← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070925.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070925.7 Rolnummer: 2001-0603 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-12-10 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 16:03 Fiches 1 - 2 De administratieve sanctie die door het RIZIV wordt opgelegd wegens het niet bijhouden van een verstrekkingenregister door kinesisten en verpleegkundigen (K.B. van 4 juni 1987), heeft niet het karakter van een strafsanctie, zodat artikel 2, tweede lid van het Strafwetboek, niet van toepassing is. De betrokken kinesist kan, ingevolge de overgangsbepaling van artikel 11 van het K.B. van 25 november 1996 wel genieten van het mildere artikel 6 aangezien de opgelegde administratieve geldboete krachtens het K.B. van 4 juni 1987 nog niet definitief was bij de inwerkingtreding van het K.B. van 25 november 1996, gezien het verhaal bij de arbeidsrechtbank. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - ziekte- en invaliditeitsverzekering - kinesist - bijhouden verstrekkingenregister - VII DN Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 76 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Koninklijk Besluit - 25-11-1996 - 11 - 33 ELI link Pub nr 1996022676 Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 168 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Koninklijk Besluit - 04-06-1987 - 6 - 32 ELI link Pub nr 1987022157 Nota: Gerangschikt onder VII DN - artikel 76 en onder VII DN - artikel 168 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2010603 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: H.D.H., appellant op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep op de zitting vertegenwoordigd door mr. T. TORREMANS, advocaat te 2570 Duffel, tegen: RIZIV, geïntimeerde op hoofdberoep, appellant op incidenteel beroep op de zitting vertegenwoordigd door mr. P. NEEFS, advocaat te 2800 Mechelen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgend arrest uit.

  1. Procedure Het arbeidshof heeft kennisgenomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 7 november 2001, 12 maart 2002, 12 april 2005, 12 juni 2007 en 26 juni 2007; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 6 maart 1997 (A.R. 57.117), waarbij de vordering ontvankelijk werd verklaard maar alvorens ten gronde te oordelen de zaak naar de bijzondere rol werd verzonden; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 6 september 2001 (A.R. 57.117); - het verzoekschrift tot hoger beroep tegen het vonnis van 6 september 2001, neergelegd op de griffie van dit hof op 5 oktober 2001; - de 'conclusies' voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van dit hof op 30 september 2004; - de 'conclusie' voor appellant, neergelegd op de griffie van dit hof op 1 maart 2005; - de 'tweede conclusies' voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van dit hof op 20 november 2006; - de 'syntheseconclusie' voor appellant, neergelegd op de griffie van dit hof op 13 maart 2007; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 26 juni 2007 en waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 26 juni 2007; - de schriftelijke repliek voor appellant op het advies van het openbaar ministerie, neergelegd op de griffie van dit hof op 17 juli
  2. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van het RIZIV (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen). Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord op de openbare terechtzitting van 12 juni
  3. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 26 juni 2007 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
  4. Ontvankelijkheid van het hoger beroep en het incidenteel beroep Met een verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 5 oktober 2001, tekende H.D.H. hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 6 september 2001 (A.R. 57.117). Overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen met gerechtsbrief van 12 september
  5. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. Met conclusies neergelegd op de griffie van dit hof op 30 september 2004 stelt het RIZIV incidenteel beroep in tegen het vonnis gewezen door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 6 september
