← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071023.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071023.4 Rolnummer: 2004-0553 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-12-10 Raadplegingen: 163 - laatst gezien 2026-07-02 16:12 Fiches 1 - 2 Jongeren die tijdens de duur van de deeltijdse leerplicht toegelaten worden tot het recht op overbruggingsuitkeringen of jongere werknemers die voldoen aan de voorwaarden van artikel 36 van het K.B. van 25 november 1991, ressorteren niet onder het begrip 'werknemers in gecontroleerde werkloosheid'. Aangezien de betrokkene als min 25-jarige en genieter van hogergenoemde uitkeringen de hoedanigheid van 'persoon ten laste' in de algemene regeling behield en dus niet was gehouden om een inschrijving of aansluiting in de hoedanigheid van 'gerechtigde' in te dienen bij een verzekeringsinstelling. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toelaatbaarheidsvoorwaarden Vrije woorden: Arbeidsvoorziening - werkloosheid - toelaatbaarheidsvoorwaarden - studies en leertijd - ziekteverzekering - genieter van overbruggings- en wachtuitkeringen - persoon ten laste - V A N Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 36 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder V A N - artikel 36 en onder VII DN - artikel 32, lid 1, 3° UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Verzekering geneeskundige verzorging - Algemeen Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - ziekte- en invaliditeitsverzekering - genieter van overbruggings- en wachtuitkeringen - persoon ten laste - VII DN Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 32, lid 1, 3° - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Koninklijk Besluit - 03-07-1996 - 246 - 37 ELI link Pub nr 1996022344 Nota: Gerangschikt onder V A N - artikel 36 en onder VII DN _ artikel 32, lid 1, 3° Annotaties Publicaties: SRK 2009 - nr. 4 - - blz. 229 - blz. 231 Tekst van de beslissing A.R. 2040553 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIEËNTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: E.M., appellante op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, op de zitting vertegenwoordigd door mr. C. BORMS, advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: LANDSBOND VAN LIBERALE MUTUALITEITEN, met zetel gevestigd te 1050 Brussel, Livornostraat 25, geïntimeerde op hoofdberoep, appellant op incidenteel beroep, op de zitting vertegenwoordigd door mr. J. DUYM, advocaat te 2018 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit. 1. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: * het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 8 september 2004, 25 januari 2005, 27 februari 2007, 12 juni 2007, 26 juni 2007 en 11 september 2007; * het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 22 juni 2004 (A.R. 349.872); * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 22 juli 2004; * de 'conclusie' voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 9 december 2004; * de 'conclusies' voor appellante, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 24 januari 2005; * de 'aanvullende tevens hernemende conclusie' voor appellante, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 7 november 2005; * het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 11 september 2007 en waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 11 september 2007; * de 'conclusie na advies van het openbaar ministerie' voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 21 september 2007. Het arbeidshof heeft kennis genomen van het administratief dossier van de Landsbond van Liberale Mutualiteiten (stuk 4 en 6 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen), het schrijven van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van 20 februari 2006 (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen), de bundel van de raadsman van E.M. bestaande uit een getuigschrift voor verstrekte hulp d.d. 16.12.2003 en de bundel van de raadsman van de Landsbond van Liberale Mutualiteiten bestaande uit 14 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord op de openbare terechtzitting van 12 juni en 26 juni 2007. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 11 september 2007 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen. 2. Ontvankelijkheid van het hoger beroep en het incidenteel beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 22 juli 2004 tekende E.M. hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 22 juni 2004 (A.R. 349.872). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 25 juni 2004. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. Met conclusies neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 9 december 2004 stelt de Landsbond van Liberale Mutualiteiten incidenteel beroep in tegen het vonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 22 juni 2004. Dit incidenteel beroep is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. 