id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 11 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071011.7 Rolnummer: 2006-0393 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-12-10 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 16:08 Fiches 1 - 2 De schadevergoeding die een werkloze ontvangt van een gerechtsdeurwaarder omdat deze door nalatigheid de dagvaarding van de werkgever tot betaling van een verbrekingsvergoeding niet op de algemene rol had ingeschreven betreft een 'gewone' schadevergoeding die louter het bedrag omvat dat de werkgever moest betalen als verbrekingsvergoeding en moet dus als loon beschouwd worden in de zin van artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit. Dergelijke vergoeding is geen morele schadevergoeding en kan niet gecumuleerd worden met werkloosheidsuitkeringen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden Vrije woorden: Arbeidsvoorziening - werkloosheid - toekenningsvoorwaarden - onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn - schadevergoeding betaald door gerechtsdeurwaarder op basis van beroepsaansprakelijkheid - niet cumuleerbaar met werkloosheidsuitkeringen - V A N Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 44 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Vrije woorden: Arbeidsvoorziening - werkloosheid - toekenningsvoorwaarden - wordt als loon beschouwd - schadevergoeding betaald door gerechtsdeurwaarder op basis van beroepsaansprakelijkheid - niet cumuleerbaar met werkloosheidsuitkeringen - V A N Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 47 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder V A N - artikel 44 en onder V A N - artikel 47 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2060393 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ELF OKTOBER TWEE-DUIZEND EN ZEVEN In de zaak: L.D.B., appellante, op de zitting vertegenwoordigd door mr. M. VEGA, loco mr. K. VANHALLE, advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: RVA, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. DE GIETER, loco mr. G. LAMBRECHTS, advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 6 september 2006 en 13 september 2007; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 28 april 2006 (A.R. 382.796); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 2 juni 2006; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 2 oktober 2006; - de conclusies voor appellante, ontvangen op de griffie van dit hof op 6 februari
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de RVA (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen) en de bundel van de raadsman van L.D.B. bestaande uit 5 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 13 september
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 2 juni 2006, tekende L.D.B. hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 28 april 2006 (A.R. 382.796). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 3 mei
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging De directrice van het werkloosheidsbureau van de RVA te Boom besliste op 6 juli 2005, - in toepassing van de artikelen 44, 46, 47, 135, 139, 142, 144, 149, 169 en 170 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en in toepassing van artikel 7, §12 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders -: - L.D.B. uit te sluiten van het recht op uitkeringen van 4 september 2001 tot en met 3 december 2001 (artikelen 44, 46 en 47); - de uitkeringen die zij onrechtmatig ontving van 4 september 2001 tot en met 3 december 2001 terug te vorderen (artikelen 169 en 170). De directrice nam deze beslissing op grond van de feiten, die zij als volgt omschrijft (stuk 14 administratief dossier): "Wat de reden betreft van de uitsluiting: Op 04.09.2001 heeft u uitkeringen aangevraagd na de beëindiging van uw arbeidsovereenkomst met NN B op 03.09.
- Bij uw aanvraag ondertekende u de verbintenis om bij uw werkgever, desnoods via gerechtelijke weg, de vergoeding of schadevergoeding te vragen die deze u verschuldigd was ten gevolge van de onregelmatige beëindiging van uw arbeidsovereenkomst. Het recht op uitkeringen werd u voorlopig toegekend vanaf 04.09.2001 op voorwaarde dat u voormelde verbintenis naleeft en dat u, ingeval de bij uw werkgever ondernomen stappen om tot een minnelijk akkoord te komen mislukken, in het jaar volgend op de stopzetting van de arbeidsovereenkomst het bewijs levert dat een rechtsvordering werd ingesteld bij de bevoegde rechtbank te verkrijging van voormelde vergoeding of schadevergoeding (artikel 7, §12 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en de artikels 47 en 135 van het bovenvermeld koninklijk besluit). Tot op heden, dit is meer dan een jaar na het einde van uw arbeidsovereenkomst, werd er geen rechtsvordering ingesteld. Door uw recht op voormelde vergoeding of schadevergoeding niet te laten gelden binnen de vereiste termijn, werd de bij uw uitkeringsaanvraag aangegane verbintenis niet nagekomen en werd u een bezoldiging ontzegd waarop u normaal recht had. U kan geen uitkeringen genieten gedurende de periode die gedekt is door de vergoeding of schadevergoeding waarop u aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van uw arbeidsovereenkomst (toepassing van artikel 7, §12, 1° en 3° lid van de besluitwet van 28 december 1944 en van de artikels 44, 46 en 47, 2° lid van het bovenvermeld koninklijk besluit). In toepassing van artikel 37,§1 van de wet van 03.07.1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten kan u minstens aanspraak maken op een vergoeding of op een schadevergoeding die overeenstemt met 3 maanden bezoldiging en die de periode van 04.09.2001 tot en met 03.12.2001 dekt. U kan bijgevolg geen uitkeringen ontvangen voor de periode van 04.09.2001 tot en met 03.12.
