id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 21 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070621.5 Rolnummer: 2005-0634 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-09-18 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 15:50 Fiches 1 - 3 Indien de schuldenaar in toepassing van artikel 1253 B.W gebruik maakt van zijn recht om bij de betaling te verklaren welke kwartaalschuld hij wil voldoen, kan hij hierop niet terugkomen, tenzij er sprake is van een van de omstandigheden voorzien in artikel 1255 B.W. De wetgeving op het gerechtelijk akkoord en meer bepaald het fixatiebeginsel verhinderen de toepassing van de artikelen 1253 en 1255 B.W. niet. De schuldenaar behoudt immers het vrije beschikkingsrecht over zijn vermogen, tenzij er een andersluidende beslissing van de rechtbank van koophandel ter zake zou voorliggen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BURGERLIJK RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen burgerlijk recht Vrije woorden: rechtswetenschap - recht - wetgeving - burgerlijk recht - betaling - toekenning van betalingen - gerechtelijk akkoord - aanrekening - sociale zekerheid werknemers - bijdragen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1253 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 oud Burgerlijk Wetboek - 1255 - 33 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemeen (sociaal recht - algemene beginselen) Vrije woorden: sociale zekerheid voor werknemers - algemene regeling - de bijdragen - berekening - gerechtelijk akkoord - betaling - aanrekening Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 14 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Vierde kamer Sociale Zekerheid ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. nr. 2050634 OPENBARE TERECHTZITTING VAN EENENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: BS, met zetel gevestigd, eiser in hoger beroep, incidenteel geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. E. VANWEERDT loco mr. K. CALUWAERTS, advocaat te 2600 ANTWERPEN, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, verweerder in hoger beroep, incidenteel appellant, voor wie verschijnt: M.C. RYCKAERT, advocaat te 2300 TURNHOUT. Na beraadslaging over de zaak, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 3 maart, 12 mei, 13 oktober, 10 november 2006, 8 december 2006, 15 februari 2007 en van 19 april
- Het hof keek de volgende stukken van de rechtspleging na: * het tussenarrest van 8 december 2006 van deze kamer, waarbij de heropening der debatten werd bevolen; * de conclusies voor eiser in hoger beroep, neergelegd op de griffie van het hof op 29 december 2006; * de conclusies voor verweerder in hoger beroep, neergelegd op de griffie van het hof op 17 januari 2007; * de conclusies voor eiser in hoger beroep, neergelegd op de griffie van het hof op 31 januari 2007; * de conclusies voor verweerder in hoger beroep, per fax ontvangen op de griffie van het hof op 9 februari 2007; * de conclusies voor verweerder in hoger beroep, neergelegd op de griffie van het hof op 13 februari
- Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 15 februari
- Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 19 april
- Wat voorafgaat In het tweede arrest van deze kamer van 8 december 2006 overwoog het hof: "Verder stelt het hof vast dat de RSZ twee nieuwe punten van discussie aanvoert: enerzijds beweert hij dat hij toepassing moet maken van de regels van het burgerlijk wetboek en dat hij niet anders kan dan de betalingen toerekenen op de kwartalen die zijn schuldenaar aangeeft op zijn overschrijvingsformulieren. Anderzijds stelt hij de beroepsaansprakelijkheid van de bestuurders van de BS en van de commissarissen inzake de opschorting aan de orde. Wat het eerste punt betreft, stelt zich de juridische vraag of een schuldeiser (zoals in deze zaak de RSZ), die na een rechterlijke beslissing, waarbij aan zijn schuldenaar een voorlopige opschorting van betaling werd toegekend, nog betalingen mag ontvangen op schulden waarvoor deze opschorting van betaling geldt? Zo het antwoord op deze vraag positief is, worden dan de andere schuldeisers, door het ontvangen van deze betalingen, niet benadeeld? Wie moet op dergelijke betalingen toezien? Wiens verantwoordelijkheid is er dan in gedrang: deze van de schuldeiser, deze van de schuldenaar of deze van de toezichthouder ( de commissaris bijvoorbeeld) of deze van meerderen onder hen? Zo het antwoord op deze vraag negatief is, kunnen dan in deze specifieke situatie de betalingen van bestemming veranderen, in tegenstrijd met de regels van het burgerlijk wetboek, zoals de RSZ beweert? Het tweede punt dat de RSZ naar voren schrijft, sluit daar onmiddellijk op aan: hoe is het gesteld met de beroepsaansprakelijkheid van de bestuurders van de BS en van de commissarissen van het gerechtelijk akkoord in verband met deze betalingen? Zo deze aansprakelijkheid in het gedrang zou komen, wat is daarvan de weerslag op het huidige geding, nu deze personen in deze zaak geen partij zijn? Verder is ook de vraag of de arbeidsgerechten wel bevoegd zijn om deze aansprakelijkheidsvragen in het kader van een gerechtelijk akkoord op te lossen? Tenslotte merkt het hof op dat slechts de drie eerste betalingen in het rijtje van negen (blz. 6 van de conclusies van de BS van 25 oktober 2006) betalingen zijn die vallen in het tijdvak waarvoor de betalingen van de BS voorlopig waren opgeschort (tussen 14 september 2004 en 1 maart 2005). De zes andere betalingen dateren van na het vonnis van 1 maart
