id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 05 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071005.3 Rolnummer: 2004-0256 Rechtsgebied: Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-11-07 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 16:06 Fiches 1 - 4 G.K. (vader) heeft aanvankelijk in eigen naam - d.w.z. met opgave van zijn eigen naam, zonder enige verwijzing naar zijn eventuele hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen - bij de arbeidsrechtbank te Hasselt beroep ingesteld tegen de bestreden OCMW-beslissing van 22 januari
- Nadien heeft G.K. ten overstaan van de arbeidsrechtbank dan voor het eerst melding gemaakt van een 'ontdubbelde' hoedanigheid middels besluiten. In de aanhef van deze besluiten maakte G.K. melding van een dubbele hoedanigheid (A) in eigen naam, en daarnaast handelend (B) als ouder en wettelijk beheerder van zijn minderjarige kinderen. Bedoelde besluiten werden aangeduid als 'Synthesebesluiten houdende uitbreiding van de eis'. De eerste rechters hebben gemeend dat er sprake was van een vrijwillige tussenkomst en dat de tussenvordering van de kinderen, vertegenwoordigd door hun vader, ontvankelijk was. Het hof volgt deze versie niet en is samen met appellant van mening dat er hier geen geldige tussenkomst was in hoofde van of namens de kinderen van G.K. Om als drager van een in eigen naam mogelijk bestaand subjectief recht in de reeds aanhangige procedure betrokken te kunnen worden, hadden de kinderen een vordering in tussenkomst kunnen instellen, eventueel via een duidelijk in die zin bestaand optreden van G.K., optredend in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger. Het is pas ingevolge dergelijke tussenkomst dat iemand - voorheen nog niet in het geding betrokken - partij kan worden in een rechtsgeding (cfr. artikel 15 Ger. W.). Dergelijke tussenkomst dient echter overeenkomstig de bepalingen van artikel 813 Ger. W. bij verzoekschrift te geschieden dat, op straffe van nietigheid, de middelen en conclusie bevat. De besluiten zijn bedoeld en ook aangeduid als een uitbreiding van eis, waarop de bepalingen van artikel 807 Ger. W. van toepassing zijn. Dergelijke tussenvordering betreft een aanwijzing binnen een bestaande procesverhouding, maar bewerkstelligt geen nieuwe procesverhouding tussen nieuwe procespartijen. Tussenkomst (zijnde het bewerkstelligen van een nieuwe procesverhouding) onder de vorm van conclusies met uitbreiding van eis is niet mogelijk en kan derhalve niet worden aanvaard. Het is enkel tussen de in het geding reeds aanwezige partijen dat tussenverhoudingen kunnen worden ingesteld. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Algemeen Vrije woorden: rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - ontvankelijkheid - eis ingesteld door de vader namens zijn kinderen - wettelijke vertegenwoordiging - vordering in tussenkomst - eisuitbreiding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 15 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen Vrije woorden: rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - ontvankelijkheid - eis ingesteld door de vader namens zijn kinderen - wettelijke vertegenwoordiging - vordering in tussenkomst - eisuitbreiding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 807 - 30 Link Justel databank 19671010-30 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tussenkomst - Algemeen Vrije woorden: rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - ontvankelijkheid - eis ingesteld door de vader namens zijn kinderen - wettelijke vertegenwoordiging - vordering in tussenkomst - eisuitbreiding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 813 - 30 Link Justel databank 19671010-30 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW - Algemeen Vrije woorden: sociale voorzorg - openbare centra voor maatschappelijk welzijn - taken van het OCMW - algemene taken en uitvoering - ontvankelijkheid - eis ingesteld door de vader namens zijn kinderen - wettelijke vertegenwoordiging - vordering in tussenkomst - eisuitbreiding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 08-07-1976 - 57 § 2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 15, onder I A - artikel 807, onder I A - artikel 813 en onder X E - artikel 57 §
- I A - X E Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Vierde Kamer Tegensprekelijk eindarrest art. 580 Ger. W. (O.C.M.W.) Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2040256 BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJF OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN. In de zaak: OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN DE STAD waarvan de kantoren gevestigd zijn te , appellant, verschijnend bij mr. tegen :
- G K, wonende te *,
