id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070920.2 Rolnummer: 2005-0351 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-12-04 Raadplegingen: 149 - laatst gezien 2026-07-02 16:02 Fiches 1 - 2 Na er op gewezen te hebben dat artikel 2 B.W. als principe stelt dat de wet alleen voor het toekomende beschikt en geen terugwerkende kracht heeft, herhaalt het arbeidshof dat de nieuwe wet niet alleen van toepassing is op toestanden die naar haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van vroegere toestanden die zich voordoen of voortzetten onder gelding van de nieuwe wet, voor zover daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Nu de benadering van de schijnzelfstandigheid voorheen niet wettelijk was geregeld, komt de nieuwe Arbeidsrelatiewet niet in de plaats van een vroegere wettelijke regeling en kan er zolang het geding ter zake nog aanhangig is geen sprake zijn van onherroepelijk vastgelegde rechten. Een probleem van schijnzelfstandigheid wordt bijgevolg best benaderd vanuit de principes die terug te vinden zijn in de Arbeidsrelatiewet. De Arbeidsrelatiewet gaat uit van het principe dat de partijen vrij de (rechts)aard van hun arbeidsrelatie kiezen, zonder daarbij evenwel de openbare orde, de goede zeden en de dwingende wetten te kunnen negeren. Vervolgens dient nagegaan te worden of de effectieve uitvoering van de overeenkomst met de rechtsaard van de gekozen arbeidsrelatie overeenkomt. Het behoort aan diegene die de keuze van partijen in twijfel trekt om het bewijs te leveren van de elementen die terug te vinden zijn in de uitoefening van de arbeidsrelatie en die niet te verenigen zijn met deze keuze van partijen. De Arbeidsrelatiewet schrijft voor dat dit onderzoek moet verlopen via toetsing van de aangereikte elementen aan algemene en specifieke criteria, waarbij op dit ogenblik enkel rekening moet gehouden worden met de algemene criteria opgesomd in artikel 333 van de wet, namelijk de uitvoering van overeenkomst volgens de wil van de partijen, de vrijheid van organisatie van de werktijd, de vrijheid van organisatie van het werk en de mogelijkheid om hiërarchische controle uit te oefenen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) Vrije woorden: sociale zekerheid der werknemers - algemene regeling - toepassingsgebied - personen - bijdrageregeling - schijnzelfstandige - arbeidsrelatiewet - toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Vrije woorden: sociale zekerhied der werknemers - algemene regeling - toepassingsgebied - uitbreiding van de regeling - bijdrageregeling - schijnzelfstandige - arbeidsrelatiewet - toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 2, § 1, 1° en 3° - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: VII A Gerangschikt onder VII A art 1 en onder VII A art 2 §1, 1° en 3° Tekst van de beslissing Tussenarrest op tegenspraak, heropening debatten op 14 december 2007, om 11 uur Vierde kamer Sociale Zekerheid ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. nr. 2050351 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: Evo, wonende te, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. E. GIJBELS loco mr. P. ICKX, advocaat te 2930 BRASSCHAAT, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID (RSZ), met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. R. GOISTER loco mr. R. LECOUTRE, advocaat te 2018 ANTWERPEN. Na beraadslaging, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 1 juni 2005, 19 oktober 2006, 18 januari 2007, 15 februari 2007 en van 21 juni 2007; Het hof keek bijkomend de volgende stukken van de rechtspleging na: * het tussenarrest van deze kamer van 15 februari 2007, waarbij de heropening der debatten werd bevolen; * de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 27 april 2007; * de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 6 juni
- Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 21 juni