- Maakt dit een verschil uit? Het is duidelijk dat de RSZ in zijn conclusies van 9 november 2006 een aantal nieuwe juridische vragen heeft opgeroepen en een aantal nieuwe juridische discussies aan de orde heeft gesteld. Even duidelijk is dat de BS niet in de mogelijkheid was om op deze vragen te antwoorden, noch om haar standpunt met betrekking tot de nieuwe juridische kwesties te formuleren. Uit respect voor de rechten van haar verdediging, heropent het hof voor de tweede maal de debatten om de zaak beter in staat te stellen." Verdere beoordeling In zijn advies van 19 april 2007 merkt het openbaar ministerie terecht op dat de betwisting tussen de partijen enkel nog slaat op het bedrag van 8.810,71 euro, waarvan hij vervolgens het detail weergeeft (punt 2 op blz. 3 en 4 van het advies). In haar conclusies van 29 december 2006 (blz. 4) vraagt de BS om van het bedrag van 8.810,71 enkel de som van 1.714,39 euro in aanmerking te nemen tot herbestemming. Deze som van 1.714,39 euro is samengesteld uit de betalingen die werden uitgevoerd enkel in de loop van het vierde kwartaal
- Deze betalingen werden oorspronkelijk gedaan met een bestemming voor kwartalen , ouder dan 14 september 2004 (start van de voorlopige opschorting van betaling). Meer bepaald: een betaling van 328,07 euro op het derde kwartaal 2003, een betaling van 1.021,63 euro op het vierde kwartaal van 2003 en 364,69 euro op het derde kwartaal
- Ter discussie staat nu het mechanisme van de herbestemming. De RSZ legt uit dat de regels van het burgerlijk wetboek hem ertoe verplichten de betalingen aan te rekenen op de kwartalen waarop zijn schuldenaar zijn betalingen wel toegerekend zien. Artikel 1253 van het burgerlijk wetboek voorziet inderdaad dat een schuldenaar van verscheidene schulden het recht heeft om, wanneer hij betaalt, te verklaren welke schuld hij wil voldoen. Als keerzijde van dit recht zal de schuldeiser genoegen moeten nemen met de aanzuivering van de schuld, die de schuldenaar heeft gekozen. In die zin heeft de RSZ gelijk dat hij ertoe gehouden is de betaling toe te rekenen op het kwartaal dat de schuldenaar, hier dus de BS, bij zijn betaling opgeeft. De vraag is nu of deze schuldenaar later van gedachten kan veranderen en zijn betaling of zijn betalingen kan bestemmen voor een andere schuld of voor andere schulden dan de schuld of de schulden waarvoor hij oorspronkelijk koos. Concreet in deze zaak: kan de BS in de loop van deze procedure haar drie kwestieuze betalingen van december 2004 niet langer bestemmen als betalingen op het derde kwartaal van 2003 en 2004 en het vierde kwartaal 2003 maar ze herbestemmen op het vierde kwartaal 2004? Artikel 1255 van het burgerlijk wetboek bepaalt dat wanneer de schuldenaar van verscheidene schulden een kwijting heeft aangenomen, waarbij de schuldeiser datgene wat hij ontvangen heeft in het bijzonder op een van die schulden toerekent, de schuldenaar niet meer kan vorderen dat de toerekening zal geschieden op een andere schuld, tenzij er van de zijde van de schuldeiser bedrog of verschalking heeft plaatsgehad. De BS toont niet aan dat de voorwaarden van artikel 1255 van het burgerlijk wetboek op haar niet van toepassing zouden zijn of niet vervuld zouden zijn, zodanig dat zij haar betalingen wél een andere dan de oorspronkelijke bestemming zou kunnen geven. Bijgevolg acht het hof artikel 1255 van het burgerlijk wetboek op de huidige betwisting van toepassing en is het hof van oordeel dat de BS in de gegeven omstandigheden niet aan een herbestemming van haar vroegere betalingen kon doen. Het bedrag van 1.714,39 euro kan dan ook niet in mindering worden gebracht als credit bij de afrekening van de RSZ-schuld voor het vierde kwartaal
- Blijft nog de vraag of de wetgeving op het gerechtelijk akkoord en meer bepaald het fixatiebeginsel (zie punt 7, blz. 3 van de conclusies van de BS van 29 december 2006), de toepassing van de artikelen 1253 en 1255 van het burgerlijk wetboek niet verhindert, in die zin dat de schuldenaar niet bij machte is een bestemming te geven aan betalingen die gebeuren in de periode van voorlopige opschorting, betalingen van schulden in de boedel weliswaar. Op dit punt sluit het hof zich aan bij het standpunt van het openbaar ministerie, zoals dit blijkt uit punt 3.1 op blz. 4-6 van het schriftelijke advies van 19 april
