id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071023.3 Rolnummer: 2006-0675 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-12-10 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 16:12 Fiche De therapeutische maatsteunkousen die de betrokkene draagt wegens het syndroom KLIPPEL-TRENAUNAY moeten beschouwd worden als een uitzonderlijke geneeskundige verstrekking in de zin van artikel 25, § 2 van de Gecoördineerde Wet van 14 juli 1994 en geeft recht op een vergoeding via het Bijzonder Solidariteitsfonds. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Verzekering geneeskundige verzorging Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - ziekte- en invaliditeitsverzekering - bijzonder solidariteitsfonds - tussenkomst in de aankoop van therapeutische maatsteunkousen - VII DN Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 25, § 2 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2060675 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIEËNTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDI-TEITSVERZEKERING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. P. NEEFS, advocaat te 2800 Mechelen, tegen:
- S. C., eerste geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door,
- LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALI-TEITEN, met zetel gevestigd te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579, postbus 40, tweede geïntimeerde, op de zitting niet verschenen noch vertegenwoordigd. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, heeft na beraadslaging het volgend arrest uitgesproken.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennisgenomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 10 januari 2007 en 25 september 2007; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak t.o.v. appellant en eerste geïntimeerde en bij verstek t.o.v. tweede geïntimeerde gewezen tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 16 juni 2005 (A.R. 85.850), waarbij een geneesheerdeskundige werd aangesteld; - het deskundig verslag van Dr. R. M., neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 24 mei 2006; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak t.o.v. appellant en eerste geïntimeerde en bij verstek t.o.v. tweede geïntimeerde gewezen eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 12 oktober 2006 (A.R. 85.850); - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 20 november 2006; - de conclusies voor appellant, ontvangen op griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 26 januari 2007; - de conclusies voor eerste geïntimeerde, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 8 maart 2007; - de gerechtsbrief overeenkomstig artikel 803 van het Gerechtelijk Wetboek, aan tweede geïntimeerde verzonden op 9 maart 2007 met kennisgeving van rechtsdag op 25 september 2007; - de volmacht gegeven door S. C. aan haar moeder N. G. om in haar naam te spreken voor het arbeidshof te Antwerpen, neergelegd op de openbare terechtzitting van 25 september
- Het arbeidshof heeft kennis genomen van het administratief dossier van het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering (stuk 4 dossier arbeidsauditoraat Mechelen), het administratief dossier van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (stuk 7 dossier arbeidsauditoraat Mechelen), het schrijven van 23.3.2005 + medische verslagen van N.G. (stuk 8 en 9 dossier arbeidsauditoraat Mechelen) en de bundel van de raadsman van appellant bestaande uit een afschrift van het arrest van het arbeidshof te Gent van 1.9.
- Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van appellant en eerste geïntimeerde gehoord op de openbare terechtzitting van 25 september 2007, zitting waarop tweede geïntimeerde niet verschijnt, noch iemand voor hem, en de zaak t.o.v. deze partij wordt gepleit overeenkomstig artikel 804, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op maandag 20 november 2006, tekende het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen en uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 12 oktober
- Overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen met gerechtsbrief van 18 oktober
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging S.C. diende op 14 juli 2004 via de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten een aanvraag in bij het Bijzonder Solidariteitsfonds teneinde een tegemoetkoming te bekomen in de kosten van 'steunkousen'. De verstrekking werd verricht op 4 juni 2003, 13 juni 2003 en 11 februari 2004 en de kostprijs van deze geneeskundige verstrekking bedroeg 300,62 euro. Het college van geneesheren-directeurs heeft tijdens zijn vergadering van 28 juli 2004 een ongunstige beslissing genomen op basis van volgende motivering: "(...) De weigering tot tegemoetkoming (genomen op basis van de overgemaakte elementen) is verantwoord omdat niet is voldaan aan de volgende criteria: Het gaat niet om een uitzonderlijke geneeskundige verstrekking.(...)." Met schrijven van 11 augustus 2004 van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering werd de ongunstige beslissing van het College van geneesheren-directeurs meegedeeld aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten. Met schrijven van 19 augustus 2004 heeft de Christelijke Mutualiteit Mechelen de ongunstige beslissing van het College van geneesheren-directeurs ter kennis gebracht aan S.C.. Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 1 september 2004 en ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 2 september 2004, tekende N.G., optredend in naam van haar dochter S.C., verhaal aan tegen de beslissing van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering van 11 augustus
