← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070627.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 27 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070627.13 Rolnummer: 207KG110 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-09-03 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-02 15:52 Fiche Bevoegdheid Overeenkomstig artikel 584, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, kan de voorzitter van de arbeidsrechtbank bij voorraad uitspraak doen in gevallen die hij spoedeisend acht, in aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren. Wachtgelden die een overheidsinstelling verschuldigd is aan haar ambtenaren die zich in disponibiliteit bevinden wegens het ontbreken van een betrekking, zijn loon in de zin van de loonbeschermingswet. De arbeidsrechtbank is bevoegd om kennis te nemen van vorderingen die daarop betrekking hebben. Spoedeisendheid Aangezien de eisende partij hoofdverpleegkundige met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is, beschikt hij over een beroepsinkomen dat hem in staat stelt te voorzien in zijn onderhoud en dat van zijn gezin en vertoont de zaak geen spoedeisend karakter. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Algemeen (bevoegdheid) GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Arbeidsrechtbank - Algemene bevoegdheid arbeidsrechtbank Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - kortgeding - bevoegdheid - spoedeisend karaktern - I A Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 584, lid 2 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Annotaties Publicaties: JTT - - 2007 - nr. 992 - blz. 462-463 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 207KG110 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN ZEVEN A.Z.V.E., appellante, vertegenwoordigd door mr. G. MEEUS, advocaat te Willebroek, tegen : F. D., geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. I. ARNOUTS, loco mr. P. LAHOUSSE, advocaat te Mechelen. Het arbeidshof, zetelend in kort geding, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 20 juni

  1. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 13 juni 2007 en 20 juni
  2. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van de op 16 mei 2007 op tegenspraak gewezen beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Mechelen, zetelend in kort geding, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 6 juni
  3. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met exploot van 26 april 2007 dagvaardde de heer D. het A.Z.V.E., in vrijwillige vereffening, voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Mechelen, zetelend in kort geding, en vorderde hij betaling van 8.469,84 EUR provisioneel, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding. Bij conclusie van 10 mei 2007 vorderde het A.Z.V.E. in hoofdorde dat de voorzitter van de arbeidsrechtbank zich onbevoegd zou verklaren en de vordering zou afwijzen, ondergeschikt dat hij zich onbevoegd zou verklaren en de zaak zou verwijzen naar de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, meer ondergeschikt dat de voorzitter zich onbevoegd zou verklaren wegens gebrek aan hoogdringendheid en nog meer ondergeschikt dat hij de vordering ontvankelijk doch ongegrond zou verklaren. Bij conclusie van 10 mei 2007 vorderde de heer D. het A.Z.V.E. te veroordelen tot betaling van de inmiddels vervallen maandelijkse wachtgelden a rato van 4.234,92 EUR per maand ingaande op 1 maart 2007 of 3 x 12.704,76 EUR bruto, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest vanaf de datum van opeisbaarheid berekend op het bruto-equivalent. Tevens vorderde hij de afgifte van de maandelijkse loonbescheiden onder verbeurte van een dwangsom van 50,00 EUR per dag per ontbrekend document ingaande de tiende dag na de betekening van de beschikking. Bij beschikking van 16 mei 2007 verklaarde de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Mechelen, zetelend in kort geding, zich bevoegd om kennis te nemen van de zaak, verklaarde hij de uitgebreide vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en veroordeelde hij het A.Z.V.E. tot betaling van 8.469,84 EUR bruto provisioneel, uit hoofde van wachtgelden voor de maanden maart en april 2007, te verminderen met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen in zoverre verschuldigd en het aldus bekomen bedrag te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest vanaf de datum van opeisbaarheid en berekend op het bruto-equivalent. Het A.Z.V.E. werd tevens veroordeeld tot afgifte van de maandelijkse loonbescheiden en het meergevorderde werd afgewezen. III. EISEN IN HOGER BEROEP In het verzoekschrift tot hoger beroep vordert het A.Z.V.E. dat dit arbeidshof de bestreden beschikking zou teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, zich in hoofdorde onbevoegd zou verklaren en de vordering zou afwijzen, minstens deze verwijzen naar de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen; ondergeschikt de vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
  4. De feiten Het A.Z.V.E. is een vereniging, zoals bedoeld in hoofdstuk XII van de OCMW-wet. De heer D. is in dienst getreden van het A.Z.V.E. op 1 januari 1997 als verpleger. Tussen partijen bestaat geen betwisting over het feit dat de tewerkstelling van de heer D. kadert in een eenzijdige aanstelling door het A.Z.V.E. en dat zijn toestand statutair wordt geregeld. Bij akte verleden op 14 maart 2002 besliste het A.Z.V.E. in vrijwillige vereffening te gaan. Met een brief van 26 juni 2002 deelde het A.Z.V.E. aan de heer D. mee dat het college van vereffenaars had beslist om hem vanaf 1 juli 2002 "in disponibiliteit wegens ontstentenis van betrekking" te plaatsen. Voor de maand juli 2002 ontving de heer D. vanwege het A.Z.V.E. een zogeheten "wachtgeld" gelijk aan zijn normale wedde. Van augustus 2002 tot augustus 2006 werd de heer D., met zijn instemming, gedetacheerd bij het OCMW van B. Van september 2006 tot februari 2007 genoot de heer D. op zijn verzoek, verlof zonder wedde. Ondanks uitdrukkelijke ingebrekestelling weigert het A.Z.V.E. aan de heer D. wachtgeld te betalen voor de periode vanaf 1 maart
  5. De beoordeling 2.
  6. Exceptie van onbevoegdheid Zoals in eerste aanleg betwist het A.Z.V.E. de materiële bevoegdheid van de voorzitter van de arbeidsrechtbank om kennis te nemen van dit geschil. Het A.Z.V.E. doet in dit verband opnieuw gelden dat de betwisting betrekking heeft op de statutaire toestand van de heer D. en niet strekt tot betaling van loon, omdat de heer D. sedert maart 2007 geen prestaties levert. Het A.Z.V.E. besluit vervolgens dat deze zaak behoort tot de bevoegdheid van de Raad van State of van de rechtbank van eerste aanleg. Samen met de eerste rechters kan dit arbeidshof het standpunt van het A.Z.V.E. niet delen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 584, tweede lid Ger.W. kan de voorzitter van de arbeidsrechtbank bij voorraad uitspraak doen in gevallen die hij spoedeisend acht, in aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren. Bij de beoordeling van de vraag naar de bevoegdheid van de voorzitter van de arbeidsrechtbank zetelend in kort geding volstaat het vast te stellen dat eiser aanvoert dat de zaak spoedeisend is en dat de zaak een geschil betreft dat behoort tot de materiële bevoegdheid van de arbeidsrechtbank. De vaststelling dat de zaak in werkelijkheid niet spoedeisend is, beïnvloedt de bevoegdheid niet en leidt, in voorkomend geval, tot de ongegrondverklaring van de vordering. (PETIT, J., "Sociaal procesrecht", Brugge, die keure, 2000, nr. 278 en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer) Dit arbeidshof stelt vast dat de heer D. in de inleidende dagvaarding duidelijk en ondubbelzinnig heeft aangevoerd dat de vordering spoedeisend en hoogdringend is zodat, in het kader van de opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, enkel nog moet worden onderzocht of zij ressorteert onder de notie "aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren". Overeenkomstig het bepaalde in artikel 578, 7° Ger. W. neemt de arbeidsrechtbank kennis van geschillen van burgerlijke aard die het gevolg zijn van een overtreding van de wetten en besluiten betreffende de arbeidsreglementering en de aangelegenheden onder de bevoegdheid van de arbeidsgerechten. Een geschil van burgerlijke aard dat het gevolg is van een overtreding in de zin van artikel 578, 7° Ger.W. is elke vordering die laat blijken van een overtreding van de wetten en de besluiten betreffende de arbeidsreglementering en de aangelegenheden onder de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, zelfs