id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour du travail d'Anvers Avis du 07 décembre 2007 No ECLI: ECLI:BE:AHANT:2007:AVIS.20071207.1 No Rôle: 2005-0789 Domaine juridique: Droit du travail Date d'introduction: 2008-04-23 Consultations: 144 - dernière vue 2026-07-02 16:27 Fiche De prestaties die een arbeidsongeschikte bakker levert als lesgever tijdens zijn arbeidsongeschiktheid, zonder toestemming van de adviserend geneesheer, moeten beschouwd worden als een geheel van betaalde prestaties die enerzijds voldoende talrijk en onderling samenhangend zijn om te kunnen spreken van een bezigheid met een duidelijk professioneel karakter die niet verzoenbaar is met de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 19 en 20 van het K.B. van 20 juli 1971. De faciliteiten van artikel 23 ter van voornoemd K.B. (ingevoerd bij K.B. van 17 november 2000) hebben geen retroactieve werking en zijn niet toepasselijk op deze zaak. Uit artikel 23 quater van voornoemd besluit valt niet af te leiden dat de betrokkene alleen uitkeringen moet terugbetalen die hij ontvangen heeft voor de dagen of de periode tijdens dewelke hij een niet toegelaten arbeid heeft verricht. Hier kan enkel gelezen worden dat hij in zo'n geval vermoed wordt arbeidsongeschikt erkend te zijn geweest en dan nog op voorwaarde dat hij, vanuit medisch ten minste 50 % arbeidsongeschikt was (medische regularisatie) Thésaurus UTU: DROIT SOCIAL - DROIT SOCIAL - PRINCIPES GÉNÉRAUX Mots libres: Sociale zekerheid voor zelfstandigen - ziekte- en invaliditeitsverzekering - arbeidsongeschiktheid zelfstandigen - verboden activiteit - terugvordering - VIII DN Bases légales: Lois coordonnées - 14-07-1994 - 100 - 38 Lien ELI No pub 1994071451 Arrêté Royal - 20-07-1971 - 23 ter - 01 Lien ELI No pub 1971072008 Texte de la décision ARREST A.R. 2050789 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN DECEMBER TWEE-DUIZEND EN ZEVEN In de zaak: A.V., , appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. H.C., advocaat te Mol, tegen: 1. RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDI-TEITSVERZEKERING, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1150 Brussel, Tervu-renlaan 211, eerste geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. L.D.G. loco mr. L.V., advocaat te Herselt, en 2. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALI-TEITEN, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1031 Brussel, Haacht-sesteenweg 579 bus 40, tweede geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. A.B. loco mr. P.V.R., advocaat te Mol. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit. 1. Rechtsplegingsstukken Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtsple-ging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 3 februari 2006, 5 oktober 2007 en 2 november 2007; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tus-senvonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 16 april 2002 (A.R.V. 24.327, A.R.V. 24.569, A.R.V. 24.639 en A.R.V. 24.640); - het proces-verbaal van verhoor van getuigen van 28 mei 2002; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eind-vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 15 november 2005 (A.R.V. 24.327, A.R.V. 24.569, A.R.V. 24.639 en A.R.V. 24.640); - het verzoekschrift tot hoger beroep, aangetekend verzonden op 9 decem-ber 2005 en ontvangen op de griffie van dit hof op 12 december 2005; - de conclusies voor het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzeke-ring, ontvangen op de griffie van dit hof op 12 januari 2006; - de conclusies voor de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, neerge-legd op de griffie van dit hof op 23 april 2007; - de conclusies voor A.V., ontvangen op de griffie van dit hof op 16 mei 2007; - de syntheseconclusies voor de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, neergelegd op de griffie van dit hof op 28 juni 2007; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 2 november 2007 en aan partijen ter kennis gebracht op 2 november 2007 in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid, Ger. W. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (stuk 2 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen inzake A.R. 24.569, gevoegd met A.R. 24.327, A.R. 24.639 en A.R. 24.640) en van de geïnventariseerde dossiers van A.V. en de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 5 oktober 2007. Daarna zijn de debatten geslo-ten en is de zaak meegedeeld aan het openbaar ministerie voor schriftelijk ad-vies op de zitting van 2 november 2007, waar het openbaar ministerie werd gehoord in de lezing van dit advies en de zaak in beraad werd genomen. 2. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift tot hoger beroep, aangetekend verzonden op 9 decem-ber 2005 en ontvangen op de griffie van dit hof op 12 december 2005, teken-de A.V. hoger beroep aan tegen een vonnis uitgesproken door de derde kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 15 november 2005, gekend onder A.R.V. nummers 24.327, 24.569, 24.639 en 24.640. Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief op 17 novem-ber 2005. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ont-vankelijk. 3. Feiten en voorgaande rechtspleging A.V. oefende een zelfstandige activiteit uit als bakker en daarnaast gaf hij sedert 1963 ook les in het C.v.M. te T. (aanvankelijk praktijk- en theoretische lessen, maar na heupoperatie in 1985 en 1988 nog slechts theorielessen gedurende 4 uur per week). A.V. werd door de adviserend geneesheer met ingang van 12 juli 1996 arbeidsongeschikt erkend wegens rugproblemen (laag lumbale degeneratieve pathologie); deze erkenning door de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit werd vastgesteld tot 30 november 2002. Uit een onderzoek ingesteld door de dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering bleek dat bij de dienst uitkeringen van het ziekenfonds, waar A.V. als zelfstandige was ingeschreven, bijdragebons werden afgeleverd voor de jaren 1997 en 1998. Op 30 maart 2000 werd A.V. verhoord door de sociaal controleur van de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering. Betrokkene bevestigde dat hij vanaf januari 1997, tijdens zijn arbeidsongeschiktheid, les gaf op het V.I.Z.O. in het C.v.M. te T., op volgende tijdstippen: * in 1997 gedurende 32 dagen - 136 uren gepresteerd * in 1998 gedurende 30 dagen - 120 uren gepresteerd * in 1999 gedurende 50 dagen - 108 uren gepresteerd * in 2000 gedurende 8 dagen - 32 uren gepresteerd. Ten gevolge van voornoemde vaststellingen werd A.V. op 10 mei 2000 door dokter D.N., geneesheer-inspecteur van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, onderworpen aan een medisch onderzoek. Op basis van dit onderzoek besliste de geneesheer-inspecteur van het Rijksin-stituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering op 15 mei 2000 dat A.V. vanaf 17 mei 2000 niet meer arbeidsongeschikt was als bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, gezien hij: - niet meer ongeschikt is tot het uitoefenen van een andere beroepsbe-zigheid die hem billijkerwijze zou kunnen worden opgelegd; - zonder voorafgaandelijke toelating van de adviserend geneesheer (voorwaarde gesteld bij de artikelen 23 en 23bis van het koninklijk be-sluit van 20 juli 1971) een gedeelte van de taken die hij vóór de aan-vang van zijn arbeidsongeschiktheid uitoefende heeft hervat, evenals een andere beroepsbezigheid, hetzij als zelfstandige of als helper, hetzij in een andere hoedanigheid. Met verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie van de ar-beidsrechtbank te Turnhout op 27 juni 2000, tekende A.V. verhaal aan tegen voornoemde beslissing van 15 mei 2000 van de geneesheer-inspecteur van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (A.R.V. 24.327). Op 25 oktober 2000 besliste het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeits-verzekering, in toepassing van artikel 67, 2°, a), van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, A.V. uit te sluiten van het recht op 36 daguitkeringen. Deze opgelegde administratie sanctie werd als volgt gemotiveerd: "U was arbeidsongeschikt sedert 12 juli 1996. Uit een onderzoek