id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 18 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071218.8 Rolnummer: 2006-0108 Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-01-28 Raadplegingen: 181 - laatst gezien 2026-07-02 16:30 Fiches 1 - 3 In artikel 79 § 2, 5° van de Welzijnswet van 4 augustus 1996 is bepaald dat de vonnissen en arresten, uitgesproken in geschillen in verband met deze wet en haar uitvoeringsbesluiten 'bij gerechtsbrief ter kennis worden gebracht aan de werkgver, aan de betrokken werknemers, aan de betrokken representatieve werknemersorganisaties alsmede aan de personen uitdrukkelijk bepaald door deze wet. De griffie van de arbeidsrechtbank heeft geen gerechtsbrief met het vonnis (of een afschrift ervan) verstuurd aan de partijen, maar heeft er zich toe beperkt enkel bij gewone brief een afschrift van het vonnis het versturen aan de raadslieden van partijen. In toepassing van artikel 1051, lid 1 Ger. W. bedraagt de termijn om tegen een vonnis hoger beroep aan te tekenen één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis, of vanaf de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid Ger. W. De betwistingen inzake de bepalingen van de Welzijnswet zijn echter niet vermeld in de opsomming van artikel 704, lid 1 Ger. W. Het Hof van Cassatie oordeelde, weliswaar in andere materies, dat wanneer de kennisgeving bij gerechtsbrief voorgeschreven wordt door specifieke wettelijke bepalingen, en zelfs indien dit dan niet hernomen is in de opsomming van artikel 704, lid 1 Ger. W., dergelijke kennisgeving bij gerechtsbrief van aard is om de termijn van het hoger beroep te doen ingaan (vgl. onder meer Cass., 28/05/1990, Arr. Cass. 1989-90; Cass. 26/05/1994, Arr. Cass. 1994, 530; Cass. 22/11/1996, Arr. Cass. 1996, 1077; Cass. 03/09/1999, Arr. Cass. 1999, 1029; Cass. 28/02/2002, Arr. Cass. 2002, 639, met noot adv.-gen. Bresseleers; vgl. eveneens de noot van VANLERSBERGHE, P., bij een cassatiearrest van 17/01/2005, R.A.B.G. 2005, 843-947). In principe is het dus de kennisgeving van het vonnis bij gerechtsbrief, zoals voorgeschreven door artikel 79 § 2, 5° van de welzijnswet, die de beroepstermijn doet lopen, zelfs nu dit artikel niet vermeld staat in de opsomming van artikel 704, lid 1 Ger. W. waaraan gerefereerd wordt door artikel 792, lid 2 Ger. W. (in dezelfde zin, vgl. Arbeidshof Brussel, 16/12/2004, S.R.K. 2005, 449; Arbeidshof Luik, 13/06/2007, T. t/ S.A.F., A.R. nr. 32.173/06, onuitgegeven). De kennisgeving van het vonnis bij gerechtsbrief (door de griffier van de arbeidsrechtbank) is in principe de handeling die de termijn voor het instellen van het hoger beroep doet lopen. Nu deze handeling hier niet is verricht - de griffier heeft het vonnis niet bij gerechtsbrief aan partijen ter kennis gebracht - is er geen rechtsgeldige handeling gesteld waardoor de beroepstermijn wel zou zijn beginnen lopen. Het logische gevolg van het ontbreken van de rechtsgeldige kennisgeving is dat de beroepstermijn niet is beginnen lopen. Het gegeven dat de griffier van de arbeidsrechtbank wel bij gewone brief een afschrift van het vonnis heeft toegestuurd aan partijen/hun raadslieden op 15 februari 2006, doet daargaan geen afbreuk. Dergelijke toezending van het vonnis bij gewone brief is geen rechtsgeldige kennisgeving die de beroepstermijn deed ingaan, en heeft hierop geen enkele invloed gehad. Nu de beroepstermijn niet is beginnen lopen, wordt het door appellant op 19 mei 2006 ingestelde hoger beroep verondersteld tijdig te zijn. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Berechting Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht: Welzijnswet (pestwet) - kennisgeving bij gewone brief aan raadslieden - geen rechtsgeldige kennisgeving - hoger beroep - geen invoed op ingang beroepstermijn. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 792, lid 2 en 3 - 30 Link Justel databank 19671010-30 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht: Welzijnwet (pestwet) - kennisgeving bij gewone brief aan raadslieden - geen rechtsgeldige kennisgeving - hoger beroep - geen invloed op ingang beroepstermijn Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1051, lid 1 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Nota: Gerangschikt onder I A - Arikel 792, lid 2 en 3, onder I A - artikel 1051, lid 1, onder III AB - Artikel 79 §2, 5° en onder III AB - Artikel 32 ter, 2° (andere korte inhoud). - (I A) UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Algemeen Vrije woorden: Arbeidsreglementering - welzijn op hetwerk: beroepen bij de arbeidsgerechten - welzijnswet (pestwet) - kennisgeving bij gewone brief aan raadslieden - geen rechtsgeldige kennisgeving - hoger beroep - geen invloed op ingang beroepstermijn Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 79, §2, 5° - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Fiche 4 Uit het geheel van de aan zijn beoordeling voorliggende gegevens weerhoudt het Hof dat appellant, ingevolge de 'de-associatie' van de maatschap met zijn collega's-geneesheren in een voor hem nadelige financiële loonsituatie is beland, en dat hij zich daarnaast moeilijk kan verzoenen met de carrière-vlucht van dokter B. Dat geen van beide aspecten strookt met het persoonlijke verwachtingspatroon van appellant, en door hem subjectief als vernederend en beledigend werden/worden aangevoeld, volstaat echter op zich nog niet om van een pestgedrag in hoofde van de werkgever of van dokter B. te kunnen gewagen. Dat zulks binnen de eigen werkomgeving, in de samenwerking met zijn collega's en naar de werkgever toe, tot spanningen en animositeit heeft geleid/leidt, vermag geen verbazing te wekken, maar dergelijke gespannen werksituatie is op zich nog niet als pestgedrag te kwalificeren. Het Hof is van oordeel dat appellant het met de door hem aangevoerde grieven en elementen niet aannemelijk heeft gemaakt dat geïntimeerden zich schuldig hebben gemaakt aan pesterijen, zodat er geen toepassing moet worden gemaakt van een omkering van de bewijslast ten nadele van geïntimeerden. Kortom : het Hof is van oordeel dat niet gebleken is dat geïntimeerden zich schuldig hebben gemaakt aan pesterijen opzichtens appellant, op de wijze als gedefinieerd in artikel 32ter van de Welzijnswet. De eisen van appellant, gesteund op een toepassing van de bepalingen van de Pestwet, zijn ongegrond en worden afgewezen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Algemeen Vrije woorden: Arbeidsreglementering - welzijn op het werk: pesterijen op het werk - wet van 11 juni 2002 - geneesheer - 'de-associatie' van de maatschap met collega's - geneesheren - aandeel in de 'pool' - recht van vrije vereniging - bewijslast Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32 ter, 2° - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Nota: Gerangschikt onder I A - Arikel 792, lid 2 en 3, onder I A - artikel 1051, lid 1, onder III AB - Artikel 79 §2, 5° en onder III AB - Artikel 32 ter, 2° (andere korte inhoud). - (III AB) Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2060108 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN. In de zaak: J R, wonende te 3600 Genk, Sparrenlaan nr. 9, appellant, verschijnend bij mr. P. M, advocaat te Hasselt; tegen:
- P B, wonende te 3540 Herk-de-Stad, Stevoortweg nr. 168,
- V J, met zetel te 3500 Hasselt, Stadsomvaart nr. 11, geïntimeerden, verschijnend bij mr. K, advocaat te Hasselt. Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgende arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen tijdens de openbare terechtzitting van 16 oktober
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 5 september 2006, 20 maart 2007, 16 oktober 2007 en 6 november
- I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: - het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak tussen partijen op 13 februari 2006 en waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 19 mei 2006; - de conclusies, inhoudende incidenteel hoger beroep, van geïntimeerden ontvangen ter griffie op 18 augustus 2006; - de beschikking van 5 december 2006 overeenkomstig artikel 747 Ger. W. met bepaling van conclusietermijnen en rechtsdag; - de conclusies van appellant neergelegd ter griffie van het hof op 11 januari 2007; - de syntheseconclusies, inhoudende incidenteel beroep, van geïntimeerden ontvangen ter griffie van het hof op 8 februari 2007; - de conclusies van appellant ontvangen ter griffie op 13 september 2007; - de conclusies van geïntimeerden ontvangen ter griffie op 13 augustus 2007; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie neergelegd ter zitting van 6 november 2007; - de repliek op het advies van het openbaar ministerie van appellant neergelegd ter griffie op 20 november
- II. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
- Appellant J R is sedert 1983 als oncoloog-radiotherapeut tewerkgesteld bij tweede geïntimeerde, het V J (stuk 29 appellant). Tweede geïntimeerde is een openbaar ziekenhuis, dat als zodanig afhangt van het O.C.M.W. van H (cf. onder meer stukken 2, 25, 28, 29 appellant). Na afloop van een proefperiode van 2 jaar is appellant vanaf 1 juli 1985 in vast verband - statutair - benoemd bij tweede geïntimeerde, bij beslissing van de O.C.M.W.-Raad van 7 mei 1985 (stuk 28 appellant). Op 1 augustus 1988 werd appellant bij tweede geïntimeerde aangesteld als diensthoofd van de afdeling oncologie. Vanaf 1 juni 1999 werd appellant in deze functie herbevestigd (stuk 2 appellant). Appellant werd vergoed met een 'forfaitaire' statutaire vergoeding, vermeerderd met een variabel "poolaandeel" van de dienst waarin hij werkzaam was/is (cf. stukken 20, 21 en 25 appellant).
- Op 28 februari 1998 werd er, onder de benaming 'Limburgs Oncologisch Centrum' (L.O.C.) een samenwerkingsverband - een maatschap / een "pool" - opgericht binnen de dienst radiologie-oncologie van het VJ-Ziekenhuis, door de binnen deze dienst werkzame geneesheren (al dan niet statutair aangesteld): appellant, eerste geïntimeerde dr. P B, dr. D. V, dr. V. M, dr. M. B, dr. M. J, dr. J. J en dr. Y. S. Van alle via deze samenwerkings-"pool" gegenereerde inkomsten werden afdrachten gedaan aan het ziekenhuis (tweede geïntimeerde), ter bekostiging van de accommodatie, de personeelskosten en de ter beschikking gestelde logistieke middelen van de radiologisch-oncologische dienst. Tot deze kosten behoorden normalerwijze ook de statutaire vergoedingen, met inbegrip van de sociale en fiscale kosten, van de statutaire geneesheren. Het saldo dat na deze afdracht aan het ziekenhuis overbleef, werd vervolgens gelijkmatig verdeeld onder de artsen-oncologen van deze samenwerkings-"pool".
- Benevens de samenwerkings-"pool" L.O.C., zijnde een intern samenwerkingsverband tussen de geneesheren-oncologen van het VJ-Z, werd eind 2001 ook nog een V.Z.W. LIMBURGS ONCOLOGISCH CENTRUM (VZW L.O.C.) opgericht. In deze VZW wordt de kankerbehandeling georganiseerd in een ruimer samenwerkingsverband tussen meerdere ziekenhuizen, met name het VJ-Z (tweede geïntimeerde), het Z.O.L., en het C.A.Z. Midden Limburg.
- Met een brief van 23 januari 2002 liet elk der geneesheren waarmee appellant de maatschap (samenwerkings-"pool") L.O.C. aanging (zie hoger, sub II.2.) aan appellant weten dat de samenwerkingsovereenkomst van 26 februari 1998 beëindigd werd. Deze standaardbrief, door elk der geneesheren apart aangetekend verstuurd en ondertekend, luidt als volgt (stukken 4 appellant): "Betreft: opzegging samenwerkingsovereenkomst In het kader van de uitbouw van het Limburgs Oncologisch Centrum is op 26 februari 1998 een samenwerkingsovereenkomst afgesloten. Deze overeenkomst had tot doel om te komen tot een leefbare, rendabele samenwerking tussen artsen van verschillende ziekenhuizen en een goede kwalitatieve zorg van de patiënten uit die verschillende ziekenhuizen te bevorderen. Zoals herhaaldelijk is meegedeeld beantwoordt de wijze waarop er momenteel op grond van de destijds aangegane overeenkomst wordt samengewerkt in het Limburgs Oncologisch Centrum m.i. niet meer aan de initiële doelstellingen en afspraken. Bijgevolg zie ik mij genoodzaakt om de samenwerkingsovereenkomst van 26 februari 1998 te beëindigen met een vooropzeg van drie maanden, ingaand op 1 februari 2002 en eindigend op 30 april
- Dit schrijven is u gericht onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkentenis van mijnentwege. Met collegiale groeten, getekend .". De raadsman van appellant reageerde t.a.v. elk der ondertekenende geneesheren met een aangetekende brief van 23 april 2002 waarin gesteld werd dat appellant niet akkoord ging met de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst "en zodoende zijn activiteiten in de associatie verder zal waarnemen en zulks onder de geldende condities" (stukken 5 appellant). Het staat niet ter discussie dat, na de ontbinding van de maatschap, er tussen de 7 overblijvende artsen een nieuwe maatschap opgericht werd onder de benaming "GENEESHEREN LIMBURGS ONCOLOGISCH CENTRUM", en dat er vanaf 1 mei 2002 onderling tussen hen verder "gepoold" werd (cf. stuk 32 geïntimeerden). Nadien traden andere artsen-oncologen tot deze nieuwe maatschap toe. Appellant maakt vanaf 1 mei 2002 geen deel uit van deze nieuwe maatschap.
- Als gevolg van deze gewijzigde situatie is er klaarblijkelijk tussen appellant en tweede geïntimeerde een ernstig dispuut ontstaan inzake de bezoldiging van appellant. Appellant heeft in verband hiermee procedures tegen zijn werkgever (tweede geïntimeerde) opgestart bij de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt. Een eerste procedure werd bij deze rechtbank opgestart via dagvaarding van 31 augustus 2003 en was erop gericht om tweede geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van 26.495,98 EUR aan appellant (stuk 1 geïntimeerden). De rechtbank van eerste aanleg te Hasselt sprak in deze procedure op 30 september 2003 een vonnis uit waarbij geoordeeld werd dat deze procedure niet van aard was om behandeld te worden bij wijze van korte debatten en dat zij nog niet "in staat van wijzen" was, waarna de zaak naar de bijzondere rol verwezen werd (stuk 2 geïntimeerden). Tot op heden werd deze procedure klaarblijkelijk niet 'gereactiveerd'. In zijn verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd in onderhavige procedure bij het arbeidshof, heeft appellant eveneens melding gemaakt van een andere bij de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt ingeleide vordering, "ingesteld tot het bekomen van een gelijk aandeel in de pool van de inkomsten van de dienst oncologie". Appellant heeft daaromtrent nog vermeld (verzoekschrift hoger beroep, blz. 11): "-/- deze vordering werd in september 2005 ingeleid en op de inleidingszitting naar de rol verzonden".
- Via een verzoekschrift van 8 augustus 2005 heeft appellant opzichtens geïntimeerden een procedure opgestart bij de arbeidsrechtbank te Hasselt. Volgens het gedinginleidende verzoekschrift strekte deze vordering ertoe: "Te zeggen voor recht dat eerste gedaagde zich schuldig heeft gemaakt aan inbreuk op de welzijnswet ten nadele van verzoeker. Te zeggen voor recht dat eerste gedaagde zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan inbreuk op de welzijnswet minstens door haar stilzitten. Eerste en tweede gedaagde hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan verzoeker van een morele schadevergoeding van 25.000 euro te vermeerderen met de intresten. Te bevelen: Dat tweede gedaagde binnen de maanden na betekening van het tussen te komen vonnis een disciplinaire procedure zou opstarten opzichtens eerste gedaagde voor zijn inbreuk op de welzijnswet en hem tevens zou aanmanen zich te onthouden van elke inbreuk op de Welzijnswet opzichtens verzoeker. Dat tweede gedaagde binnen de maand vanaf betekening van het tussen te komen vonnis een verbod zou opleggen aan alle geneesheren-oncologen van haar dienst oncologie om nog professionele samenwerkingsverbanden binnen de dienst oncologie te bestendigen of op te richten waarbij verzoeker feitelijk en/of juridisch wordt uitgesloten. Dat tweede gedaagde van alle betrokken geneesheren samen met de bekendmaking van dit verbod schriftelijk zou eisen dat zij zich binnen de maand schriftelijk engageren zowel opzichtens haar zelf als opzichtens verzoeker rechtstreeks om binnen de maand een einde te stellen aan de bestaande samenwerkingsverbanden die een uitsluiting van verzoeker inhouden. Dat tweede gedaagde bij gebreke aan gunstig gevolg aan de vraag tot engagement en uitvoering binnen maand de nodige disciplinaire en juridische procedures dient op te starten en deze met bekwame spoed dient af te handelen. Dat tweede gedaagde binnen de ach dagen na betekening van het tussen te komen vonnis schriftelijk aan verzoeker dient mede te delen of hij al dan niet nog diensthoofd is en, zo neen, hem gelijktijdig de gemotiveerde beslissing dient mede te delen. Tweede gedaagde te veroordelen tot betaling van een dwangsom van 250 euro per dag vertraging aan verzoeker bij de uitvoering van deze bevelen. Tevens te bevelen: Dat eerste en tweede gedaagde zich vanaf datum van het tussen te komen vonnis dienen te onthouden van elke inbreuk op de welzijnswet opzichtens verzoeker onder verbeurte van betaling van een dwangsom van 5.000 euro per vastgestelde inbreuk. Eerste en tweede gedaagde te verwijzen tot de kosten van het geding. Het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niettegenstaande de aanwending van elk rechtsmiddel met uitsluiting van borgstelling en/of kantonnement" Via besluiten van 7 november 2005 vorderde appellant bijkomend nog "in ondergeschikte orde bij vonnis alvorens definitief recht te doen concluant te machtigen bewijs te leveren van inbreuk op artikel 32 ter van de wet van 4 augustus 1996 door verweerders met alle middelen van het recht inzonderheid het getuigenverhoor van minstens mevrouw P J, mevrouw R N, mevrouw L H, dokter D V en dokter J J". Middels conclusies van 7 december 2005 hebben geïntimeerden opzichtens appellant een tegeneis ingesteld, erop gericht om appellant te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 12.500,00 EUR aan elk der geïntimeerden, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten.
