← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070627.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 27 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070627.14 Rolnummer: 2004-0671 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-09-03 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-02 15:52 Fiche Wanneer de werkgever beweert dat tussen partijen een overeenkomst is tot stand gekomen overeenkomstig artikel 82, § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet en dat beide partijen hebben ingestemd met de betekende opzegtermijn, dan heeft hij daarvan de bewijslast. Het zonder protest presteren van de betekende opzegtermijn is nog geen bewijs van een stilzwijgend akkoord. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Bedienden Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - bedienden - einde van de overeenkomst - opzeggingstermijn - bewijs - II CN Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Annotaties Publicaties: JTT - - 2007 - nr. 993 - blz. 487-488 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2040671 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN ZEVEN nv J. F. met zetel gevestigd te , appellante vertegenwoordigd door mr. S. Vandermeersch loco mr. P. De Foer, advocaat te 2020 Antwerpen, tegen : M. S. wonende te geïntimeerde vertegenwoordigd door mevrouw M. Robbeets, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie. Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 23 mei

  1. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 6 december 2004 en 23 mei
  2. I. DE STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 10 februari 2004 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen , waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het eensluidend verklaard afschrift van het op 8 juni 2004 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 22 oktober 2004; * de conclusie van mevrouw M.S. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 9 december 2005; * de conclusie van de nv J. F. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 7 augustus 2006; * de aanvullende conclusie van mevrouw M.S. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 26 december 2006; * de aanvullende conclusie van de nv J. F. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 5 januari
  3. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met dagvaarding, betekend op 11 januari 2001, vorderde mevrouw M.S. de veroordeling van de nv J. F., hierna genoemd de nv, tot betaling van: - 759.598 BEF bruto opzeggingsvergoeding - 21.775 BEF bruto enkel vakantiegeld 1998, dienstjaar 1997, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intrest vanaf hun eisbaarheid te berekenen op het netto verschuldigd bedrag. Mevrouw M.S. vorderde tevens de afgifte van de sociale en fiscale documenten, m.n.: een uittreksel uit de individuele rekening, een aangepast formulier C4-brugpensioen en de fiscale loonfiche nr. 281.10 onder verbeurte van een dwangsom van 100 BEF per dag en per ontbrekend document bij niet afgifte binnen een termijn van één maand na betekening van het vonnis. Met conclusie van 26 december 2001 breidde mevrouw M.S. haar vordering uit en vorderde zij: - 759.598 BEF bruto of 18.829,94 EUR bruto opzeggingsvergoeding - 38.761 BEF bruto of 960,87 EUR bruto achterstallig enkel vakantiegeld 1997 en 1998, deze bedragen te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen in zoverre verschuldigd en over te maken aan de bevoegde instanties; vervolgens de opzeggingsvergoeding te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 29 juli 1998, zijnde het tijdstip van eisbaarheid t/m 10 januari 2001 en deze te berekenen op het netto opeisbare bedrag; vervolgens beide bedragen te vermeerderen met de gerechtelijke intrest vanaf 12 januari 2001 en deze te berekenen op de netto opeisbare bedragen. Mevrouw M.S. vorderde tevens de afgifte van de sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom van 100 BEF of (2,48 EUR) per dag en per ontbrekend document. Met vonnis van 10 februari 2004 werd de nv veroordeeld tot betaling van 539,79 EUR bruto als saldo enkel vakantiegeld 1998, te verminderen met de wettelijke sociale en fiscale inhoudingen en te vermeerderen met de gerechtelijke intrest vanaf de datum van de dagvaarding, deze intrest te berekenen op het netto opeisbaar gedeelte. De vordering in betaling van een saldo enkel vakantiegeld 1997 werd ongegrond verklaard en de eerste rechters heropenden het debat alvorens verder recht te spreken. Met vonnis van 8 juni 2004 werd de nv veroordeeld tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van 18.829,94 EUR, te verminderen met de wettelijke sociale en fiscale inhoudingen in de mate deze verschuldigd en betaald zijn en te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 29 juli 1998 en de gerechtelijke intrest vanaf 12 januari