- Wat voorafgaat Bij tussenarrest van 15 februari 2007 werd het hoger beroep ontvankelijk verklaard en alvorens verder recht te doen ten gronde werd beslist dat de rechten van verdediging van Evo niet werden geschonden door de afwezigheid in het debat van de Interprofessionele Verzekeringskas voor Zelfstandigen. Vervolgens gaf het hof aan: "Het betreft een probleem van schijnzelfstandigheid. In de programmawet van 27 december 2006 (B.S. 28 december 2006) werd een titel XIII ingevoerd - Aard van de arbeidsrelaties. Mogelijk is deze wet, die van toepassing werd verklaard vanaf 1 januari 2007, van invloed op de benadering van het probleem van de schijnzelfstandigheid. De partijen hebben niet de kans gekregen deze wet en meer specifiek titel XIII na te kijken en met elkaar het debat aan te gaan over de vraag of deze wet op de huidige zaak van toepassing is en zo ja, of zij in het licht van deze nieuwe wettelijke bepalingen hun middelen en verdediging willen aanpassen of herzien. Teneinde partijen de gelegenheid te geven dit nazicht en deze stellingname te doen, worden de debatten heropend." Verdere beoordeling Beide partijen zijn van oordeel dat de nieuwe Arbeidsrelatiewet niet van toepassing is op de huidige zaak omwille van het beginsel van de niet retro-activiteit van een nieuwe wet (verwijzing naar artikel 2 van het burgerlijk wetboek). Overeenkomstig artikel 2 van het burgerlijk wetboek, beschikt de wet alleen voor het toekomende; zij heeft geen terugwerkende kracht. De wet is echter niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van vroegere toestanden, die zich voordoen of die zich voortzetten onder gelding van de nieuwe wet, bij zoverre daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten (zie onder andere Cass., 19 februari 1987, Arr. Cass. 1986-87, 806). Het hof herinnert er aan dat de benadering van de schijnzelfstandigheid voorheen niet wettelijk was geregeld, zodat de nieuwe Arbeidsrelatiewet niet in de plaats komt van een vroegere wettelijke regeling. In deze zaak werden nog geen rechten onherroepelijk vastgelegd, zodat de nieuwe Arbeidsrelatiewet wel degelijk kan worden toegepast. * * * Een probleem van schijnzelfstandigheid, zoals het zich ook in deze zaak stelt, wordt thans het best benaderd vanuit de principes, die zijn terug te vinden in titel XIII van de programmawet van 27 december 2006, genaamd: aard van de arbeidsrelaties. We spreken over de ArbeidsRelatieWet of ARW. Allereerst bepaalt artikel 331 van deze wet dat de partijen vrij de (rechts)aard van hun arbeidsrelatie kiezen, zonder daarbij de openbare orde, de goede zeden en de dwingende wetten te kunnen overtreden. Het eerste punt van onderzoek betreft dus deze vrije keuze van de betrokken partijen. Hoe hebben zij hun samenwerking gekwalificeerd? Kwalificatie gaat over het leggen van een abstract, algemeen verband tussen een rechtsfeit of een rechtshandeling en een in een rechtsnorm uitgedrukte hypothese. Toegepast op een overeenkomst gaat het om een juridische duiding van de gemaakte afspraken (W. Van Eeckhoutte, 'Gezag' in de cassatierechtspraak, in NJW 12 januari 2005, blz. 7 nr. 18). Deze duiding is rechtstreeks wanneer ze is terug te vinden in een geschrift. Ze is onrechtstreeks wanneer ze niet in een geschrift is terug te vinden. Wat Gdb betreft, verklaarde Jm, de echtgenoot van Evo, op 27 februari 1991 aan de Sociale Inspectie dat er nooit een contract met hem werd opgesteld (stuk 2 van de RSZ). Er is dus geen sprake van een rechtstreekse kwalificatie. Van Gdb zelf is er geen verklaring in het dossier terug te vinden. De enige aanduiding over de kwalificatie van de samenwerking met Gdb is de verklaring van Jm, die aangeeft dat Gdb steeds als zelfstandige helper heeft gewerkt. Dit gegeven wordt in het dossier niet tegengesproken zodat het uitgangspunt is dat Evo en Gdb hun samenwerking onrechtstreeks hebben gekwalificeerd als een samenwerking op zelfstandige basis. Over Rvl verklaarde Jm op 2 april 1991 dat zij sinds 1 januari 1988 voor zijn vrouw werkte als zelfstandige naaister (stuk 3 van de RSZ). Ook voor haar werd er geen contract opgesteld. Dus evenmin een rechtstreekse kwalificatie. Zelf verklaarde Rvl op 7 januari 2002 aan de inspectie (stuk 19 van de RSZ): "De aanvang van de handelswerkzaamheid is 1 oktober
- Daarvoor ben ik nooit zelfstandige geweest. Ik heb vroeger wel in loondienst gewerkt. Ik ben zelfstandige helpster geweest bij Evo. De SI maakte problemen van mijn statuut als zelfstandig helper. Derhalve werd ik zelfstandige." De verklaringen van Jm en Rvl stemmen overeen voor de periode vanaf 1 oktober
