← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070913.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 13 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070913.7 Rolnummer: 2005-0800 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-12-10 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 15:59 Fiches 1 - 2 Zowel de opzegvergoeding als het 'vakantiegeld bij uitdiensttreding' waarop de werknemer aanspraak kan maken in toepassing van artikel 46, 1ste en 2de lid van het K.B. van 30 maart 1967 dienen voor de toepassing van artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit aangemerkt te worden als loon dat niet gecumuleerd kan worden met werkloosheidsuitkeringen. Daarenboven volgt uit de tekst van artikel 20 van het M.B. van 26 november 1991 dat beide vergoedingen voor de toepassing van de werkloosheidsreglementering niet kunnen geacht worden éénzelfde kalenderperiode te dekken. De bediende die zowel een opzegvergoeding als een vakantiegeld bij het einde van de dienstbetrekking ontvangt kan bijgevolg slechts aanspraak maken op werkloosheidsuitkeringen na verloop van de periodes die zowel door deze opzegvergoeding als door het vakantiegeld gedekt worden. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden Vrije woorden: Arbeidsvoorziening - werkloosheid - toekenningsvoorwaarden - onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn - uitkeringen - zonder loon - vakantiegeld bij uitdiensttreding - loon - geen cumul - V A N Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 44 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Ministerieel Besluit - 26-11-1991 - 20 - 30 ELI link Pub nr 1992013272 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Algemeen Vrije woorden: Arbeidsvoorziening - werkloosheid - toekenningsvoorwaarden - wordt als loon beschouwd - uitkeringen - zonder loon - vakantiegeld bij uitdiensttreding - loon - geen cumul - V A N Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 46 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Ministerieel Besluit - 26-11-1991 - 20 - 30 ELI link Pub nr 1992013272 Nota: Gerangschikt onder V A N - artikel 44 en onder V A N - artikel 46 Annotaties Publicaties: JTT 2008 - - nr. 999 - blz. 79-80 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2050800 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DERTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. J. SWERTS, loco mr. R. LECOUTRE, advocaat te 2018 Antwerpen, tegen: W. VDB, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. I. VERBEECK, advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.

  1. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 11 januari 2006, 24 mei 2007 en 14 juni 2007; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 18 november 2005 (A.R.V. 26.811); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 14 december 2005; - de conclusies voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van dit hof op 15 december 2006; - de conclusies voor appellant, ontvangen op de griffie van dit hof op 9 januari 2007; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 14 juni 2007, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 15 juni 2007; - de schriftelijke repliek van geïntimeerde op het advies van het openbaar ministerie, neergelegd op de griffie van dit hof op 22 juni
  2. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen), de bundel van de raadsman van W. VDB bestaande uit rechtspraak (1 arrest arbeidshof Antwerpen), en de bundel van de raadsman van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bestaande uit rechtspraak (2 arresten arbeidshof Gent, 1 vonnis arbeidsrechtbank Veurne en 1 vonnis arbeidsrechtbank Ieper). Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 24 mei
  3. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 14 juni 2007 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
  4. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 14 december 2005, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd uitgesproken door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 18 november 2005 (A.R. 26.811). Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 22 november
  5. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  6. Feiten en voorgaande rechtspleging Op 23 januari 2004 besliste de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Turnhout, - in toepassing van de artikelen 44, 46, 139, 142, 144, 149, 169 en 170 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en artikel 20 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 - W. VDB uit te sluiten van het recht op uitkeringen van 1 november 2003 tot en met 30 november
  7. De directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeids-voorziening te Turnhout nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft (stuk 1 administratief dossier: C 29 van 23.01.2004): "Uw arbeidsovereenkomst met J. P. werd op 31.12.2001 beëindigd. Ten gevolge van de beëindiging van uw arbeidsovereenkomst heeft uw werkgever u een schadevergoeding betaald die de periode dekt van 01.01.2002 tot en met 31.10.
  8. U hebt tijdens voormelde periode 24 dagen betaald verlof opgenomen. De door vakantiegeld gedekte dagen mogen echter niet uitgeput worden tijdens de periodes die niet vergoedbaar zijn in toepassing van artikel 46 van het koninklijk besluit ingevolge het ontvangen van een vergoeding wegens de beëindiging van een arbeidsovereenkomst (art. 20 van het Ministerieel Besluit van 26.11.1991). U kan bijgevolg geen uitkeringen ontvangen voor de periode 01.11.2003 tot en met 30.11.2003." Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 1 maart 2004 en ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 2 maart 2004, tekende W. VDB beroep aan tegen voormelde administratieve beslissing. Bij vonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 18 november 2005 werd: - de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard; - de administratieve beslissing van 23 januari 2004 vernietigd; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verwezen in de kosten van het geding, aan de zijde van W. VDB vereffend op 4,50 euro aantekenrecht en op 107,09 euro rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening niet begroot. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 14 december 2005, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout.
  9. Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en de administratieve beslissing te bevestigen; - te zeggen voor recht dat W. VDB moet worden uitgesloten van het recht op uitkeringen van 1 november 2003 tot en met 30 november 2003 omdat hij tijdens de periode van verbrekingsvergoeding van 1 januari 2002 tot en met 31oktober 2003 24 verlofdagen had opgenomen; - over de kosten te oordelen als naar recht. W. VDB (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep, voor zover ontvankelijk, alleszins af te wijzen als ongegrond; - dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn onderdelen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van W. VDB begroot op 107,09 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 142,79 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
  10. Ten gronde 5.
  11. Situering van het geschil Geïntimeerde werd door zijn werkgever, de firma J. P., op 31 december 2001 ontslagen mits betaling van een opzeggingsvergoeding welke, volgens de vermelding op het formulier C4, de periode dekte van 1 januari 2002 tot en met 31 oktober
  12. Met het formulier C4 vroeg geïntimeerde werkloosheidsuitkeringen aan vanaf 1 november
  13. Bij beslissing van 23 januari 2004 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Turnhout werd geïntimeerde uitgesloten van het recht op uitkeringen van 1 november 2003 tot en met 30 november 2003 in toepassing van artikel 46 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna Werkloosheidsbesluit) en artikel 20 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 18 november 2005 werd voormelde administratieve beslissing, na verhaal van geïntimeerde, vernietigd op basis van volgende overwegingen: "De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening kan zich op geen wettelijk argument steunen teneinde de periode waarop de opzeggings-vergoeding betrekking heeft, fictief te verlengen met de vakantiedagen die eiser, door zijn ontslag, niet heeft kunnen nemen; De uitbetaalde opzeggingsvergoeding dekte de periode van 1.1.2002 tot en met 31.10.
  14. Sinds zijn ontslag voerde eiser geen activiteit meer uit in dienst van zijn werkgever. Hij was dus in de onmogelijkheid om de dagen die gedekt zijn door vakantiegeld op te nemen uiterlijk op 31 december van het jaar
  15. De opzeggingsvergoeding dekt op forfaitaire wijze alle schade die uit de onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voortvloeit (Cass. 7 mei 2001, J.T.T. 2001, 410). Het recht op deze forfaitaire vergoeding ontstaat op het ogenblik van het ontslag en wordt op dat ogenblik vastgesteld en begroot. Het is de wettelijk voorziene compensatie voor het niet respecteren van een opzeggingstermijn die in zijn geheel onmiddellijk opeisbaar is. De werkgever is geen vakantiegeld verschuldigd op de opzeggingsvergoeding. Aangezien er, omwille van het ontslag, geen onderbreking van de arbeid is geweest wegens vakantie, kan de periode gedekt door de opzeggingsvergoeding niet fictief verlengd worden met 24 verlofdagen." Appellant acht zich gegriefd door het bestreden vonnis en laat gelden: - dat vakantiegeld en opzeggingsvergoeding voor de toepassing van artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit beide aanzien worden als loon dat niet kan gecumuleerd worden met werkloosheidsuitkeringen en uit artikel 20 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 volgt dat beide vergoedingen niet kunnen geacht worden éénzelfde kalenderperiode te dekken; - dat het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding inhoudt dat zij verschuldigd is op het ogenblik dat de arbeidsovereenkomst onregelmatig werd beëindigd; dit impliceert geenszins dat de periode die door deze vergoeding gedekt is in de werkloosheidsreglementering niet fictief kan geacht worden te zijn geschorst door de periode die door vakantiegeld wordt gedekt, zoals ook de werkelijk gepresteerde opzeggingstermijn wordt geschorst door jaarlijkse vakantie; - dat anders oordelen een niet redelijk en niet objectief verschil in behandeling voor gevolg zou hebben ten aanzien van de werkloze wiens arbeidsovereenkomst werd beëindigd met inachtneming van een opzeggingstermijn, die werd verlengd met de periode gedurende welke de werknemer zijn vakantie opnam. 5.
  16. Wettelijk kader Overeenkomstig artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit moet de werkloze wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn om uitkeringen te kunnen genieten. Artikel 46, §1, eerste lid van het Werkloosheidsbesluit bepaalt dat voor de toepassing van artikel 44 inzonderheid als loon wordt beschouwd: - het vakantiegeld (artikel 46, §1, eerste lid, 3°) - de vergoeding waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met uitzondering van de ver-goeding wegens morele schade en de vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering (artikel 46, §1, eerste lid, 5°). Artikel 46, §1, tweede lid, 1° bepaalt dat de minister na advies van het beheerscomité het tijdstip kan bepalen waarop de werkloze de dagen gedekt door vakantiegeld moet uitputten. In uitvoering hiervan bepaalt artikel 20, eerste lid van het ministerieel besluit van 26 november 1991 het volgende: "De werkloze moet de dagen die gedekt zijn door vakantiegeld ten laatste uitputten in de maand december van het jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar. De door vakantiegeld gedekte dagen mogen niet uitgeput worden tijdens periodes van volledige werkloosheid die niet vergoedbaar zijn in toepassing van artikel 46 van het koninklijk besluit ingevolge het ontvangen van een vergoeding wegens de beëindiging van een arbeidsovereenkomst." Wanneer het contract van een bediende een einde neemt moet de werkgever -overeenkomstig het uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet - aan de bediende bij zijn vertrek een percentage betalen van de bij hem tijdens het lopend vakantiedienstjaar verdiende brutowedde en wanneer de bediende de op het vorig dienstjaar betrekking hebbende vakantie nog niet heeft genoten, een percentage van de bij hem tijdens dat vakantiedienstjaar verdiende brutowedde, eventueel verhoogd met en fictieve wedde voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking (artikel 46, eerste en tweede lid van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers). Artikel 46 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 is een dwingende wetsbepaling ten voordele van de bediende. Overeenkomstig artikel 54 van het koninklijk besluit van 28 juni 1971 houdende aanpassing en coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers worden de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die niet of niet binnen de voorgeschreven termijn of volgens reglementaire modaliteiten het verschuldigde vakantiegeld hebben betaald, gestraft met gevangenisstraf van 8 dagen tot een maand en met een geldboete van 26 tot 500 euro of met één van die straffen alleen. 5.
  17. Toepassing De arbeidsovereenkomst van geïntimeerde werd, ingevolge reorganisatie van de onderzoeks- en ontwikkelingsafdelingen bij de firma J. P., door de werkgever beëindigd mits betaling van een opzeggingsvergoeding die de periode dekte van 1 januari 2002 tot en met 31 oktober
  18. Partijen zijn het erover eens dat voor die periode geïntimeerde, overeenkomstig de artikelen 44 en 46, 5° van het Werkloosheidsbesluit, geen aanspraak kan maken op werkloosheidsuitkeringen. Naast de opzeggingsvergoeding kan geïntimeerde eveneens aanspraak maken op het 'vakantiegeld bij uitdiensttreding' in toepassing van artikel 46, eerste en tweede lid van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers. Dit vakantiegeld bij het einde van de dienstbetrekking heeft geen uitstaans met de door geïntimeerde ontvangen opzeggingsvergoeding maar is het gevolg van de aan de werkgever opgelegde wettelijke verplichting om bij het einde van de arbeidsovereenkomst over te gaan tot het betalen van het vakantiegeld aan de bediende. Zowel het vakantiegeld bij uitdiensttreding als de opzeggingsvergoeding worden voor de toepassing van artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit aangemerkt als loon dat niet gecumuleerd kan worden met werkloosheidsuitkeringen, terwijl artikel 20 van het ministerieel besluit van 26 november 1991duidelijk maakt dat beide vergoedingen voor de toepassing van de werkloosheidsreglementering niet kunnen geacht worden éénzelfde kalenderperiode te dekken. Dit heeft tot gevolg dat, wanneer zowel een opzeggingsvergoeding als een vakantiegeld bij het einde van de dienstbetrekking aan de bediende wordt betaald door de werkgever, de ontslagen werknemer slecht aanspraak kan maken op uitkeringen na het verloop van de periodes die zowel door deze opzeggingsvergoeding als door het vakantiegeld gedekt worden. Het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding brengt mee dat zij door de werkgever onmiddellijk en in haar geheel verschuldigd is door de werkgever op het ogenblik dat de arbeidsovereenkomst onregelmatig wordt beëindigd. Hetzelfde principe geldt voor het vakantiegeld dat bij het einde van diezelfde overeenkomst hoe dan ook verschuldigd is door de werkgever: ook dit vakantiegeld dient onmiddellijk betaald te worden bij het einde van