id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071108.3 Rolnummer: 2004-0224 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-12-10 Raadplegingen: 266 - laatst gezien 2026-07-02 16:17 Fiches 1 - 2 De eerste rechters hadden de betwisting met betrekking tot de regularisatie der bijdragen door de RSZ en de betwisting met betrekking tot de administratieve geldboete opgelegd door de Studiedienst van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid wegens samenhang samengevoegd (vonnis 2 juni 2004). Immers de omstandigheid dat voor de eerste rechters een vordering die vreemd is aan de materie, geviseerd door artikel 704 Ger. W., in casu de vordering van RSZ tegen J.M. in betaling van achterstallige sociale bijdragen ingevolge ambtshalve regularisatie - vordering die bij dagvaardigingsexploot van 25 november 1997 aanhangig werd gemaakt bij de eerste rechters - werd samengevoegd met een vordering waarvoor een kennisgeving bij gerechtsbrief conform artikel 792, 2° lid Ger. W. is voorgeschreven, in casu de vordering van J.M. tegen de administratieve beslissing van de directeur-generaal van de Studiedienst van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid d.d. 15 april 1998 waarbij aan J.M. een administratieve geldboete werd opgelegd van 225.000 BEF - vordering die bij verzoekschrift conform artikel 704 Ger. W. werd aanhangig gemaakt bij de eerste rechters - doet geen afbreuk aan de werking van artikel 704, tweede en derde lid Ger. W. - en derhalve ook niet aan de gevolgen van deze kennisgeving als beginpunt van de termijn om tegen die beslissing een rechtsmiddel aan te wenden (Cass. 17/01/2005, nr. S.04.0081.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050117.4, U.N.M.S. t/ A.J. ea; gepubliceerd in RABG 2005, 841 + noot P. Vanlersberghe). Het hoger beroep van J.M. tegen het vonnis a quo is onontvankelijk wegens laattijdig ingesteld en het oordeel dat de eerste rechters velden over zowel de beslissing inzake de administratieve geldboete als inzake de vordering van de RSZ, is opzichtens hem als definitief te beshouwen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Wijze van betekening - Algemeen Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - ontvankelijkheid hoofdberoep - betekening vonnis - artikel 704 en 792 gerechtelijk wetboek - administratieve geldboete - regularisatie RSZ-bijdragen - vonnis van samenvoeging - I A Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 704 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 704, onder I A - artikel 792 en onder I A - artikel 1054, 2de lid (andere inhoud) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemeen (rechtspleging) Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - ontvankelijkheid hoofdberoep - betekening vonnis - artikel 704 en 792 gerechtelijk wetboek - administratieve geldboete - regularisatie RSZ-bijdragen - vonnis van samenvoeging - I A Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 792 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Fiche 3 Artikel 1054, 2de lid Ger. W. bepaalt echter dat het incidenteel beroep niet kan worden toegelaten wanneer het hoofdberoep laattijdig wordt verklaard. In casu heeft het hof het hoofdberoep van J.M. onontvankelijk verklaard omdat het laattijdig werd ingesteld. Nochtans wanneer een incidenteel beroep als zodanig niet ontvankelijk is, kan het nog steeds toegelaten worden als hoofdberoep - en dit is hetgeen de RSZ ook vraagt - maar dan moeten uiteraard de voorwaarden daartoe vervuld zijn inzonderheid op het stuk van de ontvankelijkheid ratione temporis en eventuele berusting (P. Van Orshoven - Gerechtelijk Recht - Stand van zaken en actuele ontwikkelingen op het stuk van het hoger beroep - Themis - school voor postacademische vorming - Academiejaar 2006-07 - Vormingsonderdeel 37 - pag. 57 -nr. 22). In casu is het vonnis a quo nooit betekend geweest aan de RSZ bij gerechtsdeurwaardersexploot zodat de beroepstermijn t.o.v. de RSZ ook nooit is beginnen lopen en het incidenteel beroep van de RSZ, dat naar oordeel van het hof en zoals gevraagd door de RSZ inderdaad als een principaal hoger beroep kan beschouwd worden, tijdig en ontvankelijk is. De vordering van de RSZ opzichtens J.M., betreft immers geen zaak conform artikel 792, 2de lid juncto artikel 704, 1ste lid Ger. W. doch een zaak die ingeleid wordt bij dagvaarding, zodat conform artikel 1051, 1ste en 2de lid Ger. W. voor de RSZ de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand is te rekenen vanaf de betekening van het vonnis bij gerechtsdeurwaardersexploot. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - ontvankelijkheid incidenteel beroep RSZ - toelaatbaarheid - laattijdig hoofdberoep - betekening vonnis - gerechtsdeurwaardersexploot - I A Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1054, 2de lid - 30 Link Justel databank 19671010-30 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 704, onder I A - artikel 792 en onder I A - artikel 1054, 2de lid (andere korte inhoud) Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2040224 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: JM, wonende te , appellant, verschijnend bij mr. T. MOSKOFIDIS loco mr. J. ORIJ, advocaat te Borgloon, tegen : 1. FOD, met kantoren gevestigd te , eerste geïntimeerde verschijnend bij mr. A. LE MAREC loco mr. A. LINDEMANS, advocaat te 1050 Brussel 2. RSZ met zetel gevestigd te , tweede geïntimeerde, verschijnend bij mr. A. COLLETTE, advocaat te Tongeren. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren gewezen op tegenspraak tussen partijen op 2 juni 2004 en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 4 juni 2004 conform artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt, op 7 juli 2004; - de conclusies en aanvullende conclusies van appellant respectievelijk neergelegd ter griffie op 11 december 2006 en 21 juni 2007, de conclusies van eerste geïntimeerde ontvangen ter griffie op 4 juli 2005 en de conclusies, aanvullende en tweede aanvullende conclusies van tweede geïntimeerde respectievelijk ontvangen en neergelegd ter griffie van het hof d.d. 8 augustus 2006, 12 februari 2007 en 21 juni 2007. Gehoord partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 11 oktober 2007. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen. I. Feiten en voorafgaande rechtspleging 1. Op 4 augustus 1995 werd door de inspectie van de sociale wetten, in samenwerking met de Rijkswacht van St-Truiden en de RVA te Tongeren, op een kersenweide, gelegen aan de ... te ... een controle uitgevoerd op zwartwerk. 2. In het proces-verbaal van 4 augustus 1995 werden door de inspectie van de sociale wetten de volgende vaststellingen genoteerd: "In het totaal waren er 16 personen aan het werk. Van deze 16 personen gingen 5 werknemers lopen. M J legde ons zijn aanwezigheidsregister voor. Bij nazicht hiervan stellen we vast dat er op 4 augustus 1995 slechts 13 personen ingeschreven zijn. Van deze 13 ingeschreven werknemers hebben we er 11 gecontroleerd. ... Wat betreft de 5 werknemers die gingen lopen werd het volgende vastgesteld: bij onze komst ging 1 persoon (Belg?) lopen. Tezelfdertijd kwam er uit een boom, waar tevens 2 Spanjaarden en een Belg aan het plukken waren, één persoon (vermoedelijk een Indiër) van de ladder gesprongen. Deze zette het op een lopen naar de achterzijde van de weide. Daar waren nog 3 personen (vermoedelijk Indiërs) aan het plukken. Deze 3 personen kwamen eveneens van de ladder en vluchtten allen in de richting van een verderop gelegen plantage. Wij hadden niet de mogelijkheid om iemand te achterhalen of te identificeren omdat zij een te grote voorsprong op ons hadden. MJ over de feiten ter plaatse verhoord, verklaarde dat hij niet wist of er personen waren gaan lopen. Hij stelde samen met ons vast dat TL en SJ niet meer aanwezig waren in de weide bij onze controle. MJ. verklaarde dat de bomen waaruit de personen waren weggevlucht, niet van hem zijn. Hij heeft het fruit gekocht van een dame uit Brussel via notaris W uit .... De twee weiden waar de werknemers aan het werk zijn, zijn gescheiden door prikkeldraad. Deze draad is over een lengte van ongeveer 3 meter geopend, zodat men van de ene weide ongehinderd in de andere kan komen. Tevens is er in de 2 weiden slechts 1 plaats om te sorteren. Alle in gebruik zijnde plukladders stonden onder de bomen in de weide waar niet gesorteerd werd. Dadelijk na onze controle begaven we ons naar Notaris W in ... Hij verklaarde ons dat alle kersen in beide weiden werden gekocht door MJ. Tijdens de controle stelden we vast dat 5 personen gingen lopen. Voor deze vijf personen konden wij de inschrijving in het aanwezigheidsregister niet controleren. Nochtans waren ze op de plantage aan het werk op het ogenblik van de controle". 3. JM, huidige appellant, legde na de controle volgende verklaringen af omtrent de vaststellingen van de inspecteurs: "Vandaag zijn we met 13 personen kersen aan het plukken. Zij zijn ingeschreven in het register. Iedereen beschikt over een plukkaart. Ik heb één vreemdeling in dienst. J S. Hij is vandaag komen werken. Ik weet niet waar hij nu is. Ik ontken dat er 4 personen zijn gaan lopen. T , uit ... is vandaag ook beginnen werken om 7 uur. Ik weet niet waar hij nu is. Ik ontken ook de tewerkstelling van de 3 Sikhs, die volgens U zijn gaan lopen. Volgens de Rijkswacht zou C ML de 2 korven kersen geplukt door mensen die zijn gaan lopen naar de verzamelplaats gebracht hebben. Volgens C ML zijn dit korven van de Spanjaarden. Op het pand dat ik beweer mijn eigendom niet te zijn, staan nochtans identieke korven en identieke ladders. Ook in de bomen hangen nog kersen en korven. Het pand waar ik nu ben is geen eigendom. Ik koop de kersen op de boom aan notaris W. Hij verkoopt in opdracht van een vrouw uit Brussel. TL en JS, uit ... zijn ingeschreven. Zij zijn niet hier nu. Nochtans zijn er volgens U 5 personen gaan lopen. Ik weet hier niets van. Ik denk dat er 2 zijn gaan lopen, T L en J S". 4. Van deze vaststellingen werd proces-verbaal opgemaakt lastens JM wegens volgende inbreuken:
- a)koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten. Wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie; het krachtens vermeld besluit georganiseerde toezicht te hebben verhinderd; inbreuk op artikel 7 van het KB nr. 5 van 23 oktober 1978, gesanctioneerd door artikel 11, 2° van het KB nr. 5; inbreuk op artikel 4 van de wet van 16 november 1972 op de arbeidsinspectie, gesanctioneerd door artikel 15 van de wet van 16 november 1972. Aantal werknemers: 5;
- b)koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten: als werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, een werknemer niet te hebben ingeschreven in het aanwezigheidsregister; inbreuk op artikel 4 § 2 van het KB nr. 5 van 23 oktober 1978 en op artikel 3 § 1, 2),
- c)van het KB van 17 juni 1994 betreffende het bijhouden van een aanwezigheidsregister, gesanctioneerd door artikel 11 § 3,
- f)van het KB nr. 5 van 23 oktober 1978. Aantal werknemers: 5. 5. Het proces-verbaal werd op 17 augustus 1995 betekend aan JM welke de vaststellingen van de inspectiediensten betwistte en aan het arbeidsauditoraat per schrijven van 22 augustus 1995 te kennen gaf dat de drie werknemers, dewelke niet ingeschreven werden in het aanwezigheidsregister, niet door hem werden tewerkgesteld. 6. Per schrijven van 30 augustus 1995 deelde de arbeidsauditeur te Tongeren aan het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid (thans FOD), huidige eerste geïntimeerde, mee af te zien van strafvervolging met het oog op de toepassing van een administratieve geldboete. 7. Met schrijven van 20 februari 1996 schrijft de arbeidsauditeur van Tongeren aan de RSZ, om het onderzoek op basis van het proces-verbaal van de inspectie der Sociale Wetten verder te zetten en over te gaan tot regularisatie. 8. Op 11 juni 1996 gaat de inspecteur van de RSZ over tot verhoor van M welke alsdan het volgende verklaart: "Op 4.8.1995 de dag van de controle waren alle mensen die aan het plukken waren ingeschreven in het aanwezigheidsregister 53509. Vier van de dertien zijn gaan lopen uit angst. Ik begrijp dat niet. Ze waren in orde in de boek en met de plukkaarten. MW was ingeschreven maar was reeds naar huis toen de controle gebeurde. Hij plukte tot 2 u. in de namiddag. Gingen lopen J, T, RS en de ander S. Ik overhandig u de registers 53509 en 53510. Ik ga helemaal niet akkoord met sancties. Ik was in orde en ik kan er niet voor instaan dat er mensen uit schrik gaan lopen. De aanliggende weide was niet van mij. Daar was men ook aan het werk en gingen er ook lopen. Er stonden ook gelijkaardige ladders. Doch daar heb ik niets mee te maken. Ik heb reeds 4 keer controle gehad en ik ben nooit in fout bevonden". 9. Na diverse inlichtingen te hebben ingewonnen wordt JM per aangetekend schrijven van 2 augustus 1996 door de Directeur-Generaal van de Studiedienst van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid uitgenodigd om zijn verweermiddelen in te dienen. 10. JM liet per schrijven van 9 augustus 1996 zijn verweermiddelen geworden en werd door het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid eveneens in zijn mondeling verweer gehoord. 11. Op 28 mei 1997 schrijft de RSZ het volgende aan JM: "Ambtshalve regularisatie van vijf onbekende werknemers en omschakeling van de gelegenheidsarbeiders naar gewone arbeiders. Mijnheer, Door de Inspectie van de Sociale Wetten te Hasselt werd op 4 augustus 1995 vastgesteld dat u 5 werknemers tewerkstelde, die niet in het aanwezigheidsregister van de gelegenheidsarbeiders in de tuinbouw waren vermeld en die zich aan identificatie onttrokken. Daarom zijn wij in opdracht van Mevrouw N, Arbeidsauditeur te Tongeren, overgegaan tot de ambtshalve regularisatie van de 5 onbekenden als gewone handarbeiders op basis van het minimumuurloon 239,35 fr. en 1 dag voltijds (8 uren) per werknemer. De hiervoor verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen bedragen: 5.451 fr. + 982 fr. vakantiedebetbericht. Wij zijn tevens overgegaan tot de ambtshalve omschakeling van de in het jaar 1995 door u met forfaitair loon, aangegeven gelegenheidsarbeiders naar gewone arbeiders op basis van de werkelijke lonen en de effectief gepresteerde uren vermits bovenvermelde inbreuk op de wetgeving inzake de gelegenheidsarbeid in de tuinbouw werd vastgesteld. De hiervoor verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen bedragen 38.104 fr. (2/95), 135.403 fr. (3/95), 13.915 fr. (4/95) en 41.355 fr. (vakantiedebetbericht). Binnenkort ontvangt uw sociaal secretariaat van beide regularisaties bericht. Wij maken alle voorbehoud inzake het aanrekenen van bijdrageopslagen en intresten conform de wetgeving terzake". 