← België

ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071029.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 29 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071029.5 Rolnummer: 2006-0186 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-12-04 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 16:14 Fiches 1 - 3 Het hoger beroep ingesteld na de sluiting van de vereffening van een naamloze vennootschap tegen een veroordelend vonnis geveld voor de sluiting van die vereffening, is niet ontvankelijk. Door vrijwillig de vereffening te sluiten, ontzegt de vennootschap zichzelf het recht om nog hoger beroep in te stellen tegen dit veroordelend vonnis. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Algemeen Vrije woorden: rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - vennootschap - vereffening - sluiting - passief voortbestaan vennootschap - hoger beroep na sluiting - vereffening - ontvankelijk Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1047 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Vrije woorden: rechtswetenschap - recht - wetgeving - handelsrecht - vennootschap - vereffening - sluiting - passief voortbestaan vennootschap - hoger beroep na sluiting - vereffening - ontvankelijk Wettelijke bepalingen: Wetboek van Koophandel - 30-11-1935 - 198 §4 - 32 ELI link Pub nr 1935113052 Nota: I A - I H Gerangschikt onder I A art 17 onder I A art 1042 en onder I H art 198 §4 Annotaties Publicaties: SRK 2008 - - nr. 8, blz. 479-480 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2060186 BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGENENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN M. M. nv vereffend appellante vertegenwoordigd door mr. J. NIETVELT, advocaat te Antwerpen, tegen : V. C. geïntimeerde vertegenwoordigd door mevrouw N. WENS, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie. Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 8 oktober

  1. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 15 mei 2006 en 8 oktober
  2. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 8 november 2005 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, betekend op 9 februari 2006; * het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 9 maart 2006; * de conclusies van partijen, ter griffie van het arbeidshof ontvangen op 31 januari 2007 en 13 augustus 2007 voor mevrouw C. en op 13 juli 2007 voor M. M. nv vereffend; * de beschikking d.d. 5 juni 2007 overeenkomstig artikel 747 §2 van het Gerechtelijk Wetboek. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 21 november 2003, vorderde mevrouw C. de veroordeling van de nv M. tot betaling van: - 1.928,28 EUR enkel vakantiegeld 2002-2003 - 683,20 EUR vakantiegeld einde dienst 2003-2004 - 6.581,36 EUR opzeggingsvergoeding - 472,80 EUR pro rata eindejaarspremie 2003 - 13.162,74 EUR forfaitaire vergoeding voor 6 maanden loon vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding. Tevens werd de afgifte gevorderd van een loonfiche, een individuele rekening, een fiscale steekkaart 281.10 m.b.t. de gevorderde bedragen en een verbeterd C4-formulier, onder verbeurte van een dwangsom van 25,00 EUR per dag vertraging per document. Met conclusie van 15 september 2004 vorderde de nv M. M. de vordering toelaatbaar doch ongegrond te verklaren. Met conclusie van 5 november 2004 vorderde mevrouw C. vooreerst akte te verlenen aan de bedoeling van partijen en de materiële vergissing in de dagvaarding te willen rechtzetten en aldus te zeggen voor recht dat de juiste naam en omschrijving van verweerster gelezen dient als volgt: nv M. M. nv, , ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nummer HRA en Kruispuntbank der ondernemingen . Tevens herleidde zij haar vordering tot een bedrag van 13.162,74 EUR forfaitaire vergoeding gelijk aan 6 maanden loon, te vermeerderen met de intrest en de kosten van het geding. Ondergeschikt vorderde zij, in zoverre de arbeidsrechtbank de materiële vergissing in de naam van verweerster niet wenste recht te zetten, alvorens recht te spreken, het debat te heropenen teneinde partijen te laten handelen als naar recht, wat de vordering betrof tegen de nv M. Met vonnis van 8 november 2005 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk en gegrond en zegden voor recht dat de in