- G K, in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen, P, L en E, allen samenwonende te geïntimeerden, verschijnend bij mr. Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgende arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen tijdens de openbare terechtzitting van 7 september
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 2 september 2004 en 7 september
- I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: - het bestreden eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak tussen partijen op 25 juni 2004 en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief d.d. 1 juli 2004 conform artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 4 augustus 2004; - de conclusies houdende incidenteel beroep van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 25 augustus 2004; - de conclusies van appellant ontvangen ter griffie op 23 augustus 2006; - de beschikking overeenkomstig artikel 747 §2 van het gerechtelijk wetboek met bepaling van conclusietermijnen; - de conclusies houdende incidenteel beroep van geïntimeerden ontvangen ter griffie op 18 april 2007; - de syntheseconclusies van appellant neergelegd ter griffie op 21 mei 2007; - de syntheseconclusies van geïntimeerden ontvangen ter griffie op 19 juni
- II. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Met een verzoekschrift, op 4 augustus 2004 neergelegd ter griffie van dit hof, tekende appellant hoger beroep aan tegen een vonnis (A.R. 2040/187) van 25 juni 2004 van de arbeidsrechtbank te Hasselt. Bedoeld vonnis werd in toepassing van artikel 792, lid 2 gerechtelijk wetboek bij gerechtsbrief van 1 juli 2004 ter kennis gebracht aan partijen. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm. Het hoger beroep is ontvankelijk. III. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
- De heer G K, geïntimeerde, afkomstig uit Georgië, diende op 23 mei 2000 een asielaanvraag in België in, aanvraag die onontvankelijk werd verklaard door de Dienst Vreemdelingenzaken, beslissing die nadien in beroep bevestigd werd door het Commisariaat-generaal voor de Vluchtelingen. Op 14 augustus 2001 vervoegde de echtgenote van G K, samen met hun 3 minderjarige kinderen, geïntimeerde. Ook de door de echtgenote ingediende asielaanvraag werd negatief beoordeeld (onontvankelijk verklaard door de Dienst Vreemdelingenzaken, nadien in beroep bevestigd door het Commisariaat-generaal voor de Vluchtelingen). De beroeps-asielprocedure resulteerde uiteindelijk in een voor geïntimeerde en zijn echtgenote negatief arrest van de Raad van State van 7 oktober
- Ondertussen diende het gezin K op 29 oktober 2002 (bij de stad Hasselt) een aanvraag in tot machtiging tot verblijf in België, dit in toepassing van artikel 9,3( van de Vreemdelingenwet (zie hierna, sub III.6.).
- Op 20 augustus 2001 werd het gezin toegewezen aan het Lokaal Opvanginitiatief te Hasselt. Vanaf deze datum werd het gezin financieel gesteund door het O.C.M.W. van , huidige appellant. Er werd hun een leefgeld toegekend van 37,18 EUR per week per volwassene, van 24,79 EUR per week per kind vanaf 12 jaar, en 12,39 EUR per week per kind jonger dan 12 jaar. Daarnaast werden de medische en farmaceutische kosten ten laste genomen. Met ingang van 1 november 2003 huurt het gezin een (ruim) appartement aan een huurprijs van 500,00 EUR per maand. In zijn zitting van 6 november 2003 besliste het O.C.M.W. om, gelet op de negatieve beslissing van de Raad van State (zie hoger, sub III.1.), de steunverlening stop te zetten. Tegen deze O.C.M.W.-beslissing stelde geïntimeerde geen beroep in bij de arbeidsrechtbank. Op 6 november 2003 heeft G K bij het O.C.M.W. van een nieuwe steunaanvraag ingediend. Op het door het O.C.M.W. naar aanleiding daarvan afgeleverde bewijs van aanvraag werd vermeld : "-/- UW AANVRAAG financiële steun -/-" (stuk 4 appellant). In zijn vergadering van 4 december 2003 trof het OCMW de volgende beslissing: "Uw aanvraag voor het bekomen van financiële steun wordt uitgesteld voor verder onderzoek. Het dossier wordt opnieuw behandeld in het sociaal comité van 18 december 2003." In zijn vergadering van 18 december 2003 besliste verwerende partij het volgende: "De beslissing in verband met uw vraag voor steunverlening voor uw kinderen wordt uitgesteld. U dient een gedetailleerd overzicht van de schoolkosten te bezorgen." In zijn vergadering van 22 januari 2004 besliste verwerende partij het volgende: "U ontvangt geen financiële steun op basis van uw aanvraag tot regularisatie in het kader van art. 9§3 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Uw procedure bij de Raad van State werd op 07.10.2003 afgesloten met een negatieve beslissing, waardoor u in dit kader geen recht meer hebt op steun. De aanvraag tot regularisatie heeft geen schorsende werking op het uitwijzingsbevel, waardoor u momenteel illegaal in België verblijft, en waardoor het OCMW enkel kan instaan voor de dringende medische zorgen zoals vermeld in art. 57§2 van de Wet van 8 juli 1976."