gevoerd door de adjunct-controleur van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering is gebleken dat u nagelaten hebt uw verzekeringsinstelling in kennis te stellen van het hervatten van een beroepsbezigheid. Op 30 maart 2000 verklaarde u aan de adjunct-controleur dat u sedert de eerste maandag van januari 1997 les gaf aan het VIZO. In 1997 hebt u op 32 dagen deze activiteit uitgeoefend (136 uur), in 1998 hebt u op 30 dagen deze activiteit uitgeoefend (120 uur), in 1999 hebt u op 50 dagen deze activiteit uitgeoefend (108 uur), in 2000 (tot einde maart) hebt u op 8 dagen deze activiteit uitgeoefend (32 uur). Op 4 april 2000 heeft de adjunct-controleur van de Dienst voor geneeskundige controle een proces-verbaal opgemaakt van deze feiten. U werd hiervan in kennis gesteld op 4 april 2000. Nadat u hiertoe uitgenodigd werd door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle, hebt u uw verweer laten geworden met een brief van 13 oktober 2000 (poststempel). De verweermiddelen waren niet van die aard de vastgestelde inbreuken te ontkrachten." Met verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 5 december 2000, tekende A.V. verhaal aan tegen voornoemde beslissing van 25 oktober 2000 van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (A.R.V. 24.569). Met schrijven van 20 november 2000, aangetekend verzonden op 22 novem-ber 2000, vorderde de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten lastens A.V. de terugbetaling van de ten onrechte genoten prestaties van de uitke-ringsverzekering over de periode 1 januari 1997 tot 31 augustus 2000 ten bedrage van 891.052 frank (22.088,60 euro). In hetzelfde schrijven werd vermeld dat, ingevolge de administratieve sanctie uitgesproken door het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering in toepassing van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten verplicht is betrokkene uit te sluiten van het recht op 36 daguitkeringen. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten stelde dat A.V. vanaf 12 oktober 1996 niet voldeed aan de bepalingen van artikel 19 en 20 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 en dus vanaf deze datum geen recht had op uitkeringen. Rekening houdend met de verjaring (12 oktober 1996 tot 31 december 1996) werd in de periode van 1 januari 1997 tot 31 augustus 2000 ten onrechte prestaties van de uitkeringsverzekering uitgekeerd ten bedrage van 891.052 frank (22 088,60 euro). Met verzoekschriften, per aangetekende post ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 18 januari 2001, tekende U., namens A.V., verhaal aan tegen voornoemde beslissing van 20 november 2000 van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (A.R.V. 24.639 - terugvordering en A.R.V. 24.640 - uitsluiting 36 daguitkeringen). Bij vonnis van de derde kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 16 april 2002, werden de vorderingen (na samenvoeging) ontvankelijk verklaard, maar alvorens ten gronde te beslissen, A.V. gemachtigd om aan de hand van de getuigenis van dokter M.W. uit M. te bewijzen dat: 1. de adviserend geneesheer van de Christelijke Mutualiteit er door hem over ingelicht was dat hij zijn beroepsactiviteit als lesgever bij het C.v.M. te T. niet stopgezet had; 2. de adviserend geneesheer hem aangemoedigd had omwille van het therapeutisch nut deze activiteit als lesgever verder te zetten. De heer W., adviserend geneesheer, verklaarde op 28 mei 2002: - dat hij nooit toelating heeft verleend aan A.V. om enige beroepsactiviteit uit te oefenen, zelfs geen nevenactiviteit, hoe be-perkt ook; - dat hij er zeker van was dat A.V. uit medisch oogpunt gedurende de ganse periode van ongeschiktheid meer of ten minste 50% arbeidsongeschikt bleef; - dat een zeer beperkte activiteit als lesgever vanuit psychisch oog-punt een goed effect op A.V. zou kunnen hebben, zoals nu het geval is, maar dat op het moment van de onderzoeken de problematiek hoofdzakelijk van fysieke aard was. Bij vonnis van 15 november 2005 van de arbeidsrechtbank te Turnhout werd(en): - de vorderingen van A.V. gericht tegen