  6. Dit incidenteel beroep is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  7. Feiten en voorgaande rechtspleging De heer H.D.H. is van beroep kinesitherapeut met praktijk te Mechelen,. Op 21 mei 1992 werd door X, geneesheer-inspecteur bij de Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV, een controle uitgevoerd in de praktijk van H.D.H. inzake naleving van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. Er werd een proces-verbaal van vaststelling opgesteld op 25 mei 1992 waarin voor de periode van 1 januari 1991 tot 20 mei 1992 de volgende tekortkomingen aan het verstrekkingenregister werden weerhouden: * het register niet per halve dag te hebben ondertekend; * het niet te hebben vermeld van het aanvangsuur van de eerste verstrekking noch het einduur van de laatste verstrekking vanaf 1 januari 1992; * de voornaam slechts vermeld te hebben wanneer de familienaam van 2 rechthebbenden dezelfde is; * het niet te hebben vermeld van de aard van de verleende verstrekkingen. Deze feiten maken een inbreuk uit op de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 4 juni 1987 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de kinesitherapeuten en de verpleegkundigen en tot bepaling van de administratieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften. Een afschrift van het proces-verbaal van vaststelling werd aan de heer H.D.H. aangetekend verzonden op 25 mei 1992 met verzoek binnen de 15 dagen zijn verweer schriftelijk te doen gelden bij de directeur-generaal van de Dienst voor Administratieve Controle van het RIZIV. Met schrijven van zijn raadsman van 3 juni 1992 heeft de heer H.D.H. een schriftelijk verweer ingediend. Bij beslissing van 18 mei 1994 van de directeur-generaal bij de dienst voor administratieve controle van het R.I.Z.I.V. werd in toepassing van artikel 6 en 7 van het koninklijk besluit van 4 juni 1987 aan de heer H.D.H. een administratieve geldboete opgelegd van 1.218.485 frank. Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 9 juni 1994, tekende H.D.H. verhaal aan tegen voormelde administratieve beslissing van 18 mei 1994 van het R.I.Z.I.V. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 6 maart 1997 werd de zaak verzonden naar de bijzondere rol teneinde partijen toe te laten: - te concluderen over de toepasselijkheid van het artikel 74 van de wet van 15 februari 1993 op de concrete omstandigheden van deze zaak; - hun standpunt uiteen te zetten over de wijziging van artikel 6 van het koninklijk besluit van 4 juni 1987 door het koninklijk besluit van 12 augustus 1994; - toelichting te verschaffen over de samenstelling van de opgelegde boete van 38%. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 6 september 2001 werd de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. De bij de bestreden beslissing opgelegde geldboete werd herleid tot een bedrag van 961.962 frank te verhogen met de wettelijke interesten vanaf 18 juni 1994, zijnde 30 dagen nadat H.D.H. de kennisgeving van de geldboete heeft ontvangen. Elk van de partijen werd veroordeeld tot de helft van de gedingkosten aan de zijde van H.D.H. begroot op 7.920 frank rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van het RIZIV begroot op 7.920 frank rechtsplegingsvergoeding. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit arbeidshof op 5 oktober 2001, tekende H.D.H. hoger beroep aan tegen voormeld vonnis. Met beroepsbesluiten, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 30 september 2004 stelt het R.I.Z.I.V. incidenteel beroep in wat betreft de gerechtskosten.
  8. Eisen in hoger beroep H.D.H. (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het vonnis a quo te vernietigen en de vordering van appellant ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens de administratieve geldboete bepaald bij beslissing van 18 mei 1994 te vernietigen en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, aan zijn zijde begroot op 218,64 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; - het incidenteel beroep af te wijzen als ongegrond. Het RIZIV (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep van appellant af te wijzen als ongegrond en de bestreden beslissing te bevestigen; - akte te verlenen van zijn incidenteel beroep voor wat betreft de verdeling van de gerechtskosten; - appellant op hoofdberoep integraal te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, aan zijn zijde begroot op 218,64 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