- Wat de terugvordering betreft Elke onrechtmatig ontvangen som dient te worden terugbetaald (artikel 169, eerste lid van het voormeld koninklijk besluit). De voorlopige uitkeringen die u voor de periode 04.09.2001 tot en met 03.12.2001 heeft ontvangen, moeten bijgevolg worden terugbetaald. Het totale bedrag dat u moet terugbetalen, de berekening en de wijze waarop u kan terugbetalen, worden u hierbij betekend." Met schrijven van 6 juli 2005 betekende de directrice van het werkloosheidsbureau Boom, in uitvoering van haar beslissing C29 van 6 juli 2005, een beslissing tot terugvordering met verzoek de onrechtmatig ontvangen uitkeringen over de periode van 4 september 2001 tot en met 3 december 2001 ten bedrage van 2.471,87 euro terug te betalen (stuk 15 administratief dossier: terugvordering C31). Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 6 oktober 2005, tekende L.D.B. beroep aan tegen de beide beslissingen van de directrice van het werkloosheidsbureau te Boom van 6 juli 2005 (referte C29/71522/47/302 en referte C31: nr. 715/2005/00154). Bij vonnis van de elfde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 28 april 2006 werd(en): - de vordering van L.D.B. ontvankelijk doch ongegrond verklaard; - de administratieve beslissingen van 6 juli 2005 bevestigd; - de RVA in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek veroordeeld tot de kosten van het geding; aan de zijde van L.D.B. werden de kosten herleid tot 107,09 euro rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van de RVA werden de kosten niet begroot. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 2 juni 2006, tekende L.D.B. hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen.
- Eisen in hoger beroep L.D.B. (appellante) vordert: - het hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende: * de beslissing van 6 juli 2005 met referte C29/1522/47/302 en de terugvorderingsbeslissing van 6 juli 2005 (met referte C31 nr. 715/2005/00154) van geïntimeerde te vernietigen; * te zeggen voor recht dat appellante gerechtigd is op de uitkeringen voor de periode 4 september 2001 - 3 december 2001 en de vordering tot terugbetaling ongegrond te verklaren; - geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellante begroot op 218,64 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 291,50 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. De RVA (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep als ongegrond af te wijzen; - het vonnis a quo van 28 april 2006 en de administratieve beslissingen C29 en C31 van 6 juli 2005 te bevestigen.
- Ten gronde Het voorwerp van het geschil betreft de uitsluiting en terugvordering die appellante heeft genoten in de periode van 4 september 2001 tot en met 3 december 2001 ten bedrage van 2.471,87 euro (77 uitkeringen). 5.
- Uitsluiting van het recht op uitkeringen Overeenkomstig artikel 47, eerste lid van het Werkloosheidsbesluit kan de werknemer die de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel aanspraak kan maken wegens beëindiging van zijn overeenkomst, niet of slechts gedeeltelijk ontvangen heeft, voorlopige uitkeringen genieten gedurende de periode die gedekt zou zijn door deze vergoeding, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:
- zich ertoe verbinden van zijn werkgever de betaling te eisen, indien nodig langs gerechtelijke weg, van de vergoeding of schadevergoeding waarop hij eventueel recht heeft;
- zich ertoe verbinden de voorlopige uitkeringen terug te storten van zodra hij de vergoeding of schadevergoeding verkregen heeft;
- zich ertoe verbinden de Rijksdienst op de hoogte te brengen van elke schuldbekentenis die zijn werkgever doet of van elke gerechtelijke beslissing die wordt genomen met betrekking tot de vergoeding of de schadevergoeding;
- aan de Rijksdienst de vergoeding of de schadevergoeding, waarvan het recht hem is erkend, over te dragen ten belope van de voorlopig toegekende uitkeringen. Ter zitting van 13 september 2007 bevestigt raadsman van appellante dat dergelijke verbintenis in het kader van artikel 47 van het Werkloosheidsbesluit door appellante werd ondertekend (zie proces-verbaal van terechtzitting van 13 september 2007). Appellante heeft in de periode van 4 september 2001 tot en met 3 december 2001 voorlopige uitkeringen genoten in het kader van artikel 47 van het Werkloosheidsbesluit op voorwaarde dat zij voormelde verbintenis naleefde. Raadsman van appellante heeft opdracht gegeven aan een gerechtsdeur-waarder om de gewezen werkgever te