de beslissingen van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering van 15 mei 2000 en 25 mei 2000 [lees: 25 oktober 2000] en gericht tegen de beslissing van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten ongegrond verklaard; - de tegenvordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten ont-vankelijk en gegrond verklaard en A.V. veroordeeld tot betaling van het bedrag van 22.088,60 euro, te vermeerderen met de intresten vanaf 22 november 2000; - A.V. gemachtigd het bedrag van de veroordeling te kwijten met maandelijkse afbetalingen van 2.000,00 euro, vanaf 1 december 2005, waar bij niet betaling op de vastgestelde data het verschuldigd blijvend saldo onmiddellijk invorderbaar werd zonder ingebrekestelling; - het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en de Lands-bond der Christelijke Mutualiteiten ieder voor de helft in de - niet begrote - kosten van het geding veroordeeld. Met een verzoekschrift tot hoger beroep, aangetekend verzonden op 9 decem-ber 2005 en ontvangen op de griffie van dit hof op 12 december 2005, teken-de A.V. hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis uitgesproken door de derde kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 15 november 2005, gekend onder A.R.V. nummers 24.327, 24.569, 24.639 en 24.640. 4. Eisen in hoger beroep A.V. (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, de oor-spronkelijke vorderingen ontvankelijk en gegrond te verklaren; - de administratieve beslissingen van het Rijksinstituut voor Ziekte- en In-validiteitsverzekering van 15 mei 2000 en 25 oktober 2000 te vernietigen en te zeggen voor recht dat hij vanaf 17 mei 2000 verder ongeschikt is in de zin van de artikelen 19 en 20 van het K.B. van 20 juli 1971 en dat de reeds ingehouden 36 daguitkeringen dienen terugbetaald te worden; - de beslissing van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten van 20 no-vember 2000, houdende de terugvordering van de uitkeringen wegens ar-beidsongeschiktheid genoten vanaf 1 januari 1997 tot 31 augustus 2000 ten bedrage van 851.052 frank (22.088,60 euro), te vernietigen en de te-geneis van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten ongegrond te ver-klaren; - ondergeschikt, voor zover het hof van oordeel zou zijn dat er sprake is van beroepsbezigheid en hij gehouden zou zijn tot terugbetaling van de uitke-ringen wegens arbeidsongeschiktheid genoten vanaf 1 januari 1997 tot 31 augustus 2000, de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten te veroorde-len hem te betalen, ten titel van schadevergoeding, de som van 22.943,75 euro, meer de intresten vanaf 31 augustus 2000; - te zeggen voor recht dat toepassing van artikel 23ter en 23quater van het K.B. van 20 juli 1971 enkel de uitkeringen dienen terugbetaald te worden voor de dagen van niet toegelaten arbeid; - alleszins de vordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten tot het bekomen van intresten vanaf 20 november 2000 op de terug te vorde-ren ziekte-uitkeringen af te wijzen als ongegrond; - de bij beslissing van 25 oktober 2000 van het Rijksinstituut voor ziekte- en Invaliditeitsverzekering opgelegde sanctie van 36 daguitkeringen te vernietigen, minstens te herleiden tot 10 daguitkeringen; - het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en de Lands-bond der Christelijke Mutualiteiten te veroordelen tot de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op 60,73 euro uitgavenvergoeding ver-zoekschrift en 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding. Het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (eerste geïntimeer-
