen om de onderliggende realiteit, namelijk de volledig uitkeringsgerechtigde werkloosheid van de aangenomen werknemer, gemakkelijk te bewijzen. Het betreft een instrument dat de bedoeling heeft zekerheid en eenvoud te bewerkstelligen omtrent het bewijs dat de in dienst genomen werknemer beantwoordt aan de in de programmawet gestelde voorwaarden om het recht op bijdrageverminderingen te openen. Het Arbeidshof stelt evenwel vast dat de R.S.Z. dit instrument in bepaalde gevallen niet gebruikt, terwijl de regelgever het gebruik ervan ook niet heeft opgelegd aan deze laatste. Als de R.S.Z. niet consequent het verstrijken van de termijn van 30 dagen om het attest C 63 aan te vragen aangrijpt om de bijdragevermindering te annuleren creëert hij een ongelijke behandeling tussen werkgevers die zich in een zelfde uitgangspositie bevinden, waarvoor geen redelijke verantwoording wordt verstrekt. Vermits de betrokken werkgever aantoont dat de aangeworven werknemer een volledig uitkeringsgerechtigde werkloze was op het ogenblik dat hij in dienst werd genomen, dient de vordering van de R.S.Z. welke voortvloeit uit de annulering van de bijdrageverminderingen op grond van het feit dat niet tijdig een attest C 63 was aangevraagd door de werkgever ongegrond te worden verklaard. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemeen (sociaal recht - algemene beginselen) Vrije woorden: sociale zekerheid voor werknemers - algemene regeling - de bijdragen - berekening - bijdragevermindering - attest werkloosheid Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 15 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Wet - 30-12-1988 - 127bis - 31 ELI link Pub nr 1989021219 Annotaties Publicaties: SRK 2009 - - nr. 10 - blz. 549 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Vierde kamer Sociale Zekerheid ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. nr. 2050042 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT JUNI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: HP, wonende te, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. W. DE VRIESE, advocaat te 2970 SCHILDE, tegen : 1/ RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, eerste verweerder in hoger beroep, geïntimeerde op incidenteel beroep, voor wie verschijnt: mr. P. CORNILLE loco mr. E. GREEVE, advocaat te 2000 ANTWERPEN, 2/ SDW met zetel gevestigd te 2000 ANTWERPEN, Brouwersvliet 2, tweede verweerder in hoger beroep, appellante op incidenteel beroep, voor wie verschijnt: mr. J. HUYSKENS, advocaat te 2000 ANTWERPEN. Na beraadslaging, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 22 december 2006, van 9 maart 2006 en van 27 april

  1. Het hof keek de volgende stukken van de rechtspleging na: * het tussenarrest van deze kamer van 22 december 2006, waarbij de heropening van de debatten werd bevolen; * de conclusies voor eiser in hoger beroep, neergelegd op de griffie van het hof op 19 januari 2007; * de conclusies voor tweede verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 23 januari
  2. * het schriftelijke advies van het openbaar ministerie gelezen en neergelegd op de zitting van 27 april 2007 en ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid van het gerechtelijk wetboek; * de repliekconclusies van tweede verweerder in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 2 mei
  3. * de repliekconclusies van eerste verweerder in hoger beroep, op de griffie van het hof neergelegd op 11 mei
  4. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 9 maart
  5. Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 27 april
  6. Wat voorafgaat In het tweede arrest, dat deze kamer op 22 december 2006 in deze zaak uitsprak, werden de debatten heropend. In zijn schriftelijke advies, neergelegd op de terechtzitting van 10 november 2006, benaderde het openbaar ministerie de problematiek, die hier aan de orde is, vanuit een mogelijke discriminatie, die verboden is door de artikelen 10 en 11 van de grondwet en vanuit de toepassing van artikel 13 van de grondwet. Omdat deze benadering nieuw was voor de partijen, die in dit geding zijn betrokken, werd hen de kans gegeven hun argumenten over de toepassing van deze artikelen van de grondwet voor te dragen. Het hof oordeelde dan ook als volgt: Het hof is het met het openbaar ministerie eens dat, uit respect voor de rechten van de verdediging en voor het tegensprekelijke karakter van het debat, het passend is de partijen de kans te geven standpunt in te nemen met betrekking tot dit nieuwe beoordelingselement, in de breedste zin van het woord. De debatten worden heropend. HP sluit zich in haar conclusies van 19 januari 2007 aan bij de zienswijze van het openbaar ministerie en zij vraagt om twee prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof. SDW daarentegen handhaaft haar vraag om het hoger en het incidenteel beroep gegrond te verklaren. Het openbaar ministerie adviseert thans ook om aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vragen te stellen, die hij in zijn advies van 27 april 2007 formuleert. De RSZ tenslotte is in hoofdorde van oordeel dat er geen prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof moeten worden gesteld. Ondergeschikt kan er hoogstens aanleiding zijn om de eerste vraag te stellen, niet de tweede. De RSZ vraagt om te beslissen in overeenstemming met zijn eerste beroepsconclusies. Verdere beoordeling De schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur HP en SDW verwijten de RSZ dat hij hun rechtmatig vertrouwen heeft geschonden in de aanspraak die zij maakten op de bijdrageverminderingen. Door pas na vier jaar deze bijdrageverminderingen op de helling te zetten schond de RSZ het vertrouwensbeginsel. Het hof sluit zich, wat de beoordeling van deze kwestie betreft, aan bij het advies van het openbaar ministerie van 10 november 2006, blz. 3 en 4, punt 4.