- Er kan uit worden afgeleid dat voor die periode Evo en Rvl hun samenwerking onrechtstreeks kwalificeerden als een samenwerking op zelfstandige basis. Problematischer is de periode die zich uitstrekt van het tweede kwartaal 1988 (zijnde het eerste kwartaal waarvoor de RSZ een vordering instelt) tot en met het derde kwartaal 1992 (het laatste kwartaal voordat Rvl naar eigen zeggen zelfstandige werd). In deze periode was Rvl evengoed zelfstandige, aldus Jm. Nochtans verklaarde Rvl zelf dat zij vóór 1 oktober 1992 nooit zelfstandige was. Het is niet duidelijk over welke tijdsperiode Rvl het heeft, wanneer zij verklaarde dat zij zelfstandige helpster was bij Evo. Bij gebrek aan concrete elementen over hoe de betrokken partijen hun samenwerking kwalificeerden in de periode: tweede kwartaal 1988 - derde kwartaal 1992, kan enkel geconcludeerd worden dat een welbepaalde kwalificatie niet naar recht is bewezen. Het uitgangspunt is dan het volgende: - de samenwerking tussen Evo en Gdb was onrechtstreeks gekwalificeerd als een zelfstandige samenwerking, - de samenwerking tussen Evo en Rvl was dit ook vanaf het vierde kwartaal 1992, - over deze laatste samenwerking is geen kwalificatie bewezen in de periode: tweede kwartaal 1988 tot en met het derde kwartaal
- Er kan daarbij geen overtreding van de openbare orde, de goede zeden of van dwingende wetten worden vastgesteld. * * * De samenwerking tussen Evo en Gdb. Deze partijen kwalificeerden hun samenwerking onrechtstreeks als een samenwerking op zelfstandige basis. Artikel 331 ARW schrijft voor dat de effectieve uitvoering van de overeenkomst met de rechtsaard van de gekozen arbeidsrelatie moet overeenkomen. Deze overeenstemming tussen de keuze van de betrokken partijen en de effectieve uitvoering van deze keuze moet worden onderzocht aan de hand van elementen, die zijn terug te vinden in uitoefening van de arbeidsrelatie. Deze elementen moeten worden aangereikt door diegene die twijfels heeft bij de overeenstemming tussen de keuze voor en de uitvoering van de arbeidsrelatie(s) in geding. In deze zaak is deze twijfelende partij de RSZ. Welke zijn de elementen die de RSZ aanreikt om tot een andere dan een zelfstandige arbeidsrelatie te besluiten? In het onderzoeksverslag van 6 april 1991 (stuk 1 van de RSZ) worden 13 elementen opgesomd. In zijn conclusies van 1 september 2005 (stuk 4 van de rechtspleging) somt de RSZ op blz. 7 eveneens een aantal elementen op die soms de elementen van het onderzoeksverslag overlappen. Uiteindelijk distilleert de RSZ deze elementen uit de verklaring van Jm, afgelegd op 27 februari
- Van Gdb werd blijkbaar geen verklaring afgenomen. Aldus vormt de verklaring van Jm als het ware de "foto" van de dagelijkse uitvoering van de samenwerking tussen Evo en Gdb. Evo betwist niet dat de verklaring van haar echtgenoot een weergave is van de uitvoering door Gdb van hun samenwerking. Volgens de RSZ illustreren en ondersteunen deze elementen een kwalificatie van een samenwerking in ondergeschikt verband, dat blijkt uit de feitelijke uitoefening van de samenwerking tussen de betrokken partijen, kwalificatie die de door deze partijen gekozen juridische kwalificatie van zelfstandige samenwerking uitsluit. Bij de beoordeling of de RSZ hierin gelijk heeft, mag niet uit het oog worden verloren dat er pas sprake is van een ondergeschikt verband wanneer de opdrachtgever en de medewerker door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Voor de definitie van het begrip 'arbeidsovereenkomst', dient er te worden verwezen naar de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 (wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, afgekort WAO), waar dit begrip omschreven wordt als 'de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten.' De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn inderdaad de arbeid, het loon en het gezag of het ondergeschikt verband. Het zijn deze drie constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de relatie tussen de vermoedelijke werkgever en de werknemer. Wat de elementen arbeid en loon betreft, is de verklaring van Jm duidelijk: Gdb werkte als schoenmaker tijdens de openingsuren van de winkel. Hij ontving een percentage van de maandelijkse bruto omzet als beloning. De elementen 'arbeid' en 'loon' waren aldus duidelijk aanwezig in de samenwerking. In de definitie van een arbeidsovereenkomst, zoals deze blijkt uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 WAO, wordt met 'gezag' het juridisch gezag bedoeld