12. Op 27 oktober 1997 verzendt de RSZ aan JM een rekeninguittreksel met betrekking tot de nog door hem verschuldigde achterstallige bijdragen ingevolge regularisatie ten bedrage van 290.538 BEF over de periode 2de kwartaal 1995 tot 1ste kwartaal 1996. 13. Bij gebreke aan minnelijke regeling gaat de RSZ bij exploot d.d. 25 november 1997 van gerechtsdeurwaarder M. W met standplaats te Tongeren over tot dagvaarding van JM voor de arbeidsrechtbank te Tongeren in betaling van de som van 290.538 BEF, meer de wettelijke intresten aan 8% per jaar op de som van 234.228 BEF vanaf 15 oktober 1997, meer de kosten van het geding; de zaak wordt ingeschreven onder A.R. 3988/97. 14. Op 15 april 1998 neemt de directeur-generaal van de Studiedienst van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid een administratieve beslissing waarbij:
- a)De inbreuk betreffende het verhinderen van het toezicht zonder gevolg werd geklasseerd.
- b)De inbreuk op artikel 4 § 2 van het KB nr. 5 van 23 oktober 1978 en op artikel 3 § 1, 2),
- c)van het KB van 17 juni 1994, betreffende het niet inschrijven van gelegenheidsarbeiders in het aanwezigheidsregister werd bewezen geacht voor 3 werknemers, waarvoor een administratieve geldboete van 75.000 BEF per werknemer of 225.000 BEF in totaal werd opgelegd. Voormelde beslissing werd door de directeur gemotiveerd als volgt: "Overwegende dat bij de controle op 4 augustus 1995 door de inspectie zestien personen aan het werk werden gezien; dat 'de visu' werd vastgesteld dat vijf ervan gingen lopen en dat bijgevolg slechts elf personen werden gecontroleerd door de inspectie; dat er van de overige vijf slechts twee werknemers waren ingeschreven in het aanwezigheidsregister; dat dus drie werknemers aan het werk waren zonder ingeschreven te zijn in het aanwezigheidsregister; dat uw argument als zouden deze drie werknemers niet onder uw gezag, want ook niet op uw eigendom aan het werk geweest zijn, slechts de waarde heeft van een eenzijdige verklaring die geenszins afbreuk kan doen aan de bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal met betrekking tot de daarin vastgestelde feiten; dat immers door de inspectie werd vastgesteld dat de twee verschillende weiden volledig ongehinderd in elkaar overlopen, vermits de prikkeldraad was geopend; dat op slechts één plaats het fruit werd gesorteerd; dat ook daaruit mag afgeleid worden dat slechts voor één persoon werd geplukt; dat u het tegendeel niet heeft bewezen, dat inbreuk B wordt weerhouden voor drie werknemers". Deze administratieve beslissing werd bij aangetekend schrijven van 17 april 1998 ter kennis gebracht van JM. 15. Tegen voormelde beslissing neemt JM verhaal bij de arbeidsrechtbank te Tongeren bij verzoekschrift d.d. 29 mei 1998 alwaar de zaak wordt ingeschreven onder A.R. 1516/98. 16. Bij besluiten van 3 maart 2003 herleidt de RSZ zijn vordering conform het nieuw artikel 8bis van het KB van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969, zoals gewijzigd door artikel 1, 2de lid van het KB van 18 juli 1997, waardoor de regularisatie van de RSZ beperkt werd tot de betrokken werknemers voor het kalenderjaar waarin werd nagelaten hun hoedanigheid van gelegenheidsarbeiders bij de RSZ aan te geven. De RSZ heeft zijn vordering dienvolgens herleid tot 2.211,46 EUR, te vermeerderen met de wettelijke verwijlintresten op de som van de bijdragen zijnde 1.807,14 EUR vanaf 15 oktober 1997, de gerechtelijke intresten en de kosten. 17. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Tongeren d.d. 28 oktober 2003 komt de RSZ vrijwillig tussen in het geding aanhangig tussen JM en het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid betreffende de door deze laatste opgelegde administratieve geldboete en gekend onder A.R. 1516/98. 18. Bij vonnis van 2 juni 2004 voegt de arbeidsrechtbank te Tongeren de betwisting met betrekking tot de regularisatie der bijdragen door de RSZ (A.R. 3988/97) en de betwisting met betrekking tot de administratieve geldboete opgelegd door de Studiedienst van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid (A.R. 1516/98) samen wegens samenhang en oordeelt als volgt: "Inzake A.R. nummer 1516/98 (M t./ Ministerie van Tewerkstelling & Arbeid) Verklaart de vordering van eisende partij ONTVANKELIJK doch ONGEGROND. Verklaart de vordering van de vrijwillig tussenkomende partij ONONTVANKELIJK in zoverre zij ertoe strekt te horen vaststellen dat de overtreding door eisende partlij werd begaan ten aanzien van vijf werknemers in de plaats van drie werknemers. Verklaart de vordering van de vrijwillig tussenkomende partij ONTVANKELIJK en GEGROND in zoverre zij ertoe strekt de samenvoeging van de dossiers gekend ter griffie AR nrs. 1516/98 en 3988/97 te horen bevelen, en de vordering van eisende partij ongegrond te horen bevelen. Bevestigt de bestreden beslissing. Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding, (...). Inzake A.R.nummer 3988/97 (R.S.Z. t. M) Verklaart de vordering van eisende partij ONTVANKELIJK. Zegt voor recht dat verwerende partij zich plichtig heeft gemaakt aan inbreuken op artikel 8 bis van het K.B. van 28.11.1969 tot uitvoering van de wet van 27.06.1969, zodat eisende partij ambtshalve kon overgaan tot omzetting van de aangifte van DRIE werknemers, ten aanzien waarvan een inbreuk werd vastgesteld, als gelegenheidsarbeiders met een forfaitair loon naar een aangifte van gewone handarbeiders met werkelijk loon. Alvorens uitspraak te doen over de gegrondheid van de vordering, beveelt een heropening der debatten, teneinde de R.S.Z.-diensten toe te laten een herberekening te maken de omzetting van de aangifte ten aanzien van DRIE werknemers als gelegenheidsarbeiders met een forfaitair loon naar een aangifte van gewone handarbeiders met werkelijk loon. Verzendt de zaak in afwachting van deze herberekening naar de algemene rol. Houdt de uitspraak over de kosten en de uitvoerbaarheid bij voorraad aan". 19. Voormeld vonnis werd met gerechtsbrief van 4 juni 2004 ter kennis gebracht aan alle partijen. 20. Met verzoekschrift d.d. 7 juli 2004 neergelegd ter griffie van het hof stelt J M hoger beroep in tegen dit vonnis. 21. Met beroepsbesluiten ontvangen ter griffie van het hof d.d. 8 augustus 2006 stelt de RSZ incidenteel beroep in. II. Ontvankelijkheid van het hoofdberoep van JM 1. FOD, rechtsopvolger van de directeur-generaal van de Studiedienst van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, werpt ter zitting van 15 maart 2007 de onontvankelijkheid van het hoger beroep van JM op wegens laattijdigheid. 2. JM betwist dit met verwijzing naar artikel 1051, 1e en 2e lid Ger. W. volgens welk artikel de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand is te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan conform artikel 792, 2e en 3e lid Ger. W. Volgens JM betreft het hier geenszins een geval conform artikel 792, 2e en 3e lid juncto artikel 704, 1e lid Ger. W. en loopt de termijn vanaf de betekening van het vonnis bij gerechtsdeurwaardersexploot, wat in casu niet gebeurd is. 3. Het hof is het niet eens met het standpunt van JM. Artikel 792, 2e lid Ger. W. bepaalt het volgende: "In afwijking van het vorige lid, voor de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid alsook inzake adoptie, brengt de griffier binnen de acht dagen bij gerechtsbrief het vonnis ter kennis van de partijen". Artikel 704 Ger. W. bepaalt het volgende: "In de zaken genoemd in de artikelen 508/16, 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10° en 11°, 581, 2°, 582, 1° en 2° en 583 worden de vorderingen ingeleid bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank of bij aangetekende brief gezonden aan de griffie...". Artikel 583, 1e lid Ger. W. bepaalt: "De arbeidsrechtbank neemt kennis van de toepassing der administratieve sancties bepaald bij de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 578 tot 582 en bij de wet betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten" (eigen onderlijning door het hof). Bij administratieve beslissing van 15 april 1998, ter kennis gebracht aan JM bij aangetekende brief d.d. 17 april 1998, heeft de directeur-generaal van de Studiedienst van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid in toepassing van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk ingeval van inbreuk op sommige sociale wetten en het KB van 30 december 1991 tot uitvoering van voormelde wet wegens de door JM in een proces-verbaal van 4 augustus 1995 vastgestelde inbreuk op artikel 4 § 2 van het KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten en artikel 3 § 1, 2c van het KB van 17 juni 1994 betreffende het bijhouden van een aanwezigheidsregister door drie werknemers niet te hebben ingeschreven in het aanwezigheidsregister, aan JM een administratieve geldboete opgelegd van 225.000 BEF. Deze beslissing werd door JM aangevochten bij de arbeidsrechtbank te Tongeren welke bij vonnis van 2 juni 2004 zijn vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaarde, de bestreden beslissing bevestigde en JM verwees in de kosten. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat kan JM nog moeilijk blijven volhouden dat de door het vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren d.d. 2 juni 2004 beoordeelde zaak geen geval betrof conform artikel 792, 2e lid juncto artikel 704, 1e lid Ger. W. Welnu conform artikel 1051 Ger. W. bedraagt de termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen een vonnis dat uitspraak doet over een betwisting die valt onder artikel 583, 1e lid ger. W. één maand, te rekenen vanaf de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, 2e lid Ger. W. Deze termijn is op straffe van verval voorgeschreven en het verval moet desgevallend verplicht worden uitgesproken door de rechter (art. 860, lid 2 en 862 § 1, 1° Ger. W.). Krachtens artikel 32, 2° Ger. W. moet onder kennisgeving worden verstaan de toezending van een akte van rechtspleging in origineel of in afschrift. Zij geschiedt langs de post of, in de gevallen die de wet bepaalt, in de vormen die deze voorschrijft. Vóór de invoeging van artikel 53 bis in het Ger. W. bij artikel 2 van de wet van 13 december 2005 (BS 21.12.2005) - en dit is het tijdstip waarop huidige betwisting dient beoordeeld nu het hoger beroep werd ingesteld op 7 juli 2004 - gold dat de kennisgeving van het vonnis die de termijn van hoger beroep doet lopen, geschiedt op datum van toezending en niet op datum van aanbieding aan of ontvangst door de bestemmeling, hier JM. Dit principe werd door het Hof van Cassatie herhaaldelijk bevestigd ondermeer op 9 december 1996 (J.T.T. 1997, 440), op 17 maart 1997 (Arr. Cass. 1997, 359), op 20 februari 1998 en laatstelijk nog op 26 november 2004 (www.cass.be). In casu gebeurde de toezending van het vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren van 2 juni 2004 aan JM bij gerechtsbrief afgegeven ter post op 4 juni 2004. Het verzoekschrift hoger beroep van JM werd echter slechts neergelegd op woensdag 7 juli 2004, daar waar de laatst nuttige dag maandag 5 juli 2004 was. Het hoger beroep van JM tegen het vonnis a quo is onontvankelijk wegens laattijdig ingesteld en het oordeel dat de eerste rechters velden over zowel de beslissing inzake de administratieve geldboete als inzake de vordering van de RSZ, is opzichtens hem als definitief te beschouwen. Immers de omstandigheid dat voor de eerste rechters een vordering die vreemd is aan de materie, geviseerd door artikel 704 Ger. W., in casu de vordering van de RSZ tegen JM in betaling van achterstallige sociale bijdragen ingevolge ambtshalve regularisatie - vordering die bij dagvaardingsexploot van 25 november 1997 aanhangig werd gemaakt bij de eerste rechters - werd samengevoegd met een vordering waarvoor een kennisgeving bij gerechtsbrief conform artikel 792, 2e lid Ger. W. is voorgeschreven, in casu de vordering van JM tegen de administratieve beslissing van de directeur -generaal van de Studiedienst van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid d.d 15 april 1998 waarbij aan JM een administratieve geldboete werd opgelegd van 225.000 BEF - vordering die bij verzoekschrift conform artikel 704 Ger. W. werd aanhangig gemaakt bij de eerste rechters - doet geen afbreuk aan de werking van artikel 704, tweede en derde lid Ger. W. en derhalve ook niet aan de gevolgen van deze kennisgeving als beginpunt van de termijn om tegen die beslissing een rechtsmiddel aan te wenden (Cass. 17 januari 2005, N° S.04.0081.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050117.4, U.N. M.S. t/ A.J. e.a., gepubliceerd in R.A.B.G. 2005, 841 + noot P. Vanlersberghe). III. Nopens de ontvankelijkheid van het incidenteel beroep van de RSZ 1. De RSZ heeft bij beroepsbesluiten ontvangen ter griffie van het hof d.d. 8 augustus 2006 incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis a quo en vraagt dat het hof zijn oorspronkelijke vordering in achterstallige sociale bijdragen berekend op basis van vijf niet-ingeschreven werknemers, volledig gegrond zou verklaren; de eerste rechters verklaarden namelijk de oorspronkelijke vordering van de RSZ slechts deels gegrond met name voor wat de achterstallige bijdragen betreft berekend op basis van drie niet-ingeschreven werknemers. 2. Artikel 1054, 2e lid Ger. W. bepaalt echter dat het incidenteel beroep niet kan worden toegelaten wanneer het hoofdberoep laattijdig wordt verklaard. In casu heeft het hof het hoofdberoep van JM, zoals hoger uiteengezet, onontvankelijk verklaard omdat het laattijdig werd ingesteld. Nochtans wanneer een incidenteel hoger beroep als zodanig niet ontvankelijk is, kan het nog steeds toegelaten worden als hoofdberoep - en dit is hetgeen de RSZ in zijn tweede aanvullende beroepsbesluiten neergelegd ter griffie op 21 juni 2007 ook vraagt - maar dan moeten uiteraard de voorwaarden daartoe vervuld zijn inzonderheid op het stuk van de ontvankelijkheid ratione temporis en eventuele berusting (P. Van Orshoven - Gerechtelijk Recht - Stand van zaken en actuele ontwikkelingen op het stuk van het hoger beroep - Themis - school voor postacademische vorming - Academiejaar 2006-07 - Vormingsonderdeel 37 - pag. 57 - nr. 22). In casu is het vonnis a quo nooit betekend geweest aan de RSZ bij gerechtsdeurwaardersexploot zodat de beroepstermijn t.o.v. de RSZ ook nooit is beginnen lopen en het incidenteel beroep van de RSZ, dat naar oordeel van het hof en zoals gevraagd door de RSZ in zijn tweede aanvullende beroepsbesluiten inderdaad als een principaal hoger beroep kan beschouwd worden, tijdig en ontvankelijk is. De vordering van de RSZ opzichtens JM betreft immers geen zaak conform artikel 792, 2e lid juncto artikel 704, 1e lid Ger. W. doch een zaak die ingeleid wordt bij dagvaarding, zodat conform artikel 1051, 1e en 2e lid Ger. W. voor de RSZ de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand is te rekenen vanaf de betekening van het vonnis bij gerechtsdeurwaardersexploot. IV. Nopens de gegrondheid van het hoger beroep van de RSZ 1. Op 4 augustus 1995 werd er door de sociale inspecteurs een controle op zwartwerk uitgevoerd op een kersenweide gelegen te Wellen aan de Hertenstraat. Blijkens het door deze inspecteurs opgestelde proces-verbaal lastens JM stelden zij vast dat er 16 personen aan het werk waren waarvan er 5 het op een lopen zetten. JM legde zijn aanwezigheidsregister voor waaruit de inspecteurs konden opmaken dat hierin slechts 13 personen waren ingeschreven. Bij controle van de identiteit van deze dertien ingeschreven personen konden 11 van deze 13 personen inderdaad aangetroffen worden in de weide. De genaamden LT uit ... en JS uit ... stonden weliswaar ingeschreven in het aanwezigheidsregister doch waren op het ogenblik van de controle van het aanwezigheidsregister niet op de plukweide aanwezig. Omtrent de 5 personen die gingen lopen stellen de inspecteurs in hun "Uiteenzetting der feiten" in het proces-verbaal verder nog het volgende: "...bij onze komst ging 1 persoon (Belg?) lopen. Tezelfdertijd kwam er uit een boom, waar tevens 2 Spanjaarden en een Belg aan het plukken waren, één persoon (vermoedelijk Indiër) van de ladder gesprongen. Deze zette het op een lopen naar de achterzijde van de weide. Daar waren nog 3 personen (vermoedelijk Indiërs) aan het plukken. Deze 3 personen kwamen eveneens van de ladder en vluchtten allen in de richting van een verderop gelegen plantage. Wij hadden niet de mogelijkheid om iemand te achterhalen of te identificeren omdat zij een te grote voorsprong op ons hadden". Uit het voorgaande blijkt dat van de vijf personen die gingen lopen er zich drie (Indiërs) achteraan in de weide bevonden op het ogenblik van de controle en twee (een Belg en een Indiër) vooraan. Door de inspecteurs werd een proces-verbaal opgesteld voor inbreuk op de sociale documenten voor vijf personen. De directeur-generaal van de Studiedienst van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid weerhield uiteindelijk een inbreuk voor drie plukkers. Uit de motivering van zijn beslissing blijkt dat hij aannam dat de twee overige, die op de vlucht sloegen, deze waren welke ingeschreven waren in het aanwezigheidsregister met name LT en JS doch op het ogenblik van nazicht van dit register niet op de plukweide konden aangetroffen worden. De eerste rechters hebben in hun vonnis van 2 juni 2004 de administratieve beslissing van de directeur-generaal van de Studiedienst bevestigd, alsook de regularisatie van de RSZ met betrekking tot drie werknemers. Doordat het vonnis a quo bij gebreke aan tijdig beroep door JM definitief is opzichtens hem, kan hij het niet meer betwisten. Dit betekent echter niet dat de RSZ hierdoor gebonden is en niet meer nuttig bij wijze van hoger beroep een uitbreiding van de regularisatie tot vijf werknemers kan vorderen. Immers de directeur-generaal van de Studiedienst treft zijn beslissingen volledig autonoom en de RSZ die eveneens een autonome instelling is, is hierdoor geenszins gebonden. Anderzijds is het vonnis a quo voor zover het oordeelt over de vordering van de RSZ opzichtens deze laatste bij gebrek aan betekening en ingevolge het tijdig hoger beroep van de RSZ niet definitief. Het hof kan de eigen vordering van de RSZ derhalve nog op haar verdiensten beoordelen. 2. De RSZ is niet akkoord met het standpunt van de eerste rechters waar deze voorhouden dat de RSZ niet bewijst dat de overtreding wegens niet-inschrijving van gelegenheidsarbeiders in het aanwezigheidsregister door JM werd gepleegd t.a.v. vijf werknemers i.p.v. drie zoals door de directeur-generaal werd weerhouden. Het hof is nochtans van mening dat de eerste rechters correct geoordeeld hebben. Strijdig met de stelling van de RSZ is het niet ongeloofwaardig dat twee van de vijf personen die op de vlucht geslagen zijn degenen waren die nochtans toch ingeschreven waren in het aanwezigheidsregister, met name LT en JS. Zulks kan ook afgeleid worden uit de uiteenzetting der feiten zoals weergegeven door de inspecteurs in hun P.V. Hieruit blijkt namelijk dat deze de gevluchte personen onderverdelen in twee groepen namelijk drie Indiërs die zich achteraan in de weide bevonden en twee personen die vooraan in de weide aan het plukken waren. Volgens de inspecteurs waren deze twee personen een Belg en een Indiër hetgeen kan beantwoorden aan de genaamde LT wat een Belgische naam is en JS wat een Indische naam is. Ten onrechte betoogt de RSZ dat de inschrijving van voornoemde personen in het aanwezigheidsregister niet kon worden gecontroleerd daar JM weigerde informatie te verstrekken. Uit de verklaring van JM afgelegd onmiddellijk na de vaststellingen op 4 augustus 1995 blijkt dat hij op dat ogenblik LT en J S aanduidde als degenen die op de vlucht sloegen. Het hof vindt ook geen zinnige verklaring waarom JM deze twee personen zou inschrijven in het aanwezigheidsregister indien ze ook niet effectief aanwezig waren. Immers op basis van het aanwezigheidsregister van 4 augustus 1995 dient JM voor 13 gelegenheidsarbeiders RSZ bijdragen te betalen. Door ambtshalve de RSZ-bijdragen te regulariseren voor 5 gelegenheidsarbeiders verplicht de RSZ JM voor 18 personen RSZ-bijdragen te voldoen daar waar door de inspectiediensten duidelijk werd vastgesteld dat er op 4 augustus 1995 slechts 16 personen tewerkgesteld werden. Schrik of paniek, zoals JM beweert, kan dan ook een mogelijke en aannemelijke verklaring zijn voor het feit dat LT en JS, niettegenstaande zij ingeschreven waren, toch zijn gaan vluchten wanneer zij de sociale inspecteurs zagen aankomen. Wanneer de eerste rechters derhalve in het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis voor recht zeggen dat JM zich plichtig heeft gemaakt aan inbreuken op artikel 8 bis van het KB van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 zodat de RSZ ambtshalve kon overgaan tot omzetting van de aangifte van drie werknemers ten aanzien waarvan een inbreuk werd vastgesteld als gelegenheidsarbeiders met een forfaitair loon naar een aangifte van gewone handarbeiders met werkelijk loon, dan hebben zij juist geoordeeld. Tevens hebben zij terecht een heropening der debatten bevolen teneinde de RSZ toe te laten tot herberekening van zijn vordering over te gaan op basis van drie werknemers. Door de devolutieve kracht van het hoger beroep dient echter niet meer de arbeidsrechtbank te Tongeren verder te oordelen over de cijfermatige begroting van de vordering van de RSZ, doch wel het hof zelf. Dit is echter op huidig ogenblik niet mogelijk; de RSZ dient zijn oorspronkelijke vordering te herberekenen op basis van drie werknemers als gelegenheidsarbeiders met een forfaitair loon naar een aangifte van gewone arbeiders met werkelijk loon; de heropening der debatten dringt zich hiertoe op. O P D I E G R O N D E N, HET HOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de heer RN, advocaat-generaal, in zijn mondeling advies op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2007, waaromtrent appellant en tweede geïntimeerde nog repliceerden en eerste geïntimeerde niet meer wenste te repliceren. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van JM tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren van 2 juni 2004 onontvankelijk. Verklaart het hoger beroep van de RSZ tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren d.d. 2 juni 2004 ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren van 2 juni 2004. De zaak tot zich trekkend in toepassing van artikel 1068 Ger. W. Alvorens uitspraak te doen over de cijfermatige gegrondheid van de vordering van de RSZ, beveelt een heropening der debatten teneinde de RSZ toe te laten een herberekening te maken van zijn vordering op basis van de omzetting van de aangifte t.a.v. drie werknemers als gelegenheidsarbeiders met een forfaitair loon naar een aangifte van gewone handenarbeiders met werkelijk loon. Stelt de zaak voor verdere behandeling op de openbare terechtzitting van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, Maastrichterstraat 100 te 3500 Hasselt van donderdag 28 februari 2008 om 14.30 uur. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van acht november tweeduizend en zeven, waar aanwezig waren: de heer GV, kamervoorzitter, de heer HM, raadsheer in sociale zaken, werkgever, de heer WM, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, mevrouw LK, e.a. adjunct-griffier, PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071108.3 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050117.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div