- de)vordert: - het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren; - kosten als naar recht. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (tweede geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en het vonnis integraal te bevestigen; - kosten als naar recht. 5. Ten gronde 5.1. De staat van arbeidsongeschiktheid Overeenkomstig artikel 19 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 wordt de gerechtigde in de loop van de tijdvakken van primaire ongeschiktheid er-kend zich in staat van arbeidsongeschiktheid te bevinden wanneer hij, wegens letsels of functionele stoornissen, een einde heeft moeten stellen aan het vol-brengen van taken die verband hielden met zijn beroepsbezigheid als zelfstan-dige gerechtigde en die hij voor de aanvang van de arbeidsongeschiktheid waarnam. Bovendien mag hij geen andere beroepsbezigheid uitoefenen, het-zij als zelfstandige of als helper, hetzij in een andere hoedanigheid. Overeenkomstig artikel 20 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 wordt de gerechtigde in de loop van het tijdvak van invaliditeit geacht zich in staat van arbeidsongeschiktheid te bevinden wanneer voldaan is aan artikel 19 en hij bovendien erkend wordt ongeschikt te zijn om het even welke beroeps-bezigheid uit te oefenen die hem billijkerwijze zou kunnen opgelegd worden, inzonderheid rekening houdend met zijn stand, zijn gezondheidstoestand en zijn opleiding. Het arbeidshof stelt ten deze vast dat appellant vanaf 12 juli 1996, wegens functionele stoornissen, zijn zelfstandige bakkersactiviteiten heeft stopgezet maar zijn activiteiten als lesgever verder heeft uitgeoefend; hierdoor voldoet appellant niet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 19 en 20 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971. Ten onrechte laat appellant gelden dat zijn activiteit als lesgever geen be-roepsactiviteit betreft in de zin van artikelen 19 en 20 van het koninklijk be-sluit van 20 juli 1971. Immers, uit de feitelijke elementen van het dossier blijkt dat appellant over de periode januari 1997 tot en met maart 2000 bijna 400 uur les heeft gegeven en hiervoor een inkomen genereerde van 7.681,71 euro (stukken 1 bundel appel-lant: fiches 281.10 voor de jaren 1997 t/m 2000). Het is duidelijk dat dergelijke activiteit als lesgever moet beschouwd worden als een geheel van betaalde prestaties die enerzijds voldoende talrijk en onder-ling samenhangend zijn om te kunnen spreken van een bezigheid met een dui-delijk professioneel karakter die niet verzoenbaar is met de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 19 en artikel 20 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971. Appellant verwijst tevergeefs naar een arrest van het Hof van Cassatie van 21 januari 1985 waarin geoordeeld werd dat een loutere voortzetting van slechts minieme taken in verband met de vroeger uitgeoefende zelfstandige activiteit geen bezwaar is voor de verdere erkenning van de arbeidsongeschiktheid. Uit deze rechtspraak kan men afleiden dat resttaken die verband houden met de vroegere uitgeoefende activiteit van bakker voor appellant mogelijk ble-ven; in huidig geschil gaat het echter niet om resttaken die verband houden met de vroegere beroepsbezigheid van appellant als bakker, maar om een an-dere beroepsbezigheid, in een andere hoedanigheid, wat met het oog op het behoud van de erkenning van de arbeidsongeschiktheid eveneens verboden is. Overeenkomstig artikel 23 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 mag, bij beslissing van de adviserend geneesheer, de arbeidsongeschiktheid geacht worden te hebben voortbestaan gedurende een periode van hoogstens 6 maan-den, ten voordele van de gerechtigde die, met het oog op zijn herklassering, en met de toelating van de adviserend geneesheer, een andere zelfstandige beroepsbezigheid, een activiteit als helper of om het even welke andere be-roepsbezigheid aanvangt. De door de adviserend geneesheer krachtens dit artikel getroffen beslissingen worden meegedeeld aan de Dienst der uitkeringen van het Rijksinstituut. Overeenkomstig artikel 23bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 wordt de staat van arbeidsongeschiktheid geacht behouden te blijven tijdens het tijdvak waarin de gerechtigde, met de voorafgaande toestemming van de adviserend geneesheer en met het oog op zijn reclassering, een gedeelte van de beroepsbezigheid heeft hervat die hij uitoefende op het ogenblik waarop de arbeidsongeschiktheid een aanvang nam. Voor het verkrijgen van die toestemming moet de als arbeidsongeschikt er-kende