en niet het economische gezag of de economische afhankelijkheid. Wat juridisch werkgeversgezag is, kan worden afgeleid uit de volgende, ietwat moeilijke maar correcte definitie van een arbeidsovereenkomst: "Het geviseerde maatschappelijk fenomeen dat door artikel 2 en 3 arbeidsovereenkomstenwet geregeld wordt, betreft deze economische relaties waarbij een 'werknemer' in de 'onderneming van zijn werkgever' een taak op zich neemt en met daadwerkelijke arbeidskracht invult die vanuit organisatorisch standpunt intern georganiseerd wordt en een onmisbare schakel is binnen de aaneensluitende productieprocessen om samen het maatschappelijk doel van de onderneming te verwezenlijken en over welke taak de werkgever, vanuit zijn eigendomsrecht, beleidsrecht en binnen de grenzen van de contractueel verworven aanvaarding door de werknemer het recht heeft deze taakomschrijving concreet en normerend voor de werknemer in te vullen." Het juridisch gezag is dan precies deze mogelijkheid voor de werkgever om te bepalen welke taken de werknemer moet uitvoeren en hoe, waar en wanneer hij die moet uitvoeren. De band van ondergeschiktheid laat daardoor aan de werkgever toe de werknemer om het even welke arbeid te doen uitvoeren, in de sfeer van zijn beroepsbekwaamheid, op de door hem bepaalde wijze en tijd. (C. Engels, De managementvennootschap en het sociaal recht, Oriëntatie 1995, 202-203). Er moet worden onderzocht of de elementen die de RSZ aanreikt, elementen die hij terugvindt in de feitelijke uitoefening van de samenwerking, de aanwezigheid van dit werkgeversgezag dusdanig ondersteunen dat ze de kwalificatie die deze partijen aan hun samenwerking gaven (zelfstandige samenwerking) uitsluiten. De nieuwe arbeidsrelatiewet wenst dit onderzoek te stroomlijnen door het te laten verlopen via de toetsing van de aangereikte elementen aan algemene en specifieke criteria. De algemene criteria werden gedefinieerd in artikel 333 ARW. De specifieke criteria, die van juridische of socio-economische aard zijn, moeten daarentegen worden gedefinieerd overeenkomstig de adviesprocedure van hoofdstuk V ARW (artikel 332 ARW). Het hof stelt vast dat de Koning tot op heden geen lijst heeft opgesteld met specifieke criteria die eigen zijn aan de sector, aan het beroep of aan een categorie van beroepen, waaronder de bedrijvigheid van Evo valt. Er kan dan ook geen rekening worden gehouden met enig specifiek criterium, ook niet met de elementen die staan opgesomd in artikel 334, §3 ARW. Het zijn immers elementen die de wetgever suggereert om op te nemen in de specifieke criteria. Zolang de Koning geen specifieke criteria voor het beroep van Evo heeft opgesteld, blijft het onzeker of de Koning op de suggestie van de wetgever zal ingaan. * * * De toetsing in dit dossier kan dus enkel geschieden aan de algemene criteria van artikel 333 ARW. Ze gebeurt in de navolgende zin. Eerste criterium: de uitvoering van de overeenkomst volgens de wil van de partijen. Geen enkel element in de verklaring van Jm laat toe ertoe te besluiten dat de uitvoering van de overeenkomst er anders zou hebben uitgezien dan de wijze van uitvoering, die hij in zijn verklaring beschrijft. Op basis van het eerste criterium is er derhalve geen aanleiding om te herkwalificeren. * Tweede criterium: de vrijheid van organisatie van de werktijd. Over de organisatie van de werktijd verklaarde Jm het volgende: "Gdb werkte tijdens de openingsuren van de winkel van 8.30u tot 12.30u en van 13.30u tot 18.30u (van maandag tot vrijdag). De openingsuren werden door mij vastgelegd. Gdb diende aanwezig te zijn tijdens deze openingsuren. Bij ziekte van Gdb zorgde ik zelf voor de schoenherstellingen of werd er een gedeelte uitgegeven. De winkel sluit elk jaar ongeveer 4 weken, 1 week met de krokusvakantie, 2 weken zomervakantie en 1 week tussen Kerstmis en nieuwjaar. Gdb kon alleen afwezig zijn als de zaak gesloten was." Deze verklaring laat er geen twijfel over bestaan dat de organisatie van de werktijd van Gdb volledig in handen was van de opdrachtgever. Zelf beschikte hij niet over enige vrijheid om zijn prestaties te leveren op het ogenblik dat dit het beste voor hem uitkwam. Op basis van het tweede criterium is er derhalve volstrekt aanleiding om over te gaan tot herkwalificatie. * * Derde criterium: de vrijheid van organisatie van het werk. Jm