id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070925.8 Rolnummer: 2000-0607 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-12-10 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 16:04 Fiches 1 - 2 De vordering van de havenarbeider tegen de beslissing tot intrekking van de vergunning van havenarbeider, uitgaande van de Administratieve Commissie van het Nationaal Comité der Haven van Antwerpen is niet toelaatbaar aangezien deze commissie geen rechtspersoonlijkheid bezit en niet passief als verweerder in een geschil voor een arbeidsgerecht kan betrokken worden. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Havenarbeiders SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsreglement - W. 8 april 1965 - Algemeen Vrije woorden: Arbeidsreglementering - havenarbeid - principe - havenarbeid door erkende havenarbeiders - vordering tot nietigverklaring van de intrekking van de vergunning van havenarbeider - toelaatbaarheid - III P Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-1972 - 1 - 02 ELI link Pub nr 1972060806 Nota: Gerangschikt onder III P - artikel 1 en onder IV B - artikel
- UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - C.A.O.-wet - 5 december 1968 - Algemeen Vrije woorden: Collectieve arbeidsverhoudingen - collectieve arbeidsovereenkomsten - optreden in rechte - vordering tot nietigverklaring van de intrekking van de vergunning van havenarbeider - toelaatbaarheid - IV B Wettelijke bepalingen: Wet - 05-12-1968 - 4 - 01 ELI link Pub nr 1968120503 Nota: Gerangschikt onder III P - artikel 1 en onder IV B - artikel 4 Annotaties Publicaties: JTT 2008 - - nr. 1008 - blz. 230-231 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2000607 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: W.B., geïntimeerde op hoofdberoep, appellant op incidenteel beroep, op de zitting van 12 juni 2007 vertegenwoordigd door mr. R. COVELIERS, advocaat te 2018 Antwerpen, tegen: A. C., geïntimeerde op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, op de zitting van 12 juni 2007 vertegenwoordigd door mr. A. LINDEMANS, advocaat te 1050 Brussel. In aanwezigheid van: het OPENBAAR MINISTERIE, aan wie de zaak ambtshalve werd meegedeeld overeenkomstig artikel 764, 10° van het Gerechtelijk Wetboek bij arrest van het arbeidshof Antwerpen van 12 september
- Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Procedure Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen arrest van dit arbeidshof van 12 september 2006 (A.R. 2000607), aan partijen bij gerechtsbrief in toepassing van artikel 792 Ger. W. ter kennis gebracht op 14 september 2006; - het gezamenlijk verzoek om vaststelling van de zaak uitgaande van raadsman van W.B. en raadsman van de A.C.; - de kennisgeving bij gewone brief aan partijen en hun raadslieden van de vaststelling van rechtsdag op 12 juni 2007; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 26 juni 2007 en waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. bij gewone brief aan de raadslieden van partijen werd verzonden op 26 juni
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van de bundel van de raadsman van W.B. bestaande uit 6 genummerde stukken en de bundel van de raadsman van de A. C. bestaande uit 8 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord op de openbare terechtzitting van 12 juni
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 26 juni 2007 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
- Feiten en voorgaande rechtspleging De feiten en voorgaande rechtspleging werden reeds uitvoerig beschreven in het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 12 september 2006 en kunnen als volgt worden samengevat: - W.B. was havenarbeider in de haven van Antwerpen. - Op 28 augustus 1997 wordt W.B. gedagvaard om te verschijnen voor de correctionele rechtbank op 11 september 1997, op betichting van diefstal of poging tot diefstal ten nadele van de vennootschappen X, Y, Z en A en dit in de periode van 1 januari 1992 tot en met 1 maart 1993 (stuk 5, bundel raadsman van W.B.). - Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 8 januari 1998 werd ten aanzien van W.B. de opschorting van de uitspraak van de veroordeling uitgesproken voor een termijn van 5 jaar. - Bij administratieve beschikking van 13 maart 1998 heeft de A. C., op grond van artikel 5, 2° van het koninklijk besluit van 10 januari 1977, met ingang van 13 maart 1998 de erkenning als havenarbeider van W.B., ingetrokken wegens dringende reden. - Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 19 maart 1998 vorderde W.B. de vernietiging van hogergenoemde beslissing van de A.C. van 13 maart
- - Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 29 juni 2000 werd de vordering van W.B. onontvankelijk verklaard. - De arbeidsauditeur tekende hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis met een verzoekschrift van 18 juli
- - W.B. stelde incidenteel beroep in tegen voornoemd vonnis. - In een arrest van 12 september 2006 verklaarde het arbeidshof het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk en gegrond met vernietiging van het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 29 juni 2000; alvorens verder recht te doen werd, in toepassing van artikel 764, 10° van het Gerechtelijk Wetboek, de vordering van W.B. medegedeeld aan het openbaar ministerie dat in deze aangelegenheid verplicht dient tussen te komen.
- In rechte 3.1 Ontvankelijkheid hoger beroep Het hoger beroep van de arbeidsauditeur te Antwerpen werd reeds ontvankelijk verklaard in het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 12 september
- Het incidenteel beroep van W.B., ingesteld bij beroepsbesluiten ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 6 april 2005, strekt er toe zijn initiële vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren met vernietiging van de beschikking van de A.C. van 13 maart 1998 en met veroordeling van de A.C. tot de gedingkosten van beide aanleggen. Overeenkomstig artikel 1054 van het Gerechtelijk Wetboek kan de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of er vóór de betekening in berust heeft. Het incidenteel beroep ingesteld door W.B. is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. 3.
- Ten gronde 3.2.
- Ontvankelijkheid van de initiële vordering Met inleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 19 maart 1998, vorderde W.B. de vernietiging van de beslissing van de A.C. van 13 maart 1998 waarbij met ingang van 13 maart 1998 zijn erkenning als havenarbeider werd ingetrokken wegens dringende reden. De A.C. besluit tot de niet ontvankelijkheid van deze initiële vordering omdat noch de A.C. , noch het Paritair subcomité voor de Haven van Antwerpen enige rechtspersoonlijkheid bezitten. W.B. betwist geenszins dat de A.C. geen rechtspersoonlijkheid bezit maar concludeert tot de toelaatbaarheid van zijn initiële vordering enerzijds op grond van artikel 4 van de wet van 5 december 1968 en anderzijds op grond de rechtspraak van de Raad van State. 3.2.
- Beoordeling De initiële vordering van W.B. is gericht tegen de beslissing van de A.C. en derhalve ingesteld tegen deze A.C.. Partijen betwisten geenszins dat noch de A.C., noch het P.S. in de schoot waarvan deze A.C. is opgericht, enige rechtspersoonlijkheid genieten. Bij gebreke aan rechtspersoonlijkheid kunnen deze entiteiten niet als eiser of verweerder in rechte optreden. In een aantal gevallen heeft de wetgever aan organisaties zonder rechtspersoonlijkheid toch het recht gegeven in welomschreven materies in rechte op te treden; zo wordt in artikel 4 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités aan representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties het recht gegeven in rechte op te treden in alle geschillen die uit de toepassing van deze wet kunnen ontstaan en ter verdediging van de rechten welke haar leden putten in de door haar gesloten overeenkomsten. De A.C., opgericht in de schoot van het NPC, is echter geen representatieve werknemers- en/of werkgeversorganisatie zoals omschreven in artikel 3 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereen-komsten en de paritaire comités. De A.C. is een louter bestuursorgaan van voornoemd Paritair Comité dat op zijn beurt zelf is ingericht in de schoot van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid. Wegens hun uitzonderlijk karakter moeten de regels die procesrechtelijke bekwaamheid toekennen aan organisaties zonder rechtspersoonlijkheid beperkend geïnterpreteerd worden; de uitzonderingsbepaling die geldt voor representatieve werknemers- en werkgeversorganisatie kan niet analogisch toegepast worden op een bestuursorgaan opgericht in de schoot van een paritair comité. Voor de ontvankelijkheid van de initiële vordering kan W.B. zich dienvolgens niet nuttig beroepen op artikel 4 van de wet van 5 december
- Evenmin kan W.B. zich steunen op rechtspraak van de Raad van State om de toelaatbaarheid van zijn initiële vordering voor de arbeidsrechtbank aan te tonen. De rechtspraak van de Raad van State met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid als ontvankelijkheidsvoorwaarde voor het instellen van een annulatieberoep onderscheidt zich van de rechtspraak van de gewone rechtbanken en hoven en is gesteund op de theorie van de erkenning door de overheid doordat de vereniging bij de werking van de openbare dienst werd betrokken (Dujardin, J., Van Damme, M. en Vande Lanotte, J., Overzicht van het Belgisch administratief recht, Kluwer Rechtswetenschappen België, 1992, nr. 697-699). Door aan verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid bepaalde taken of rechten toe te kennen, erkent de overheid deze vereniging als een juridisch gegeven, waardoor deze vereniging een belang heeft om in rechte op te treden om de haar toegekende bevoegdheden te vrijwaren (R.v.St., 6 april 1966, Arr. R. v. St., 1966, nr. 11.749). Feitelijke verenigingen kunnen dienvolgens voor de Raad van State in rechte optreden doch enkel in de mate dat ze door de overheid erkend zijn en bij de werking van de openbare dienst betrokken worden en dan nog in zoverre het eigen belang als vereniging dit erkend betrokken zijn aangaat, zoals b.v. ter vrijwaring van haar prerogatieven (Dujardin, J., Van Damme, M. en Vande Lanotte, J., Overzicht van het Belgisch administratief recht, Kluwer Rechtswetenschappen België, 1996, nr. 805). Dat de A.C., opgericht in de schoot van het Nationaal Paritair Comité der Haven van Antwerpen, in het licht van de administratieve geschillenregeling als een 'administratieve overheid' wordt beschouwd doet geen afbreuk aan de vaststelling dat deze A.C. geen rechtspersoonlijkheid bezit en niet passief als verweerder in een geschil voor een arbeidsgerecht kan betrokken worden. De initiële vordering van W.B. ten aanzien van de A.C. is bijgevolg niet toelaatbaar zodat de grond van de zaak niet aan bod komt. Gelet op alle voornoemde overwegingen besluit het arbeidshof tot de ongegrondheid van het incidenteel beroep wegens de ontoelaatbaarheid van de initiële vordering ingesteld door W.B. ten aanzien van de A.C. van het Nationaal Comité der Haven van Antwerpen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gelet op artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek en het arrest van 12 september 2006 verder uitwerkend. Gehoord de heer P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies ter openbare terechtzitting van 26 juni
- Geen der partijen hebben gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt de beschikking van de A.C. van 13 maart 1998, waarbij de erkenning als havenarbeider van W.B. (erkenningsnr. 18.791) wordt ingetrokken. Veroordeelt W.B., in toepassing van artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, tot de kosten van beide aanleggen. Vereffent de kosten aan de zijde van W.B. op 95,93 euro rechtsple-gingsvergoeding eerste aanleg en op 145,76 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van de A.C. op 95,93 euro rechtsplegings-vergoeding eerste aanleg en op 145,76 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Uitgesproken in openbare terechtzitting op vijfentwintig september tweeduizend en zeven door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, W. BOGAERT, raadsheer in sociale zaken als werkgever, F. CONVENS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070925.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.