- Op 13 februari 2006 sprak de arbeidsrechtbank van Hasselt vonnis uit. Zowel de door appellant geformuleerde vordering als de door geïntimeerden ingestelde tegenvordering werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Partijen werden "in de door henzelf respectievelijk blootgestelde en geraamde kosten" verwezen.
- Appellant heeft bij dit hof beroep ingesteld tegen het vonnis van 13 februari 2006, middels een op 19 mei 2006 ter griffie van dit hof neergelegd verzoekschrift tot hoger beroep. III. EISEN IN HOGER BEROEP
- Appellant vordert om: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het bestreden vonnis teniet te doen; - de incidentele beroepen van eerste en tweede geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; Opnieuw recht doende: - te zeggen voor recht dat eerste geïntimeerde zich schuldig heeft gemaakt aan inbreuk op de Welzijnswet ten nadele van appellant, - te zeggen voor recht dat tweede geïntimeerde zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan inbreuk op de Welzijnswet minstens door haar stilzitten, - eerste en tweede geïntimeerde in beroep hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan appellant van een morele schadevergoeding van 25.000 EUR te vermeerderen met de intresten; Te bevelen: - dat tweede geïntimeerde binnen de maand na betekening van het tussen te komen vonnis een disciplinaire procedure zou opstarten opzichtens eerste geïntimeerde voor zijn inbreuk op de Welzijnswet en hem tevens zou aanmanen zich te onthouden van elke inbreuk op de Welzijnswet opzichtens appellant, - dat tweede geïntimeerde binnen de maand na betekening van het tussen te komen vonnis een verbod zou opleggen aan alle geneesheren-oncologen van haar dienst oncologie om nog professionele samenwerkingsverbanden binnen de dienst oncologie te bestendigen of op te richten waarbij appellant feitelijk en/of juridisch wordt uitgesloten, - dat tweede geïntimeerde van alle betrokken geneesheren, samen met de bekendmaking van dit verbod, schriftelijk zou eisen dat zij zich binnen de maand, schriftelijk engageren, zowel opzichtens haarzelf als opzichtens appellant rechtstreeks, om binnen de maand een einde te stellen aan de bestaande samenwerkingsverbanden die een uitsluiting van appellant inhouden, - dat tweede geïntimeerde, bij gebreke aan gunstig gevolg aan de vraag tot engagement en uitvoering binnen de maand, de nodige disciplinaire en juridische procedures dient op te starten en deze met bekwame spoed dient af te handelen, - dat tweede geïntimeerde binnen de acht dagen na betekening van het tussen te komen vonnis, schriftelijk aan appellant dient mede te delen of hij al dan niet nog diensthoofd is en, zo neen, hem gelijktijdig de gemotiveerde beslissing dient mede te delen; - tweede geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een dwangsom van 250 euro per dag vertraging aan concluant bij de uitvoering van deze bevelen; Tevens te bevelen: - dat eerste en tweede geïntimeerde zich, vanaf datum van het tussen te komen vonnis, dienen te onthouden van elke inbreuk op de Welzijnswet opzichtens appellant onder verbeurte van betaling van een dwangsom van 5.000 EUR vastgestelde inbreuk, - eerste en tweede geïntimeerde te verwijzen tot de kosten van beide aanleggen, - het tussen te komen arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, niettegenstaande de aanwending van elk rechtsmiddel met uitsluiting van borgstelling en/of kantonnement; - geïntimeerden tevens te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.
- Geïntimeerden vorderen om: - akte te nemen van het ingestelde incidenteel beroep; - voor wat betreft de ontvankelijkheid van het hoger beroep, akte te nemen dat zij zich naar de wijsheid van het hof gedragen; - het hoger beroep als niet gegrond af te wijzen; - ondergeschikt: akte te nemen van het door geïntimeerden geformuleerde getuigenaanbod; - appellant te veroordelen tot de kosten IV. BEOORDELING IV.a. Inzake de ontvankelijkheid van het hoger beroep
- Een niet-ondertekend afschrift van het vonnis van de arbeidsrechtbank van Hasselt d.d. 13 februari 2006 werd op 15 februari 2006 door de griffier van de arbeidsrechtbank aan de raadslieden van partijen verzonden, bij gewone brief, onder verwijzing naar artikel 792 Ger.W. (cf. stuk 13 van het rechtsplegingsdossier bij de arbeidsrechtbank). Op 20 april 2006 hebben geïntimeerden het vonnis t.o.v. appellant laten betekenen bij deurwaardersexploot. Met een verzoekschrift dat op 19 mei 2006 werd neergelegd ter griffie van het arbeidshof, heeft appellant dan hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
- De termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden zijn op straffe van verval voorgeschreven ( artikel artikelen 860, lid 2 en 862, § 1, 1( Ger.W.). Het verval moet desgevallend ambtshalve worden uitgesproken door de rechter (vgl. Cass. 12 december 1996, R.W. 1996-97, 1379). Het hof heeft op de openbare terechtzittingzitting van 20 maart 2007 de vraag gesteld naar de mogelijke onontvankelijkheid van het hoger beroep dat door appellant ingesteld werd tegen het vonnis a quo. Partijen werden verzocht om dienaangaande verder standpunt in te nemen, en daartoe werd de zaak dan voor verdere behandeling uitgesteld naar de openbare terechtzitting van 16 oktober
- In bijkomende conclusies hebben geïntimeerden verklaard dat zij zich naar de wijsheid van het hof bedragen m.b.t. de ontvankelijkheid van het door appellant ingestelde hoger beroep. Appellant van zijn kant heeft in conclusies ingeroepen (samengevat) dat de griffie van de arbeidsrechtbank het vonnis niet per gerechtsbrief ter kennis heeft gebracht van partijen, maar enkel toepassing heeft gemaakt van artikel 792, lid 1 Ger.W., doordat enkel bij gewone brief een niet-ondertekend afschrift van het vonnis werd verzonden aan de advocaten van partijen. Nu er geen gerechtsbrief werd aangewend, kan volgens appellant bezwaarlijk worden gesteld dat er toch een kennisgeving gebeurde overeenkomstig artikel 792, lid 2 en 3 Ger.W. Volgens appellant is de beroepstermijn ingegaan door de betekening via deurwaardersexploot van het vonnis op 20 april 2006, en was bijgevolg het daaropvolgend op 19 mei 2006 ingestelde hoger beroep tijdig en ontvankelijk. In zijn schriftelijk advies, in voorlezing gegeven op de terechtzitting van 6 november 2007, heeft het Openbaar Ministerie de stelling gehuldigd (samengevat) dat de voorgeschreven wijze van kennisgeving hier de kennisgeving bij gerechtsbrief is, dit conform de bepalingen van artikel 79, § 2, 5( van de Welzijnswet van 4 augustus
- In de visie van het Openbaar Ministerie is, ingevolge de kennisgeving van het vonnis door de griffier van de arbeidsrechtbank aan de raadslieden van partijen, de beroepstermijn van één maand ingegaan vanaf 15 februari 2006, en is het op 19 mei 2006 door appellant ingestelde hoger beroep laattijdig en bijgevolg onontvankelijk.
- Naar het oordeel van het hof is het door appellant bij dit hof ingestelde hoger beroep wel degelijk ontvankelijk. Het hof licht deze beoordeling hierna verder toe.
- De vordering van appellant kadert in de toepassing van hoofdstuk Vbis (de artikelen 32bis t/m 32octiesdecies) van de Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (hierna verder aangeduid als de Welzijnswet). In artikel 79, § 2, 5( van de Welzijnswet (onder hoofdstuk X, "beroep bij de arbeidsrechtbanken") is bepaald dat de vonnissen en arresten, uitgesproken in geschillen in verband met deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, "bij gerechtsbrief ter kennis worden gebracht aan de werkgever, aan de betrokken werknemers, aan de betrokken representatieve werknemersorganisaties alsmede aan de personen uitdrukkelijk bepaald door deze wet". Voorts wordt in de derde § van hetzelfde artikel gestipuleerd dat de Koning kan bepalen of - en binnen welke termijn - er hoger beroep of verzet kan worden aangetekend (en binnen welke termijn de arbeidsgerechten uitspraak doen), maar aan deze § werd tot op heden nog geen verdere uitvoering verleend. Gelet op de bepalingen van artikel 79, § 2, 5( van de Welzijnswet, had in principe de griffier van de arbeidsrechtbank het vonnis bij gerechtsbrief aan partijen ter kennis moeten brengen, Dit is ten onrechte niet gebeurd. De griffier van de arbeidsrechtbank heeft geen gerechtsbrief met het vonnis (of een afschrift ervan) verstuurd aan partijen, maar heeft er zich toe beperkt om enkel bij gewone brief een afschrift van het vonnis te versturen aan de raadslieden van partijen.
- De niet-toepassing door de griffier van de bepalingen van artikel 79, § 2, 5( van de Welzijnswet, heeft haar repercussies op de vervaltermijn om hoger beroep in te stellen tegen bedoeld vonnis. In toepassing van artikel 1051, lid 1 Ger.W. bedraagt de termijn om tegen een vonnis hoger beroep aan te tekenen één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis, of vanaf de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid Ger.W. Volgens artikel 792, lid 2 Ger.W. brengt de griffier, voor de zaken opgesomd in artikel 704, lid 1 Ger.W. lid, binnen de acht dagen (na de uitspraak) bij gerechtsbrief het vonnis ter kennis van partijen. Artikel 704, lid 1 Ger.W. geeft een opsomming van de zaken genoemd in de artikelen 508/16, 580, 2(, 3(, 6(, 7(, 8(, 9(, 10( en 11(, 581, 2(, 582, 1( en 2 en 583, waarvan de vorderingen ingeleid worden bij verzoekschrift. De betwistingen inzake de bepalingen van de Welzijnswet zijn echter niet vermeld in deze opsomming van artikel 704, lid 1 Ger.W. Dit impliceert echter nog niet dat de kennisgeving bij gerechtsbrief ervan, zoals voorgeschreven door artikel 79, § 2, 5( van de Welzijnswet, de beroepstermijn niet zou doen ingaan. De bedoeling van de wetgever bij de invoering van Hoofdstuk X, artikel 79 van de Welzijnswet bestond er juist in om een snelle en goedkopere procedure in te stellen (Memorie van Toelichting, Gedr. St. Kamer, nr. 71/1-1995), en bij de op dergelijke motieven gesteunde expliciete keuze van de wetgever voor een kennisgeving bij gerechtsbrief, moet worden aangenomen dat dergelijke kennisgeving de termijn om hoger beroep (of desgevallend cassatieberoep) wel degelijk doet ingaan. Het hof verwijst hier op dienende wijze naar uitspraken van het Hof van Cassatie waarbij dit, weliswaar in andere materies, ook in die zin opgevat werd. Het Hof van Cassatie oordeelde dat wanneer de kennisgeving bij gerechtsbrief voorgeschreven wordt door specifieke wettelijke bepalingen, en zelfs indien dit dan niet hernomen is in de opsomming van artikel 704, lid 1 Ger.W., dergelijke kennisgeving bij gerechtsbrief van aard is om de termijn van het hoger beroep te doen ingaan (vgl. onder meer Cass. 28 mei 1990, Arr. Cass. 1989-90, 1224; Cass. 26 mei 1994, Arr. Cass. 1994, 530; Cass. 22 november 1996, Arr. Cass. 1996, 1077; Cass. 3 september 1999, Arr. Cass. 1999, 1029; Cass. 28 februari 2002, Arr. Cass. 2002, 639, met noot adv-gen. B; vgl. eveneens de noot van V, P., bij een cassatiearrest van 17 januari 2005, R.A.B.G. 2005, blz. 843-947). In principe is het dus de kennisgeving van het vonnis bij gerechtsbrief, zoals voorgeschreven door artikel 79, § 2, 5( van de Welzijnswet, die de beroepstermijn doet lopen, zelfs nu dit artikel niet vermeld staat in de opsomming van artikel 704, lid 1 Ger.W. waaraan gerefereerd wordt door artikel 792, lid 2 Ger.W. (in dezelfde zin, vgl. Arbh. Brussel 16 december 2004, Soc. Kron. 2005, 449; Arbh. Luik 13 juni 2007, T. t/ S.A. F., A.R.nr. 34.173/06, onuitgegeven).
- De kennisgeving van het vonnis bij gerechtsbrief (door de griffier van de arbeidsrechtbank) is in principe de handeling die de termijn voor het instellen van het hoger beroep doet lopen. Nu deze handeling hier niet is verricht - de griffier heeft het vonnis niet bij gerechtsbrief aan partijen ter kennis gebracht - is er geen rechtsgeldige handeling gesteld waardoor de beroepstermijn wel zou zijn beginnen lopen. Het logische gevolg van het ontbreken van de rechtsgeldige kennisgeving is dat de beroepstermijn niet is beginnen lopen. Het gegeven dat de griffier van de arbeidsrechtbank wel bij gewone brief een afschrift van het vonnis heeft toegestuurd aan partijen/hun raadslieden op 15 februari 2006, doet daaraan geen afbreuk. Dergelijke toezending van het vonnis bij gewone brief is geen rechtsgeldige 'kennisgeving' die de beroepstermijn deed ingaan, en heeft hierop geen enkele invloed gehad. Nu de beroepstermijn niet is beginnen lopen, wordt het door appellant op 19 mei 2006 ingestelde hoger beroep verondersteld tijdig te zijn gedaan.
- Voor zoveel als nodig, en zonder afbreuk te doen aan het voorgaande, merkt het hof nog het navolgende op. Geïntimeerden hebben het vonnis aan appellant laten betekenen via deurwaardersexploot van 20 april 2006, waarna appellant een verzoekschrift tot hoger beroep heeft neergelegd op 19 mei
- Vanuit de eventuele de hypothese dat, bij gebrek aan rechtsgeldige kennisgeving van het vonnis via gerechtsbrief, de betekening van het vonnis via deurwaardersexploot dan wel zou moeten worden aangemerkt als een handeling die alsnog de beroepstermijn deed ingaan, is het daaropvolgende door appellant ingediende hoger beroep tijdig, aangezien het alsdan werd ingesteld binnen de door artikel 1051 Ger.W. bepaalde termijn, te rekenen vanaf de betekening.
- Concluderend: verwijzend naar de voorgaande overwegingen, is het hof van oordeel dat het hoger beroep tijdig ingesteld werd en dat het hoger beroep bijgevolg wel degelijk ontvankelijk is. De andersluidende argumentatie faalt en wordt door het hof verworpen.
- Het hof stelt vast dat geïntimeerden in hun op 8 februari 2007 neergelegde syntheseconclusie, in het motiverende gedeelte ervan, klaarblijkelijk eveneens een middel van onontvankelijkheid van het oorspronkelijke door appellant bij de arbeidsrechtbank ingestelde 'beroep' hebben aangevoerd. Het hof dient echter vast te stellen dat geïntimeerden, i.v.m. ditzelfde middel, dan in het 'dispositief' niet verzocht hebben om een ontoelaatbaarverklaring van de oorspronkelijke vordering van appellant, maar dat zij het hof verzochten om "het hoger beroep als niet ontvankelijk -/- af te wijzen". De eventuele (on)ontvankelijkheid van het hoger beroep is uiteraard niet vereenzelvigbaar met de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering, ingeleid bij de arbeidsrechtbank. M.b.t. het door geïntimeerden aangevoerde middel, volgens het dispositief van hun besluiten slaande op de eventuele onontvankelijkheid van het hoger beroep, maar klaarblijkelijk appellerend aan een middel van onontvankelijkheid dat betrekking heeft op de oorspronkelijke bij de arbeidsrechtbank ingestelde vordering, dient het hof vast te stellen dat er geen valabele argumenten ter ondersteuning ervan voorliggen. Het hof meent dat er op dergelijke grondslag geen enkele geldige reden voor een eventuele onontvankelijkheid van het hoger beroep kan worden ontwaard, en wijst de andersluidende vordering van geïntimeerden af. Het door geïntimeerden aangevoerde middel, inzake de (on)ontvankelijkheid van de oorspronkelijke door appellant bij de arbeidsrechtbank ingestelde vordering, wordt door het hof verder besproken bij de beoordeling ten gronde (zie hierna, sub IV.b.2.).
- Rest er te vermelden dat ook het door geïntimeerden tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank van Hasselt van 13 februari 2006 middels beroepsbesluiten ingestelde incidenteel beroep ontvankelijk is. IV.b. Ten gronde.
- Onderhavige geschil kadert in de toepassing van de zogenaamde Pestwet. Hiermee wordt bedoeld, de wet van 11 juni 2002 waarbij de wetgever een aantal maatregelen heeft ingevoerd met het oog op de voorkoming, behandeling en sanctionering van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. Deze wettelijke bepalingen werden geïncorporeerd in de Welzijnswet, die hiertoe uitgebreid werd met een hoofdstuk Vbis. Deze wet (en het erbij horende uitvoerings-K.B. van 11 juli 2002) is in werking getreden op 1 juli
- Appellant houdt voor dat hij op het werk het slachtoffer is van pesterijen. Artikel 32ter, sub 2( van de Welzijnswet definieert de navolgende handelwijze als pesterijen op het werk: "elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, buiten of binnen de onderneming of instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden en bedreigingen, handelingen en gebaren, en eenzijdige geschriften dat tot doel of gevolg heeft dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een werknemer of een ander persoon, waarop dit hoofdstuk van toepassing is bij de uitvoering van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.". Het (al dan niet vermeende) slachtoffer van pesterijen heeft krachtens de wettelijke bepalingen verschillende actiemogelijkheden (cf. artikelen 32nonies en 32decies Welzijnswet), met name: - het intern indienen van een klacht bij de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur; - het indienen van een klacht bij de politie, het openbaar ministerie of de arbeidsauditeur; - het instellen van een vordering tot staken voor de arbeidsrechtbank; - het instellen van een vordering tot schadevergoeding.
- Appellant heeft, zonder de eerste 2 van de hiervoren vermelde actiemogelijkheden aan te wenden, gebruik gemaakt van de laatste twee vermelde mogelijkheden, middels een rechtsreeks bij de arbeidsrechtbank ingestelde vordering. Geïntimeerden voeren in dit verband aan dat de door appellant ingestelde oorspronkelijke vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien appellant zich rechtstreeks tot de arbeidsrechtbank heeft gewend zonder eerst de 'interne procedure' te volgen (geïntimeerden stellen dienaangaande incidenteel beroep in tegen het vonnis a quo, alwaar er anders over werd geoordeeld). De vigerende wettelijke bepalingen laten echter een rechtstreeks beroep bij de arbeidsrechtbank toe, zonder een voorafgaande uitputting van de 'interne procedure(s)'. De vrijheid van de benadeelde om een actiemiddel te kiezen wordt bevestigd in artikel 32nonies van de Welzijnswet en in artikel 15 van het uitvoerings-K.B. van 11 juli
- Een rechtstreeks bij de arbeidsrechtbank ingesteld beroep, zonder voorafgaandelijk een beroep te doen op de 'interne procedure', is derhalve uit hoofde van de wet zelf toelaatbaar. Het daaromtrent door geïntimeerden aangevoerde andersluidende middel (van onontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering van appellant), ingesteld bij wijze van incidenteel beroep tegen het vonnis a quo, druist in tegen de toepasselijke wetsbepalingen zelf en wordt door het hof verworpen. De oorspronkelijke door appellant bij de arbeidsrechtbank ingestelde vordering was/is dus wel degelijk ontvankelijk. Het incidenteel beroep is ongegrond.
- Hoewel het voorafgaand naleven van de 'interne procedure' niet vereist is om een vordering te kunnen instellen bij de arbeidsrechtbank, is het toch een element dat zijn belang heeft bij de terzake toepasselijke bewijslastregeling. De Pestwet bevat namelijk specifieke bepalingen inzake de bewijslastregeling, in geval van een bij de arbeidsrechtbank in het kader van deze wet ingestelde vordering. Artikel 32undecies van de Welzijnswet bepaalt het navolgende: "Wanneer een persoon die een belang kan aantonen, voor het bevoegde rechtscollege feiten aanvoert die het bestaan van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kunnen doen vermoeden, valt de bewijslast dat er zich geen geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk hebben voorgedaan ten laste van de verweerder". Volgens de tekst en draagwijdte van artikel 32undecies van de Welzijnswet is er dus niet zonder meer sprake van een omkering van de bewijslast ten nadele van de 'verweerder', maar dient ook de aanklager van het pestgedrag zijn aandeel in de bewijslast te leveren. Uit de toepasselijke wettekst blijkt namelijk dat de aanklager zelf eerst feiten dient aan te voeren die het bestaan van pesterijen kunnen doen vermoeden, om zich te kunnen beroepen op de omkering van de bewijslast. Zulks impliceert dat de loutere bewering van pestgedrag of het louter aanvoeren in de zin van het poneren van feiten niet voldoende is (vgl. VERHELST, I., "Twee en een half jaar Pestwet: een analyse van de rechtspraak, Or. 2005, 30-32; CORDIER, J.P., "La loi du 11 juin relative à la protection contre la violence et le harcèlement moral ou sexuel au travail, J.T.T. 2002, 392). De belanghebbende dient met andere woorden duidelijk omschreven en concrete gedragingen van personen aan te voeren waaruit men bovendien moet kunnen afleiden dat hij het slachtoffer is van onrechtmatig pestgedrag in de zin van de wet. Dit houdt onder meer in dat de aangevoerde feitelijkheden voldoende in tijd en ruimte moeten omschreven zijn, en toe te rekenen moeten zijn aan identificeerbare personen (vgl. Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt 22 juni 2004, R.W. 2004-2005, 1624). Uit de voorbereidende werken van de Pestwet blijkt wat de wetgever beoogde met het aannemelijk maken van feiten waardoor de bewijslast omgekeerd wordt (Verslag namens de commissie voor sociale zaken bij het wetsontwerp betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, Parl. St., Kamer, 2001-2002, doc. 50, 1583/005, p. 35 e.v.): "de omkering van de bewijslast geldt alleen als de werknemer/slachtoffer kan aantonen dat hij een belang heeft. Dat zal hij moeten doen aan de hand van het verslag van de preventieadviseur en door toedoen van de verschillende personen die getracht hebben het probleem op te lossen binnen de onderneming -/- Deze verantwoording zal geschieden door de indiening van de rapporten van de preventieadviseur en de medische inspectie, die de elementen van geweld of pesterijen vaststellen". Uit deze vermeldingen blijkt dat de wetgever veel belang hechtte aan de interne procedure en aan de mogelijkheid die erdoor verschaft werd ten bate van het slachtoffer om in het kader van de bewijslast over een begin van bewijs te beschikken, en om alzo de bewijslast te leggen bij de persoon die zich aan het ongewenste gedrag schuldig zou maken (Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, Parl. St., Kamer, 2001-2002, doc. 50, 1583/001, 20). Het ontbreken van gegevens uit de 'interne procedure' om reden dat de aanklager deze procedure niet heeft uitgeput, bemoeilijkt zijn positie in het kader van de door hem vooreerst bij te brengen elementen en stukken, die het beweerde pestgedrag aannemelijk moeten maken. Het hof stelt vast dat appellant zich in deze positie bevindt. Appellant heeft geen gebruik heeft gemaakt van de in de wet voorziene 'interne procedure(s)'. Bij gebrek aan gegevens en elementen die gebeurlijk uit de 'interne procedure(s)' hadden kunnen blijken indien dergelijke procedure zou zijn gevolgd (hetgeen dus niet het geval is), komt het aan appellant toe om hier afdoende concrete gegevens bij te brengen die een onrechtmatig pestgedrag opzichtens zijn persoon aannemelijk zouden kunnen maken. Het hof onderzoekt hierna verder, aan de hand van de door appellant bijgebrachte stukken en gegevens en aan de hand van de daaromtrent door geïntimeerden aangevoerde repliek (en bijhorende stukken), of de feiten en gegevens die appellant aanvoert een onrechtmatig pestgedrag opzichtens zijn persoon aannemelijk maken, en/of er sprake is van pestgedrag.
- In onderhavige procedure vermeldt appellant, ter ondersteuning van zijn bij het arbeidsgerecht ingestelde vorderingen, een aantal grieven. Het hof merkt op dat, voor de weergave hiervan, in essentie dient te worden teruggegrepen naar hetgeen daaromtrent door appellant vermeld werd in zijn verzoekschrift tot hoger beroep; in zijn latere besluiten heeft appellant het als zodanig niet meer gehad (althans niet op systhematische en/of gestructureerde wijze) over concrete gegevens die volgens hem op pestgedrag wijzen, maar heeft hij zich veeleer beperkt tot het bekritiseren van de verweermiddelen die door geïntimeerden werden geformuleerd op de door appellant daaromtrent eerder in zijn verzoekschrift tot hoger beroep geformuleerde grieven en bijhorende gegevens. Appellant vermeldt navolgende gegevens/grieven die volgens hem als pestgedrag moeten worden aangemerkt: 1/ opzeg van de maatschapovereenkomst; 2/ oprichting van een nieuwe maatschap tussen alle artsen-oncologen met uitsluiting van verzoeker; 3/ interne exclusiviteitsovereenkomst tussen de geneesheren van de nieuwe maatschap; 4/ inhouding van de inkomsten van verzoeker door de ziekenhuisdirectie; 5/ verhindering van het uitoefenen van een openbare functie; 6/ uitholling van de functie van diensthoofd - onwettige detachering van statutaire geneesheren naar een private vennootschap; 7/ informatie-embargo; 8/ andere pesterijen. Het hof bespreekt hierna verder deze door appellant vermelde gegevens/grieven, uiteraard getoetst in functie van de toepassing en repercussies op het vlak van de Pestwet-reglementering.
- Het hof stelt vast dat de door appellant aangehaalde eerste 4 grieven - "opzeg van de maatschapovereenkomst; oprichting van een nieuwe maatschap tussen alle artsen-oncologen met uitsluiting van verzoeker; interne exclusiviteitsovereenkomst tussen de geneesheren van de nieuwe maatschap; inhouding van de inkomsten van verzoeker door de ziekenhuisdirectie" - als zodanig in rechtstreeks verband staan met het feitelijke gegeven van de 'de-associatie' die zich voltrok in januari 2002 en die zijn definitief beslag kreeg per 1 mei 2002 (zie hoger, sub. II.4). De geneesheren-collega's waarmee appellant tot dan samenwerkte binnen één maatschapsovereenkomst ("pool") lieten op 23 januari 2002 schriftelijk aan appellant weten de maatschap met hem te willen beëindigen, en hebben zich vervolgens vanaf 1 mei 2002 opnieuw onderling georganiseerd in een nieuwe maatschap (samenwerkingsovereenkomst, "pool"), zonder appellant. Het gevolg hiervan was/is dat appellant zijn inkomsten, die hij voor een deel genereerde uit zijn aandeel in de "pool", in aanzienlijk mate zag verminderen. Sedert de 'de-associatie' ontvangt appellant klaarblijkelijk enkel nog het aan een statutair aangestelde geneesheer toekenbare basisloon (overeenstemmend met de categorie waar appellant als statutair benoemd geneesheer onder valt). Appellant ontvangt echter geen "pool"-aandeel meer. Dit betreft in feite de essentie van het geschil, en vormt onmiskenbaar het basismotief voor de door appellant bij de arbeidsrechtbank (het arbeidshof) ingestelde vordering. Het gaat als zodanig om een loonbetwisting tussen appellant en zijn werkgever, betwisting die rechtstreeks is voortgevloeid uit de gewijzigde situatie ten gevolge van de vermelde 'de- associatie' gedurende het voorjaar van
- In verband met de kern van dit geschil - in se een loonbetwisting - merkt het hof vooreerst op dat de arbeidsgerechten in principe niet materieel bevoegd zijn om er zich in te mengen en/of om er zich over uit te spreken, aangezien er hier in hoofde van appellant sprake is van een tewerkstelling in statutair dienstverband, waarvoor de arbeidsgerechten als zodanig niet bevoegd zijn. Appellant neemt hier overigens zelf een dubbele houding aan. Enerzijds verwacht hij in het kader van zijn in onderhavige procedure geformuleerde eisen dat het arbeidsgerecht zich rechtstreeks in dit loongeschil zou mengen, maar anderzijds geeft appellant dan aan dat hij m.b.t. het niet meer genieten van een gelijk aandeel uit de inkomsten van de samenwerkingspool een procedure ingesteld heeft bij de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, en dat dit punt geen voorwerp uitmaakt van huidige procedure (cf. het verzoekschrift tot hoger beroep van appellant, blz. 9-11). Dit zijn twee van éénzelfde procespartij afkomstige stellingen die onderling niet met elkaar verzoenbaar zijn. Van twee zaken één. Verwijzend naar hetgeen het hof hier gesteld heeft i.v.m. zijn materiële onbevoegdheid, en gelet op het daaromtrent door appellant zelf ingenomen standpunt, spreekt het hof zich voorts niet uit over het financiële geschil ten gevolge van de door de collega's van appellant doorgevoerde 'de-associatie'. In het kader van zijn saisine - dus in zoverre het gaat om de beoordeling van de vordering van appellant in toepassing van de Pestwet - spreekt het hof zich (uiteraard) wel verder uit over de vermelde problematiek.
- M.b.t. de problematiek van de vermelde 'de-assoaciatie' en hetgeen appellant daaromtrent aangevoerd heeft, merkt het hof voor zoveel als nodig en volledigheidshalve op dat er, rekening houdend met de wettelijke grondslag (de Pestwet) waar appellant zijn vordering in onderhavige procedure op steunt en waarover het hof zich wel vermag uit te spreken, bijkomend nog een probleem rijst inzake de werking van de wet in de tijd. De Pestwet is slechts in werking getreden op 1 juli
- De 'de-associatie' door de collega's van appellant, en de vorming van een nieuwe maatschap zonder appellant, was afgerond op 1 mei 2002 en kende zodoende zijn beslag vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wettelijke bepalingen. De vermelde 'de-associatie' en de vorming van een nieuwe maatschap zonder appellant zijn als zodanig eenmalige handelingen geweest die dateren van vóór de inwerkingtreding van de Pestwet en die bijgevolg in beginsel, gelet op het algemene principe van de niet-retroactiviteit van de wetten, niet onder de toepassing ervan vallen.
- In zoverre het zou gaan om handelingen waarvan de uitvoering en gevolgen voortduren en zich uitstrekken na de inwerkingtreding van de Pestwet (vanaf 1 juli 2002), kwam het inzake het feit van de 'de-associatie' aan appellant toe om duidelijk omschreven en concrete gedragingen van personen aan te voeren die het aannemelijk zouden maken dat hij na de inwerkingtreding van de Pestwet het slachtoffer zou zijn geworden van een dienaangaande vaststelbaar onrechtmatig pestgedrag in de zin van de wet (zie hoger, sub IV.b.3.). Merkwaardig in dit verband is alleszins het gegeven dat appellant pas op 8 augustus 2005, zijnde meer dan 3 jaren na het feit van de 'de-associatie', actie ondernomen heeft middels onderhavige procedure bij het arbeidsgerecht. Of, op zich beschouwd, het feit van het laten voortduren van de vanaf 1 mei 2002 nieuwe gevormde maatschap, zonder appellant, als pestgedrag in de zin van bedoelde wetgeving moet worden beschouwd, blijkt volgens het hof onvoldoende uit de terzake door appellant aangevoerde gegevens en afwegingen, die dergelijk pestgedrag aannemelijk zouden moeten maken. Zoals door geïntimeerden (onder verwijzing naar de door de arbeidsrechtbank in het vonnis a quo gehanteerde overwegingen) terecht werd aangegeven, kunnen degenen die zich in een samenwerkingsovereenkomst of maatschap wensen te associëren, vanuit legistiek standpunt beschouwd niet worden verplicht tot het aangaan van een maatschap met iemand met wie ze dit niet wensen te doen. Vanuit die optiek en gelet op de vrijheid van vereniging stond het de collega's van appellant vrij om zonder hem een maatschap te vormen, en om in die context onderling verder samen te werken en te "poolen". Dergelijke uitoefening van het recht van vrije vereniging is als zodanig niet als pestgedrag in de zin van de Pestwet aan te merken.
- Overigens schijnt het het hof toe dat de redenen die de collega's-geneesheren van appellant hebben aangezet tot het vormen van een nieuwe maatschap zonder appellant, ogenschijnlijk niet zonder grond zijn. Uit de door geïntimeerde voorgelegde stukken blijkt dat appellant, toen hij nog deel uitmaakte van de tot 1 mei 2002 bestaande oude maatschap, klaarblijkelijk op het vlak van de klantenconsultaties aanzienlijk minder prestaties leverde dan de collega's waarmee hij toen geassocieerd was. Uit de door geïntimeerden ter illustratie voorgelegde gegevens over de periode van 1 januari 1999 t/m maart 1999 bleek dat appellant maximaal ca. 4 % van de patiëntenconsultaties voor zijn rekening nam, terwijl dit voor de andere geneesheren van de maatschap 17 % tot 33 % beliep. Niettemin de verhoudingsgewijze minder gerealiseerde prestaties, ontving appellant toch een aandeel uit de toenmalige samenwerking-"pool", gelijkwaardig aan dat van de andere collega's-geneesheren. Dat dergelijke discrepantie tussen de prestaties van appellant en zijn vergoeding uit de maatschapsovereenkomst de wrevel en het ongenoegen van de andere geassocieerde collega's zal hebben opgewekt, vermag geen verbazing te wekken. Voorts is er het gegeven dat appellant zich klaarblijkelijk, en dit in tegenstelling tot de collega's-geneesheren, niet wenste te accrediteren (en dus evenmin de daarmee in verband staande bijscholingen volgde), hetgeen allicht ook niet van aard zal zijn geweest om de samenwerking met zijn collega's-geaccrediteerden te bevorderen. Uit de door geïntimeerden bijgebrachte stukken blijkt eveneens dat appellant, hoewel uitgenodigd voor de vergaderingen van het LOC, hierop veelvuldig afwezig bleef (cf. stukken 7, 19 en 24 geïntimeerden). Dergelijk gebrek aan deelname aan vergaderingen zal uiteraard de communicatie en samenwerking binnen de toenmalige maatschap evenmin gestimuleerd hebben. Uit de beschikbare stukken blijkt volgens het hof ook dat er reeds vanaf eind 2000 door de geneesheren-collega's, deel uitmakend van de toenmalige maatschap, aangedrongen werd op een financiële vergoeding in verhouding met de lagere activiteit van appellant binnen de dienst, en dat er hem een trapsgewijze afbouwregeling werd voorgesteld. Zo richtten bijvoorbeeld de geneesheren-collega's op 13 februari 2001 een brief aan appellant waarin werd voorgesteld om het aandeel van appellant in de "pool" als volgt te beperken (stuk 5 geïntimeerden): van 1 mei 2001 tot 30 april 2002: 75 % van een volledig deel; van 1 mei 2002 tot 30 april 2003: 50 % van een volledig deel; van 1 mei 2003 tot 30 april 2004: 25 % van een volledig deel. Klaarblijkelijk heeft appellant ten aanzien van zijn collega's-geneesheren mondeling en schriftelijk te kennen gegeven akkoord te gaan met een afbouwregeling, waarvan de modaliteiten dan nog moesten worden uitgewerkt (cf. stukken 6, 7, 11, 12, 13, 16 geïntimeerden). Tijdens een vergadering van het LOC van 3 december 2001 formuleerde appellant uiteindelijk een ander (voor hem voordeliger) afbouwvoorstel, dan datgene waarvan voorheen sprake was (stuk 17 geïntimeerden). Voor de daaropvolgende vergadering van het LOC van 17 december 2001, waarop als enige agendapunt de afbouwregeling van appellant voorzien was, liet appellant zich dan verontschuldigen, met de bijkomende vermelding dat zijn raadsman "voor de finalisering afbouwregeling" nog contact met de collega's zou opnemen (stuk 19 geïntimeerden). Ook voor de volgende vergadering van het LOC, gepland voor 6 januari 2002, liet appellant zich verontschuldigen (stuk 25 geïntimeerden). Het uitblijven van een duidelijk standpunt van de zijde van appellant i.v.m. de eerder door hem toegezegde afbouwregeling had onder meer eveneens tot gevolg dat de vlotte invulling van de vacature van een vervangende geneesheer-radioloog in het gedrang kwam (cf. stuk 26 geïntimeerden). Het hof stelt derhalve vast dat appellant zich inzake een eventuele afbouwregeling wel akkoord had verklaard met het principe ervan, maar dat hij bij de concrete finalisering ervan 'de boot afhield', niettegenstaande hem door zijn collega's-geneesheren herhaaldelijk om duidelijkheid was verzocht. Het is het achterwege blijven van een dienende reactie van de zijde van appellant die zijn collega's-geneesheren er dan klaarblijkelijk toe heeft aangezet om zich op 23 januari 2002 van appellant te 'de-associëren', om vervolgens zonder hem een nieuwe maatschap op te richten. Het is duidelijk dat de voorafgaande handelwijze van appellant hieraan niet vreemd was. Uit het geheel van de aldus beschikbare gegevens weerhoudt het hof dat de collega's van appellant de samenwerking met appellant in het kader van een maatschap niet wensten te bestendigen, en dat zij daar vervolgens naar gehandeld hebben. Dat appellant deze gebeurtenissen naderhand, toen de repercussies ervan op de omvang van zijn loon duidelijk werden, persoonlijk als onrechtvaardig ervaren heeft, komt het hof plausibel voor, maar dergelijke subjectieve beleving van de zijde van appellant maakt het nog niet aannemelijk dat er sprake is van pestgedrag opzichtens hem, zoals bedoeld in de Pestwet. Bovendien merkt het hof op, inzake het aspect van het (vormen en) laten voortbestaan van de maatschap zonder appellant, dat appellant als zodanig geen concrete elementen heeft aangebracht die erop zouden wijzen dat deze handelwijze concreet toeschrijfbaar zou zijn geweest aan eerste geïntimeerde. Appellant poneert dit wel, doch voert geen concrete elementen aan waaruit dit effectief blijkt.
- In beroepsbesluiten heeft appellant bijkomend aangevoerd dat er binnen de nieuwe maatschap afspraken werden gemaakt om patiënten enkel door te sturen aan collega's-geassocieerden, en niet aan appellant. Dergelijke handelwijze maakt klaarblijkelijk deel uit van de (naar het oordeel van het hof) weinig verheffende 'kartelafspraken' die eigen blijken te zijn aan een georganiseerde samenwerking tussen ziekenhuisgeneesheren in "pool"-verband en waarbij er door de geassocieerden naar gestreefd wordt om de prestaties zoveel mogelijk in het eigen samenwerkingsverband te behouden en om op die wijze de eigen inkomsten (overigens deels afkomstig van gemeenschapsgelden, gelet op de minstens gedeeltelijke terugbetaling van medische verstrekkingen via het wettelijke Z.I.V.-systeem) te maximaliseren. Los van de eventuele beschouwingen over de maatschappelijke wenselijkheid (en -kostprijs) van dergelijke kartelvorming tussen ziekenhuisgeneesheren werkzaam in een 'openbaar ziekenhuis', zijn er volgens het hof echter onvoldoende objectiveerbare elementen voorhanden die erop wijzen dat er te dezen binnen de nieuwe maatschap speciale afspraken zouden zijn gemaakt, specifiek erop gericht om appellant te treffen (die overigens geen problemen had met het gehanteerde systeem toen hij nog wel deel uitmaakte van de oude maatschap). Als zodanig zijn er geen gegevens voorhanden op grond waarvan uit dergelijke mogelijke 'kartelafspraken' een (eventueel aan bepaalde personen toerekenbaar) pestgedrag kan worden afgeleid.
- Inzake de door appellant aangevoerde (vijfde) grief, dat hem het uitoefenen van een openbare functie verhinderd zou worden, meent het hof dat er door appellant evenmin afdoende concrete elementen of gegevens werden bijgebracht die een pestgedrag aannemelijk zouden maken. Na de de-associatie en de vorming van de nieuwe maatschap door de collega's-geneesheren is appellant blijven verderwerken bij tweede geïntimeerde in zijn functie van geneesheer-radioloog (oncoloog), dit tot op heden. Deze praktijk en realiteit zelf bewijst dat de uitoefening van de functie van appellant niet verhinderd werd. Ook hier komt appellant bij zijn argumentatie steevast terug op de 'degradatie' van zijn loon ingevolge de de-associatie, maar daaromtrent verwijst het hof op dienende wijze naar hetgeen hij hoger reeds overwogen heeft (zie hoger, sub IV.b.6.), zonder dat dit thans nog herhaling behoeft.
- Als zesde grief maakt appellant vooreerst melding van een uitholling van zijn functie van diensthoofd. Op 1 augustus 1988 werd appellant bij tweede geïntimeerde aangesteld als geneesheer-diensthoofd oncologie. Op 31 mei 1999 liet het beheerscomité van tweede geïntimeerde aan appellant weten dat beslist werd om "bij wijze van continuïteit" appellant verder de functie van geneesheer-diensthoofd Oncologie te laten uitoefenen vanaf 1 juni
- In bedoelde brief werd hieraan nog toegevoegd dat het, gezien de toekomstige structuur van het L.O.C. en in afwachting van meer klaarheid over de verschillende functies en noden in en buiten het ziekenhuis, geen "heraanstelling" betrof en dat er bijgevolg geen einddatum van dit mandaat kon worden vooropgesteld (stuk 2 appellant). Het hof stelt vast dat sedert deze beslissing van 31 mei 1999 geen andere beslissing aan appellant ter kennis werd gebracht waarbij hem de functie ontzegd zou zijn. Bij gebrek aan dergelijke 'ontzeggende' beslissing, is er geen sprake van dergelijke handeling in het nadeel van appellant. Appellant heeft het dan wel over een feitelijke uitholling van zijn functie van diensthoofd-oncoloog, maar naar het oordeel van het hof gaat het eerder om de gevolgen en de uitwerking van een ganse reorganisatie van de dienst radiologie-oncologie, zowel intern bij tweede geïntimeerde zelf, als in het kader van de zich verder ontwikkelende samenwerking met andere ziekenhuizen. Dat dergelijke gewijzigde organisatiestructuur een impact heeft gehad op de voorheen door appellant uitgeoefende functie is mogelijk. De beslissing tot - en de wijze van - (re)organisatie van een bepaalde dienst door tweede geïntimeerde, een openbaar ziekenhuis, en de aanstellingen in bepaalde functies van haar statutaire personeelsleden (waaronder appellant) ontsnapt als zodanig echter aan de appreciatiemogelijkheid van een arbeidsgerecht. Het hof vermag zich niet uit te spreken over de opportuniteit van de in dat verband door het openbaar bestuur (hier een 'openbaar ziekenhuis') ten aanzien van zijn statutaire personeelsleden getroffen beslissingen, aangezien dit niet tot zijn materiële bevoegdheid behoort (vgl. hoger, sub IV.b.6.). Het hof oefent terzake slechts een marginale toetsing uit, in functie van onderhavige betwisting. Het hof vermag zich daarbij slechts uit te spreken over de vraag of er daarbij eventueel sprake is van pestgedrag, als bedoeld in de Pestwet. Zoals hoger vermeld, kwam het vooreerst aan appellant toe om desbetreffend voldoende in tijd en ruimte te situeren concrete feitelijkheden aan te voeren (toe te rekenen aan identificeerbare personen), die een onrechtmatig pestgedrag opzichtens zijn persoon aannemelijk zouden kunnen maken (cf. hoger, sub IV.b.3.). Dergelijke voldoende geconcretiseerde elementen zijn naar het oordeel van het hof niet voorhanden. Ook inzake deze door appellant aangevoerd grief, ontwaart het hof geen concrete elementen die een pestgedrag, verwijtbaar aan hetzij eerste dan wel tweede geïntimeerde, aannemelijk zouden maken.
- Hetzelfde geldt voor de in dezelfde context door appellant geponeerde (en aan tweede geïntimeerde verweten) "onwettige detachering van statutaire geneesheren naar een private vennootschap". Dat er bij tweede geïntimeerde een reorganisatie van de dienst radiologie-oncologie werd doorgevoerd, en dat er via een andere organisatiestructuur (via de VZW L.O.C.) met andere ziekenhuizen werd samengewerkt, is best mogelijk, maar het hof ziet niet in, en appellant voert daaromtrent geen dienende concrete elementen aan, hoe dit als 'pestgedrag' vermag te worden aangemerkt. De in dit verband door appellant geponeerde algemene opmerking heeft derhalve, in functie van de beslechting van onderhavig geschil, geen relevantie.
- Als zevende grief stelt appellant voorop dat er sprake is van een "informatie-embargo" dat ten aanzien van hem zou worden doorgevoerd, zowel m.b.t. tot zijn inkomen, zijn dienst, het V J als de VZW L.O.C. Als concreet voorbeeld verwijst appellant naar het hem niet verstrekken van een antwoord op zijn aan tweede geïntimeerde bij herhaling gestelde vraag of hij al dan niet nog diensthoofd zou zijn. Het hof verwijst hier naar hetgeen hij hoger reeds overwogen heeft (zie hiervoren, sub IV.b.12); sedert de beslissing van 31 mei 1999 waarbij de functie van appellant van diensthoofd bevestigd werd, heeft tweede geïntimeerde geen 'ontzeggende' beslissing getroffen. Het feitelijk gegeven dat tweede geïntimeerde ten aanzien van appellant niet telkenmale een "herbevestiging" kenbaar maakte, wanneer appellant daarop aandrong, is nog niet als een pestgedrag in de zin van de Pestwet aan te merken. Hetgeen appellant duidelijk erg dwarszit, is het feitelijke gegeven dat eerste geïntimeerde, dr. Bulens, ingevolge de gewijzigde herstructurering van de dienst radiologie en in het kader daarvan met andere ziekenhuizen gerealiseerde samenwerkingsverband, zich tot de leidende figuur heeft ontpopt. Het hof ziet echter niet in hoe de positieve carrièrevlucht van eerste geïntimeerde, die overigens van in 1999 reeds tot 'kliniekhoofd radiotherapie' werd benoemd (stuk 3 geïntimeerden), als een pestgedrag opzichtens appellant vermag te worden geïnterpreteerd. Appellant voelt zich klaarblijkelijk gepasseerd door eerste geïntimeerde, en mogelijkerwijze is hij dat ook, maar dit impliceert uiteraard nog niet dat het gaat om opzichtens hem ten toon gespreide pesterijen.