- Bij tussenvonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 16 juni 2005 werd alvorens recht te doen, dokter R. M. als geneesheerdeskundige aangesteld, met als opdracht S.C. te onderzoeken en zijn advies te geven over de vraag of de therapeutische maatsteunkousen wegens het syndroom van Klippel-Trenaunay, verstrekking verricht tijdens de periode van 4 juni 2003 tot 11 februari 2004, voor S.C. een uitzonderlijke geneeskundige verstrekking uitmaakt zoals bedoeld in artikel 25, §2 van de gecoördineerde wet van 14 juli
- In een deskundig medisch verslag, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 24 mei 2006, formuleert Dr. R. M. volgend besluit (stuk 17, dossier rechtspleging arbeidsrechtbank Mechelen): "De therapeutische maatsteunkousen wegens het syndroom van Klippel-Trenaunay, verstrekking verricht tijdens de periode 4.6.2003 tot 11.2.2004, vormen voor eiseres een uitzonderlijke geneeskundige verstrekking, zoals bedoeld in artikel 25, §2 van de gecoördineerde wet van 14.7.1994." Bij eindvonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank Mechelen van 12 oktober 2006 werd : - de vordering van S.C. ontvankelijk en gegrond verklaard; - de beslissing van het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeits-verzekering van 11 augustus 2004 vernietigd; - voor recht gezegd dat de therapeutische maatsteunkousen wegens het syndroom van Klippel-Trenaunay, verstrekking verricht tijdens de periode van 4 juni 2003 tot 11 februari 2004, voor S.C. een uitzonderlijke geneeskundige verstrekking uitmaakt, zoals bedoeld in artikel 25, §2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994; - voor recht gezegd dat de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten gehouden is aan S. C. de wettelijke tegemoetkomingen uit te keren, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten; - het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering verwezen in de kosten van het geding, aan de zijde van S. C. begroot op nul euro; het ereloon en de kosten van de deskundige werden begroot op de minuut van het deskundig verslag op 14 september 2006 (417,82 euro). Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 20 november 2006, tekende het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen.
- Eisen in hoger beroep Het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis waartegen beroep te hervormen en, opnieuw recht doende: * de oorspronkelijke vordering, uitgaande van S. C., ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; * de bestreden beslissing van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering te herbevestigen; - over de kosten te oordelen als naar recht. S. C. (eerste geïntimeerde) vordert de bevestiging van het vonnis. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (tweede geïntimeerde) verschijnt niet ter zitting van 25 september 2007 en heeft ook geen conclusies genomen.
- Ten gronde Overeenkomstig artikel 25, §2 van de Gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen - zoals van toepassing op datum van de bestreden administratieve beslissing - verleent het College van geneesheren-directeurs aan de in artikel 32 en 33 bedoelde rechthebbenden, binnen de perken van de vastgestelde financiële middelen, tegemoetkomingen in de kosten van de uitzonderlijke geneeskundige verstrekkingen die niet zijn opgenomen in de nomenclatuur bedoeld in artikel 35, §1, met inbegrip van de farmaceutische producten die niet in aanmerking komen voor vergoeding krachtens de reglementaire bepalingen betreffende de vergoeding van de farmaceutische verstrekkingen, en die voldoen aan de volgende voorwaarden: a) duur zijn; b) betrekking hebben op een zeldzame aandoening die de vitale functies van de rechthebbende aantast; c) beantwoorden aan een indicatie die voor de rechthebbende op medisch-sociaal vlak absoluut is; d) een wetenschappelijke waarde en doeltreffendheid bezitten die door de gezaghebbende medische instanties in ruime mate worden erkend; e) het experimenteel stadium voorbij zijn; f) voorgeschreven zijn door een geneesheer die gespecialiseerd is in de behandeling van de betreffende aandoening en toestemming heeft om in België de geneeskunde uit te oefenen. S. C. heeft bij het College van geneesheren-directeurs, op grond van voornoemd artikel 25, §2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, een aanvraag ingediend teneinde via het Bijzonder Solidariteitsfonds een tegemoetkoming te bekomen in de kosten van maatsteunkousen ter behandeling van het syndroom Klippel-Trenaunay. Gelet op de ongunstige beslissing van het College van geneesheren-directeurs is de betwisting tussen partijen beperkt tot de vraag of de geneeskundige verstrekking waarvoor in huidig zaak een tegemoetkoming wordt gevraagd al dan niet een 'uitzonderlijke geneeskundige verstrekking' uitmaakt. Met betrekking tot het begrip 'uitzonderlijke geneeskundige verstrekking' overwoog het Hof van Cassatie "dat verstrekkingen die niet uitzonderlijk zijn, maar gewone verstrekkingen, ook al worden zij verstrekt voor complexe toestanden, niet voor tegemoetkoming door het Bijzonder Solidariteitsfonds in aanmerking komen" (Cass., 6 september 2004, www.juridat.be). In huidig geschil heeft de arbeidsrechtbank een gerechtsdeskundige aangesteld met opdracht te onderzoeken of de therapeutische maatsteunkousen wegens het syndroom Klippel-Trenaunay een 'uitzonderlijke geneeskundige verstrekking' is. Uit het deskundig verslag blijkt dat S. C. lijdt aan een congenitaal syndroom beschreven onder de naam Klippel-Trenaunay-Weber. Het betreft een neurovasculaire aandoening. In het kader van deze aandoening onderging mevrouw C. reeds een heelkundige ingreep ter behandeling van de secundaire torsiescoliose. Sedert de leeftijd van 13 jaar is zij aangewezen op een speciale drukkledij ter behandeling van de zwelling van ondermeer de onderste ledematen. Verwijzend naar een verslag van Dr. M. F. van 26 mei 2005 beschrijft de gerechtsdeskundige de gevraagde verstrekking als volgt: "De aandacht wordt getrokken op het feit dat het niet gaat om gewone steunkousen, doch wel om therapeutische elastische kousen die aan bepaalde uitzonderlijke voorwaarden dienen te voldoen. Het gaat om een maatpak drukkledij met twee beenkousen en een bermudapak. Dit alles dient op maat gemaakt te worden omwille van de asymmetrie en de buitenmaatse afwijkingen. Verder moet het uitgevoerd worden in een vlakbreiwerk. Dit wordt gemotiveerd door het feit dat volgens de wetenschappelijke literatuur deze vorm van breitechniek vereist is om de afwijkende variceuze venen op een medisch effectieve wijze te vernauwen of samen te drukken. Dergelijk vlakbreiwerk heeft een hoge stijfheid en bereikt een hogere piekdrukwaarde hetgeen nodig is bij zitten, staan of bewegen naast lagere meer comfortabele rustdrukwaarden." Uit voormelde beschrijving blijkt duidelijk dat de gevraagde verstrekking geen gewone steunkous betreft maar wel een maatpak drukkledij met twee beenkousen en een bermudapak; dit maatwerk therapeutische drukkledij (benen, bekkenregio) vereist specifieke expertise vanwege de voorschrijver, vanwege de bandagist-opmeter en ook van de kousenfabrikant (stuk 9 dossier arbeidsauditoraat Mechelen: medisch verslag dokter M. F.). Het advies van de gerechtsdeskundige dat de gevraagde verstrekking wel degelijk beantwoordt aan het begrip 'uitzonderlijke geneeskundige verstrekking' kan dienvolgens onderschreven worden zodat de arbeidsrechtbank Mechelen in het bestreden vonnis van 12 oktober 2006 terecht de beslissing van 28 juli 2004 van het college van geneesheren-directeurs heeft vernietigd. Uit het bepaalde van artikel 25, §1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 blijkt dat het College van geneesheren-directeurs, binnen de perken van de door de Minister per kalenderjaar vastgestelde middelen, hetzij op discretionaire wijze, het bedrag van de tegemoetkoming vaststelt. Aldus mag de rechter zich niet in de plaats stellen van het College om het bedrag van de tegemoetkoming te bepalen. Het College dient in alle redelijkheid het bedrag te bepalen van de tegemoetkoming in de kosten van de steunkousen over de periode 4 juni 2003 tot en met 11 februari 2004, met inachtneming van de beschikbare financiële middelen. Het hoger beroep is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 25 september
- De aanwezige partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben over het advies. Doet uitspraak op tegenspraak t.o.v. appellant en eerste geïntimeerde en bij verstek t.o.v. tweede geïntimeerde. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis gewezen en uitgesproken op 12 oktober 2006 in de openbare zitting van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen (A.R. 85.850). Verwijst appellant, het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. De kosten worden door geen der partijen begroot en derhalve door het hof niet vereffend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op drieëntwintig oktober tweeduizend en zeven door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, J. DE GRAEF, raadsheer in sociale zaken als werkgever, H. DESMET, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071023.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div