  7. Het systeem in de RSZ-wet is gebaseerd op het principe van de vrijwillige aangifte door de werkgever van de prestaties van zijn werknemers, de berekeningsbasis en de verschuldigde bijdragen. Zolang de RSZ niet op de hoogte is van enige foutieve aangifte, kan hem geen verwijt worden gemaakt dat hij deze aangifte heeft aanvaard. Het is materieel niet mogelijk elke aangifte telkens te controleren. Nochtans heeft de RSZ het recht om bij wijze van steekproef de aangifte van de werkgevers te controleren en dit zolang de wettelijke verjaringstermijn loopt. Er is in deze zaak geen schending van de beginselen van behoorlijk bestuur. De grond van de zaak De ganse vordering van de RSZ heeft betrekking op de annulatie van de bijdrageverminderingen, die door HP werd toegepast. De RSZ steunt deze vordering op het gegeven dat HP het attest C63 niet tijdig bij het bevoegde gewestelijk bureau van de RVA had aangevraagd. Hierdoor miskende zij de toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991, tot uitvoering van artikel 127bis van de programmawet van 30 december
  8. Het openbaar ministerie situeert in zijn advies van 10 november 2006 de problematiek van de bijdrageverminderingen in het kader van het zogenaamde 'plus-één-plan' op een duidelijke en overzichtelijke wijze in zijn wettelijke context. Het hof verwijst naar deze uiteenzetting onder de punten 4.2.
  9. en 4.2.
  10. van dit schriftelijke advies. Geplaatst tegen zijn historische achtergrond is het duidelijk dat de regelgever in de vorm van het attest C63 een instrument ter beschikking wil stellen om de onderliggende realiteit, namelijk de volledig uitkeringsgerechtigde werkloosheid van de aangenomen werknemer, gemakkelijk te bewijzen. Het is duidelijk dat dit attest niets meer of niets minder is dan een wel bepaald bewijsinstrument maar dat het niet constitutief is tot vestiging van de hoedanigheid van volledig uitkeringsgerechtigde werkloosheid bij de betrokken werknemer. Het is even duidelijk dat de wetgever dit bewijsinstrument enkel heeft aangereikt met de bedoeling zekerheid en eenvoud te bewerkstelligen omtrent het bewijs dat de in dienst genomen werknemer de noodzakelijke in de programmawet gestelde voorwaarden vervulde om voor de werkgever het recht op bijdragevermindering te openen (zie advies van het openbaar ministerie o.c. blz. 9). Het hof merkte in zijn eerste arrest van 21 april 2006 op dat de RSZ echter geen consequent gebruik maakt van dit instrument, aangereikt door de regelgever. Daarom wou het hof meer inzicht verkrijgen in het beleid dat de RSZ op dit vlak hanteerde en vroeg het hof aan de RSZ om dit beleid te verduidelijken. Uit de conclusies die de RSZ nam na het eerste arrest van 21 april 2006 blijkt dat hij zijn beleid op dit vlak niet wenst te verduidelijken. In die omstandigheden kan het hof enkel vaststellen dat er objectieve aanwijzingen zijn dat de RSZ niet in alle gevallen, waarin het C63 attest door de werkgever niet tijdig werd aangevraagd bij het bevoegde gewestelijke bureau van de RVA, de beslissing nam om de bedoelde bijdrageverminderingen die door de betrokken werkgever werden toegepast, te annuleren. In het arrest van 21 april 2006 gaf het hof reeds aan welk deze objectieve aanwijzingen zijn. Deze vaststelling bewijst dat de RSZ het instrument dat de regelgever hem aanreikte om meer zekerheid en gemak te hebben bij de afhandeling van de dossiers van bijdrageverminderingen, in bepaalde gevallen niet gebruikt. Het hof stelt tevens vast dat de regelgever het gebruik van dit instrument niet verplicht heeft opgelegd aan de RSZ. Nu