verklaarde desbetreffend: "Zijn werk bestond volledig uit het herstellen van schoenen. Facturen kon hij niet afleveren aan de klanten. ...De algemene onkosten in de schoenmakerij zijn ten laste van de zaak. ... Het leder, de hielen, rubber e.d. werden aangekocht door mij. ...Gdb kon enkel kwaliteitsverschillen opgeven waarop ik me eventueel, naar gelang van de prijs, kon baseren bij de aankoop van het materiaal. Ik bepaalde de prijs van de schoenherstelling. Gdb had een prijslijst gekregen die hij diende te respecteren. Sinds 1/2/'91 stelt mijn vrouw opnieuw een schoenmaker te werk, die ingeschreven is voor 24 uur/week. ...Er is geen verschil tussen het werk dat de huidige schoenmaker, Dk, en de vorige schoenmaker Gdb Gerardus deed. ... In de zaak werd hem een stofjas ter beschikking gesteld." Ook deze verklaring laat er geen twijfel over bestaan dat de organisatie van het werk volledig in handen was van de opdrachtgever. De verklaring dat er geen verschil was tussen het werk van Gdb en van Dk, die onbetwistbaar in ondergeschikt verband werkte, is kenschetsend. Op basis van het derde criterium is er ook volstrekt aanleiding om tot herkwalificatie van de aard van de arbeidsrelatie over te gaan. * * * Het vierde criterium: de mogelijkheid om hiërarchische controle uit te oefenen. Dat deze mogelijkheid voor handen was leidt het hof af uit de algemene teneur van de verklaring van Jm, die er geen twijfel over laat bestaan dat hij in feite de baas was in de zaak van zijn vrouw en dat Gdb in het rijtje moest lopen. Zo verklaarde hij dat Gdb "diende" aanwezig te zijn tijdens de openingsuren, wat impliceert dat hij daar de hand aan hield. Hetzelfde geldt voor de afwezigheid van Gdb. Dit kon alleen als de zaak gesloten was. Niettegenstaande er geen concrete elementen in de verklaring van Jm zijn terug te vinden die de effectieve uitoefening van een hiërarchische controle illustreren, acht het hof bewezen dat de mogelijkheid van een dergelijke controle voor handen was. Op basis van het vierde criterium is er aanleiding om tot herkwalificatie over te gaan. * * * * Artikel 332 ARW schrijft voor dat indien de uitoefening van de arbeidsrelatie voldoende elementen naar voor brengt die, beoordeeld overeenkomstig de bepalingen van de ARW en haar uitvoeringsbesluiten, onverenigbaar zijn met de kwalificatie die door de partijen aan de arbeidsrelatie wordt gegeven, er een herkwalificatie van de arbeidsrelatie zal gebeuren en wordt er een overeenstemmend stelsel van sociale zekerheid toegepast. Het hof is van oordeel dat er in de uitoefening van de arbeidsrelatie tussen Evo en Gdb voldoende elementen naar voor worden gebracht die onverenigbaar zijn met de (onrechtstreekse) kwalificatie die deze partijen aan hun arbeidsrelatie hadden gegeven. Bijgevolg brengt de toepassing van artikel 332 ARW mee dat er een herkwalificatie van deze arbeidsrelatie moet gebeuren. Aldus moet Gdb worden geacht in de periode waarvoor de RSZ zijn vordering instelt, in ondergeschikt verband te hebben gewerkt voor Evo. In deze arbeidsrelatie zijn de elementen 'arbeid', 'loon' en 'gezag' aanwezig, zodat er sprake is van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Evo is dan ook op de prestaties van Gdb in de bedoelde periode sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd. De samenwerking tussen Evo en Rvl - periode: tweede kwartaal 1988 tot en met het derde kwartaal van 1992 . Het hof kwam hogerop in dit arrest al tot het besluit dat de kwalificatie van de samenwerking tussen Evo en Rvl in deze periode niet naar recht was bewezen. In die omstandigheden moet er worden nagegaan of de RSZ, als eisende partij, in deze periode het bestaan bewijst van een arbeidsovereenkomst tussen deze betrokken partijen. Immers artikel 1, §1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden." Voor de definitie van het begrip 'arbeidsovereenkomst', gebruikt in artikel 1, §1 van de wet van 27 juni 1969, dient te worden verwezen naar de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 (Wet op de Arbeidsovereenkomsten), waar dit begrip omschreven wordt als 'de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten.' De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn, zoals gezegd, de arbeid, het loon en het gezag of het ondergeschikt verband. Het zijn deze drie constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de