de dagvaarding voorkomende vermelding 'nv M.' diende te worden gelezen als 'nv M. M. (HRA , Kruispuntbank der ondernemingen ). De nv M. M. werd veroordeeld tot betaling van 13.162,74 EUR forfaitaire vergoeding op grond van de wet van 22 januari 1985, meer de verwijlintrest vanaf 4 september 2003 en de gerechtelijke intrest op de met het brutobedrag overeenstemmende nettobedrag. De nv M. M. werd tevens veroordeeld tot afgifte van de loonfiche vanaf het ogenblik van betaling, de fiscale fiche 281.10, de individuele rekening m.b.t. het toegekende bedrag en tot de kosten van het geding. III. EISEN IN HOGER BEROEP In haar verzoekschrift tot hoger beroep vordert de nv M. M. in vereffening het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtsprekend, de vordering ongegrond te verklaren. Ondergeschikt verzoekt zij haar toe te laten om met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van een aantal feiten. Met conclusie van 13 juli 2007 vordert de nv M. M. vereffend, doch verder vertegenwoordigd door haar vereffenaar handelend in naam en voor rekening van de vennootschap met het oog op de afhandeling van huidig geschil, het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtsprekend over de opnieuw aanhangige vordering tot betaling van een vergoeding wegens inbreuk op bescherming tegen ontslag na ouderschapsverlof, deze vordering ongegrond te verklaren en mevrouw C. te verwijzen in de kosten van het geding. Subsidiair wordt het getuigenbewijs van een aantal feiten gehandhaafd. Met conclusie van 31 januari 2007 vordert mevrouw C. het hoger beroep onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren en appellante te veroordelen tot betaling van 13.162,74 EUR forfaitaire vergoeding gelijk aan 6 maanden loon, te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf 4 september 2003, de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding. Tevens wordt de afgifte gevorderd van een loonafrekening, een individuele rekening en een fiscale fiche 281.10 voor het gevorderd bedrag. Ondergeschikt vordert mevrouw C., in zoverre het arbeidshof de materiële vergissing in de naam van appellante niet wenst recht te zetten, alvorens recht te spreken, het debat te heropenen teneinde partijen te laten handelen als naar recht, wat de vordering betreft tegen de nv M. Met syntheseconclusie van 13 augustus 2007 vordert mevrouw C. het hoger beroep onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen. In zoverre het arbeidshof van oordeel is dat het hoger beroep werd ingesteld door de vereffenaar van appellante, deze vereffenaar met volledige identiteit (naam, voornaam of vennootschapsvorm, woonplaats of zetel) aan te duiden met de hoedanigheid van de vereffenaar, akte te willen verlenen dat mevrouw C. haar vordering instelt tegen deze nog te identificeren persoon en deze vervolgens te veroordelen tot betaling van 13.162,74 EUR forfaitaire vergoeding gelijk aan 6 maanden loon, te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf 4 september 2003, de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding. De vordering tot afgifte van de sociale documenten wordt gehandhaafd. IV. ONTVANKELIJKHEID Mevrouw C. voert aan dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat het werd ingesteld bij akte neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 9 maart 2006, hetzij op een ogenblik waarop de vereffening reeds gesloten was verklaard door de algemene vergadering van aandeelhouders van 27 december 2005 en waarop vastgesteld werd dat de vennootschap definitief had opgehouden te bestaan. In deze werd het uittreksel van de notulen van die algemene vergadering neergelegd op de griffie van de rechtbank van koophandel te Antwerpen op 8 maart 2006, hetzij dus één dag voor het hoger beroep werd ingesteld. Het uittreksel werd bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad op 20 maart
  3. (stuk 20 van mevrouw C.) Het arbeidshof oordeelt terzake als volgt. Krachtens artikel 183, §1, van het wetboek Vennootschappen, wordt een vennootschap na ontbinding geacht voort te bestaan voor haar vereffening. Vanaf de vereffening wordt de vennootschap vertegenwoordigd door haar vereffenaars. De vereffening wordt gesloten door de beslissing van de algemene vergadering, te dezen de beslissing van 27 december
  4. Vanaf dan verdwijnt de rechtspersoonlijkheid van de vennootschap definitief. (Cass. 22 maart 1962, Pas. 1962, I, 807) Algemeen wordt aanvaard dat de vennootschap na de sluiting van de vereffening niet meer in rechte kan optreden. Behalve het verweer tegen de tegen haar ingestelde vorderingen, kan de vennootschap geen enkele rechtshandeling meer verrichten, nu zij vanaf dan geen organen meer heeft via dewelke zij nog zou kunnen optreden, vermits de sluiting van de vereffening ook het einde van het mandaat van de vereffenaar tot gevolg heeft. Nochtans bestaan er uitzonderingen op het beginsel dat de vennootschap ophoudt te bestaan en de vereffenaars ophouden de niet meer bestaande vennootschap te vertegenwoordigen. Uit de in artikel 198, § 1, van de Vennootschappenwet (voorheen artikel 194, al. 4) voorziene regel dat alle rechtsvorderingen tegen de vereffenaars "als zodanig", of bij ontstentenis van vereffenaars, tegen de personen die krachtens artikel 185 als vereffenaars worden beschouwd, te rekenen van de bekendmaking voorgeschreven bij artikel 195, door verloop van vijf jaren verjaren, kan worden afgeleid dat de uitdoving van de rechtspersoonlijkheid niet absoluut is en de vennootschap ook na de sluiting van de vereffening in bepaalde omstandigheden in rechte kan worden aangesproken. (Cass. 8 november 1960, Pas. 1961, I, 252) Naar het oordeel van het arbeidshof kan daaruit evenwel niet worden afgeleid dat het passief voortbestaan van de vennootschap ook geldt voor procedures die vóór de sluiting van de vereffening aanhangig zijn gemaakt. Artikel 198, § 4, Vennootschappenwet, voorziet in het voortbestaan van de vennootschap voor haar vereffening en derhalve - in de opvatting van het Hof van Cassatie - tot de beslissing tot sluiting van de vereffening, zodat voormeld artikel 198, §4, enkel betrekking kan hebben op de rechtsvorderingen die na de sluiting van de vereffening en tot het verstrijken van de vijf jaar na de publicatie worden ingesteld. Het passief voortbestaan van de vennootschap, gesteund op artikel 198, §4, van de Vennootschappenwet, kan bijgevolg enkel betrekking hebben op die rechtsvorderingen. De vereffenaar zou overigens ook niet meer bevoegd zijn om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen in procedures die voor de sluiting van de vereffening aanhangig werden gemaakt. (D. D'HOOGHE, De gevolgen van de sluiting van de vereffening van handelsvennootschappen met volkomen rechtspersoonlijkheid, T.B.H. 1989, 341-342) Tegen een vonnis geveld vóór de sluiting van haar vereffening, waarbij de vennootschap werd veroordeeld, kan die vennootschap na de sluiting van de vereffening geen rechtsmiddel meer aanwenden omdat zij, door vrijwillig de vereffening te sluiten, zichzelf het recht om hoger beroep in te stellen tegen een vonnis waarbij zij werd veroordeeld ontneemt. (vgl. R.TAS, De rechtsbekwaamheid van een handelsvennootschap na de sluiting van haar vereffening, noot onder Gent, 28 april 1995, T.R.V. 1995, blz. 603, randnummer 22; H. BRAECKMANS, Vereffening van vennootschappen buiten faillissement, in: Curatoren en vereffenaars: actuele ontwikkelingen, Intersentia, Antwerpen - Oxford, 2006, 252-253) Vermits in deze het vonnis waartegen hoger beroep werd ingesteld dateert van vóór de beslissing tot sluiting van de vereffening, en het hoger beroep zélf werd ingesteld na die beslissing, is het hoger beroep dat uitgaat van een ontbonden vennootschap niet ontvankelijk. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk. Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van appellante op 59,49 EUR (uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep) en 291,52 EUR (rechtsplegingsvergoeding arbeidshof). Vereffent deze aan de zijde van mevrouw C. op 148,96 EUR (betekening vonnis). Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in buitengewone openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend en zeven, waar aanwezig waren: de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter, de heer J. DE NEEF, plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken, als werkgever, artikelen 383 par. 2 en 390 Ger. W., de heer H. LUYCKX, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, de heer L. VISKENS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071029.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.