de RSZ het verstrijken van de termijn van dertig dagen om het attest C63 aan te vragen, dan wel en dan weer niet aangrijpt om de bijdrage-verminderingen te annuleren, creëert hij een ongelijke behandeling tussen werkgevers die zich in dezelfde uitgangspositie bevinden. Zolang de RSZ deze ongelijke behandeling niet verduidelijkt en ze verantwoordt, is het onmogelijk ze desgevallend goed te keuren. Nu in deze zaak naar recht werd aangetoond dat MF een volledig uitkeringsgerechtigde werkloze was op het ogenblik dat zij door HP in dienst werd genomen in vervanging van SDW, waardoor HP gerechtigd was om de bijdrageverminderingen in het kader van het plus-één-plan toe te passen en nu er geen reden is om HP ongelijk te behandelen ten opzichte van andere werkgevers, van wie de RSZ blijkbaar aanvaardde dat zij het attest C63 laattijdig aan hem overmaakten, was er voor de RSZ geen rechtvaardiging om de bijdrageverminderingen, die door HP waren toegepast, te annuleren. SDW werd tijdig door MF vervangen zodat HP voor deze laatste kon blijven genieten van de bijdrage-verminderingen in het kader van het plus-één-plan. (zie advies van het openbaar ministerie van 10 november 2006, blz. 6) Dat MF aan de voorwaarden voldeed om in het kader van het plus-één-plan bijdrageverminderingen op haar prestaties op te leveren, wordt voldoende bewezen, onder andere aan de hand van stuk 19 in het dossier van HP. Aldus is de oorspronkelijke vordering van de RSZ ongegrond. Hierdoor verliest de vordering in tussenkomst en vrijwaring haar voorwerp. De verdere vorderingen die HP instelt tegen SDW zijn dan ook niet meer aan de orde. Het incidenteel beroep van SDW is ongegrond. Het is niet nodig de verdere argumentatie te onderzoeken. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 27 april
  11. Tweede verweerder in hoger beroep repliceerde met conclusies, ontvangen op de griffie van dit hof op 2 mei
  12. Eerste verweerder in hoger beroep repliceerde met conclusies neergelegd op de griffie van dit hof op 11 mei
  13. Recht doende op tegenspraak en het tweede arrest van 22 december 2006 verder uitwerkende: Verklaart het hoofdberoep thans ook gegrond. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 1 juni
  14. Opnieuw wijzende, verklaart de oorspronkelijke vordering van de RSZ ongegrond en wijst hem er van af. Verklaart daardoor de vordering in tussenkomst en vrijwaring van 21 februari 2003 zonder voorwerp. Verklaart het incidenteel beroep van de SDW ongegrond. Legt, wat de hoofdvordering betreft, de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van de RSZ. Legt, wat de vordering in tussenkomst en vrijwaring betreft, de kosten van dagvaarding ten laste van dokter HP. Wat de overige kosten van deze vordering betreft, veroordeelt dokter HP en de SDW ieder tot zijn eigen kosten. Vereffent de kosten aan de zijde van: * HP op 99,66 euro dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring, 205,26 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 59,49 euro uitgavenvergoeding en op 279,60 euro rechtsplegingsvergoeding beroep; * de RSZ op 205,26 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding beroep; * SDW op 205,26 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend en zeven, die samengesteld was uit: de heer J. VERHAVERT, raadsheer, voorzitter van de kamer, mevrouw R. DOCX, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer J. VAN DEN EYNDE, raadsheer in sociale zaken als werknemer, mevrouw L. VAN CALSTER, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070608.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.