relatie tussen de vermoedelijke werkgever en de werknemer. Het bewijs van de aanwezigheid van deze elementen in de relatie tussen Evo en Rvl in de bedoelde periode moet in concreto door de RSZ worden geleverd. Welk bewijs voert de RSZ ter zake aan? Enerzijds is er de verklaring van Jm van 2 april 1991 (stuk 3 van de RSZ) en anderzijds is er de verklaring van Rvl van 7 januari 2002 (stuk 19 van de RSZ). Naar het oordeel van het hof is de verklaring van Evo niet dienstig om een beeld te geven van de uitvoering van de overeenkomst in de periode die hier aan de orde is (2e KW 1988 - 3e KW 1992). Het is een verklaring afgelegd in 2002, behoorlijk lang dus na de feiten en ze blikt in die verklaring terug op de periode waarin ze als zelfstandige samenwerkte met Evo. Dus enkel de verklaring van Jm is dienstig in het kader van de beoordeling hier. Zij werd afgelegd op 2 april 1991 en kan alleen betrekking hebben op de periode die hier aan de orde is. Uit de verklaring blijkt dat Rvl werkte als naaister voor de zaak van Evo. Zij werkt tijdens de openingsuren aan kleren van haar familieleden en van klanten. Het hof acht bewezen dat het element 'arbeid' aanwezig was in de samenwerking tussen Evo en Rvl. Ook het element 'loon' was in deze samenwerking aanwezig. Rvl werd immers betaald a rato van een percentage van 30% op de bruto omzet. Blijft de vraag over of er door Evo werkgeversgezag werd uitgeoefend over Rvl in de bedoelde periode. Hogerop in dit arrest werd al bepaald wat er onder werkgeversgezag moet worden verstaan: het betreft een juridisch gezag. Het juridisch gezag is dan precies deze mogelijkheid voor de werkgever om te bepalen welke taken de werknemer moet uitvoeren en hoe, waar en wanneer hij die moet uitvoeren. Bepaalde Evo wat Rvl voor haar moest doen? De verklaring van Jm is daar dubbelzinnig over. Enerzijds geeft hij toe dat Rvl particulier herstelwerk kon doen voor haar kinderen en kleinkinderen, anderzijds geeft hij aan dat zij uitsluitend werkte voor Ssc. Toch kan uit deze verklaring niet worden afgeleid dat Rvl in de bedoelde periode werk van klanten van het Ssc kon weigeren. Er mag worden aangenomen dat Evo grotendeels kon bepalen wat Rvl moest doen. Bepaalde Evo de wijze waarop Rvl haar werk moest doen? Jm verwijst in zijn verklaring naar de 'zeer grote ondervinding' die Rvl heeft. Dit kan er op wijzen dat zij zelf best bepaalde hoe zij het herstelwerk aanpakte en uitvoerde. Verderop in zijn verklaring geeft Jm aan dat Rvl zelf het werk van de klant aannam en dat ze bepaalde wanneer de herstelling gedaan zou zijn. Dit maakt nog duidelijker dat Rvl zelf bepaalde hoe zij het werk aanpakte en uitvoerde. De verklaring van Jm laat niet toe met voldoende zekerheid te besluiten dat Evo de wijze kon bepalen waarop Rvl moest werken en binnen welk tijdsbestek dit moest gebeuren. Evo was blijkbaar niet bij machte om Rvl zodanig te sturen dat ze het werk dat de klanten binnen brachten af te werken op de wijze en binnen het tijdsbestek dat zij aan haar kon opleggen. Bepaalde Evo de plaats waar Rvl het herstelwerk moest uitvoeren? De verklaring van Jm laat niet toe met zekerheid uit te maken dat Rvl verplicht was te komen werken in het atelier van Evo. De verklaring dat Rvl vrij was om te komen en te gaan tijdens de openingsuren van de zaak, doet vermoeden dat zij niet verplicht was om in het atelier te werken. Blijkbaar was enkel belangrijk dat het werk werd gedaan. Waar dit werd gedaan speelt minder een rol. Er is dus niet naar recht bewezen dat Evo van Rvl gedaan kon krijgen dat ze uitsluitend werkte op de plaats die Evo daarvoor had voorzien. Bepaalde Evo het tijdstip waarop Rvl moest komen werken? Het hof meent van niet. Niet alleen kon Rvl komen en gaan tijdens de openingsuren wanneer haar dit het beste uitkwam, maar ook haar vakantie kon ze blijkbaar nemen wanneer het haar schikte. Deze gegevens wijken sterk af van de manier waarop er met Gdb werd omgegaan. Deze laatste was wel degelijk verplicht om te werken tijdens de openingsuren en hij mocht buiten de sluitingsperiodes van de zaak geen vakantie nemen. Aan de hand van de verklaring van Jm van 2 april 1991 (het enige dienstige bewijsstuk dat de RSZ voorlegt), concludeert het hof dat de RSZ er niet voldoende in slaagt om te bewijzen dat er over Rvl door Evo werkgeversgezag