id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071214.7 Rolnummer: 2006-0603 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-10-16 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 16:29 Fiche Artikel 18 van het KB van 28 november 1969 voorziet voor dienstboden die minder dan 24 uren per week presteren een vrijstelling van de bijdrageplicht. Deze vrijstelling geldt voor de dienstboden die in een zesdagen werkweek bij een zelfde werkgever dagelijks werken gedurende niet meer dan vier uren per week of ook voor diezelfde werknemers die bij een zelfde werkgever niet elke dag prestaties leveren maar maximum 24 uren per week voor hem werken. Ten slotte geldt diezelfde vrijstelling ook nog voor de dienstbode die werkt voor verschillende opdrachtgevers voor zover zij of hij op weekbasis in totaal maximum 24 uren prestaties levert. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - algemene regeling - toepassingsgebied - personen - bijdrageplicht - dienstboden - vrijstelling - voorwaarden - VII A Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 2, § 1, 4° - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - 18 - 01 ELI link Pub nr 1969112813 Tekst van de beslissing A.R. nr. 2060603 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID (RSZ), met zetel gevestigd te x, x, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. G. VAN DEN EYNDE, advocaat te x, tegen : MDG, wonende te x, x, verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. G. MICHIELS loco mr. J. ARNAUTS - SMEETS, advocaat te x. Na beraadslaging, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 22 juni 2007, van 28 september 2007 en van 12 oktober 2007; Het hof keek de volgende stukken van de rechtspleging na: * het tussenarrest van deze kamer van 22 juni 2007, waarbij de heropening der debatten werd bevolen; * het schriftelijke advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de zitting van 12 oktober 2007 en vervolgens ter kennis gebracht aan de partijen met toepassing van artikel 767, §3, eerste lid van het gerechtelijk wetboek; * de repliekconclusies van eiser in hoger beroep, op de griffie van het hof neergelegd op 8 november
- Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 28 september
- Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 12 oktober
- Wat voorafgaat Bij tussenarrest van deze kamer van 22 juni 2007 werd beslist: "Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch alvorens verder recht te doen, heropent de debatten en deelt de zaak voor advies mee aan het openbaar ministerie met toepassing van artikel 764 van het gerechtelijk wetboek. De kwestie aan de orde is of aan elk van de voorwaarden van artikel 18 van het RSZ-besluit van 28 november 1969 moet voldaan zijn of slechts aan één ervan". Verdere beoordeling Het hof onderschrijft de interpretatie van het openbaar ministerie onder punt 4.2 en 4.3 op blz. 4 tot en met 6 van zijn schriftelijke advies. Het was de bekommernis van de regelgever om die dienstboden vrij te stellen die minder dan 24 uren per week presteerden. De regelgever had daarbij drie situaties voor ogen. Eerst de situatie waarbij de dienstbode prestaties levert voor dezelfde opdrachtgever gedurende elke werkdag van de week. Een week telt zes werkdagen. In die situatie geldt de vrijstelling van de eerste component van de bepaling van artikel 18 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 bij zoverre er 'per dag' of 'dagelijks' of 'daags' niet meer dan vier uren worden gewerkt. Het is een bijkomende voorwaarde. De tweede situatie is deze waarbij de dienstbode niet elke dag prestaties levert voor dezelfde opdrachtgever. Dan geldt de tweede component van artikel 18: enkel vrijstelling indien er maximum 24 uren per week wordt gewerkt. De derde situatie is deze waarbij de dienstbode prestaties levert voor verschillende opdrachtgevers. Ook dan geldt de tweede component van artikel 18: enkel vrijstelling indien er maximum 24 uren per week wordt gewerkt voor alle opdrachtgevers tezamen. Dus enkel wanneer de dienstbode elke werkdag voor dezelfde opdrachtgever werkt, geldt er een dubbele beperking: maximum 24 uren per week en maximum 4 uren per dag. Artikel 18 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 moet immers van achter naar voor worden gelezen. Een andere betekenis geven aan artikel 18 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 of een andere lectuur van dit artikel leidt tot ongerechtvaardigde en ongelijke toestanden. Zo zou MDG, door JVH vier dagen van de week te laten poetsen gedurende twee uren per dag, perfect zijn vrijgesteld van bijdragen op deze prestaties niettegenstaande zij JVH acht uren per week laat werken, terwijl wanneer zij diezelfde JVH gedurende slechts 5 uren enkel op maandag zou laten werken, zij wél bijdrageplichtig zou zijn. Nu de RSZ aanvaardt dat alle prestaties van JVH als prestaties van een dienstbode kunnen worden gekwalificeerd en nu niet is aangetoond dat JVH meer dan 24 uren per week voor MDG, desgevallend gecombineerd met andere opdrachtgevers, werkte, geniet deze laatste van de vrijstelling van artikel 18 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 (toepassing van de tweede component van dit artikel voor dienstboden die niet elke werkdag van de week voor dezelfde of verschillende opdrachtgever werken). MDG is op de prestaties van JVH, die de RSZ viseerde, geen bijdragen verschuldigd. Het hoger beroep is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 12 oktober
- De RSZ repliceerde met conclusies neergelegd op de griffie van dit hof op 8 november
- Recht doende op tegenspraak en het tussenarrest van 22 juni 2007 verder uitwerkende: Verklaart het hoger beroep ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 11 mei
- Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van de RSZ. Vereffent de kosten aan de zijde van de RSZ op 297,47 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van MDG op 297,47 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van veertien december tweeduizend en zeven, die samengesteld was uit: de heer x, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer x, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer x, raadsheer in sociale zaken, als werknemer, aangewezen bij beschikking van 13 december 2007 door de heer x, raadsheer, voorzitter van de kamer, die de eerste voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om de heer x, raadsheer in sociale zaken, als werknemer, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. (art. 779 Ger.W.) mevrouw x, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071214.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div