al steunt de vordering niet uitdrukkelijk op die overtreding. (Cass. 12 december 1984, Arr.Cass., 1984-85, 518; Cass. 17 december 1984, Pas., 1985, I, 473) De Loonbeschermingswet is een wet betreffende de arbeidsreglementering in de zin van voornoemd artikel 578, 7° Ger. W. Deze wet is van toepassing op de ambtenaren en de overheden die hen tewerkstellen. (DENEVE, C., "De Loonbeschermingswet in de openbare sector", Soc. Kron., 1991, 341-346) Uit de wettelijke omschrijving van het loon in artikel 2 van de Loonbeschermingswet vloeit voort dat "loon" in de zin van die wet niet alleen de tegenwaarde is van gepresteerde arbeid, maar dat ook de bedragen zijn bedoeld die de werkgever verschuldigd is in geval van schorsing of beëindiging van de dienstbetrekking. Wachtgelden die een overheidsinstelling overeenkomstig de bepalingen van een statuut verschuldigd is aan haar ambtenaren die zich in disponibiliteit bevinden wegens het ontbreken van een betrekking, zijn loon in de zin van de Loonbeschermingswet. Dergelijke wachtgelden werden in de Loonbeschermingswet niet uitgesloten uit het loonbegrip. De vordering van de heer D. steunt op de bewering dat hem sedert maart 2007 wachtgelden verschuldigd zijn en dat het A.Z.V.E. sedertdien, in strijd met de bepalingen van de Loonbeschermingswet, heeft nagelaten hem deze wachtgelden maandelijks te betalen. De door de heer D. ingestelde vordering, zoals omschreven in de inleidende dagvaarding, laat derhalve blijken van een overtreding van een van de wetten betreffende de arbeidsreglementering, zodat de arbeidsgerechten bevoegd zijn om hiervan kennis te nemen. Het is dan ook terecht dat de voorzitter van de arbeidsrechtbank van Mechelen zich bevoegd verklaarde. 2.
  7. Zaak niet spoedeisend Een partij kan slechts haar toevlucht nemen tot het kort geding wanneer de gewone rechtspleging niet bij machte is het geschil tijdig op te lossen en een onmiddellijke beslissing geboden is om schade van een bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen, een dreiging van onherstelbare schade is daarentegen niet vereist. (PETIT, J., o.c., l.c., en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer) Dit arbeidshof kan slechts vaststellen dat het dossier geen elementen bevat die toelaten te besluiten dat de gevraagde voorlopige maatregel nodig is om schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken te voorkomen, integendeel. In de inleidende dagvaarding motiveerde de heer D. de door hem ingeroepen hoogdringendheid als volgt: "Onderhavige vordering is spoedeisend en derhalve hoogdringend, vermits de houding van gedaagde een zeer gevaarlijke en penibele toestand creëert voor verzoeker en zijn gezin. Het niet ontvangen van de vergoedingen sedert maart 2007 berokkent een ernstig nadeel waaraan snel een einde moet komen, zoniet komen zijn levensbehoeften van verzoeker en zijn gezin in gevaar met alle gevolgen vandien." Ter zitting is evenwel gebleken dat de heer D. sedert 14 augustus 2006 werkt in de S-J.kliniek, als hoofdverpleegkundige, met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ingevolge deze tewerkstelling kan de heer D. allicht beschikken over een beroepsinkomen, dat hem normaal in staat moet stellen om in zijn onderhoud en in dat van zijn gezin te voorzien, wat door de heer D. ook niet wordt tegengesproken. Het is dan ook volkomen terecht dat het A.Z.V.E. besluit dat deze zaak geen spoedeisend karakter bezit. Het hoger beroep is bijgevolg gegrond. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Mechelen, zetelend in kort geding, van 16 mei
  8. En opnieuw rechtsprekend, Verklaart de vordering van de heer D. ontvankelijk doch ongegrond. Legt de kosten van beide instanties ten laste van de heer D.. Vereffent deze aan de zijde van beide partijen op nihil. Aldus gewezen en uitgesproken door de eerste kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zetelend in kort geding, in openbare terechtzitting van zevenentwintig juni tweeduizend en zeven, waar aanwezig waren: mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer I. BIEGS, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer S. HENS, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, de heer L. VISKENS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070627.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.