- Met een verzoekschrift van 29 januari 2004 heeft G K beroep aangetekend bij de arbeidsrechtbank te Hasselt, luidend als volgt : "-/- Ondergetekende K G wonende verklaart hiermede beroep in te stellen tegen de beslissing van OCMW getroffen dd. 22-01-2004 met referentienummer : SD/20189". Tijdens deze procedure heeft K G "Synthesebesluiten houdende uitbreiding van eis" neergelegd, waarbij hij zichzelf als concluant aanduidde, enerzijds optredend in eigen naam, en daarnaast als ouder en wettelijk beheerder over de persoon en de goederen van zijn 3 minderjarige kinderen. Hij verzocht om zijn vordering ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en om: "Dienvolgens te zeggen voor recht dat verweerster vanaf 01.11.2003 gehouden is tot financiële steun ten bedrage van het equivalent van het leefloon voor een persoon met drie kinderen ten laste. Akte te nemen van de eisuitbreiding van concluant en derhalve, indien de Rechtbank van oordeel zou zijn dat concluant niet in eigen naam financiële steun kan ontvangen, de vordering van concluant als ouder en wettelijk beheerder over de persoon en de goederen van de minderjarige kinderen: K P, °05.01.1987 K L, °30.09.1989 K E, °08.05.1991 ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens verweerster te veroordelen in betaling aan concluant, als ouder en wettelijk beheerder over de goederen van zijn minderjarige kinderen, van een geldelijke steun ten bedrage van equivalent van het leefloon voor een persoon met drie kinderen ten laste. Ondergeschikt, verweerster minstens te veroordelen tot tenlasteneming van uitgaven van huisvesting, kosten water en electriciteit, alle onkosten aangaande het schoollopen van de kinderen, kosten voor voeding, kosten voor gezondheidszorg en medische kosten, kosten voor kledij en schoenen, kosten voor lichaamsverzorging en kosten voor onderhoud van de huurwoning."
- Op 25 juni 2004 heeft de arbeidsrechtbank te Hasselt een vonnis uitgesproken waarbij : - de vordering en tussenvordering ontvankelijk werd verklaard; - de vordering van de heer K G in eigen naam ongegrond werd verklaard; - de vordering van de heer K G in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen P, L en E K als volgt gegrond werd verklaard: "Vernietigt de bestreden beslissing; Zegt voor recht dat aan de minderjarige kinderen van de heer K G de volgende maatschappelijke dienstverlening moet worden verstrekt door verwerende partij: - de rechtstreekse tenlasteneming van de huurgelden en de kosten van nutsvoorzieningen m.b.t. woning die het gezin thans betrekt of de ter beschikking stelling van een andere woning, dit zolang er minderjarige kinderen in het gezin verblijven; - de rechtstreekse tenlasteneming van de schoolkosten en de medische kosten van de minderjarige kinderen; - ervoor in te staan dat de minderjarige kinderen minstens 3 behoorlijke maaltijden per dag krijgen, gekleed en geschoeid zijn naargelang het seizoen en beschikken over de nodige producten voor hygiëne en materiaal voor vrijetijdsbesteding. Voorzover verwerende partij zich niet in de mogelijk zou bevinden om aan deze verplichtingen in natura te voldoen aan de heer K G, in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen, een bedrag te betalen gelijk aan de gewaarborgde kinderbijslag voor 3 kinderen." - het O.C.M.W. tot de gerechtskosten veroordeeld werd
- Het O.C.M.W. van heeft op 4 augustus 2004 tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het arbeidshof.