werd uitgeoefend. Blijkbaar was het samenwerkingsverband losser en deed Evo beroep op Rvl omwille van haar deskundigheid. Het feit dat ze particulier naaiwerk mocht doen in het atelier, het feit dat ze blijkbaar sociaal verzekerd was als zelfstandige, het feit ze via een percentage van de omzet werd betaald en het feit dat ze enkel op de kwaliteit van haar werk werd gecontroleerd, zijn elementen die het zelfstandig karakter van de samenwerking ondersteunen eerder dan een ondergeschikt verband in de arbeidsrelatie. De elementen die de RSZ aanhaalt in zijn conclusies: openingsuren en prijzen werden bepaald door Evo, het materiaal en het gereedschap wordt door haar ter beschikking gesteld en het feit dat ze geen financiële verantwoordelijkheid droeg en niet deelnam aan het economisch risico, zijn elementen die niet dienstig zijn bij de beoordeling of er effectief werkgeversgezag werd uitgeoefend over Rvl. De conclusie is dan ook dat voor de periode: tweede kwartaal 1988 tot en met het derde kwartaal van 1992 de RSZ niet naar recht het bestaan bewijst van een arbeidsovereenkomst tussen Evo en Rvl. De vordering die op deze medewerker en op deze periode betrekking heeft is dan ook ongegrond. De samenwerking tussen Evo en Rvl - periode: vanaf het vierde kwartaal van
- Hogerop in dit arrest besliste het hof reeds dat in deze periode Evo en Rvl hun samenwerking onrechtstreeks hadden gekwalificeerd als een zelfstandige samenwerking. Dit betekent dat de nieuwe Arbeidsrelatiewet op deze toestand van toepassing is en dat de uitvoering van de overeenkomst in die periode moet worden getoetst aan de vier algemene criteria van artikel 333 ARW en aan deze criteria alleen. De principes en de werkwijze van deze toetsing zijn dezelfde als bij de beoordeling van de samenwerking met Gdb zodat dadelijk tot de toetsing zelf kan worden overgegaan. Het blijft belangrijk te benadrukken dat bij deze toetsing enkel gebruik kan gemaakt worden van bewijselementen die door de RSZ worden aangebracht. Zijn bijgevolg belangrijk de verklaring van Jm van 2 april 1991 en de verklaring van Rvl van 7 januari
- Het zijn enkel deze verklaringen die een licht werpen op de dagelijkse uitvoering van de arbeidsrelatie tussen Evo en Rvl. Eerste criterium: de uitvoering van de overeenkomst volgens de wil van de partijen. Geen enkel element in de beide verklaringen laat toe te besluiten dat de uitvoering van de overeenkomst er anders zou hebben uitgezien dan de wijze van uitvoering, die in deze verklaringen wordt beschreven. Op basis van het eerste criterium is er derhalve geen aanleiding om te herkwalificeren. * Tweede criterium: de vrijheid van organisatie van de werktijd. Jm verklaarde dat Rvl vrij was om te komen en te gaan tijdens de openingsuren van de zaak. Zij kon ook vakantie nemen op tijdstippen dat de zaak open was. Jm benadrukt in zijn verklaring dat er eigenlijk maar één ding telde, namelijk dat het werk werd gedaan. Daarmee geeft hij aan dat het geen rol speelde waar en wanneer dit werk werd gedaan. Rvl verklaarde dat haar uren zeer wisselvallig zijn. Zij bepaalde zelf het aanvangsuur waarop ze kwam werken zelf. Zij ging meestal werken wanneer Evo daarvoor belde maar als er iets tussenkwam, konden andere prioriteiten gelden. Bij ziekte bracht ze geen doktersattest binnen. Al deze elementen geven aan dat Rvl vrij haar werktijd zelf kon organiseren. Evo kon niet dwingend vanuit de uitoefening van enig werkgeversgezag de werktijd van Rvl organiseren. Op basis van het tweede criterium is er geen aanleiding om de aard van de arbeidsrelatie te herkwalificeren. * * Derde criterium: de vrijheid van organisatie van het werk. Jm verklaarde dat Rvl zelf het werk van de klanten aanneemt en ook zelf bepaalde wanneer de herstelling gedaan zou zijn. Dit wijst er op dat Rvl zelf haar werk kon organiseren. Verder blijkt uit de verklaring van Jm dat Rvl particulier herstelwerk kon uitvoeren in het atelier van Evo. Uit de verklaring van Rvl blijkt dat zij naast het werk voor haar eigen familie en het werk voor de klanten van Evo ook nog herstelwerk deed voor eigen klanten, die het werk in het atelier kwamen brengen. Omdat Rvl voor dat werk de infrastructuur, het materiaal en het gereedschap van Evo gebruikte, was er zelfs aanleiding tot een betaling van Rvl aan Evo. Met deze gegevens op tafel is het duidelijk