- In het kader van het door appellant aan geïntimeerden verweten "informatie-embargo", poneert appellant dat eerste geïntimeerde (dr. Bulens) "de medewerkers van de dienst intimideert om niet te antwoorden op de vragen van verzoeker om informatie". Dergelijke niet nader geconcretiseerde algemene stellingname (wanneer?; op welke wijze?; ten overstaan van wie?; m.b.t. welk gegeven?; in welke bewoordingen?; enz.) volstaat in genendele als argumentatie op grond waarvan een pestgedrag door eerste geïntimeerde aannemelijk zou zijn gemaakt, en er dient derhalve m.b.t. deze grief geen toepassing van de omkering van de bewijslast te worden gemaakt (zie hoger, sub IV.b.3.). Ook hier zijn er onvoldoende geconcretiseerde gegevens waaruit een pestgedrag opzichtens de persoon van appellant zou kunnen blijken. Overigens werd appellant steevast uitgenodigd op de verschillende vergaderingen tussen collega's-geneesheren, en werden hem de verslagen daarvan doorgestuurd, zodat hij bezwaarlijk kan volhouden dat er sprake was van een informatie-embargo dat opzichtens hem georganiseerd zou zijn. Dat appellant op vele van deze vergaderingen afwezig bleef en zich op die wijze de facto uitsloot van bepaalde informatie, is uiteraard een eigen keuze van appellant, maar het gaat dat wel om een handelwijze van appellant zelf, en niet om een aan geïntimeerden (of eerste geïntimeerde) toeschrijfbaar pestgedrag.
- Als laatste grief maakt appellant melding van "andere pesterijen", en hij geeft daarbij een opsomming van navolgende 5 elementen: - het verder vermelden van de naam van appellant op het briefpapier door de sedert 1 mei 2002 bestaande nieuwe maatschap; - problemen met de vervanging in september 2004, toen appellant op vakantie wenste te gaan; - de verwijdering van het naamplaatje van "diensthoofd" van zijn deur; - het "standpunt van de collega's"; - de annulering van het tijdschrift 'Cancer'. In geen enkele van deze gegevens, apart of tezamen beschouwd, meent het hof afdoende aanwijzingen te kunnen terugvinden van een eventueel opzichtens appellant aan de dag gelegd pestgedrag.
- Het gedurende bepaalde tijd verder vermeld staan van de naam van appellant op het briefpapier van de nieuwe zonder hem gevormde maatschap (in voege vanaf 1 mei 2002) - zonder dat door appellant verder toelichting gegeven werd inzake de concrete duurtijd hiervan - kan uit praktische overwegingen ingegeven zijn (uitputting van de bestaande voorraad), en werkte uiteindelijk ook in twee richtingen, aangezien appellant dit briefpapier klaarblijkelijk eveneens verder kon gebruiken. Het hof onderkent hier geen concreet element dat als "pestgedrag" kan worden gekwalificeerd.
- Van het eenmalige probleem dat appellant, toen hij in september 2004 op vakantie wenste te gaan, mogelijk ondervond bij de vervanging door een collega-geneesheer, is als zodanig niet gebleken dat het aan één van beide geïntimeerden toerekenbaar was. Het is niet omdat een mogelijk tussen appellant en dr. N daaromtrent gemaakte afspraak niet is kunnen doorgaan, dat daaruit eveneens vermag te worden afgeleid dat het gaat om een aan geïntimeerden (of aan eerste geïntimeerde) aanwrijfbaar pestgedrag. Daarvan liggen onvoldoende concrete gegevens voor.
- Inzake de eventuele verwijdering van het naamplaatje met de vermelding van "diensthoofd" van de deur van het kantoor van appellant (en waarvan door appellant zelfs niet werd aangegeven wanneer dit gebeurd zou zijn, en door wie) is geenszins gebleken dat dit gebeurd zou zijn door - of door toedoen van - geïntimeerden. Dit is hen derhalve evenmin als pestgedrag toerekenbaar.
- Appellant verwijst onder de vermelding "standpunt van collega's" naar het gegeven dat de geneesheren drs. V en J niet akkoord zouden zijn gegaan met de opzegging van de maatschap (de vermelde 'de-associatie'). Het hof stelt echter vast dat de vermelde geneesheren wel degelijk ten aanzien van appellant via een individueel verstuurde (standaard)brief d.d. 23 januari 2002 de maatschap met appellant effectief hebben opgezegd, en op die wijze ook hun wil daartoe hebben geuit. De stelling van appellant dat zij hier in feite niet mee akkoord waren, wordt tegengesproken door de realiteit zelf van de mede door hun doorgevoerde opzegging van de maatschap, en wordt op die wijze derhalve ondergraven. Het hof ziet overigens niet in hoe de eventuele mening van deze vermelde geneesheren als een vorm van pestgedrag, toeschrijfbaar aan geïntimeerden, vermag te worden aangemerkt. Ook op dit vlak faalt de stellingname van appellant.
- Tenslotte verwijst appellant naar de annulering van het tijdschrift 'Cancer'. Het hof stelt vast dat het abonnement op dit tijdschrift opgezegd werd bij gezamenlijke beslissing van de collega's-geneesheren van appellant. Het hof ziet niet in hoe dergelijke in gemeenschappelijke vergadering collectief getroffen beslissing inzake de annulering van een abonnement op een bepaald tijdschrift als pestgedrag opzichtens appellant vermag te worden aangemerkt, aanrekenbaar aan (bijvoorbeeld) eerste geïntimeerde. Zelfs indien appellant hier niet mee akkoord was, gaat het toch om een duidelijke beslissing van de collectiviteit van de betrokken geneesheren-collega's, waar appellant zich vanuit een minderheidspositie bij diende neer te leggen. Het is op geen enkele wijze gebleken dat de opzegging van dit wetenschappelijke-medische tijdschrift bedoeld was om appellant persoonlijk te treffen. Zijn in die zin ontwikkelde argumentatie komt het hof niet dienend voor, en bevat alleszins geen gegevens die een mogelijk opzichtens hem ontplooid pestgedrag aannemelijk maken. Ook op dit vlak faalt de argumentatie van appellant.
- Recapitulatie. Uit het geheel van de aan zijn beoordeling voorliggende gegevens weerhoudt het hof dat appellant, ingevolge de 'de-associatie' van de maatschap met zijn collega's-geneesheren in een voor hem nadelige financiële loonsituatie is beland, en dat hij zich daarnaast moeilijk kan verzoenen met de carrière-vlucht van dr. Bulens. Dat geen van beide aspecten strookt met het persoonlijke verwachtingspatroon van appellant, en door hem subjectief als vernederend en beledigend werden/worden aangevoeld, volstaat echter op zich nog niet om van een pestgedrag in hoofde van de werkgever of van dr. B te kunnen gewagen. Dat zulks binnen de eigen werkomgeving, in de samenwerking met zijn collega's en naar de werkgever toe, tot spanningen en animositeit heeft geleid/leidt, vermag geen verbazing te wekken, maar dergelijke gespannen werksituatie is op zich nog niet als pestgedrag te kwalificeren. Het hof is van oordeel dat appellant het met de door hem aangevoerde grieven en elementen niet aannemelijk heeft gemaakt dat geïntimeerden zich schuldig hebben gemaakt aan pesterijen, zodat er geen toepassing moet worden gemaakt van een omkering van de bewijslast ten nadele van geïntimeerden. Kortom: het hof is van oordeel dat niet gebleken is dat geïntimeerden zich schuldig hebben gemaakt aan pesterijen opzichtens appellant, op de wijze als gedefinieerd in artikel 32ter van de Welzijnswet. De eisen van appellant, gesteund op een toepassing van de bepalingen van de Pestwet, zijn ongegrond en worden afgewezen. Het vonnis a quo wordt door het hof bevestigd. Het hoger beroep is ongegrond. In zoverre ze in de hogervermelde overwegingen niet reeds beantwoord werden, zijn de eventueel resterende andersluidende argumenten van partijen niet van aard om afbreuk te doen aan de door het hof toegepaste beoordeling; het hof laat ze voorts als niet dienend buiten beschouwing. O P D I E G R O N D E N, Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, tweede kamer. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de R. N, advocaat-generaal, in de voorlezing van zijn andersluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 6 november 2007, waarna appellant schriftelijk repliceerde. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank van Hasselt van 13 februari
- Veroordeelt appellant tot de gerechtskosten van onderhavige beroepsprocedure Laat deze aan de zijde van appellant onvereffend wegens het niet indienen van een omstandige kostenopgave. Vereffent deze aan de zijde van geïntimeerden op 297,47 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in de openbare terechtzitting van achttien december tweeduizend en zeven, waar aanwezig waren: de heer P. C, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer N. S, raadsheer in sociale zaken, werkgever, de heer J.C. V R, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, mevrouw S. W, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20071218.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div