- Rest er op te merken dat geïntimeerde in (synthese)beroepsbesluiten vermeld heeft dat het gezin K, in opvolging van hun aanvraag tot verblijf in toepassing van artikel 9, 3( Vreemdelingenwet, op 10 mei 2007 de (al dan niet tijdelijke) machtiging bekwam om in België te verblijven (stuk 6 geïntimeerde), en dat hen met ingang van 22 mei 2007 door het O.C.M.W. van financiële steun wordt toegekend ten bedrage van 876,50 EUR per maand. IV EISEN IN HOGER BEROEP
- Appellant vordert om: - het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het bestreden vonnis te vernietigen; - de administratieve beslissing d.d. 22 januari 2004 te bevestigen; - het incidenteel beroep van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.
- Geïntimeerde vordert om: - het beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - te zeggen voor recht dat het OCMW vanaf 1 november 2003 gehouden is tot financiële steun zijnde het equivalent van het bestaansminimum voor een persoon met drie kinderen ten laste ofwel aan G K in eigen naam, dan wel G K in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen; - ondergeschikt, het OCMW te veroordelen tot tenlasteneming van alle uitgaven zoals bepaald bij vonnis van de eerste rechter d.d. 25 juni 2004; - hoogst ondergeschikt het OCMW te veroordelen tot betaling van een bedrag gelijk aan het equivalent van het bestaansminimum voor een persoon met drie kinderen ten laste vanaf november 2003 tot juli 2004; - het OCMW te veroordelen tot de kosten van het geding. Op de zitting van 7 september 2007 heeft geïntimeerde verklaard dat de vordering inzake steunaanvraag beperkt wordt tot de datum van 22 mei 2007 (zie hoger, sub III.6.). V. BEOORDELING V.a. Nopens de in eigen naam door G K ingestelde eis.
- De discussie inzake de al dan niet lastens het O.C.M.W. aan G K toekenbare steun blijft in de tijd beperkt tot de periode vanaf 6 november 2003 (datum indiening steunaanvraag) tot 22 mei 2007 (zie hoger, sub III.
- en sub IV.2.).
- De discussie betreft in essentie de vraag of G K ingevolge zijn daartoe op 6 november 2003 ingediende steunaanvraag al dan niet gerechtigd is op financiële steunverlening lastens het O.C.M.W. van . De aanvraag van appellant kadert in het toepassingsveld van de O.C.M.W.-wet (de Organieke Wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn / B.S. 5 augustus 1976). Artikel 1, § 1 van de O.C.M.W.-wet bepaalt dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening, die tot doel heeft éénieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Artikel 57, § 1 van dezelfde wet bepaalt dat het O.C.M.W. de taak heeft om de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is. Dergelijke dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn. Artikel 57, § 2 van de O.C.M.W.-wet luidt als volgt: "In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft.-/- Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend -/-". Na het voor G K in het kader van zijn asielaanvraag + daaropvolgende beroepsprocedure door de Raad van State uitgesproken negatief arrest van 7 oktober 2003, verkreeg het eerdere aan betrokkene betekende bevel om het grondgebied te verlaten terug uitwerking, en was artikel 57, § 2 van de O.C.M.W.-wet onverminderd van toepassing. Vanaf 7 oktober 2003 kon G K enkel nog aanspraak maken op dringende medische hulp vanwege het O.C.M.W., doch niet meer op de door hem in eigen naam beoogde financiële steunverlening.
- In de mate hijzelf in persoonlijke naam het bekomen van steunverlening nastreeft, is de verwijzing van G K naar zijn minderjarige kinderen op zich niet dienend.