de dienstbetrekking daar waar het normalerwijze slechts verschuldigd zou zijn op het ogenblik dat de vakantiedagen daadwerkelijk worden opgenomen. Dat de werkloze zijn vakantiedagen effectief zou genomen hebben tijdens de periode gedekt door de opzeggingsvergoeding, dan wel geen vakantiedagen zou genomen hebben, heeft geen enkele invloed op de fundamentele vaststelling dat hij voor de dagen gedekt door het vakantiegeld, naast de dagen gedekt door de opzeggingsvergoeding, geen recht heeft op uitkeringen omdat hij voor dit onbenoemd aantal dagen niet zonder loon was. Er anders over oordelen zou een niet te verantwoorden onderscheid bewerkstelligen tussen enerzijds de werknemer aan wiens arbeidsover-eenkomst een einde werd gemaakt met betaling van een opzeggings-vergoeding en anderzijds de werknemer wiens arbeidsovereenkomst werd beëindigd met eerbiediging van een te presteren opzeggingstermijn die geschorst wordt bij het opnemen van de jaarlijkse vakantie. Laatstgenoemde zou dus op een later tijdstip aanspraak kunnen maken op werkloosheidsuit-keringen dan de werknemer aan wie een opzeggingsvergoeding samen met vakantiegeld bij uitdiensttreding werd betaald. Samenvattend besluit het arbeidshof: - dat geïntimeerde voor de periode waarvoor hij een opzeggingsvergoeding heeft ontvangen en de dagen waarvoor hij vakantiegeld bij uitdiensttreding heeft ontvangen geen werkloosheidsuitkeringen kan genieten overeenkomstig de artikelen 44, 46, §1, 3° en 5° van het Werkloosheidsbesluit; - dat in toepassing van artikel 20 van het ministerieel besluit van 26 november 1991, de door vakantiegeld gedekte dagen niet mogen uitgeput worden tijdens periodes van volledige werkloosheid die niet vergoedbaar zijn in toepassing van artikel 46 van het koninklijk besluit; hieruit volgt dat vakantiegeld en opzeggingsvergoeding voor de toepassing van de werkloosheidsreglementering niet kunnen geacht worden eenzelfde kalenderperiode te dekken; de periode overeenstemmend met de dagen gedekt door een opzeggingsvergoeding dient te worden verlengd met de periode overeenstemmend met het aantal dagen waarvoor vakantiegeld werd uitbetaald. In de bestreden administratieve beslissing worden 24 betaalde verlofdagen weerhouden maar aan de hand van de thans voorliggende stukken kan niet afgeleid worden welk bedrag geïntimeerde ontvangen heeft als vakantiegeld bij uitdiensttreding. Dienvolgens komt het aangewezen voor, alvorens verder ten gronde te oordelen, de debatten ambtshalve te heropenen teneinde: - geïntimeerde toe te laten volgende documenten neer te leggen: - vakantieattest afgeleverd door de werkgever in toepassing van artikel 46 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967, met vermelding van:
  19. de periode gedurende welke de bediende bij hem in dienst was en eventueel de gelijkgestelde periode;
  20. het brutobedrag van het verschuldigd vakantiegeld;
  21. het percentage dat voor de berekening van dit vakantiegeld in aanmerking werd genomen; - loonfiche met opgave van de betaling van het vakantiegeld bij uitdiensttreding. - partijen toe te laten tegensprekelijk debat te voeren over de inhoud van voormelde stukken. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 14 juni
  22. Geïntimeerde heeft op 22 juni 2007 schriftelijk gerepliceerd op het schriftelijk advies. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Alvorens ten gronde te beslissen, beveelt in toepassing van artikel 774, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve de heropening van de debatten teneinde: - geïntimeerde toe te laten volgende documenten neer te leggen: - vakantieattest afgeleverd door de werkgever in toepassing van artikel 46 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967, met vermelding van:
  23. de periode gedurende welke de bediende bij hem in dienst was en eventueel de gelijkgestelde periode;
  24. het brutobedrag van het verschuldigd vakantiegeld;
  25. het percentage dat voor de berekening van dit vakantiegeld in aanmerking werd genomen; - loonfiche met opgave van de betaling van het vakantiegeld bij uitdiensttreding. - partijen toe te laten tegensprekelijk debat te voeren over de inhoud van voormelde stukken. Zegt overeenkomstig artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek dat partijen zullen verschijnen voor deze kamer van dit Hof, Cockerillkaai 39 te 2000 Antwerpen, op donderdag 24 januari 2008 te 9.30 uur. Beveelt dat partijen, en in voorkomend geval hun advocaten, door de griffier bij gerechtsbrief zullen worden verwittigd met inachtneming van de termijn voor de dagvaardingen. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Uitgesproken in openbare terechtzitting op dertien september tweeduizend en zeven door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, E. SCHERPEREEL, raadsheer in sociale zaken als werkgever, A. WOLPUT, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070913.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.