dat Rvl beschikte over een grote vrijheid om haar werk te organiseren. Rvl geeft dat in haar verklaring ook aan wanneer ze zegt dat ze meestal wel ging werken wanneer ze door Evo werd gebeld "tenzij er iets tussenkwam". Deze laatste zinsnede betekent dat Rvl zelf haar prioriteiten kon bepalen. Op basis van het derde criterium is er dan ook geen aanleiding om tot herkwalificatie over te gaan. * * * Het vierde criterium: de mogelijkheid om hiërarchische controle uit te oefenen. Onder hiërarchische controle verstaat de wetgever een controle op de inzet van de arbeid, dus een controle op wat de medewerkers precies deden, hoe ze het deden, waar en wanneer ze hun prestaties leverden. Een controle op de kwaliteit van het werk is niet wat de wetgever bedoelde met een hiërarchische controle. Jm verklaarde dat het werk van Rvl enkel werd gecontroleerd als de klant niet tevreden is en terugkomt. Dit is een duidelijke kwaliteitscontrole en geen hiërarchische controle. De verklaring van Rvl bevat geen elementen die een zicht geven op een mogelijke controle en op de aard ervan. Op basis van het vierde criterium is er geen aanleiding om tot herkwalificatie over te gaan. * * * * Conclusie: De uitoefening van de arbeidsrelatie tussen Evo enerzijds en Rvl anderzijds in de periode vanaf het vierde kwartaal van 1992 brengt geen voldoende elementen naar voor die, beoordeeld overeenkomstig de bepalingen van de ARW, onverenigbaar zijn met de kwalificatie die door deze partijen aan hun arbeidsrelatie onrechtstreeks werd gegeven. Bijgevolg blijft hun keuze om hun samenwerking aan te gaan onder het statuut van zelfstandige overeind. Het hof stelt vast dat Rvl zich in 1992 organiseerde als zelfstandige en zich daarnaar gedroeg. Zij werkte zowel voor haar familie, voor haar eigen klanten als voor Evo. Zij werd betaald met een percentage van de omzet. Deze elementen ondersteunen een samenwerking op zelfstandige basis. De andere elementen die de RSZ aanreikt zijn ofwel niet dienstig om de effectieve uitoefening van werkgeversgezag te beoordelen ofwel zijn ze niet relevant om te worden getoetst aan de criteria van artikel 333 ARW. Dit zijn ook de enige criteria die voorlopig moeten worden getoetst. Omdat de RSZ precies het bestaan van een arbeidsovereenkomst voorhanden moet hebben om bijdragen te kunnen innen en dit bestaan wat Rvl betreft niet is bewezen, zijn de vorderingen van de RSZ ongegrond bij zoverre ze betrekking hebben op de samenwerking tussen de Evo en Rvl. Het hoger beroep is in die zin gegrond. De eindafrekening. Enkel de samenwerking tussen Evo en Gdb is te kwalificeren als een arbeidsovereenkomst. Enkel de prestaties van Gdb komen in aanmerking voor het betalen van bijdragen. Het komt aan de RSZ thans toe om alle rekeninguittreksels en dagvaardingen vanuit dit perspectief opnieuw na te kijken en om de eindafrekening op te maken. Om de RSZ toe te laten deze rekening op te maken en om Evo toe te laten deze rekening na te kijken en eventueel vorderingen in te stellen naar aanleiding van deze afrekening worden de debatten opnieuw heropend. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Zegt voor recht dat enkel de prestaties van Gdb tussen 1 april 1987 tot en met 31 december 1990 in aanmerking komen voor de berekening van RSZ-bijdragen. Alvorens verder recht te doen ten gronde, beveelt de heropening der debatten met het oog op de eindafrekening. Stelt de zaak na heropening der debatten vast voor pleidooien op de openbare terechtzitting van deze kamer op 14 december 2007, om 11 uur. Verdaagt de uitspraak over de vereffening van de kosten. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van twintig september tweeduizend en zeven, die samengesteld was uit: de heer J. VERHAVERT, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer K. DE COCK, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, aangewezen bij beschikking van 20 september 2007 door de heer J. VERHAVERT, raadsheer, voorzitter van de kamer, die de eerste voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om de heer L. DE WINTER, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. (art. 779 Ger.W.) de heer O. MAGNUS, raadsheer in sociale zaken als werknemer, mevrouw L. VAN CALSTER, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070920.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div