- Het gedogen van de regularisatie-aanvrager op Belgisch grondgebied gedurende de looptijd van zijn aanvraag tot machtiging tot verblijf (conform artikel 9, 3( van de Vreemdelingenwet) verschafte aan G K niet de status van legaal in het land verblijvende vreemdeling. Het hof verwijst hier op dienende wijze naar hetgeen dienaangaande door de eerste rechters in het vonnis a quo werd overwogen, luidend als volgt: "-/- De vraag stelt zich of de aanvraag tot regularisatie van verblijf die de heer K op 29 oktober 2002 in het kader van artikel 9,3° van de Vreemdelingenwet beweert te hebben ingediend de toepassing van artikel 57 par. 2 van de O.C.M.W.-wet verhindert. De rechtbank meent hierop ontkennend te moeten antwoorden. De aanvraag met toepassing van artikel 9,3° van de Vreemdelingenwet betreft immers een zuivere administratieve aanvraag die geenszins kan beschouwd worden als een jurisdictioneel beroep, dat krachtens de rechtspraak van het Arbitragehof belet dat het recht op maatschappelijke dienstverlening verloren gaat wegens een "uitvoerbaar" bevel om het land te verlaten. (cfr. Arbh. Antwerpen, 15 december 2000, Tijdschrift voor Vreemdelingenrecht, 2001, p. 249) De aanvraag tot regularisatie wijzigt niets aan de juridische verblijfsstatus van de betrokken vreemdeling zolang er geen definitieve uitspraak werd gedaan over de aanvraag door de minister. De aanvraag van een verblijfstitel in de zin van artikel 9,3° van de Vreemdelingenwet heeft geen schorsende werking. (Cass. 21 april 1997, Soc. Kron., 1998,544) De machtiging tot verblijf die afgeleverd wordt op basis van artikel 9,3° van de Vreemdelingenwet geldt slechts voor de toekomst en heeft dus niet tot gevolg dat hierdoor een recht op levensminimum met terugwerkende kracht ontstaat. (Cass., 19 mart 2001,J.T.T.,2001,347). Hieruit volgt dat er geen recht is op financiële steun tijdens de behandeling van de aanvraag op basis van artikel 9,3° van de Vreemdelingenwet. In een arrest van 5 juni 2002 besliste het Arbitragehof dat artikel 57, §2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191, van de Grondwet, met artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens niet schendt, in zoverre die bepaling het recht op maatschappelijke dienstverlening van de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die een aanvraag tot regularisatie van verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 heeft ingediend, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, beperkt tot dringende medische hulp. (B.S. 13 augustus 2002). Uit het voorgaande volgt dat de heer K geen recht heeft op materiële of financiële steun, met uitzondering van de dringende medische hulpverlening. De vordering van de heer K in eigen naam is ongegrond." Het hof neemt deze oordeelkundige overwegingen van de eerste rechters over en maakt ze tot de zijne.
- Samenvattend en concluderend komt het arbeidshof tot het besluit dat G K lastens het O.C.M.W. van in eigen naam niet gerechtigd was op de door hem beoogde financiële steunverlening. De in die zin getroffen bestreden O.C.M.W.-beslissing van 22 januari 2004 was rechtmatig en correct, en deze beslissing werd door de eerste rechters terecht bevestigd. Het vonnis a quo wordt op dit punt door het hof bevestigd en het daaromtrent door G K ingestelde hoger beroep is ongegrond. V.b. Nopens de door G K in zijn hoedanigheid van ouder en wettelijk beheerder over de persoon van zijn kinderen P, L en E geformuleerde eis
- Hier stelt zich vooreerst de vraag naar de (on)ontvankelijkheid van de vordering die G K namens zijn kinderen zou hebben geformuleerd. G K heeft aanvankelijk enkel in eigen naam - d.w.z. enkel met opgave van zijn eigen naam, zonder enige verwijzing naar zijn eventuele hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen - bij de arbeidsrechtbank te Hasselt beroep ingesteld tegen de bestreden O.C.M.W.-beslissing van 22 januari
- Nadien heeft G K ten overstaan van de arbeidsrechtbank dan voor het eerste melding gemaakt van een 'ontdubbelde' hoedanigheid middels besluiten van 23 april 2004 (datum van de neerlegging ter zitting, na een eerder fax-bericht van 21 april 2004). In de aanhef van deze besluiten maakte G K melding van een dubbele hoedanigheid, enerzijds optredend, (A) in eigen naam, en daarnaast handelend (B) als ouder en wettelijk beheerder van zijn minderjarige kinderen. Bedoelde besluiten werden aangeduid als "Synthesebesluiten houdende uitbreiding van eis" (stuk 15 van het rechtsplegingsdossier bij de arbeidsrechtbank). Inhoudelijk vordert betrokkene volgens de overwegingen van deze besluiten nog steeds steun (equivalent leefloon als gezinshoofd) in eigen naam, weliswaar onder verwijzing (onder meer) naar het feit dat dergelijke steun voor de kinderen aan de ouders moet worden gegeven in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers en om hen alzo in staat te stellen de nodige uitgaven voor de ontwikkeling van de kinderen te doen. In het beschikkende gedeelte van bedoelde synthesbesluiten van 23 april 2004 wordt dan de "eisuitbreiding" waaraan gerefereerd wordt, omschreven als volgt : "Akte te nemen van de eisuitbreiding van concluant en derhalve, indien de Rechtbank van oordeel zou zijn dat concluant niet in eigen naam financiële steun kan ontvangen, de vordering van concluant als ouder en wettelijk beheerder over de persoon en de goederen van de minderjarige kinderen: K P, °05.01.1987 K L, °30.09.1989 K E, °08.05.1991 ontvankelijk en gegrond te verklaren." Naar het oordeel van het hof, en voortgaande op de inhoud en strekking van de door G K op die wijze geformuleerde eis en uitbreiding van eis, is het duidelijk dat het nog steeds G K was die zich in bedoelde synthesebesluiten op een eigen subjectief recht beriep. Het is ook in die hoedanigheid, als (vermeende) titularis van een eigen subjectief recht, dat hij zijn oorspronkelijk ingestelde eis uitgebreid heeft. Meer kan er als zodanig uit deze synthesebesluiten niet worden afgeleid. Het hof verwijst hier, met betrekking tot het eigen materiële recht waar G K zich op meent te kunnen beroepen, naar de daaromtrent door het hof hiervoren reeds toegepaste beoordeling (zie hoger, sub V.a.) zonder dat dit nog herhaling behoeft.
- De eerste rechters hebben, en zonder dat door G K gewag gemaakt werd van een vordering in tussenkomst (in naam van zijn kinderen), gemeend dat er sprake was van een vrijwillige tussenkomst, en dat de tussenvordering van de kinderen P, L en E K, vertegenwoordigd door hun vader, ontvankelijk was. Het hof volgt deze visie niet en is samen met appellant van mening dat er hier geen geldige tussenkomst was in hoofde van- of namens de kinderen van G K. Om als dragers van een in eigen naam mogelijk bestaand subjectief recht in de reeds aanhangige procedure betrokken te kunnen worden, hadden de kinderen van G K een vordering in tussenkomst kunnen instellen, eventueel via een duidelijk in die zin bestaand optreden van G K (optredend in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger). Het is pas ingevolge dergelijke tussenkomst dat iemand - voorheen nog niet in het geding betrokken - partij kan worden in een rechtsgeding (cf. artikel 15 Ger.W.). Dergelijke tussenkomst dient echter overeenkomstig de bepalingen van artikel 813 Ger.W. bij verzoekschrift te geschieden dat, op straffe van nietigheid, de middelen en conclusie bevat. Het hof is van oordeel dat de door G K op 23 april 2004 bij de arbeidsrechtbank neergelegde synthesebesluiten 'houdende uitbreiding van eis' zowel qua vorm als op inhoudelijk vlak niet als een verzoekschrift tot tussenkomst, van de kinderen van G K (handelend via hun vader als wettelijk vertegenwoordiger), in aanmerking kan worden genomen. In bedoelde synthesebesluiten van G K kan uiteraard niet meer worden gelezen dan er zelf in vermeld staat. Deze besluiten zijn bedoeld en ook aangeduid als een uitbreiding van eis, waarop specifiek de bepalingen van artikel 807 Ger.W. van toepassing zijn. Dergelijke tussenvordering betreft een wijziging binnen een bestaande procesverhouding, maar bewerkstelligt geen nieuwe procesverhouding tussen nieuwe procespartijen (vgl. MOSSELMANS, S., "Tussenvorderingen in het civiele geding", T.P.R. 2006, blz. 1288). Tussenkomst (zijnde het bewerkstelligen van een nieuwe procesverhouding) onder de vorm van conclusies met uitbreiding van eis is niet mogelijk en kan derhalve niet worden aanvaard. Het is enkel tussen de in het geding reeds aanwezige partijen dat tussenvorderingen via besluiten kunnen worden ingesteld. Een vordering kan met toepassing van artikel 807 Ger.W. (eisuitbreiding) evenmin worden ingesteld door een partij in een andere hoedanigheid dan die waarin de oorspronkelijke eis werd gesteld (vgl. Cass. 26 oktober 1995, R.W. 1996-97, 158). De door G K ingediende besluiten met eisuitbreiding waren bijgevolg niet van