  9. Ten gronde 5.
  10. Wettelijk kader Overeenkomstig artikel 76, eerste lid van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (afgekort G.V.U.-wet) zijn de kinesitherapeuten, de logopedisten en de verpleegkundigen ertoe gehouden, overeenkomstig de door de Koning te bepalen nadere regels, alle verstrekkingen die zij verlenen op te tekenen in een verstrekkingenregister. Artikel 168, eerste lid G.V.U.-wet bepaalt dat de Koning - op voorstel of na advies van de Dienst voor administratieve controle - de administratieve sancties vaststelt die toepasselijk zijn in geval van overtreding van de bepalingen van deze gecoördineerde wet of van haar uitvoeringsbesluiten en - verordeningen; de Koning bepaalt tevens de nadere regelen tot toepassing van die sancties. In geval van overtreding van de bepalingen van artikel 76 wordt de administratieve geldboete opgelegd aan de kinesitherapeut, de logopedist of de verpleegkundige ten laste van wie een overtreding is vastgesteld (artikel 168, zesde lid G.V.U.-wet). In het koninklijk besluit 24 juni 1987, achtereenvolgens gewijzigd door de koninklijk besluiten van 3 augustus 1987, 20 juni 1990, 17 december 1992 en 12 augustus 1994, worden enerzijds de regelen vastgesteld inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de kinesitherapeuten en de verpleegkundigen en anderzijds de administratieve geldboetes bepaald in geval van inbreuk op deze voorschriften. Artikel 2, zoals van kracht op datum van de bestreden administratieve beslissing, bepaalt: "Elk verstrekkingenregister bedoeld in artikel 1 wordt per halve dag bijgehouden en na inschrijving van de laatste verstrekking van een bepaalde halve dag ondertekend door de zorgverstrekker. Deze bepaling geldt slechts voor de halve dagen dat verstrekkingen werden verleend." Artikel 3, zoals van kracht op datum van de bestreden administratieve beslissing, bepaalt: "Elk verstrekkingenregister bevat volgende gegevens: 1° de datum waarop de verstrekkingen zijn verricht; 2° het aanvangsuur van de eerste verstrekking en het einduur van de laatste verstrekking; 3° naam en voornaam van de rechthebbenden (in de volgorde waarin zij behandeld werden); 4° de aard van de verleende verstrekkingen, op grond van de omschrijvingen die zijn vermeld in de in artikel 24 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering bedoelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen." Ten laste van de zorgverstrekker in wiens hoofde een overtreding werd vastgesteld wordt, overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 juni 1987, een administratieve geldboete uitgesproken : - van minimum 33 pct. en maximum 50 pct. van de verzekerings-tegemoetkoming voor de verstrekkingen die niet overeenkomstig de bepalingen van artikel 1 werden ingeschreven of waarvoor het verstrekkingenregister niet overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1, 2 of 4 werden bijgehouden of bewaard; - van minimum 5 pct. en maximum 20 pct. van de verzekerings-tegemoetkoming voor de verstrekkingen die niet overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 werden ingeschreven. Bij samenloop van verscheidene overtredingen worden de administratieve geldboetes samengevoegd, zonder dat het resultaat van deze samenvoeging 50 pct. van de verzekeringstegemoetkoming voor de in het geding zijnde verstrekkingen mag overstijgen. Het koninklijk besluit van 4 juni 1987 werd opgeheven door het koninklijk besluit van 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners bedoeld in artikel 76 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 en tot bepaling van de administratieve geldboetes ingeval van inbreuken op deze voorschriften. Enerzijds versoepelt dit koninklijk besluit van 25 november 1996 de administratieve verplichtingen inzake het bijhouden van een verstrekkingen-register en anderzijds zijn de toepassingsmodaliteiten en het bedrag van de administratieve geldboetes voordeliger (de mogelijkheid om een waar-schuwing te geven, opschorting te verlenen, vast tarieven in te voeren voor de administratieve geldboetes). Overeenkomstig artikel 2 koninklijk besluit van 25 november 1996 wordt elk verstrekkingenregister per week bijgehouden en ondertekend door de zorgverlener na inschrijving van de laatste verstrekking van die week. Overeenkomstig artikel 3 koninklijk besluit van 25 november 1996 worden de verstrekkingen ingeschreven