3. Feiten en voorgaande rechtspleging E.M., geboren te Ekeren op 27 september 1983, volgde vanaf 16-jarige leeftijd deeltijds beroepssecundair onderwijs, niveau derde graad (hoefsmid) in het Koninklijk Atheneum van het gemeenschapsonderwijs te Schaarbeek-Evere. In het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen stond zij als "persoon ten laste" ingeschreven bij Marc Scheiris (stiefvader). E.M. werd vanaf 31 maart 2000 tot het recht op overbruggingsuitkeringen toegelaten en vanaf 1 juli 2002 tot het recht op wachtuitkeringen. Na ontvangst van de bijdragebons op naam van E.M. voor het jaar 2000 verwittigt de Liberale Mutualiteit Provincie Antwerpen de betrokkene dat zij niet langer als persoon ten laste kan ingeschreven blijven en zelf als titularis dient aangesloten te worden in het stelsel van "Algemene Regeling" met de hoedanigheid van loontrekkende (werkloos) (zie stukken 2, 8a en 9 bundel appellante). Na ontvangst van de bijdragebons op naam van E.M. voor het jaar 2001 heeft de Liberale Mutualiteiten op 20 september 2002 een aangetekend schrijven verzonden aan betrokkene met volgende inhoud (stuk 19 bundel appellante): "Betreft : Bijdragebons 2000 en 2001. Via de kruispuntbank hebben wij bijdragebons voor de jaren 2000 en 2001 ontvangen. Hieruit blijkt dat u niet langer als persoon ten laste kan ingeschreven blijven maar dat u zelf als titularis moet aangesloten worden volgens de Belgische wetgeving en dit vanaf 1 januari 2000. Na herhaaldelijk aandringen via verschillende brieven én telefoonge- sprekken is tot op heden het dossier nog steeds niet in regel gesteld, zodat wij ons genoodzaakt zien om een regularisatie door te voeren. Dit wil zeggen, dat u met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2000, niet meer als persoon ten laste ingeschreven staat bij S. M. Omdat de wetgeving u een "behoud van recht" toekent voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000, zijn uw rechten op gezondheidszorgen vervallen vanaf 1 januari 2001. Bij nazicht blijkt dat u reeds verschillende gezondheidszorgen genoten heeft in het jaar 2001 én 2002, zodat wij verplicht zijn deze terug te vorderen. Wij verzekeren u tevens om uw SIS-kaart dringend te laten aanpassen en uw kleefzegels niet meer te gebruiken. Mocht u echter het bijgevoegde inschrijvingsformulier, binnen de termijn van 14 dagen, ingevuld en ondertekend teruggezonden hebben aan onze dienst "verzekerbaarheid" zullen voorvermelde maatregelen niet meer genomen worden." Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 1 oktober 2002, tekende E.M. verhaal aan tegen voormelde beslissing van de Liberale Mutualiteit Provincie Antwerpen. Bij besluiten, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 28 mei 2004, vordert de Landsbond van Liberale Mutualiteiten bij tegeneis E.M. te veroordelen tot betaling van de schadevergoeding ten bedrage van 1.000 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 30 september 2002 en met de gerechtelijke intresten, wegens tergend en roekeloos geding. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 22 juni 2004 werd zowel de hoofdvordering als de tegenvordering ontvankelijk, doch ongegrond verklaard; de Landsbond van Liberale Mutualiteiten werd in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek veroordeeld tot de kosten van het geding. Met verzoekschrift van 21 juli 2004, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 22 juli 2004, tekent E.M. hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen. Met beroepsbesluiten, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 9 december 2004, tekent de Landsbond van Liberale Mutualiteiten incidenteel beroep aan. 4. Eisen in hoger beroep E.M. (appellante) vordert: - het hoofdberoep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens te zeggen voor recht dat de Landsbond van Liberale Mutualiteiten haar ten onrechte vervallen heeft verklaard van haar rechten op tussenkomsten voor geneeskundige verzorging overeenkomstig de Ziekteverzekeringswet en haar uitvoeringsbesluiten; - de Landsbond van Liberale Mutualiteiten eveneens te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding tot beloop van 13,73 euro, te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert 16 december 2003; - de Landsbond van Liberale Mutualiteiten te veroordelen tot de kosten van het geding, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen, aan de zijde van E.M. begroot op 69,89 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 46,62 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; - het incidenteel beroep van de Landsbond van Liberale Mutualiteiten ongegrond te verklaren; Landsbond van Liberale Mutualiteiten (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ongegrond te verklaren; - het incidenteel beroep gegrond te verklaren; - de vordering van geïntimeerde tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep gegrond te verklaren; - het bestreden vonnis te bevestigen, mits de enkele wijziging dat appellante veroordeeld wordt om aan geïntimeerde voor schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen te betalen de som van 1.000 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 30 september 2002 en met de gerechtelijke intresten; - E.M. te veroordelen tot betaling van een schadeveroeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep ten belope van 1.000 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 22 juli 2004 en met de gerechtelijke intresten; - E.M. te veroordelen tot de kosten van beide instanties, begroot aan de zijde van de Landsbond van Liberale Mutualiteiten op 2056,25 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 279,60 euro rechtsplegings-vergoeding hoger beroep. 5. Ten gronde 5.1. Hoofdberoep 5.1.1. Hoedanigheid van persoon ten laste De hoedanigheid van persoon ten laste van een gerechtigde of van een werknemer wordt toegewezen aan de personen en onder de voorwaarden bepaald in artikel 123 en in de artikelen 124, 125 en 127 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Als persoon ten laste wordt beschouwd de hierna opgesomde kinderen, jonger dan 25 jaar:

  1. a)de kinderen en geadopteerde kinderen van de gerechtigde en zij in wier geboorteakte diens naam is vermeld;
  2. b)de kinderen en geadopteerde kinderen van de echtgenoot of echtgenote van de gerechtigde en zij in wier geboorteakte de naam van deze echtge- noot of echtgenote is vermeld, wanneer de echtgenoot of echtgenote voor hun onderhoud in staat;
  3. c)de kinderen en geadopteerde kinderen van de persoon ten laste van de gerechtigde (bedoeld in punt 2° of 4°) en zij in wier geboorteakte de naam van deze persoon is vermeld, wanneer deze persoon voor hun onderhoud instaat;
  4. d)de kleinkinderen en achterkleinkinderen van de gerechtigde, van zijn of haar echtgenote of echtgenoot, van de persoon met wie hij of zij samenwoont of van zijn of haar ascendent bedoeld in punt 4°, wanneer deze gerechtigde voor het onderhoud van deze kinderen instaat;
  5. e)de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van de echtgenoot of echtgenote van de gerechtigde of die van de persoon met wie hij of zij samenwoont of van zijn of haar ascendent bedoeld in punt 4°, voor wier onderhoud deze gerechtigde instaat na het overlijden van deze echtgenoot of echtgenote of van deze persoon;
  6. f)de kinderen die hun hoofdverblijfplaats hebben in België en die niet bedoeld zijn in punten
  7. a)tot en met e), wier gerechtigde, zijn of haar echtgenote of echtgenoot, de persoon met wie hij of zij samenwoont of zijn of haar ascendent bedoeld in punt 4° voor het onderhoud instaat in de plaats van de vader, de moeder of gelijk welke andere persoon die normaal deze taak op zich moet nemen. (artikel 123, 3 koninklijk besluit van 3 juli 1996) Overeenkomstig artikel 124, §1 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 kan evenwel niet als persoon ten laste worden beschouwd: 1° de persoon die beschikt over een beroeps- of vervangingsinkomen, voor zover het totaal brutobedrag ervan over een kalenderkwartaal hoger is dan drie maal het in aanmerking te nemen maandelijks maximumbedrag (namelijk 23.704 BEF (587,61 euro) bruto per maand, bedrag op 1 juni 1999). Van deze uitsluiting wordt evenwel afgeweken ten voordele van de kinderen ten laste; 2° de persoon die de hoedanigheid van gerechtigde heeft en die zonder betaling van een persoonlijke bijdrage aanspraak kan maken op geneeskundige verstrekkingen (behalve uitzonderingen); 3° de persoon die aanspraak kan maken op geneeskundige verstrekkingen krachtens zijn tewerkstelling in een nationale, internationale of supranationale publiekrechtelijke instelling die zelf een verzekerings-regeling voor geneeskundige verzorging en uitkeringen organiseert waarbij haar personeel verplicht is aangesloten; 4° het kind dat de hoedanigheid van persoon ten laste heeft en dat een zelfstandige activiteit aanvat waarvoor bijdragen verschuldigd zijn. Uit de niet betwiste feitelijke gegevens blijkt dat appellante, geboren op 27 september 1983, als persoon ten laste ingeschreven was bij M.S. (stiefvader) op basis van artikel 123, 3 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996. Zij volgde vanaf de leeftijd van 16 jaar deeltijds middelbaar beroepsonderwijs en genoot vanaf 31 maart 2000 overbruggingsuitkeringen (in toepassing van artikel 35 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering) en vanaf 1 januari 2002 wachtuitkeringen (in toepassing van artikel 36 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering). De hoegrootheid van de door appellante ontvangen uitkeringen, die schommelde tussen minimum 7,24 euro (maart 2000) en maximum 307 euro (juni 2002), is zonder invloed op het statuut van appellante als persoon ten laste aangezien van de in artikel 124, §1, 1° opgesomde uitsluiting wordt afgeweken ten voordele van de kinderen jonger dan 25 jaar. Evenmin heeft appellante de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° tot 16° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994. Appellante is immers geen 'werknemer in gecontroleerde werkloosheid'. Artikel 246 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 geeft een limitatieve opsomming van de gevallen van gecontroleerde werkloosheid bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994. Personen die een overbruggingsuitkering of wachtuitkering genieten komen in deze lijst niet voor. De tekst van voornoemd artikel 246 is in zijn opsomming zo gedetailleerd opgesteld, dat er geen ruimte is voor interpretatie of uitbreiding naar andere categorieën. Jongeren die tijdens de duur van de deeltijdse leerplicht toegelaten worden tot het recht op overbruggingsuitkeringen of jongere werknemers die voldoen aan de voorwaarden van artikel 36 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (wachtuitkeringen) ressorteren dienvolgens niet onder het begrip 'werknemers in gecontroleerde werkloosheid'. Hieruit volgt dat appellante, die op datum van ontvangst van de overbruggings- en wachtuitkeringen de leeftijd van 25 jaar nog niet had bereikt, de hoedanigheid van 'persoon ten laste' in de algemene regeling behield en geenszins vanaf 1 januari 2000 een inschrijving of aansluiting in de hoedanigheid van 'gerechtigde' moest indienen bij een verzekeringsinstelling. De beslissing van geïntimeerde, ter kennis gebracht met aangetekend schrijven van 20 september 2002, dient vernietigd te worden zodat het hoger beroep, wat dit onderdeel betreft, gegrond is. 5.1.2. Schadevergoeding Appellante breidt in graad van hoger beroep haar vordering uit en vordert geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding ten bedrage van 13,73 euro te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert 16 december 2003. De uitbreiding van een vordering, zoals in artikel 807 Gerechtelijk Wetboek bepaald, is eveneens, krachtens artikel 1042 Gerechtelijk Wetboek in hoger beroep toegelaten (Cass. 4 maart 1988, Arr. Cass.1987-1988, 874). Appellante blijft in gebreke te bewijzen dat zij tijdig, dit wil zeggen binnen de verjaringstermijn van artikel 174, eerste lid, 3° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, het getuigschrift voor verstrekte hulp opgesteld door dokter L. VdE. op 16 december 2003, heeft overgemaakt aan haar ziekenfonds en dat geïntimeerde de terugbetaling van deze gezondheidsprestatie heeft geweigerd. Bij gebreke aan bewijs van schade of minstens het oorzakelijk verband tussen fout en schade, dient de vordering tot schadevergoeding te worden afgewezen. 5.2. Incidenteel beroep Gelet op de vernietiging van de bestreden administratieve beslissing van 20 september 2002 dient het bestreden vonnis, waarbij de tegenvordering van geïntimeerde tot het bekomen van een schadevergoeding van 1.000 euro wegens tergend en roekeloos geding ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard, te worden bevestigd. Het incidenteel beroep is ongegrond. 5.3. Vordering tot schadevergoeding wegens tergend of roekeloos hoger beroep (artikel 1072bis Gerechtelijk Wetboek) Gelet op de gegrondheid van het hoofdberoep is de vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 1072bis Gerechtelijk Wetboek ongegrond. 5.4. Met betrekking tot de gedingkosten Appellante vordert geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, aan haar zijde begroot op 69,89 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 46,62 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aangezien de door appellante initieel ingestelde eis betrekking heeft op de erkenning van haar hoedanigheid van persoon ten laste kan zij aanspraak maken op de vaste rechtsplegingsvergoeding zoals vastgesteld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 30 november 1970. De vaste rechtsplegingsvergoeding voor de onderscheidene materiële hande-lingen verricht in het kader van de rechtspleging voor het arbeidshof is vastgesteld op 145,76 euro (artikel 2 van het koninklijk besluit van 30 november 1970). Wat de gevorderde rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg betreft, stelt het hof vast dat appellante op de terechtzitting van 30 maart 2004 en 1 juni 2004 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen persoonlijk is verschenen en niet werd bijgestaan door een raadsman, zodat geen rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg kan toegekend worden. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 11 september 2007. De Landsbond van Liberale Mutualiteiten heeft op 21 september 2007 schriftelijk gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis uitgesproken op 22 juni 2004 in de openbare zitting van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 349.872) in zoverre de hoofdvordering ongegrond werd verklaard. Verklaart de initiële hoofdvordering van E.M. gegrond en vernietigt dienvolgens de beslissing van de Liberale Mutualiteit Provincie Antwerpen van 20 september 2002. Zegt voor recht dat E.M., in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, per 1 januari 2000 de hoedanigheid van 'persoon ten laste' behoudt en in deze hoedanigheid aanspraak kan maken op prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging in zoverre voldaan is aan alle andere wettelijke toekenningsvoorwaarden. Verklaart de eisuitbreiding van E.M. in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt voor het overige het bestreden vonnis uitgesproken op 22 juni 2004 in de openbare zitting van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 349.872). Verklaart de vordering tot schadevergoeding wegens tergend of roekeloos hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verwijst de Landsbond van Liberale Mutualiteiten, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van E.M. op 145,76 euro rechtsplegingsvergoeding. Aan de zijde van de Landsbond van Liberale Mutualiteiten worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op drieëntwintig oktober tweeduizend en zeven door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, W. BOGAERT, raadsheer in sociale zaken als werkgever, F. CONVENS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071023.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.