← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071012.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 12 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071012.9 Rolnummer: 2005-0703 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-10-30 Raadplegingen: 144 - laatst gezien 2026-07-02 16:09 Fiches 1 - 2 Het behoort aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het bewijs te leveren dat de betwiste forfaitaire onkostenvergoedingen geen beroepskosten (sensu lato of sensu stricto) vertegenwoordigen, met dien verstande dat daarbij wel een zekere medewerking verwacht mag worden van de werkgever op het vlak van deze bewijsvoering. Een maaltijdcheque is geen vorm van onkostenvergoeding maar wel een vorm van loon, zodat niets de werkgever belet de verwijzen naar de maaltijden welke tijdens de middagpauze moeten genomen worden ter verantwoording van de toegekende forfaitaire onkostenvergoeding aan werknemers met buitendienst. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming Vrije woorden: wettelijke intresten - sociale zekerheid werknemers - bijdrageregeling - loon - forfaitaire onkostenvergoedingen - maaltijdcheques - cumul Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 10 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - 19 § 2, 4° - 04 Link Justel databank 19691128-04 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) Vrije woorden: de bijdragen - bescherming van het loon - bijdrageregeling - loon - forfaitaire onkostenvergoedingen - maaltijdcheques - cumul Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 14 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: III H - VII A Gerangschikt onder III H - artikel 10 en onder VII A - artikel

  1. Tekst van de beslissing Tussenarrest op tegenspraak, heropening der debatten op 25 januari 2008, om 9.30 uur Vierde kamer Sociale Zekerheid ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. nr. 2050703 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWAALF OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID (RSZ), met zetel gevestigd te x, x, eiser in hoger beroep, verweerder op incidenteel beroep, voor wie verschijnt: mr. S. DE WIT loco mr. A. VAN DEUN, advocaat te x, tegen : nv HMB, met zetel gevestigd te x, x, verweerder in hoger beroep, eiser op incidenteel beroep, voor wie verschijnt: mr. R. CUYPERS, advocaat te x. Na beraadslaging wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 7 december 2005, van 28 april 2006, van 25 mei 2007 en van 22 juni
  2. Het hof keek de volgende stukken van de rechtspleging na: * het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 22 september 2005, op tegenspraak gewezen door de arbeidsrechtbank te Turnhout. * het verzoekschrift in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 4 november 2005 en vervolgens, zoals artikel 1056 van het gerechtelijk wetboek voorschrijft, op 4 november 2005 ter kennis gebracht aan wie het behoort; * de conclusies voor verweerder in hoger beroep, aangetekend ontvangen op de griffie van het hof op 3 maart 2006; * de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 3 oktober
  3. * het verzoekschrift, op de griffie van dit hof ontvangen op 20 november 2006, waarmee eiser in hoger beroep vraagt om de conclusietermijnen te regelen en om de rechtsdag te bepalen (toepassing van artikel 747, §2 van het gerechtelijk wetboek); * het antwoord op dit verzoek van verweerder in hoger beroep, op de griffie van dit hof ontvangen op 27 november 2006; * de beschikking van 7 december 2006 van raadsheer J. Verhavert, in toepassing van artikel 747, §2 van het gerechtelijk wetboek; * de conclusies voor verweerder in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 11 januari 2007; * de syntheseconclusies voor eiser in hoger beroep, op de griffie van het hof neergelegd op 16 februari 2007; * het schriftelijke advies van het openbaar ministerie gelezen en neergelegd op de zitting van 22 juni 2007 en ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid van het gerechtelijk wetboek; * de repliekconclusies van eiser in hoger beroep, op de griffie van het hof neergelegd op 6 juli 2007; * de repliekconclusies van verweerder in hoger beroep, op de griffie van het hof neergelegd op 6 september 2007; * de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 11 oktober
  4. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 25 mei
  5. Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 22 juni
  6. De ontvankelijkheid Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn naar termijn en vorm regelmatig ingesteld. De ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Ze zijn dan ook ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaat De nv HMB, verder in dit arrest afgekort als HB, verkoopt graaf- en aanverwante machines. De zetel is thans gevestigd te Geel. HB betaalde aan acht werknemers onkostenvergoedingen uit naast het loon. Het betreft de arbeiders B en WB, de bedienden EC, JV en DN en de vertegenwoordigers GH, SS en MP. B en WB zijn arbeiders die op verplaatsing depannages uitvoeren zowel in het binnenland als in het buitenland. Aanvankelijk ontvingen zij per gewerkte dag een vergoeding van 190 BEF om hiermee een middagmaal te betalen. Waren zij langer dan 12 uren van huis, dan ontvingen zij nog een vergoeding van 370 BEF om hun avondeten te bekostigen. Daarnaast ontving BB een vergoeding voor brandstof en voor allerlei materiaal, dienstig voor de herstellingen. De RSZ nam over deze vergoedingen het volgende standpunt in: omdat beide werknemers maaltijdcheques ontvangen, dienen de bijkomende vergoedingen voor het gebruik van maaltijden als loon te worden beschouwd. Wanneer de werknemer wegens overwerk een maaltijd in een restaurant moet nuttigen, blijft dit een kost eigen aan de werkgever, maar dient de uitgave te worden bewezen. Ook de brandstofkosten moeten worden bewezen. Later zal de dagvergoeding van 190 BEF of 4,71 euro worden benoemd als een vergoeding voor de aankoop van eten en drinken onderweg. De "grote" vergoeding voor het avondmaal zal niet meer worden betaald en de overige kosten zullen worden gestaafd. Kosten om te tanken worden maar af en toe meer uitbetaald omdat de werknemers over een tankkaart van de firma zijn gaan beschikken. EC is bediende. Zij ontving 7.400 BEF per maand om de verplaatsingen met haar privaat voertuig naar onder meer leveranciers te vergoeden. HB berekende dit forfait aan de hand van de werkelijk afgelegde afstand en het aantal verplaatsingen over een bepaalde relevante periode. Er werd gerekend met een vergoeding van 10 BEF per kilometer. Als de werkgever de effectief afgelegde kilometers niet kan bewijzen, moet volgens de RSZ de vergoeding van 7.400 BEF per maand als loon worden beschouwd. Later zal een deel van de vergoeding niet meer worden beschouwd als een vergoeding voor de verplaatsingen maar als vergoeding voor het gebruik van een bureauruimte, gebruik van computer en van telefoon. Blijkbaar regulariseerde de RSZ alle vergoedingen, die aan EC werden betaald, als loon. JV is intern boekhouder bij de firma. Hij ontving 4.635 BEF per maand forfaitair om de verplaatsingen met zijn privaat voertuig terug te betalen. Ook voor hem werd er gerekend op basis van 10 BEF per kilometer. Later wordt een deel van deze vergoeding beschouwd als vergoeding voor telefoonkosten. De RSZ is van oordeel dat deze kosten onvoldoende worden gestaafd en regulariseerde de gehele vergoeding. DN is de verantwoordelijke voor de dienst 'after sales'. Hij ontving een vergoeding voor een bureauruimte thuis van 3.750 BEF. Verder ontving hij telkens een vergoeding: voor de aanschaf van vakliteratuur: 500 BEF, voor dranken en recepties: 500 BEF en voor de terugbetaling van lidgelden: 250 BEF. Alle bedragen waren forfaitair bepaald. Bij gebrek aan staving werden deze bedragen door de RSZ als loon beschouwd. GH is een vertegenwoordiger. Hij legde zijn bezoeken aan het cliënteel af met een eigen voertuig. Hij kreeg een vergoeding van 483 BEF per gewerkte dag, naast een kilometervergoeding. Wat de kilometervergoeding betrof, diende de werkgever het werkelijk aantal afgelegde kilometers te bewijzen, volgens de RSZ. Omdat GH ook maaltijdcheques ontving, diende zijn dagvergoeding beperkt te blijven tot 300 BEF per dag. Blijkbaar konden de afgelegde kilometers worden aangetoond en sloeg de regularisatie enkel op de dagvergoeding. SS is een tweede vertegenwoordiger bij HB. Hij beschikt over een firmawagen. Hij ontving een forfaitaire vergoeding van 190 BEF per gewerkte dag. Bovenop ontving hij een vergoeding voor diverse onkosten. In 1999 bedroeg deze ongeveer 60.000 BEF voor acht maanden. De RSZ aanvaardde voor hem een 'baan'vergoeding van 300 BEF per dag. Voor het overige eiste de RSZ stavingstukken. Voor de derde vertegenwoordiger, MP, aanvaardde de RSZ een dagvergoeding van 260 BEF. Na een zogenaamde 'technische' controle bij het sociaal secretariaat van Hyundai Belgium op 3 januari 2001 kwamen de diensten van de RSZ aldus tot de bevinding dat bepaalde kostenvergoedingen als loon moeten worden beschouwd. In totaal brengt de RSZ elf dagvaardingen uit tussen 3 oktober 2002 (eerste dagvaarding) en 25 april 2005 (laatste dagvaarding). Van deze elf dagvaardingen is blijkbaar enkel de eerste nog relevant in het kader van de huidige beoordeling. Wat de tien andere betreft, hier zou de vordering van de RSZ enkel nog openstaan voor de bijdrageopslagen en de intresten, waarvan HB de kwijtschelding nastreeft. Het bestreden vonnis De eerste rechters, in een vonnis van 22 september 2005, voegden alle zaken samen en ze verklaarden de vordering, zoals ingesteld in de eerste dagvaarding, reeds gedeeltelijk gegrond. Meer bepaald oordeelden zij dat de extra dagvergoeding, a rato van 9,17 euro, die aan B en WB werd uitbetaald, loon uitmaakte en zij bevalen de heropening van de debatten om de afrekening aan te passen. Zij verklaarden de tegenvordering, die er toe strekte om vrijstelling dan wel vermindering te bekomen van de bijdrageopslagen en de intresten, onontvankelijk. De raadslieden van de beide partijen bevestigen op de terechtzitting van 25 mei 2007 dat het vonnis wederzijds niet werd betekend. Eisen in hoger beroep De RSZ tekende tegen dit vonnis hoger beroep aan, bij verzoekschrift, op 4 november 2005 ontvangen op de griffie van dit hof. Hij vraagt om zijn oorspronkelijke vorderingen gegrond te verklaren en om HB thans te veroordelen om aan hem te betalen: 19.506,81 euro, meer de intresten op 15.983,40 euro vanaf 8 augustus 2002, 34.546,45 euro, 7.280,90 euro, 9.262,11 euro, 3.353,61 euro, 49.004,79 euro, meer de intresten op 44.175,11 euro vanaf 27 oktober 2003, 21.212,03 euro, meer de intresten op 0,02 euro vanaf 1 april 2004, 11.265,71 euro, 8.101,80 euro, 9.486, 00 euro, meer de intresten op 0,01 euro vanaf 18 november 2004, 7.651,80 euro, meer de intresten op 0,01 euro vanaf 14 februari
  7. HB vraagt om het hoger beroep van de RSZ als ongegrond af te wijzen. Zij stelt incidenteel beroep in, dat er toe strekt het vonnis van de eerste rechters te hervormen in de mate dat de extra dagvergoeding die aan B en WB werd uitbetaald door hen werd begroot op 9,17 euro, daar waar deze in werkelijkheid slechts 4,71 euro groot was. Volgens het recht Het openbaar ministerie geeft in zijn schriftelijk advies van 22 juni 2007 een duidelijk overzicht van de vorderingen die de RSZ in de diverse dagvaardingen heeft ingesteld (punt 2 blz. 2,3 en 4 van het advies). Onder punt 4.1 van het schriftelijke advies geeft het openbaar ministerie aan dat er in de elf dagvaardingen die werden uitgebracht drie verschillende thema's aan de orde zijn:
  8. de eerste dagvaarding heeft betrekking op de forfaitaire kostenvergoedingen die HB uitbetaalde aan sommige van haar personeelsleden.
  9. de zesde dagvaarding, deze van 10 december 2003, heeft betrekking op de annulering van de bijdrageverminderingen die HB toepaste voor haar werknemers DC en DVD in het kader van het plus één en het plus twee plan.
  10. de overige dagvaardingen hebben betrekking op bijdrageopslagen en intresten, verschuldigd op de bijdragen die werden berekend ingevolge de eigen aangifte van HB. Ook worden er in deze dagvaardingen jaarlijkse vakantiebijdragen gevorderd. Het openbaar ministerie is van oordeel dat enkel de vorderingen uit de eerste dagvaarding nog aan de orde zijn. Het hof zal elk van de drie "soorten" dagvaardingen afzonderlijk onder de loep nemen. De forfaitaire kostenvergoedingen Onder punt 4.4.1 op bladzijde 9 van het schriftelijke advies geeft het openbaar ministerie een overzicht van de relevante wettelijke bepalingen. Zo is het duidelijk dat sociale zekerheidsbijdragen worden berekend op het loon van de werknemer. De loonbeschermingswet bepaalt wat er onder loon moet worden begrepen: het loon in geld, de fooien en het bedieningsgeld en de in geld waardeerbare voordelen. Deze inhoud van het begrip loon kan door de Koning worden verruimd of beperkt. Zo bepaalt het koninklijk besluit van 28 november 1969 dat de bedragen die gelden als terugbetaling van de kosten die de werknemer heeft verricht om zich van zijn woonplaats naar zijn werkplaats te begeven, alsook de kosten die ten laste van de werkgever vallen, niet als loon worden aangemerkt. Het openbaar ministerie geeft verder aan dat deze regeling uit het vernoemde koninklijk besluit hier van toepassing is. Het openbaar ministerie benadrukt dat het moet gaan om kosten, waartoe de werkgever gehouden is, die uitsluitend verband houden met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. In zijn conclusies bij het cassatiearrest van 17 mei 1993 (Cass. 17 mei 1993, R.W. 1993-94, 399, met concl. Adv. Gen. G. Bresseleers), benadrukt Advocaat-generaal Bresseleers dat niets belet dat forfaitaire vergoedingen ook in aanmerking kunnen worden genomen als kosten, eigen aan de werkgever: "wanneer de werkelijke kosten moeilijk kunnen worden bepaald of berekening of de terugbetaling ervan op praktische bezwaren stuit." (zie ook Cass., 14 februari 2000, Soc.Kron. 2000, 479 - W. Van Eeckhoutte, Het begrip loon in de bijdrageregeling van het sociale zekerheidsstelsel voor werknemers, Algemene Beginselen, in Het Loonbegrip, Die Keure, 1995, blz. 57, nr. 92 - B. Lietaert, Forfaitaire kostenvergoedingen en sociale zekerheidsbijdragen, noot onder arbrb. Brussel, 31 maart 1995, A.J.T. 1994-95, 585) Het gegeven dat de onkostenvergoeding forfaitair wordt bepaald, schept dus geenszins een vermoeden dat zij verdoken loon zou uitmaken. Wanneer de RSZ het hanteren van een forfaitair terugbetalingssysteem aanvaardt, moet hij alle gevolgen daarvan aanvaarden: concreet betekent dit dat de RSZ niet kan eisen dat de gemaakte kosten in detail worden gestaafd. Het is immers juist de bedoeling om rond het inventariseren en het bijhouden van kwitanties en stavingstukken geen administratie te voeren. Bijgevolg kan de RSZ niet het principe van een forfaitair terugbetalingssysteem aanvaarden aan de ene kant en aan de andere kant van de werkgever verlangen dat hij ter staving van de forfaitair uitbetaalde vergoedingen in detail stukken voorlegt. Ter zake aanvaardt de RSZ dat bepaalde onderdelen van de betaalde vergoedingen forfaitair kunnen worden geraamd. Voorheen werd er in rechtsleer en rechtspraak voorgehouden dat ter zake de bewijslast op de werkgever rust, in die zin dat, van zodra vaststond dat een toekenning onder het begrip loon van artikel 2 van de Loonbeschermingswet valt, wat door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bewezen dient te worden, het aan de werkgever is om te bewijzen dat hij zich op een beperking kan beroepen en dat de door hem betaalde kostenvergoeding overeenstemt met de reële kosten welke door de werknemer gedragen worden omwille van de tewerkstelling (W. Van Eeckhoutte, o.c. blz. 57-58, nrs. 94 en 95 - Cass., 9 oktober 1989, J.T.T. 1990, 252). Dit standpunt kan echter niet langer worden gehandhaafd in het licht van de meest recente rechtspraak van het Hof van Cassatie. In zijn arrest van 14 januari 2002 oordeelt het hof immers dat, wanneer er wordt betwist dat de bedragen, die aan een werknemer worden betaald als terugbetaling voor de kosten die door de werkgever moeten worden gedragen, het karakter van loon hebben, de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, dient aan te tonen dat die bedragen geen terugbetaling van dergelijke kosten zijn (Cass. 14 januari 2002 (met conclusie van eerste adv.-gen. J.F. Leclercq), R.W. 2002-2003, 697 met noot M. De Vos). Onder verwijzing naar deze rechtspraak is de conclusie dat: - op de RSZ de volledige bewijslast en het bewijsrisico van de grondslag voor de berekening van de bijdragen rust, - de RSZ niet alleen het bestaan van 'loon' in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet moet bewijzen, maar ook de niet toepasselijkheid van artikel 19, §2, 4° van het KB van 28 november
  11. De RSZ moet dienvolgens het bewijs leveren dat de weerhouden bedragen geen beroepskosten (sensu lato of sensu stricto) zijn of niet volledig corresponderen met de werkelijke kosten. Daarbij mag echter wel een zekere medewerking verwacht worden van de werkgever op het vlak van de bewijsvoering (zie conclusie van eerste advocaat-generaal M. Leclercq bij het arrest van het Hof van Cassatie van 14 januari 2002 - J.T.T. 2002, 105), maar de ultieme bewijslast en ook het bewijsrisico liggen bij de RSZ. Meer bepaald kan er van de werkgever worden verlangd dat hij het systeem van forfaitaire terugbetaling dat hij toepast, verduidelijkt, zodanig dat dit systeem transparant en zichtbaar is (welke bedragen worden aan wie wanneer terugbetaald?). Verder kan van de werkgever worden verwacht dat hij tekst en uitleg geeft bij het gehanteerde systeem en het aannemelijk maken (waarom worden deze bedragen terugbetaald? Kan er worden aanvaard dat de uitgaven die de werknemers doen, reëel zijn? Is de vergoeding van deze uitgaven redelijk?). Van zodra de werkgever aan deze vragen is tegemoetgekomen en er geen redenen voorhanden zijn om aan de oprechtheid van zijn antwoorden te twijfelen, verhuist de bal naar het kamp van de RSZ, die in het kader van de op hem rustende bewijslast het bewijs moet bijbrengen dat de betaalde vergoedingen geen terugbetaling van echte kosten zijn maar dat ze een vorm van (verdoken) loon uitmaken. Beoordeling in concreto: De werknemers B en WB: Over de aan hen uitbetaalde kostenvergoedingen verklaarde de gedelegeerde bestuurder van HB op 9 oktober 2001 aan de inspectie: "BB en BW ontvangen een onkostenvergoeding van 190 fr per gewerkte dag. Dit is bovenop de maaltijdcheques met een werkgeversbijdrage van 180 fr. Het totaal hiervan is 370 fr per gewerkte dag. Dit bedrag is lager dan de forfaitaire vergoeding voor verblijfskosten. Betrokken werknemers zijn elke dag uithuizig. Zij voeren herstellingen en onderhoudswerken uit op werven. Dit is in gans België. Vanaf het ogenblik dat zij op een dag 13 uren werken ontvangen zij bijkomend een vergoeding van 370 fr voor het avondmaal." Door deze uitleg beantwoordt de werkgever aan de medewerking die van hem in het kader van de bewijsvoering kan worden gevraagd (zie hoger). De RSZ is van oordeel dat een combinatie van maaltijdcheques met een vergoeding voor het middagmaal en desgevallend met een vergoeding voor het avondmaal niet kan omdat precies de maaltijdcheques de vergoeding uitmaken voor deze maaltijden. Het hof is het eens met het openbaar ministerie dat een maaltijdcheque geen vorm van onkostenvergoeding is maar wel een vorm van loon, waarvan de overheid aanvaardt dat deze parafiscaal gunstig wordt behandeld indien aan de voorwaarden van artikel 19bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 (het RSZ-besluit) is voldaan. Noch deze bepaling noch enige andere wettelijke bepaling leggen aan de begunstigde van een maaltijdcheque de verplichting op om die maaltijdcheque te gebruiken wanneer in het kader van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst buitenshuis een maaltijd wordt gekocht. Nergens wordt er bepaald dat maaltijdcheques als loon worden beschouwd wanneer de werknemer op verplaatsing een maaltijd aankoopt met behulp van een maaltijdvergoeding. Bovendien is het hof van oordeel dat door een werknemer, die veel buitenshuis werkt, te verplichten om de maaltijdcheque te gebruiken om een "professionele" maaltijd te kopen en om op die manier zijn maaltijdcheques te gebruiken als onkostenvergoeding men een discriminatie in het leven roept met de werknemers die binnenshuis werken en alzo geen maaltijden moeten aankopen en die hun maaltijdcheques mogen gebruiken om privé maaltijden mee te financieren of om er in het weekend voedingswaren mee aan te kopen. De conclusie is dat een maaltijdcheque geen onkostenvergoeding is, zodat niets de werkgever belet om aan zijn werknemers, die vaak buiten de onderneming werken, een onkostenvergoeding toe te kennen om hiermee maaltijden tijdens de arbeidsdag te financieren. Deze werknemers zijn immers niet verplicht om hun maaltijdcheques voor die aankopen te gebruiken. Het hof stelt vast dat de bedragen van de aan B en W betaalde onkostenvergoedingen voor het nemen van een maaltijd (190 en 370 BEF) door de RSZ niet worden betwist. Het hof is het niet eens met de eerste rechters, die oordeelden dat de vergoeding van 370 BEF of 9,17 euro, die HB betaalde voor het gebruiken van het avondmaal geen terugbetaling van effectief gemaakte kosten kon zijn, vermits deze vergoeding nadien niet meer werd uitbetaald. Het feit dat deze vergoeding later niet meer werd uitbetaald, is an sich geen bewijs dat in de periode dat ze wél werd betaald zij geen terugbetaling was van werkelijk gedane uitgaven. De reden waarom deze vergoeding later niet meer werd uitbetaald, is niet noodzakelijkerwijze te zoeken in het feit dat deze vergoeding geen reële kosten compenseerde. Men kan voor het vergoeden van deze kost andere oplossingen hebben bedacht. Wat de brandstof- en andere kosten betreft, verduidelijkte de gedelegeerde bestuurder van HB dat het een terugbetaling was van tankbeurten die onderweg gebeurden met het voertuig van het bedrijf, tankbeurten die door de betrokken werknemer(s) werden voorgeschoten en van andere kleine kosten die zich op het terrein voordoen, zoals telefoonkosten en de aanschaf van klein materiaal. Door deze uitleg beantwoordt de werkgever aan de medewerking die van hem in het kader van de bewijsvoering kan worden gevraagd (zie hoger). De RSZ verwerpt deze vergoedingen als terugbetaling van kosten omdat de werkgever deze kosten niet bewijst aan de hand van stukken. Deze stellingname druist in tegen het forfaitair karakter van de uitbetaalde vergoedingen (zie hoger). Het hof stelt samen met het openbaar ministerie vast dat het onderzoek door de diensten van de RSZ beperkt was tot een onderzoek op stukken. Op het werkterrein zelf werd geen onderzoek gedaan. De betrokken werknemers werden niet ondervraagd. In tegenstelling met wat de RSZ meent, moet niet de werkgever maar wel hij het bewijs bijbrengen dat de vergoedingen die aan B of WB werden betaald buiten de vergoedingen bestemd voor de maaltijden, geen vergoedingen waren voor uitgaven aan brandstof, telefoon en aanschaf van kleine materialen. Dit bewijs levert de RSZ niet. Het hof is dan ook van oordeel dat de RSZ niet naar recht bewijst dat de onkostenvergoedingen die aan B en WB werden uitbetaald, loon waren in plaats van terugbetaling van werkelijke uitgaven. Het vonnis van 22 september 2005 dient op dit vlak te worden hervormd. Wat de andere werknemers betreft, voor wie de RSZ regularisaties doorvoerde, is het hof het eens met de beoordeling door het openbaar ministerie onder punt 4.4.2 op blz. 12, 13 en 14 van het schriftelijke advies. De verklaring die de gedelegeerde bestuurder aflegde op 9 oktober 2001 en de stukken die door HB werden afgegeven aan de inspectiediensten (zie de bijlagen bij het onderzoeksverslag van 4 april 2001 - stuk 10 van de RSZ) concretiseren de medewerking die in het kader van een geschil als dit van de werkgever kan worden verwacht in het kader van de bewijsvoering. Dat betekent dat de RSZ aan zet is om te bewijzen dat de betaalde vergoedingen niet correspondeerden met de uitgaven die de werkgever opsomt als zijnde door hem te vergoeden. De RSZ deed geen enkel onderzoek naar de realiteit van deze uitgaven, maar beperkte zich tot het verwerpen ervan bij gebreke aan de nodige stavingstukken. Zoals hogerop in dit arrest al werd aangegeven staat een dergelijke stellingname haaks op het gebruik van een systeem waarbij de kosten ten laste van de werkgever op forfaitaire wijze worden terugbetaald aan de werknemers. De RSZ brengt niet het vereiste bewijs bij dat deze vergoedingen in concreto geen tegenhanger zijn van uitgaven maar wel (verdoken) loon uitmaken. Het hof sluit zich dan ook aan bij de conclusie van het openbaar ministerie dat de vorderingen van de RSZ, bij zoverre zij betrekking hebben op regularisatiebijdragen met aankleven wegens het geheel of gedeeltelijk aanmerken van onkostenvergoedingen als loon, in zijn geheel moeten afgewezen worden. Aldus is de vordering, uitgedrukt in de eerste dagvaarding van 3 oktober 2002, ongegrond. Het vonnis van de eerste rechters dient te worden hervormd op dit punt. * * * De annulering van de bijdrageverminderingen die HB toepaste voor haar werknemers DC en DVD-in het kader van het plus één en het plus twee plan. Onder punt 4.3 op blz. 9 van zijn advies wijst het openbaar ministerie er op dat HB het nooit in vraag stelde dat zij de bedragen die van haar werden geëist in de dagvaarding van 10 december 2003 verschuldigd was. Het openbaar ministerie stelt daarom voor de vordering uit deze dagvaarding gegrond te verklaren en om het vonnis van de eerste rechters op dit punt te hervormen. In haar repliekconclusies van 6 september 2007 geeft HB aan dat zij helemaal niet akkoord gaat met de annulering door de RSZ van de bijdrageverminderingen die zij toepaste voor haar werknemers DC en DVD. Zij wil thans het debat ten gronde voeren en zij breidt zelfs in deze repliekconclusies het voorwerp van haar incidenteel beroep uit. Het feit dat deze repliekconclusies laattijdig zijn, doet geen afbreuk aan het openbare orde karakter van de materie RSZ. Het hof moet ambtshalve de zaak nabij onderzoeken. Vanzelfsprekend overschrijden deze argumentatie en deze eisuitbreiding de grenzen van repliekconclusies. Zij leveren nieuw materiaal aan in het kader van het debat ten gronde. Het hof wenst de rechten van verdediging te respecteren en heropent de debatten teneinde de partijen toe te laten de zaak op dit punt beter in staat te stellen. Het voorwerp van de overige dagvaardingen. Onder punt 4.2 van zijn advies geeft het openbaar ministerie aan waaruit het voorwerp van deze dagvaardingen precies bestaat en waarom de bedragen die daarin worden gevorderd verschuldigd zijn. Tevens verwijst het openbaar ministerie, terecht overigens, naar de beoordeling door de eerste rechters, wat betreft de vraag tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de bijdrageopslagen en de intresten. In haar repliekconclusies van 6 september 2007 gedraagt HB zich wat dit onderdeel van de vorderingen betreft, naar de wijsheid van het hof. Dit beduidt dat HB inziet dat de stellingname van het openbaar ministerie correct is en dat zij geen verdediging ten gronde meer wenst te voeren. Het hof is van oordeel uit de gegevens van het dossier blijkt dat de vorderingen in de bedoelde dagvaardingen ingesteld, correct zijn. Door de devolutieve werking van het hogere beroep, trekt het hof de zaak naar zich toe en verklaart de vorderingen ingesteld in de bedoelde dagvaardingen ontvankelijk en gegrond. De kosten Omdat over één onderdeel van de verschillende vorderingen, namelijk het onderdeel voorwerp van de dagvaarding van 10 december 2003 nog geen eindbeslissing werd genomen, houdt het hof de uitspraak over de vereffening van de kosten aan. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, in zijn grotendeels gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 22 juni
  12. Eiser in hoger beroep repliceerde met conclusies neergelegd op de griffie van dit hof op 6 juli 2007 en ontvangen op de griffie van dit hof op 11 oktober
  13. Verweerder in hoger beroep repliceerde met conclusies neergelegd op de griffie van dit hof op 6 september
  14. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk en reeds gegrond in de volgende mate: Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 22 september 2005, behalve bij zoverre het de vraag tot kwijtschelding dan wel vermindering te bekomen van de bijdrageopslagen en de intresten onontvankelijk verklaarde. Opnieuw wijzende verklaart de vordering van de RSZ, ingesteld bij dagvaarding van 3 oktober 2002 ontvankelijk doch ongegrond. Wijst hem derhalve af van zijn vraag om HB te veroordelen om aan hem te betalen het bedrag van 19.506,81 euro, meer de intresten op een bedrag van 15.983,40 euro vanaf 8 augustus
  15. Verklaart de vorderingen ingesteld bij de dagvaardingen van 6 januari 2003, 19 maart 2003, 16 mei 2003, 5 november 2003, 12 mei 2004, 23 juli 2004, 23 september 2004, 6 januari 2005 en 5 april 2005 ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt dienvolgens de nv HMB om aan de RSZ te betalen de som van: - 34.546,45 euro (VIERENDERTIGDUIZEND VIJFHONDERD-ZESENVEERTIG EURO EN VIJFENVEERTIG EUROCENT) - 7.280,90 euro (ZEVENDUIZEND TWEEHONDERDTACHTIG EURO EN NEGENTIG EUROCENT) - 9.262,11 euro (NEGENDUIZEND TWEEHONDERDTWEEEN-ZESTIG EURO EN ELF EUROCENT) - 3.353,61 euro (DRIEDUIZEND DRIEHONDERDDRIEENVIJFTIG EURO EN EENENZESTIG EUROCENT) - 21.212,03 euro (EENENTWINTIGDUIZEND TWEEHONDERD EN TWAALF EURO EN DRIE EUROCENT) - 11.265,71 euro (ELFDUIZEND TWEEHONDERDVIJFENZESTIG EURO EN EENENZEVENTIG EUROCENT) - 8.101,80 euro (ACHTDUIZEND HONDERD EN EEN EURO EN TACHTIG EUROCENT) - 9.486,00 euro (NEGENDUIZEND VIERHONDERD ZESENTACHTIG EURO) - 7.651,80 euro (ZEVENDUIZEND ZESHONDERD EENENVIJFTIG EURO EN TACHTIG CENT) Wijst het meer gevorderde in deze 9 dagvaardingen af als ongegrond, met voorbehoud voor de kosten. Alvorens verder recht te doen ten gronde, beveelt de heropening der debatten teneinde partijen toe te laten te besluiten omtrent de hoger gestelde punten. Stelt de zaak na heropening der debatten vast voor pleidooien op de openbare terechtzitting van deze kamer op 25 januari 2008, om 9.30 uur. Verdaagt de uitspraak over de vereffening van de kosten. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van twaalf oktober tweeduizend en zeven, die samengesteld was uit: de heer x, raadsheer, voorzitter van de kamer, mevrouw x, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer x, raadsheer in sociale zaken als werknemer, mevrouw x, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071012.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.