gerechtigde voor enigerlei activiteitshervatting een aanvraag daartoe in-dienen bij de adviserend geneesheer van zijn verzekeringsinstelling. De krachtens artikel 23bis door de adviserend geneesheer genomen beslissing die de aard, het volume en de voorwaarden tot uitoefening van de activiteit vermeldt, wordt schriftelijk meegedeeld aan de gerechtigde en wordt opgeno-men in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene in de ze-tel van de verzekeringsinstelling; die instelling stuurt een kopie van de toe-stemming aan de Dienst voor uitkeringen en aan de provinciale dienst van de Dienst voor geneeskundige controle voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Het arbeidshof stelt vast dat de vereiste toestemming van de adviserend ge-neesheer, zoals bepaald in artikelen 23 en 23bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, voor een activiteitshervatting als lesgever niet kan teruggevon-den worden in het geneeskundig en administratief dossier op naam van ap-pellant bij de verzekeringsinstelling en ook niet bij de Dienst der uitkeringen van het Rijksinstituut. Evenmin kan appellant dergelijke schriftelijke toestemming voorleggen. Uit het getuigenverhoor van 28 mei 2002 van dokter M.W., adviserend geneesheer van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, blijkt verder zeer duidelijk dat: - appellant geen toelating tot het uitoefenen van gelijk welke werkzaamhe-den heeft aangevraagd; - de adviserend geneesheer in toepassing van de bepalingen van artikel 23 en 23bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 dergelijke toestem-ming niet kon verlenen; - de adviserend geneesheer ervan overtuigd was dat appellant niet meer in aanmerking kwam voor de uitoefening van gelijk welk beroep; - de adviserend geneesheer nooit toelating heeft gegeven aan appellant om een professionele nevenactiviteit, hoe beperkt ook, uit te oefenen; - de adviserend geneesheer de beperkte activiteit van lesgever als compati-bel beschouwde met de ziektetoestand van appellant, doch deze nooit heeft aangemoedigd deze taken aan te vatten; - de ingevulde formulieren die de adviserend geneesheer onder ogen kreeg allen gewag maken van een stopzetting van alle activiteiten. Appellant kan zich dienvolgens niet steunen op de bepalingen van artikel 23 en 23bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 teneinde de staat van ar-beidsongeschiktheid te behouden. Samenvattend besluit het arbeidshof dat appellant, gelet op de lesgevende activiteiten, vanaf 12 juli 1996 niet voldeed aan de bepalingen van artikel 19 en 20 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971. De bestreden administratieve beslissing van eerste geïntimeerde van 15 mei 2000 werd dienvolgens terecht door de eerste rechters bevestigd. 5.2. Terugvordering Aangezien appellant vanaf 12 juli 1996 niet voldeed aan de bepalingen van artikel 19 en 20 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, kan hij geen aan-spraak maken op prestaties van de uitkeringsverzekering, zodat hij vanaf 12 oktober 1996 onrechtmatig prestaties van de uitkeringsverzekering heeft ge-noten. Gelet op de verjaring van de uitkeringen over de periode van 12 oktober 1996 tot 31 december 1996 hebben de eerste rechters terecht appellant veroordeeld tot terugbetaling van de onrechtmatig genoten uitkeringen van 1 januari 1997 tot 31 augustus 2000 ten bedrage van 22.088,60 euro [891.052 frank], te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf datum der aanmaning, zijn-de 22 november 2000 (stuk 3 bundel tweede geïntimeerde: aangetekend schrijven van 22 november 2000 van de dienst financiële controle van de Christelijke Mutualiteit, gericht aan A.V.). Samen met het openbaar ministerie is het arbeidshof van oordeel dat appellant niet kan genieten van de faciliteiten van artikel 23ter van het koninklijk be-sluit van 20 juli 1971, dat werd ingevoerd bij koninklijk besluit van 17 no-vember 2000 (in werking getreden op 17 december 2000), dat geen retro-actieve werking heeft en dus geen toepassing vindt op huidig geschil. Appellant zou eventueel wel kunnen