aard om zijn minderjarige kinderen als materiële procespartij in het reeds bestaande geding (tussen G K optredend in eigen naam enerzijds, en het O.C.M.W. van Hasselt anderzijds) te betrekken. De mogelijkheid van een partij om een andere partij te vertegenwoordigen impliceert het recht om een rechtsgeding in te stellen en dit tot het einde te voeren. Dit dient dan uiteraard correct te gebeuren. G K heeft evenwel als formele procespartij manifest nagelaten om onderhavige procedure op correcte wijze in te stellen voor de materiële procespartij (zijn minderjarige kinderen) die hij zou vertegenwoordigen. Kortom: De door G K via synthesebesluiten met eisuitbreiding voor de arbeidsrechtbank namens zijn kinderen geformuleerde eis is als zodanig geen tussenkomst waardoor zijn kinderen rechtsgeldig in het geding betrokken werden. De kinderen van G K zijn niet regelmatig in de procedure betrokken; als zodanig zijn zij als materiële procespartij niet in het geding aanwezig; hun vordering (de door G K klaarblijkelijk in hun naam geformuleerde vordering) is bijgevolg onontvankelijk. Het vonnis a quo, waarin het anders werd beoordeeld, wordt op dit vlak door het hof hervormd.
- In de veronderstelling dat G K in onderhavige beroepsprocedure voor het arbeidshof als aparte procespartij, in zijn eventuele hoedanigheid van ouder en wettelijk beheerder over de persoon en goederen van zijn minderjarige kinderen (het hof merkt terloops op dat thans niet alle kinderen minderjarig zijn), alnog tot tussenkomst is willen overgaan, merkt het hof volledigheidshalve op dat ook dergelijke mogelijke vordering onontvankelijk is, aangezien een tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal in hoger beroep kan plaatsvinden (artikel 812, lid 2 Ger.W.). In zoverre ze in de hogervermelde overwegingen niet reeds beantwoord zouden zijn, zijn de eventueel resterende andersluidende argumenten van partijen niet van aard om afbreuk te doen aan de door het hof toegepaste beoordeling ; het hof laat ze voorts als niet dienend buiten beschouwing. OP DIE GRONDEN : HET HOF, Met naleving van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door dhr. advocaat-generaal R. NELISSEN, in zijn mondeling advies op de openbare terechtzitting van 7 september 2007, waaromtrent partijen verklaren geen opmerkingen te hebben. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt, Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank van Hasselt van 25 juni 2004 enkel inzoverre de door G K in eigen naam ingestelde vordering ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard, en in zoverre het O.C.M.W. van Hasselt tot de gerechtskosten werd veroordeeld, Vernietigt voor het overige het bestreden vonnis, Opnieuw recht doende over de door G K in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen P, L en E K geformuleerde vordering, Verklaart deze vordering onontvankelijk. Verwijst appellant, overeenkomstig de bepalingen van art. 1017, tweede lid van het gerechtelijk wetboek, in de kosten van huidige beroepsprocedure. Vereffent deze aan de zijde van geïntimeerden op 102,63 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 145,76 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure. Laat deze kosten aan de zijde van appellant onvereffend bij gebrek aan afgifte van een kostenstaat. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in buitengewone openbare terechtzitting van vijf oktober tweeduizend en zeven, waar aanwezig waren: de heer P. CEUPPENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer G. HELLINGS, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, aangewezen bij beschikking d.d. 5 oktober 2007 door de heer P. CEUPPENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, die de eerste voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger. W.) om de heer J. VANDEN BOER, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. (art. 779 Ger.W.) de heer L. ULENAERS, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, aangewezen bij beschikking d.d. 5 oktober 2007 door de heer P. CEUPPENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, die de eerste voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger. W.) om de heer J. LAMERS, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. (art. 779 Ger.W.) de heer E. NOBEN, e.a. adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071005.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.