- Er kan niet gesproken worden van een situatie van samenloop onder de schuldeisers. Belangrijk is dat de schuldenaar het vrije beschikkingsrecht over zijn vermogen behoudt, tenzij er een andersluidende beslissing van de rechtbank voorhanden is. De schuldenaar blijft volledig bekwaam. Er wordt geen geldige beslissing van de bevoegde instanties voorgelegd die de BS belette in de periode van voorlopige opschorting betalingen te doen aan de RSZ met een bestemming voor kwartalen die deze periode voorafgaan. Aldus blijven de betalingen, alle van december 2004, van respectievelijk 328,07 euro op het derde kwartaal 2003, een betaling van 1.021,63 euro op het vierde kwartaal van 2003 en 364,69 euro op het derde kwartaal 2004 verworven op die kwartalen. Zij kunnen geen nieuwe bestemming krijgen en aldus niet worden toegerekend op het vierde kwartaal
- De afrekening In zijn synthesebesluiten van 13 februari 2007 geeft de RSZ aan dat het verschuldigde saldo in het kader van deze vordering aan bijdragen en intresten nog 16.326, 11 euro bedraagt. Dit bedrag is lager dan het bedrag van het voorlopige saldo van 19.033,45 euro dat de BS in haar conclusies van 31 januari 2007 citeert (punt 4 - blz. 3). Het hof neemt aan dat dit verschil te verklaren is door betalingen op deze schuld, die ondertussen door de BS werden gedaan. Blijft nog de vraag of het saldo van de laatste betaling, waarmee de BS de bijdrageopslagen betaalde en teveel betaalde zodat dit saldo ontstond, nu moet worden toegerekend op de bijdragen dan wel op de intresten. In de bovenstaande hypothese van een verschuldigd saldo van 16.326,11 euro rekende de RSZ dit saldo toe op de intresten. Het hof onderschrijft deze toerekening, mede gelet op de toepassing van artikel 1254 van het burgerlijk wetboek. Wat de gevraagde afbetalingsfaciliteiten betreft, is het hof van oordeel dat de tijdspanne, die het op punt stellen van de vordering van de RSZ heeft gevergd, aan de BS voldoende financiële ademruimte gaf, zodanig dat haar thans geen extra uitstel van betaling kan worden toegestaan. Voor alle andere opmerkingen die verband houden met de afrekening in het kader van het gerechtelijk akkoord of die verband houden met aansprakelijkheden van wie dan ook, acht het hof zich niet bevoegd. Deze kwesties moeten op het terrein van het gerechtelijk akkoord zelf worden uitgevochten, waarop een andere rechter bevoegd is. Wat betreft het tergende en roekeloze hoger beroep tenslotte, het voorwerp van het incidenteel beroep van de RSZ, daar deed het hof reeds uitspraak over in zijn eerste arrest in deze zaak van 3 maart
- OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 19 april
- Eiser in hoger beroep repliceerde met conclusies, ontvangen op de griffie van dit hof op 11 mei
- Recht doende op tegenspraak en de arresten van 3 maart en 8 december 2006 verder uitwerkende: Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de volgende zin: Verbetert het vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 1 september 2005 wat de bedragen betreft, waartoe het de BS veroordeelde. Opnieuw wijzende veroordeelt de BS om aan de RSZ te betalen het bedrag van ZESTIENDUIZEND DRIEHONDERD-ZESENTWINTIG euro en ELF euro cent (16.326, 11 euro), bestaande uit 14.370,07 euro aan bijdragen en 1.956,04 euro aan intresten tot op 8 november 2006, enkel het bedrag van de bijdragen te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 9 november 2006 tot op de dag van betaling en het geheel te verminderen met alle betalingen, die op deze schuld zouden gedaan zijn sedert 13 februari 2007, dag waarop de RSZ haar vordering voor het laatst actualiseerde. Geeft akte aan de RSZ van zijn vraag en zegt voor recht dat de betalingen ten belope van 8.810,71 euro (zie advies van het openbaar ministerie van 19 april 2007 - blz. 4), moeten worden aangerekend op de achterstallen, die ontstaan zijn in het kader van het afbetalingsplan dat voor de periode voorafgaande aan het vierde kwartaal 2004, door de rechtbank werd gehomologeerd. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van de BS. Vereffent de kosten aan de zijde van de BS op 214,18 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 59,49 euro uitgavenvergoeding, 60,73 euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding en op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en de kosten aan de zijde van de RSZ op 112,20 euro dagvaarding, 214,18 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en op 60,73 euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van eenentwintig juni tweeduizend en zeven, die samengesteld was uit: de heer J. VERHAVERT, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer L. DE WINTER, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer O. MAGNUS, raadsheer in sociale zaken als werknemer, mevrouw L. VAN CALSTER, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070621.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div