genieten van de toepassing van artikel 23quater van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 dat een overgangsmaat-regel is. Deze bepaling stipuleert dat de arbeidsongeschikt erkende gerechtig-de die, voor de inwerkingtreding van artikel 23ter, arbeid heeft verricht zon-der voorafgaande toestemming van de adviserend geneesheer en die, ten ge-volge hiervan, op het ogenblik van de inwerkingtreding van voormeld artikel, niet meer aan de voorwaarden voldoet die het recht openen op de prestaties, bedoeld in dit besluit, vermoed wordt arbeidsongeschikt erkend te zijn ge-weest tot voormelde datum van inwerkingtreding, op voorwaarde dat hij, van geneeskundig oogpunt uit een vermindering van zijn vermogen van ten min-ste 50 pct. behouden heeft. Uit deze bepaling valt geenszins af te leiden dat appellant alleen de uitke-ringen moet terugbetalen die hij ontvangen heeft voor de dagen of de periode tijdens dewelke hij een niet toegelaten arbeid heeft verricht; hier kan enkel gelezen worden dat hij in zo'n geval vermoed wordt arbeidsongeschikt erkend te zijn geweest en dan nog op voorwaarde dat hij, vanuit medisch oogpunt ten minste 50% arbeidsgeschikt was. Het gaat dus om een medische regularisatie. Het tweede lid van artikel 23quater bepaalt dat de gerechtigde, bedoeld in het vorige lid, opnieuw aanspraak kan maken op uitkeringen vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 23ter van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, met name vanaf 17 december 2000, wat buiten de grenzen van onderhavig ge-schil valt. Het bestreden vonnis waarbij de tegenvordering van tweede geïntimeerde ont-vankelijk en gegrond werd verklaard en appellant veroordeeld werd tot terug-betaling van de onrechtmatig genoten uitkeringen, vermeerderd met de intres-ten, dient bevestigd te worden. 5.3. Administratieve sanctie Overeenkomstig artikel 67, 2°,
- a)van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 wordt de gerechtigde die nalaat zijn verzekeringsinstelling in kennis te stellen van het hervatten van een beroepsbezigheid uitgesloten van het recht op uit-keringen naar rata van ten hoogste 75 dagen. Bij bestreden administratieve beslissing van eerste geïntimeerde van 25 okto-ber 2000 werd appellant uitgesloten van het recht op 36 daguitkeringen. De eerste rechters overwogen dat, gelet op de langdurige periode tijdens de-welke appellant een beroepsactiviteit uitoefende zonder dat hij hiertoe de vereiste toestemming bekomen had, geen vermindering van sanctie kon toege-staan worden. Het arbeidshof sluit zich aan bij deze overweging. De door appellant ingeroepen goede trouw kan niet weerhouden worden aan-gezien appellant ten overstaan van de inspecteur van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen met geen woord meer repte over zijn activiteiten als lesgever, hoewel daarover nochtans duidelijke vragen werden gesteld. De bestreden administratieve beslissing van eerste geïntimeerde van 25 okto-ber 2000 werd dienvolgens terecht door de eerste rechters bevestigd. 5.4. Vordering tot schadevergoeding Appellant vordert lastens tweede geïntimeerde een schadevergoeding ten be-drage van 22.943,75 euro op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wet-boek. Overeenkomstig artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek dient appellant in hoofde van zijn ziekenfonds een fout te bewijzen, een schade en het oor-zakelijk verband tussen fout en schade. Appellant, verwijzend naar het door hem ingevulde 'inlichtingsblad uitkerin-gen' van 24 september 1996, houdt voor dat tweede geïntimeerde van meet af aan kennis had van zijn activiteit als lesgever, maar nagelaten heeft hem te informeren omtrent zijn rechten en plichten bij het uitoefenen van een acti-viteit tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid. Tweede geïntimeerde laat gelden dat de verantwoordelijke van de dienst uit-keringen, onmiddellijk na ontvangst van het inlichtingenblad van 24 septem-ber 1996, contact heeft opgenomen met appellant teneinde hem te wijzen op het feit dat hij nog een activiteit uitoefende waardoor hij zijn