dagvaarden voor de bevoegde rechtbank teneinde een opzeggingsvergoeding te bekomen gelijk aan drie maanden loon. De dagvaarding lastens de gewezen werkgever werd echter door de instrumenterende gerechtsdeurwaarder niet ingeschreven op de algemene rol van de arbeidsrechtbank te Antwerpen waardoor de vordering verjaarde (zie stukken 9 tot en met 12 administratief dossier). Het staat dus onomstotelijk vast dat appellante niet binnen het jaar dat volgt op het einde van zijn arbeidsovereenkomst een rechtsvordering heeft ingesteld bij het bevoegde gerecht ten einde de vergoeding of de schadevergoeding te verkrijgen. Overeenkomstig artikel 47, tweede lid van het Werkloosheidsbesluit wordt de werknemer uitgesloten van het recht op uitkeringen vanaf de datum van de beëindiging van de overeenkomst en voor de periode gedekt door de wettelijk minimum opzeggingstermijn die gelden in zijn geval. Appellante werd dienvolgens terecht uitgesloten van het recht op uitkeringen van 4 september 2001 tot en met 3 december
- In de bestreden administratieve beslissing wordt de uitsluiting tevens nog gebaseerd op de artikelen 44 en 46 van het Werkloosheidsbesluit omdat uit de gevoerde briefwisseling tussen raadsman van appellante en de instrumenterende gerechtsdeurwaarder bleek dat de gerechtsdeurwaarder zijn nalatigheid erkende en aan appellante een vergoeding uitkeerde ten bedrage van 2.929,83 euro, zijnde het nettobedrag van de lastens de werkgever gevorderde verbrekingsvergoeding. Hieruit volgt dat appellante niet kan beschouwd worden als een werkloze die onafhankelijk van zijn wil "zonder loon" is. Immers, overeenkomstig artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit moet de werkloze om uitkeringen te kunnen genieten wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn. Artikel 46, §1, 5° van het Werkloosheidsbesluit bepaalt dat voor de toepassing van artikel 44, inzonderheid als loon wordt beschouwd "de vergoeding waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade en de vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering". De vergoeding van de gerechtsdeurwaarder betreft een "gewone" schadevergoeding dat louter het bedrag omvat dat door de werkgever als verbrekingsvergoeding had moeten worden betaald. Het betreft geen vergoeding voor morele schade, die een andere schade herstelt dan de schade die de opzeggingsvergoeding geacht wordt te herstellen zoals omschreven in artikel 46, §1, 5° van het Werkloosheidsbesluit: "Voor de toepassing van het eerste lid, 5° wordt beschouwd als een vergoeding voor een morele schade, de vergoeding toegekend ter compensatie van de extra- patrimoniale schade die het gevolg is van een foutief gedrag in hoofde van de gewezen werkgever, en die dus niet in de plaats kan treden van de voordelen toegekend in het kader van een normale ontslagregeling". De vergoeding van de gerechtsdeurwaarder kan dus niet gecumuleerd worden met het verkrijgen van werkloosheidsuitkeringen. De uitsluiting van het recht op uitkeringen van 4 september 2001 tot en met 3 december 2001 dient bevestigd te worden. 5.
- Terugvordering Overeenkomstig artikel 169, eerste lid van het Werkloosheidsbesluit dient elke onrechtmatig ontvangen som te worden terugbetaald. Overeenkomstig de terugvordering C31 (stuk 15 administratief dossier) heeft appellante over de periode van 4 september 2001 tot en met 3 december 2001 ten onrechte 77 uitkeringen ontvangen voor een totaal bedrag van 2.471,87 euro. De cijfermatige begroting van de onrechtmatig genoten uitkeringen wordt door appellante niet betwist. De terugvordering van de onrechtmatig genoten uitkeringen dient bevestigd te worden. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 13 september
- Partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben over het advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt, met gewijzigde motieven, het bestreden vonnis uitgesproken in de openbare zitting van de elfde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 28 april 2006 (A.R. 382.796). Verwijst de RVA, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van L.D.B. op 145,76 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aan de zijde van de RVA worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op elf oktober tweeduizend en zeven door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, E. SCHERPEREEL, raadsheer in sociale zaken als werkgever, I. AERTS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071011.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div