  4. De nv werd tevens veroordeeld tot afgifte van de verbeterde individuele rekening, het verbeterd werkloosheidsbewijs en de loonfiche 281.10 en tot de kosten. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de nv strekt ertoe het vonnis van 8 juni 2004 te vernietigen en, opnieuw recht sprekend, de oorspronkelijke vordering van mevrouw M.S. in betaling van 18.829,94 EUR als aanvullende opzeggingsvergoeding ongegrond te verklaren. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het hoger beroep ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
  5. De feiten Op basis van de neergelegde stukken en de niet tegengesproken feitelijke argumentatie ontwikkeld door partijen, aanvaardt dit arbeidshof de volgende feiten als bewezen: Mevrouw M.S. is in dienst getreden van de nv op 1 maart 1985, met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, als patronenmaakster. Met een aangetekende brief van 28 juli 1998 betekende de nv een opzeggingstermijn aan mevrouw M.S. van negen maanden, ingaand op 1 augustus
  6. De betekende opzeggingstermijn werd geschorst wegens ziekte van mevrouw M.S. van 24 augustus 1998 tot 2 april
  7. Op 23 juni en 6 september 1999 werden binnen het Paritair Comité voor de bedienden van het kleding- en confectiebedrijf twee CAO's gesloten waarbij aan vrouwen vanaf 56 jaar een aanvullende vergoeding brugpensioen werd toegekend. De tewerkstelling van mevrouw M.S. nam daadwerkelijk een einde op 12 januari
  8. Bij haar vertrek overhandigde de nv aan mevrouw M.S. een formulier C4 brugpensioen, waarin zij zich ertoe verbond mevrouw M.S. te vervangen. Op 13 januari 2000 deed mevrouw M.S. bij haar uitbetalingsinstelling een aanvraag tot het bekomen van voorlopige werkloosheidsuitkeringen. Mevrouw M.S. deed tevens een aanvraag tot het bekomen van aanvullende vergoedingen brugpensioen bij het Sociaal Waarborgfonds van de kleding- en konfektienijverheid. Bij beslissing genomen door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op 21 februari 2000 werd mevrouw M.S. toegelaten tot het recht op voorlopige uitkeringen vanaf 13 januari
  9. Diezelfde datum betekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een door mevrouw M.S. ondertekende "akte van overdracht" m.b.t. het gedeelte van de aan mevrouw M.S. toe te kennen aanvullende opzeggingsvergoeding dat overeenstemt met de voorlopige werkloosheidsuitkeringen, ontvangen voor de periode gedekt door deze opzeggingsvergoeding. Met een brief van 24 mei 2000 vorderde de vakorganisatie van mevrouw M.S. namens laatstgenoemde betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van 7 maanden.
  10. De beoordeling Tussen partijen bestaat geen betwisting over het feit dat het jaarloon van mevrouw M.S. op het ogenblik van de opzegging meer bedroeg dan de in artikel 82, §3 Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde jaarloongrens. De door de nv in acht te nemen opzeggingstermijn moest bijgevolg worden vastgesteld hetzij bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter. Wanneer de nv voorhoudt dat tussen partijen een overeenkomst is tot stand gekomen conform artikel 82, §3 Arbeidsovereenkomstenwet en dat beide partijen hebben ingestemd met de betekende opzeggingstermijn van 9 maanden, draagt zij hiervan de bewijslast. Naar het oordeel van dit arbeidshof volstaan de door de nv in dit kader ingeroepen feiten en stukken noch afzonderlijk, noch samengenomen om te kunnen besluiten dat mevrouw M.S. heeft ingestemd met de duur van de haar betekende opzeggingstermijn. Het zonder protest presteren van de betekende opzeggingstermijn houdt uiteraard geen bewijs in van een stilzwijgend akkoord m.b.t. de gegeven termijn en het staat de werknemer vrij om zijn aanspraken op een aanvullende opzeggingsvergoeding al dan niet voor het verstrijken van de opzeggingstermijn kenbaar te maken. Ook het feit dat mevrouw M.S. slechts met brief van 24 mei 2000 voor het eerst deze aanspraken tegenover de nv heeft geformuleerd, impliceert geen akkoord met de betekende opzeggingstermijn. De werknemer beschikt immers over een termijn van één jaar om een vordering tot het bekomen van een aanvullende opzeggingsvergoeding in te stellen en kiest binnen die termijn vrij het tijdstip waarop hij zijn aanspraken wil kenbaar maken. Het stilzitten van de werknemer voor het verstrijken van de verjaringstermijn kan tal van andere oorzaken hebben dan zijn akkoord m.b.t. de duur van de reeds gepresteerde opzeggingstermijn en uit een dergelijk stilzitten kan en mag dan ook niet het bestaan van een dergelijk akkoord worden afgeleid. Dit geldt zeer zeker in deze zaak, nu mevrouw M.S. na de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst en vooraleer zij haar aanspraken tegenover de nv kenbaar maakte, bij haar uitbetalingsinstelling een aanvraag deed tot het bekomen van voorlopige werkloosheidsuitkeringen, zich er toe verbond om van de nv betaling te eisen van een aanvullende opzeggingsvergoeding en ten voordele van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening afstand deed van de voorlopige werkloosheidsuitkeringen voor de periode gedekt door aanvullende opzeggingsvergoeding, die haar eventueel zou worden toegekend.(vgl stukken 12 en 13 dossier mevrouw M.S.) Dat het initiatief voor het instellen van haar vordering en de schuldoverdracht uitsluitend zou zijn uitgegaan vanwege de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, blijkt niet uit de stukken 12 en 13 uit het dossier van mevrouw M.S. , stukken die integendeel de versie van mevrouw M.S. bevestigen dat haar "engagement" tegenover de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening reeds dateert van 13 januari 2000, met name op het ogenblik van de aanvraag tot het bekomen van werkloosheidsuitkeringen bij haar uitbetalingsinstelling. Doch, zelfs indien het initiatief voor dit "engagement" uitsluitend zou zijn uitgegaan van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, staat niettemin vast dat mevrouw M.S. hiermee heeft ingestemd en dat zij de nv ook daadwerkelijk heeft gedagvaard in betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding, terwijl niets in haar houding toelaat te besluiten dat zij voordien, al dan niet stilzwijgend, had ingestemd met de haar betekende opzeggingstermijn. Een dergelijke instemming met de betekende opzeggingstermijn kan en mag niet worden afgeleid uit het feit dat mevrouw M.S. nog voor het verstrijken van de haar betekende opzeggingstermijn "het brugpensioen zou hebben geclaimd" en dit voordeel nadien ook effectief heeft aangevraagd en bekomen. Deze handelswijze kan immers evenzeer zijn ingegeven met de bedoeling om, in afwachting van het resultaat van de geplande gerechtelijke procedure, reeds onmiddellijk te kunnen beschikken over een vervangingsinkomen en om haar rechten op dit vervangingsinkomen veilig te stellen, voor het geval de voorgenomen vordering tot het bekomen van een aanvullende opzeggingsvergoeding niet of niet volledig zou worden toegekend. Dat dit inderdaad de bedoeling was van mevrouw M.S. blijkt naar het oordeel van dit arbeidshof duidelijk uit het feit dat zij slechts voorlopige werkloosheidsuitkeringen aanvroeg en zich engageerde tot terugbetaling van genoemde voorlopige werkloosheidsuitkeringen indien haar eis tot het bekomen van een aanvullende opzeggingsvergoeding zou worden ingewilligd. Dat aanvullende vergoedingen brugpensioen, zoals ten andere werkloosheidsuitkeringen, niet mogen worden gecumuleerd met een aanvullende opzeggingsvergoeding doet geen afbreuk aan het voorgaande. Men kan van een ontslagen werknemer bezwaarlijk verwachten dat hij wacht tot na het verstrijken van de periode die overeenstemt met de duur van de door hem beoogde, maar nog niet toegekende opzeggingsvergoeding, alvorens aanspraak te maken op werkloosheidsuitkeringen en aanvullende vergoedingen brugpensioen. Dat mevrouw M.S. bij haar aanvraag tot het bekomen van aanvullende vergoedingen brugpensioen vanwege het Sociaal Waarborgfonds van de kleding- en Konfektienijverheid geen melding heeft gemaakt van haar intentie om vanwege de nv een aanvullende opzeggingsvergoeding te vorderen en ook in de daaropvolgende maanden geen voorbehoud formuleerde bij de ontvangst van die vergoedingen, kan hoogstens worden gezien als een niet correcte houding tegenover genoemd fonds, maar impliceert geenszins dat zij akkoord ging met de haar betekende opzeggingstermijn. Gelet op het voorgaande moet dan ook besloten worden dat tussen partijen geen overeenkomst is tot stand gekomen m.b.t. de door de nv in acht te nemen opzeggingstermijn. De door de nv ingeroepen feiten en stukken laten evenmin toe te besluiten dat mevrouw M.S. op enig enkel ogenblik afstand heeft gedaan van haar recht op betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding. Gelet op het ontbreken van een akkoord in de zin van artikel 82, §3 Arbeidsovereenkomstenwet is het de rechter die de normaal door de nv in acht te nemen opzeggingstermijn moet vaststellen, op basis waarvan kan worden bepaald of mevrouw M.S. recht heeft op een aanvullende opzeggingsvergoeding. Daarbij moet rekening worden gehouden met de voor mevrouw M.S. op het ogenblik van haar ontslag bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden gelet op haar anciënniteit, haar leeftijd (55 jaar 4 maanden) haar functie en haar jaarloon (32.279,90 EUR), volgens de gegevens eigen aan de zaak. Rekening houdend met deze elementen kan dit arbeidshof de eerste rechters volledig bijtreden waar zij beslisten dat de nv een opzeggingstermijn van 16 maanden in acht had moeten nemen, zodat terecht aan mevrouw M.S. een aanvullende opzeggingsvergoeding van 7 maanden werd toegekend, waarvan de becijfering als zodanig niet ter discussie staat. Het hoger beroep van de nv is bijgevolg niet gegrond. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging recht sprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 8 juni
  11. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de nv J. F. Vereffent deze aan de zijde van de nv J. F. op 291,52 EUR rechtsplegings-vergoeding arbeidshof. Vereffent deze aan de zijde van mevrouw M.S. op nihil. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 27 juni 2007, waar aanwezig waren: mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer I. BIEGS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer S. HENS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, mevrouw L. PELEMANS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070627.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.