in het verstrekkingenregister per gewerkte dag. De volgende gegevens worden vermeld in het register: 1° de datum waarop de verstrekkingen zijn verricht; 2° het aanvangsuur van de eerste verstrekking en het einduur van de laatste verstrekking; 3° naam en voornaam van de rechthebbenden; 4° de aard van de verleende verstrekkingen, gedefinieerd op grond van het nomenclatuurnummer van de verstrekkingen, bedoeld in de artikelen 23, §2, of 35 van de gecoördineerde wet; 5° (...). Ten laste van de zorgverlener in wiens hoofde een overtreding werd vastgesteld, wordt, in toepassing van artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 november 1996, een administratieve geldboete uitgesproken: - van 25 pct. van de verzekeringstegemoetkoming voor de verstrekkingen die niet werden ingeschreven in een verstrekkingenregister overeen-komstig de bepalingen van artikel 76 van de gecoördineerde wet of waarvoor het verstrekkingenregister niet werd bijgehouden of bewaard overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, 2 of 4; - van 5 pct. van de verzekeringstegemoetkoming voor de verstrekkingen die niet overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 werden ingeschreven. Bij samenloop van verscheidene overtredingen wordt de hoegrootheid van de administratieve geldboetes samengevoegd. Indien het de eerste overtredingen van de bepalingen van dit besluit betreft en de zorgverlener te goeder trouw is, kan de persoon die bevoegd is een proces-verbaal op te stellen, hem een eenvoudige verwittiging geven of, indien een proces-verbaal van bevinding van een overtreding is opgemaakt, kan het bedrag van de administratieve geldboete, vastgesteld op basis van het 1ste lid, met de helft worden verminderd. In toepassing van artikel 11 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 is het besluit van kracht vanaf 13 december 1996 (publicatie in het Belgisch Staatsblad) maar artikel 6 van dit besluit is nochtans van toepassing op de administratieve geldboetes opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 4 juni 1987 die bij de inwerkingtreding van dit besluit nog niet definitief zijn geworden. Bij wet van 7 december 2005 (B.S. 18 januari 2006) worden artikel 76, eerste lid en artikel 168, zesde lid opgeheven. Deze wet treedt in werking op de door de Koning te bepalen datum en uiterlijk drie maanden na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. 5.
  11. Situering van het geschil Naar aanleiding van een onderzoek uitgevoerd door de dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV op 21 mei 1992 werden ten laste van appellant volgende inbreuken op het koninklijk besluit van 4 juni 1987 weerhouden: - artikel 2: het verstrekkingenregister werd niet per halve dag ondertekend bijgehouden in de periode van 1 januari 1991 tot 20 mei 1992; - artikel 3, 2°: het aanvangsuur van de eerste verstrekking en het einduur van de laatste verstrekking stond niet vermeld in verstrekkingenregister in de periode van 1 januari 1991 tot 20 mei 1992; - artikel 3, 3°: de voornaam werd slechts vermeld als de familienaam van twee rechthebbenden dezelfde was in de periode van 1 januari 1991 tot 20 mei 1992; - artikel 3, 4°: de aard van de verleende verstrekkingen werd niet vermeld in de periode van 1 januari 1991 tot 20 mei
  12. In toepassing van artikel 6 en 7 van het koninklijk besluit van 4 juni 1987 werd bij administratieve beslissing van 18 mei 1994 een administratieve geldboete opgelegd van 1.218.485 frank, hetzij 38% van 3.206.539 frank, zijnde het bedrag van de verzekeringstegemoetkomingen voor de prestaties die niet werden ingeschreven of bijgehouden volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 4 juni
  13. De materialiteit van de inbreuken op artikel 2 en 3 van het koninklijk besluit van 4 juni 1987 wordt door appellant niet betwist (zie stuk 2 dossier auditoraat-generaal: proces-verbaal van verhoor van de heer H. van 21 mei 1992 en schrijven van meester L. van 3 juni 1992 aan het RIZIV). Wel bestaat er betwisting over de rechtsgevolgen van enerzijds de opheffing van het koninklijk besluit van 4 juni 1987 door het koninklijk besluit van 25 november 1996 en anderzijds de opheffing van artikel 76, eerste lid en artikel 168, zesde lid door de wet van 7 december
  14. In het bestreden vonnis werd, na onderzoek van de draagwijdte van de in artikel 11, tweede lid van het koninklijk besluit van 25 november 1996 voorziene overgangsregeling, geoordeeld dat er een onderscheid dient gemaakt te worden tussen enerzijds de inbreuken en anderzijds de geldboetes. De eerste rechters oordeelden: - wat de inbreuken betreft dat de reglementering van toepassing is die van kracht was op het ogenblik van de vaststellingen, zijnde het koninklijk besluit van 4 juni 1987; - wat de geldboete betreft dat het mildere artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 van toepassing is gezien de opgelegde administratieve geldboete krachtens het koninklijk besluit van 4 juni 1987 nog niet definitief was op het ogenblik van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 25 november
  15. Appellant acht zich gegriefd door het bestreden vonnis en beroept zich op artikel 2 van het Strafwetboek hetwelk bepaalt dat, indien de straf ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van deze die ten tijde van het misdrijf was bepaald, de minst zware straf wordt toegepast. Bovendien werpt appellant op dat het verstrekkingenregister intussen werd afgeschaft door de Wet van 7 december 2005, zodat, weerom in toepassing van artikel 2 van het Strafwetboek, thans zelfs geen administratieve geldboete meer kan worden opgelegd. Ondergeschikt wordt door appellant nog opgeworpen dat hij patiëntenfiches bijhield waardoor het mogelijk was het verstrekkingenregister te reconstrueren, zodat er dus eigenlijk geen inbreuk werd gepleegd. Tenslotte maakt appellant nog gewag van een schending van artikel 6 E.V.R.M. gezien het uitblijven van de administratieve beslissing en het aanslepen van de procedure. Geïntimeerde van zijn kant vraagt de bevestiging van het eerste vonnis. 5.
  16. Beoordeling 5.3.
  17. Hoofdberoep In het koninklijk besluit van 4 juni 1987 worden de regels vastgesteld inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de kinesitherapeuten en de verpleegkundigen en werden administratieve geldboetes bepaald in geval van inbreuken op deze voorschriften. Het koninklijk besluit van 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners, bedoeld in artikel 76 van de Z.I.V.-wet 1994 en tot bepaling van de administratieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften (B.S. 13 december 1996), heeft het koninklijk besluit van 4 juni 1987 met ingang van 13 december 1996 opgeheven en vervangen. Het koninklijk besluit van 25 november 1996 heeft de administratieve verplichtingen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister versoepeld, door het aanvaarden van geïnformatiseerde lijsten, door bepaalde zorgverleners die thuisverzorging of verzorging in de spreekkamer combineren met activiteiten in één of meer behandelingscentra toestemming te geven om een uniek verstrekkingenregister bij te houden en door het vereenvoudigen van de vermeldingen die op het genoemd register moeten voorkomen. Het koninklijk besluit van 25 november 1996 legt tevens lagere administratieve geldboetes op dan het koninklijk besluit van 4 juni 1987, namelijk enerzijds van 25 pct. waar vroeger een vork tussen 33 en 50 pct. gold, anderzijds van 5 pct. waar vroeger een vork tussen 5 en 20 pct. gold (artikel 6). Een overgangsbepaling (artikel 11 van het koninklijk besluit van 25 november 1996) maakt het evenwel mogelijk de nieuwe percentages die zijn vastgesteld voor de overtredingen inzake het bijhouden van het register toe te passen op de beslissingen die nog niet definitief zijn maar reeds uitgesproken zijn vóór de inwerkingtreding van het genoemde besluit. Dit laatste is het geval met de administratieve geldboete die aan appellant werd opgelegd bij administratieve beslissing van 18 mei 1994 gelet op het door appellant ingestelde verhaal bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen en het huidig hoger beroep. Het standpunt van appellant waarbij deze op basis van artikel 2 van het Strafwetboek aanvankelijk aanspraak maakt op het voordeel van het lagere boetepercentage van 5% (omdat onder het koninklijk besluit van 25 november 1996 enkel de tenlastelegging onder artikel 3 van het koninklijk besluit van 4 juni 1987 kan weerhouden worden) en thans in synthesebesluiten voorhoudt dat geen boete kan opgelegd worden (ingevolge de opheffing van het verstrekkingenregister bij wet van 7 december 2005) kan niet gevolgd worden. Immers, de administratieve geldboeten, bepaald in de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit van 4 juni 1987 hebben niet het karakter van een straf. De inschrijving in een register was voorheen een voorwaarde opdat de tegemoetkomingen konden toegekend worden. Omdat dit tot gevolg had dat, bij gebrek aan inschrijving, de tegemoetkomingen integraal teruggevorderd werden van de zorgenverstrekkers, en omdat deze sanctie te zwaar werd bevonden, werd het bijhouden van een register als administratieve verplichting opgelegd aan de zorgverstrekker. Het niet nakomen van deze administratieve verplichtingen werd bij koninklijk besluit van 4 juni 1987 gesanctioneerd met administratieve geldboetes. De boetes zijn geen alternatieven voor strafrechterlijke sancties, zoals de administratieve geldboetes ingesteld bij de wet van 30 juni
  18. Bovendien is de administratieve sanctie uitdrukkelijk slechts gericht op een bepaalde groep personen met name de kinesitherapeuten en verpleeg-kundigen. Ook in een recent cassatiearrest (Cass., 6 mei 2002, Soc. Kron., 2002, 380) oordeelde het hoogste gerechtshof dat de administratieve sanctie die door het R.I.Z.I.V. wordt opgelegd wegens het niet-bijhouden van een verstrekkingenregister door kinesisten en verpleegkundigen niet het karakter heeft van een strafsanctie, zodat artikel 2, tweede lid van het Strafwetboek, daarop niet toepasselijk is. Wat de inbreuken betreft is dienvolgens het koninklijk besluit van 4 juni 1987 toepasselijk dat van kracht was op datum van de vaststellingen. Aangezien appellant in de periode van 1 januari 1991 tot 20 mei 1992 het verstrekkingenregister niet heeft bijgehouden overeenkomstig artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 4 juni 1987 heeft de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle, overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 4 juni 1987, terecht bij administratieve beslissing van 18 mei 1994 een administratieve geldboete opgelegd ten bedrage van 1.218.485 frank. Ingevolge de overgangsbepaling van artikel 11 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 kan appellant wel genieten van het mildere artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 vermits de opgelegde administratieve geldboete krachtens het koninklijk besluit van 4 juni 1987 nog niet definitief was bij de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 25 november 1996 ingevolge het door appellant ingestelde verhaal bij de arbeidsrechtbank. Geïntimeerde heeft, in uitvoering van artikel 11 van het koninklijk besluit van 25 november 1996, in de loop van de procedure voor de arbeidsrechtbank, de administratieve geldboete herleid tot 23.846,41 euro [961.962 frank], zijnde 25% + 5% van de verzekeringstegemoetkoming van de verleende verstrek-kingen. Er is vooralsnog geen reden om de administratieve geldboete nog verder te verminderen, onder meer wegens beweerde goede trouw. Kwade trouw is geen constitutief bestanddeel van de inbreuken zoals voorzien in de koninklijke besluiten van 4 juni 1987 en 25 november
  19. Als appellant thans beweert dat hij te goeder trouw was, dan moet hij dit bewijzen aan de hand van een rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond. Het feit dat appellant met een alternatief fichesysteem werkte op basis waarvan het verstrekkingenregister kan gereconstrueerd worden bewijst nog geen goede trouw. Het verstrekkingenregister dient juist om de controle door het R.I.Z.I.V. te vergemakkelijken. De reglementering voorziet geen alternatief voor het register. Bovendien heeft appellant, naar aanleiding van zijn verhoor, nooit gewag gemaakt van zijn fichesysteem. Appellant bewijst dus geenszins zijn goede trouw. Tenslotte beroept appellant zich tevergeefs op een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (afgekort E.V.R.M.). Artikel 6 E.V.R.M., hetwelk waarborgen voorschrijft op procedure vlak en in feite hét basisartikel is inzake het recht op een behoorlijk proces, stelt in punt 1 dat eenieder het recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij wet is ingesteld. In burgerlijke zaken begint de termijn voor de beoordeling van een mogelijke schending van artikel 6 E.V.R.M. te lopen vanaf het ogenblik dat er een geschil is, dit is vanaf het moment waarop de rechtzoekende de zaak aanhangig maakt bij de rechter. Vanaf de inleiding van de vordering door appellant in 1994 (neerlegging verzoekschrift arbeidsrechtbank te Mechelen op 9 juni 1994) is er geen enkel aanwijsbaar gegeven dat getuigt van obstructie van de rechtsgang door geïntimeerde. De raadsman van geïntimeerde geeft deemoedig toe dat de procedure niet altijd even vlot is verlopen, maar voegt er terecht aan toe dat de zaak in eerste aanleg meermaals op zijn vraag werd vastgesteld op basis van artikel 751 Gerechtelijk Wetboek. De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek bestaan net zo goed voor appellant, oorspronkelijke eiser, die meester is van het geschil. Er is geen enkel element in het dossier waaruit blijkt dat appellant pogingen ondernomen heeft om het procesverloop te bespoedigen. Het openbaar ministerie merkt terecht op in zijn schriftelijk advies dat appellant, door de zaak te laten aanslepen in eerste aanleg, reeds heeft kunnen genieten van het voordeel van de boeteverlaging ingevolge artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 november 1996, een mildering waarvan andere paramedici die de boete onmiddellijk betaalden of veroordeeld werden door een vonnis dat dateert van voor de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 25 november 1996, niet hebben kunnen genieten. Aangezien alle door appellant ingeroepen beroepsgrieven falen naar recht is het hoger beroep ongegrond. 5.3.
  20. Incidenteel beroep Met beroepsconclusie, neergelegd ter griffie op 30 september 2004, stelt geïntimeerde incidenteel beroep in tegen het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 6 september 2001 in zoverre elk der partijen veroordeeld werd tot de helft van de gedingkosten. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek wordt het RIZIV in beginsel verwezen in de kosten van vorderingen die worden ingesteld door of tegen de gerechtigden. Appellant die in zijn hoedanigheid van kinesitherapeut verhaal instelt tegen de beslissing waarbij hem een administratieve geldboete wordt opgelegd treedt niet op in de hoedanigheid van sociaal verzekerde of gerechtigde, maar wel in de hoedanigheid van zorgenverstrekker. Dienvolgens is de algemene regeling zoals voorzien in artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing hetwelk bepaalt dat ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij verwijst in de kosten. Overeenkomstig artikel 1017, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt wanneer de partijen omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld. Geïntimeerde werd geenszins omtrent enig geschilpunt in het ongelijk gesteld doch heeft enkel in eerste aanleg - rekening gehouden met artikel 11 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 - de administratieve geldboete herleid overeenkomstig artikel 6 van hetzelfde besluit. De herleiding van de administratieve geldboete is derhalve niet de verdienste van appellant maar louter een gevolg van de werking van de wet in de tijd en de duur van de procedure. Het bestreden vonnis dient derhalve te worden vernietigd in zoverre elk der partijen veroordeeld werd tot de helft van de gedingkosten in eerste aanleg. Het incidenteel beroep is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 26 juni
  21. Appellant heeft op 17 juli 2007 schriftelijk gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 6 september 2001 met uitzondering van de veroordeling tot de gedingkosten. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 6 september 2001 in zoverre partijen elk tot de helft veroordeeld werden tot de gedingkosten in eerste aanleg. Opnieuw recht doende, veroordeelt appellant tot de gedingkosten in eerste aanleg, zoals reeds begroot door de eerste rechter. Veroordeelt appellant, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek tot de gedingkosten in hoger beroep. Vereffent de gedingkosten in hoger beroep: - aan de zijde van geïntimeerde op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; - aan de zijde van appellant op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en op 54,53 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep. Uitgesproken in openbare terechtzitting op vijfentwintig september tweeduizend en zeven door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, W. BOGAERT, raadsheer in sociale zaken als werkgever, F. CONVENS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. bladzijde 14 A.R. 2010603 PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070925.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.