uitkering zou verliezen; tevens werd appellant in kennis gesteld dat hij nog bezoek zou ontvangen van een inspecteur van het Rijksinstituut voor de Sociale Verze-keringen der Zelfstandigen die een verslag zou opstellen betreffende zijn acti-viteiten en dat dit verslag diende overgemaakt te worden aan de adviserend geneesheer. Bij nazicht van de voorgebrachte stukken blijkt dat appellant op 2 september 1996 aangifte deed van arbeidsongeschiktheid; in deze aangifte, model 1099, luik A, verklaarde appellant dat hij op het ogenblik van de ongeschiktheid naast het zelfstandig beroep geen andere activiteit uitoefende (stuk 4 bundel tweede geïntimeerde: aangifteformulier arbeidsongeschiktheid van 2 septem-ber 1996). Op het 'Inlichtingsblad Uitkeringen' van 24 september 1996 (zie stuk 2 dos-sier arbeidsauditoraat inzake A.R.V. 24.327: vraag om administratieve inlich-tingen dd. 27 maart 2000 + bijlage), bestemd voor de dienst uitkeringen van het ziekenfonds, maakte appellant melding dat hij een halve dag per week les gaf x 30 weken per schooljaar. Naar aanleiding van de enquête uitgevoerd door de inspecteur van het Rijks-instituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen op 17 oktober 1996 verklaarde appellant enerzijds dat hij zijn taken in verband met zijn laatste beroepsactiviteit als zelfstandige volledig heeft stopgezet vanaf 12 juli 1996 en anderzijds dat hij bij de aanvang van de ongeschiktheid geen andere acti-viteiten uitoefende naast zijn beroepsactiviteit als zelfstandige of helper. De interpretatie die tweede geïntimeerde geeft aan deze ontwikkeling, met na-me dat appellant gewaarschuwd werd voor de mogelijke gevolgen van cumu-latie van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen met loon en als reactie hierop enkele weken later in alle talen zwijgt over zijn activiteit als lesgever, is zon-der meer plausibel te noemen. Welke zinnige uitleg zou men anders kunnen geven aan de gewijzigde houding van appellant ondanks de ongewijzigde om-standigheden? Gelet op de door appellant verstrekte inlichtingen op het model 1355 N1 van 17 oktober 1996 kon het ziekenfonds er dan ook van uitgaan dat appellant zijn lesactiviteiten had stopgezet. Uit voormelde feitelijke gegevens volgt het bewijs dat tweede geïntimeerde, na ontvangst va het inlichtingenblad van 24 september 1996, gehandeld heeft conform de algemene zorgvuldigheidsnorm door informatie te hebben ver-strekt aan appellant in verband met zijn rechten en plichten tijdens periode van arbeidsongeschiktheid. Bij gebrek aan bewijs van een fout in hoofde van tweede geïntimeerde is de vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W. ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer P. VAN DEN BON, advocaat-generaal, in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 2 november 2007. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het vonnis uitgesproken door de derde kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 15 november 2005, gekend onder A.R.V. 24.327, A.R.V. 24.569, A.R.V.24.639 en A.R.V. 24.640. Verklaart de vordering van appellant tot schadevergoeding op grond van arti-kel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, ongegrond. Verwijst, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wet-boek, het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en de Lands-bond der Christelijke Mutualiteiten ieder in de helft van de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van A.V. op 59,49 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift en 297,47 euro rechtsplegingsvergoeding. Aan de zijde van het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering en de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op zeven december tweeduizend en zeven door de vijfde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Ant-werpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, J. VERHAVERT, raadsheer, Y. BOLLEKENS, raadsheer in sociale zaken als zelfstandige, R. SMETS, griffier. Document PDF ECLI:BE:AHANT:2007:AVIS.20071207.1 Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet <div