← België

ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080128.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 28 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080128.2 Rolnummer: 2007-0018 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-03-04 Raadplegingen: 223 - laatst gezien 2026-07-03 10:46 Fiches 1 - 3 De Rechtbank van eerste aanleg verklaarde zich ratione materiae onbevoegd om kennis te nemen van het geschil met als voorwerp bijslagen aan de rechthebbende op een rente ingevolge een arbeidsongeval. Krachtens artikel 579 Ger. W. is alleen de Arbeidsrechtbank bevoegd voor dergelijke geschillen. De oorspronkelijk ingestelde vordering van oorspronkelijke eiseres betrof niet de toekenning van aanpassingsbijslagen zoals voorzien door de A.O.W. maar toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W. wegens het derven van de verjaarde aanpassingsbijslagen. Omwille van het feit dat de Arbeidsrechtbank inzake hun bevoegdheid gebonden was door het vonnis van verwijzing krachtens artikel 660 Ger.W. was oorspronkelijk eiseres genoodzaakt haar oorspronkelijk ingestelde eis aan te passen aan de bevoegdheidsregels van de Arbeidsrechtbank en uit te breiden t.o.v het F.A.O. Het aanpassen aan de bevoegdheidsregels van de Arbeidsrechtbank kan niet worden gekwalificeerd als een wijziging of uitbreiding van eis. De materiële bevoegdheid wordt bepaald op het ogenblik van de rechtsingang. Wanneer de rechter in hoger beroep evenwel vaststelt dat de oorspronkelijke vordering een andere grondslag zou kunnen hebben, dient hij zich toch onbevoegd te verklaren en naar de bevoegde rechter te verwijzen. In toepassing van artikel 643 Ger.W. verklaart het Arbeidshof zich onbevoegd en verzendt de zaak naar het Hof van Beroep. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Algemeen (bevoegdheid) Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - bevoegdheid 'ratione materae' van het arbeidshof - vordering in schadevergoeding - (1382-1383 burgerlijk wetboek) - dodelijk arbeidsongeval - aanpassingsvergoedingen - I A Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 579 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Arbeidsrechtbank - Arbeidsongevallen Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - bevoegdheid 'ratione materae' van het arbeidshof - vordering in schadevergoeding (1382-1383 burgerlijk wetboek) - dodelijk arbeidsongeval - aanpassingsvergoedingen - I A Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 643 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - burgerlijk recht - gerechtelijk wetboek - bevoegdheid 'ratione materae' van het arbeidshof - vordering in schadevergoeding (1382-1383 burgerlijk wetboek) - dodelijk arbeidsongeval - aanpassingsvergoedingen - I B Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1382 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 579 - I A - artikel 643 en onder I B - artikel 1382 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2070018 + 2070019 +

  1. OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak A.R. 2070018: N.V. W. - E. V., met zetel te B. appellante, verschijnend bij mr. D, advocaat te T.. tegen:
  2. M. R., wonende te H. eerste geïntimeerde, verschijnend bij mr. O., advocaat te B.
  3. Het FAO, openbare instelling, met zetel te B.. tweede geïntimeerde, verschijnend bij mr. L., advocaat te A. En in de zaak A.R. 2070019: M. R., wonende te H. appellante, verschijnend bij mr. O., advocaat te B. tegen:
  4. Het FAO, openbare instelling, met zetel te B. eerste geïntimeerde, verschijnend bij mr. L., advocaat te A.
  5. N.V. W. - E. V., met zetel te B. tweede geïntimeerde, verschijnend bij mr. D., advocaat te T. En in de zaak A.R. 2070059: Het FAO, openbare instelling, met zetel te B. appellant, verschijnend bij mr. L., advocaat te A. tegen:
  6. M. R., wonende te H. eerste geïntimeerde, verschijnend bij mr. O., advocaat te B.
  7. N.V. W. - E. V., met zetel te B. tweede geïntimeerde, verschijnend bij mr. D., advocaat te T. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgende arrest. Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het tussenvonnis van 23 maart 2006, alsmede het bestreden eindvonnis op 21 december 2006 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Tongeren gekend onder A.R. nr. 2362/2005 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van dit Hof op 23 januari 2007 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusies en stavingstukken voor partijen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Het hoger beroep werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist en het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2007 van deze kamer. INZAKE DE VORDERINGEN A.R. 2070018, A.R. 2070019 en A.R. 2070059 SAMEN Het Hof stelt vast dat de rechtsvorderingen onder A.R. 2070018, A.R. 2070019 en A.R. 2070059 zeer nauw met elkaar verbonden zijn en minstens in verband staan met dezelfde zaak. Door alle in het geding betrokken partijen werd hoger beroep ingesteld, zowel tegen het tussenvonnis van 23 maart 2006 als het eindvonnis van 21 december
  8. De drie vorderingen zijn gelijklopend of verknocht zodat het in het belang van een goede rechtsbedeling en teneinde tegenstrijdige oplossingen te voorkomen past voormelde zaken samen te voegen teneinde er in één arrest uitspraak over te doen. In tegenstelling tot de aanhangigheid staat de samenhang ter vrije beoordeling van de rechter, zulks ongeacht het voorwerp of de oorzaak waarop de rechtsvorderingen betrekking hebben, of de identiteit van de gedingvoerende partijen (Cass. 15.5.1981, Arr. Cass. 1980-81, 1073; Cass. 28.9.1984, Arr. Cass. 1984-85, 165). Het Hof voegt de zaken gekend onder A.R. 2070018, A.R. 2070019 en A.R. 2070059 samen overeenkomstig artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek. PROCESVERLOOP - ANTECEDENTEN Op 23 juni 1972 was L. R., echtgenoot van M. R., het slachtoffer van een dodelijk arbeidsongeval. De schade werd definitief geregeld bij overeenkomst gehomologeerd door de Arbeidsrechtbank te Tongeren op 11 december
  9. Betreffende de toekenning van de aanpassingsbijslag meldde het Fonds voor arbeidsongevallen op 15 december 2003 aan M. R. het volgende: "Wij delen u hierbij mede dat u overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 december 1987 betreffende de bijslagen ambtshalve gerechtigd bent op de aanpassingsbijslag voorzien bij dit artikel, aangezien u een jaarlijkse vergoeding geniet ter vergoeding van het arbeidsongeval van 23/06/
  10. Deze bijslag wordt u toegekend vanaf 01/11/
  11. De berekeningswijze van het jaarlijks brutobedrag van deze bijslag is vastgesteld in genoemd artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 december
  12. Het koninklijk besluit van 13 januari 1983, genomen in uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet, beperkt de cumulatie van de arbeidsongevallenprestaties en rust- of overlevingspensioenen. Gezien u gepensioneerd bent voor 01/01/1983 wordt de aanpassingsbijslag geblokkeerd tot het forfaitaire bedrag vastgesteld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 10 december 1987 bereikt wordt. Op 01/11/2000 werd dit forfaitair bedrag reeds bereikt. De volledige berekening wordt op de hiernavolgende bladzijden uiteengezet en toegelicht. (...) (...) In bijlage vindt u de afrekening van de achterstallen voor de periode 01/11/2000 tot 30/11/2003 voor een bedrag van 5.946,59 euro netto te vermeerderen met de intresten voor een bedrag van 607,33 euro. Deze zullen u eerlang worden uitbetaald. Voor de periode vóór 01/11/2000 dienen wij, overeenkomstig artikel 69 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, de verjaring toe te passen. Beroep tegen deze beslissing kan ingesteld worden binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf heden, bij de Arbeidsrechtbank te Tongeren, 18de Oogstwal, 35/5, 3700 Tongeren. U vindt in bijlage nadere inlichtingen m.b.t. deze procedure." (stuk 1 M. R.). Op 12 mei 2004 stelde de raadsman van M. R. de N.V. W. in gebreke omdat deze laatste nagelaten had om aan haar verplichtingen te voldoen doordat zij geen melding aan het FAO had gedaan van de uitkering die zij ontving ten gevolge van het arbeidsongeval dat reeds in 1972 werd geregeld (stuk 7 M. R.). Hierop reageerde N.V. W. bij schrijven van 18 mei 2004 en was van oordeel dat het FAO ambtshalve verplicht was om de aanpassingsbijslagen toe te kennen zonder dat de rechthebbende deze moet aanvragen of daartoe enig initiatief moet nemen (stuk 8 M. R.). De initiële vordering ten deze werd ingeleid op 16 juni 2004 voor de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren en strekte ertoe het FAO en N.V. W. - E. V., solidair, minstens in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen om M. R. een provisionele schadevergoeding te betalen gelijk aan 55.000 EUR, meer de vergoedende intresten vanaf 28 augustus
  13. Bij vonnis van 14 september 2005 verklaarde de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren zich ratione materiae onbevoegd en verzond de zaak naar de Arbeidsrechtbank te Tongeren (A.R. 04/1121/A). Bij besluiten neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 29 september 2005 breidde M. R. haar eis uit in die zin dat zij voor de Arbeidsrechtbank in hoofdorde de veroordeling vraagt van eerste verweerder, het FAO, tot veroordeling van de aanpassingsbijslagen vanaf 23 juni 1972, meer de intresten vanaf de gemiddelde datum, zijnde 28 augustus 1986 en dat zij in subsidiaire orde haar oorspronkelijke vordering gebaseerd op de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek behoudt tegenover eerste en tweede verweerder tot het betalen van een schadevergoeding, gelijk aan het bedrag van de gemiste aanpassingsbijslagen (stuk 6, rechtsplegingsdossier Arbeidsrechtbank). Bij tussenvonnis van 23 maart 2006 (A.R. 2362/2005) heeft de Arbeidsrechtbank te Tongeren: - zich bevoegd verklaard om uitspraak te doen over de vordering; - de vordering en de eisuitbreiding ontvankelijk verklaard; - de vordering VERJAARD verklaard voor de aanpassingsbijslagen met betrekking tot de periode vóór 1 november 2000; - de debatten heropend ten einde M. R. en N.V. W. - E. V. toe te laten te concluderen over de verjaringstermijn met betrekking tot de schadevergoeding, op grond van artikel 1382-1383 B.W., voor de periode vóór 1 november
  14. Bij eindvonnis van 21 december 2006 (A.R. 2362/2005) heeft de Arbeidsrechtbank te Tongeren het tussenvonnis van 22 juni 2006 (lees: 23 maart 2006) verder uitwerkend: - de vordering gegrond verklaard voor zover ze betrekking heeft op het bekomen van schadeloosstelling wegens niet-betaling van de aanpassingsbijslagen voor de periode, voorafgaand aan 1 november 2000, zowel ten overstaan van het FAO als ten overstaan van N.V. W. - E. V.; - het FAO en N.V. W. - E. V. veroordeeld tot de kosten van het geding ieder voor de helft. Op 23 januari 2007 legde M. R. een verzoekschrift tot hoger beroep neer tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 14 september 2005; het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 23 maart 2006; het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 21 december 2006 (A.R. 2070019). Op 23 januari 2007 legde de N.V. W. - E. V. een verzoekschrift tot hoger beroep neer tegen het tussenvonnis van 23 maart 2006 en het eindvonnis van 21 december 2006 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren (A.R. 2070018). Op 21 februari 2007 legde het FAO een verzoekschrift tot hoger beroep neer tegen het tussenvonnis van 23 maart 2006 en het eindvonnis van 21 december 2006 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren (A.R. 2070059). POSTULERINGEN VAN PARTIJEN N.V. W. - E. V. postuleert het hoger beroep gekend onder A.R. 2070018 ontvankelijk en gegrond te verklaren. Het beroep gekend onder A.R. 2070019 en 2070059 ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Het bestreden tussenvonnis en bestreden eindvonnis te niet te doen en opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vordering van R. en het FAO ongegrond te verklaren, minstens de gevorderde bedragen te herleiden. R. en het FAO te veroordelen tot de kosten van het geding. M. R. postuleert het hoger beroep gekend onder A.R. 2070019 ontvankelijk en gegrond te verklaren. De zaken met nummers A.R. 2070018, 2070019 en 2070059 samen te voegen. De beroepen van het FAO en van N.V. W. - E. V. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Dienvolgens het bestreden vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 14 september 2005 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de rechtbank van eerste aanleg wel bevoegd was; de zaak terug te verzenden naar de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren, minstens naar het Hof van beroep te Antwerpen. In ondergeschikte orde de bestreden vonnissen te hervormen. Het FAO en N.V. W. - E. V. solidair, minstens in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen om aan M. R. een bedrag te betalen van 35.283,54 EUR meer de vergoedende intresten vanaf de gemiddelde datum tussen 23 juni 1972 en 1 november 2000 zijnde 28 augustus 1986 aan de wettelijke rentevoeten en de gerechtelijke intresten tot de datum der algehele betaling. Het FAO en N.V. W. - E. V. eveneens te veroordelen tot de kosten van het geding. Het FAO postuleert de zaken onder nrs. A.R. 2070019, A.R. 2070018 en A.R.2070059 samen te voegen. Wat betreft het vonnis van 14 september 2005 van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren. Het hoger beroep van oorspronkelijke eiseres gericht tegen het vonnis van 14 september 2005 van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren gegrond te verklaren waar zij aan het Arbeidshof vraagt te zeggen voor recht dat de rechtbank van eerste aanleg bevoegd was ratione materiae en ongegrond te verklaren waar zij de verzending vraagt van de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren, minstens naar het Hof van beroep te Antwerpen. Wat betreft het tussenvonnis van 23 maart 2006 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren. In hoofdorde Het tussenvonnis van 23 maart 2006 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren te bevestigen. In subsidiaire orde Het bewarend beroep door het FAO ingesteld tegen het tussenvonnis van 23 maart 2006 uitsluitend voor het geval het Arbeidshof zou oordelen dat dit tussenvonnis de veroordeling van het FAO tot betaling van schadevergoeding aan eiseres al dan niet samen met de N.V. W. - E. V. zou inhouden, ontvankelijk en gegrond te verklaren. Het tussenvonnis van 23 maart 2006 te hervormen. Te zeggen voor recht dat de vordering van oorspronkelijke eiseres tot de veroordeling van het FAO tot betaling van schadevergoeding in toepassing van artikel 1382 B.W ongegrond is. Het FAO buiten zake te stellen. De N.V. W. - E. V. te veroordelen tot de kosten van het geding. Wat betreft het eindvonnis van 21 december 2006 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren. In hoofdorde Het hoger beroep ingesteld door het FAO gegrond te verklaren. Het eindvonnis van 21 december 2006 te hervormen wegens strijdigheid met het gezag van gewijsde van het tussenvonnis van 23 maart
  15. Te zeggen voor recht dat de vordering van oorspronkelijke eiseres lastens het FAO tot het bekomen van schadevergoeding wegens niet-betaling van de aanpassingsbijslagen voor de periode voorafgaand aan 01-11-2000 ongegrond is. Het FAO buiten zake te stellen. De N.V. W. - E. V. als de in het ongelijk zijnde partij tot de kosten te veroordelen. In subsidiaire orde Voor zover het Hof zou oordelen dat het eindvonnis van 21 december 2006 niet in strijd zou zijn - quod non - met het tussenvonnis van 23 maart 2006 omdat dit tussenvonnis de veroordeling van het FAO tot betaling van schadevergoeding aan oorspronkelijke eiseres al dan niet samen met de N.V. W. - E. V. zou inhouden - quod non - het hoger beroep van het FAO gegrond te verklaren en het eindvonnis van 21 december 2006 te hervormen. Te zeggen voor recht dat de vordering van oorspronkelijke eiseres lastens het FAO tot het bekomen van schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W. wegens niet-betaling van de aanpassingsbijslagen voor de periode voorafgaand aan 01-11-2000 ongegrond is. Het FAO buiten zake te stellen. De N.V. W. - E. V. als de in het ongelijk zijnde partij tot de kosten te veroordelen. In meest subsidiaire orde Voor zover het Hof per impossibile zou oordelen dat het FAO een fout zou begaan hebben waardoor oorspronkelijke eiseres schade geleden heeft - quod non - en dat het FAO al dan niet in solidum met de N.V. W. - E. V. hiervoor aan oorspronkelijke eiseres een schadevergoeding zou moeten betalen, het hoger beroep van het FAO tegen het eindvonnis van 21 december 2006 gegrond te verklaren. Het eindvonnis van 21 december 2006 te hervormen wegens onduidelijkheid nopens de toe te passen verjaringsregels. Voorbehoud aan het FAO te verlenen voor wat betreft de toepassing van de verjaringsregels op deze vordering. De debatten hiervoor te heropenen. MOTIVERING - BEOORDELING BEVOEGDHEID RATIONE MATERIAE 1.
  16. Het handelt hier om een hoofdvordering op basis van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek strekkende tot vergoeding van de schade welke door een arbeidsongeval de rechtverkrijgende van het slachtoffer beweert te hebben ondervonden ingevolge het niet betalen van aanpassingsvergoedingen. 1.
  17. De Rechtbank van eerste aanleg verklaarde zich op 14 september 2005 ratione materiae onbevoegd omtrent de oorspronkelijk door oorspronkelijk eiseres ingestelde vordering en verzond de zaak naar de Arbeidsrechtbank (onder verwijzing naar artikel 579 Ger. W.). De Rechtbank van eerste aanleg overwoog dat N.V. W. - E. V. terecht in limine litis de onbevoegdheid ratione materiae van deze Rechtbank opwierp en de verzending van de zaak vroeg naar de Arbeidsrechtbank van Tongeren, argumenterende dat in se een geschil betreft met als voorwerp bijslagen aan de rechthebbende op een rente ingevolge een arbeidsongeval in toepassing van art. 19-21bis Arbeidsongevallenwet van 21 december 1971 "en dat krachtens artikel 579 Ger. W. alleen de Arbeidsrechtbank voor dergelijke geschillen bevoegd is". De stelling van de Rechtbank van eerste aanleg en van de N.V. W. - E. V. dat de oorspronkelijk ingestelde vordering van oorspronkelijke eiseres een geschil zou betreffen met als voorwerp de bijslagen toegekend in toepassing van de Arbeidsongevallenwet om de onbevoegdheid ratione materiae van de Rechtbank van eerste aanleg in te roepen wordt betwist door het FAO, stellende dat de oorspronkelijk ingestelde vordering niet de toekenning van aanpassingsbijslagen zoals voorzien in de AOW betrof maar toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W. wegens het derven van de verjaarde aanpassingsbijslagen. 2.
  18. Geen wetsbepaling machtigt de arbeidsgerechten om kennis te nemen van een hoofdvordering gesteund op de artikelen 1382 en 1983 van het Burgerlijk Wetboek en strekkend tot vergoeding van de schade welke de door het arbeidsongeval getroffene beweert te hebben ondervonden ingevolge het niet ontvangen van aanpassingsbijslagen (Cass. 9 december 2002, J.T.T. 2003, 93). Het Hof van Cassatie besliste verder dat het Arbeidshof door te beslissen dat de eiser een fout heeft begaan waarvoor hij vergoeding is verschuldigd en dat de schade overeenstemt met het bedrag van de onbetaalde bijslagen, de bepalingen van artikel 9 Ger. W. heeft geschonden. De hoofdvordering in het geval voorgelegd aan het Hof van Cassatie betrof net zoals huidig geval de vergoeding van de schade die overeenstemt met de onbetaalde bijslagen wegens verjaring. 2.
  19. De Arbeidsrechtbank is volgens het FAO onbevoegd om zich uit te spreken nopens een hoofdvordering tot schadevergoeding die gelijk is aan de bijslagen die wegens verjaring niet werden uitgekeerd. 3.
  20. De regels waarbij de naar het onderwerp bepaalde bevoegdheid van de hoven en rechtbanken wordt afgebakend raken de openbare orde, zodat de (appel)rechter ambtshalve moet nagaan of hij bevoegd is, alvorens uitspraak te doen over de bij hem aanhangig gemaakte vordering (Cass. 22 oktober 1981, Arr. Cass. 1981/1982, 282; R.W. 1982/1983, 2457; R.C.J.B. 1982, 220, nr. 35; Cass. 2 november 1994, Arr. Cass. 1994, 911; Cass. 23 december 1996, Arr. Cass. 1996, 1249; R.W. 1997/1998, 439; J.T.T. 1997, 439; Cass. 13 oktober 1997, Arr. Cass. 1997, 966; J.T.T. 1997, 483; Cass. 2 november 1994, Arr. Cass. 1994, 911; Cass. 19 april 2002, Arr. Cass. 2002/4, 1063 met gedeeltelijk andersluidende conclusie O.M.; Pas. 2002, I, 935; J.L.M.B. 2003, 1022; R.W. 2003/2004, 1500; Verkeersrecht 2003, 3; Cass. 4 november 2002, R.W. 2004/2005, 100, opgenomen Nat. Doc. I/A, art. 578; Cass. 9 december 2002, Arr. Cass. 2002, 2693; J.T.T. 2003, 93, met conclusie Eerste adv. gen. M. Leclercq). De materiële bevoegdheid wordt bepaald op het ogenblik van de rechtsingang, d.w.z. wanneer het geding wordt ingeleid (Cass. 22 oktober 1981, Arr. Cass. 1981/1982, 282; R.W. 1982/1983, 2457; J.T.T. 1982, 295; Cass. 9 september 1988, Arr. Cass. 1988/1989, 40; Cass. 9 januari 1989, Arr. Cass. 1988/1989, 549). Het Hof van Cassatie heeft beslist dat de materiële bevoegdheid bepaald wordt naar het voorwerp van de eis, zoals dit uit de dagvaarding blijkt (Cass. 8 september 1978, Arr. Cass. 1978/1979, 26 en R.W. 1978/1979, 960 met noot van J. Laenens; Cass. 24 september 1979, Arr. Cass. 1979/1980, 89; Cass. 4 mei 1981, Arr. Cass. 1980/1981, 966 en R.W. 1982/1983, 147 met noot J. Laenens; Cass. 13 oktober 1997, Arr. Cass. 1997, 401 en R.W. 1998/1999, 712, noot). De geadieerde rechter moet bij de beoordeling van zijn materiële bevoegdheid geenszins het werkelijk voorwerp van de ingestelde eis onderzoeken. De rechtbank moet met het oog op haar bevoegdheid enkel uitgaan van de feiten en de eis zoals eiser die stelt: hij bepaalt het voorwerp en het bedrag van de eis en wendt zich dienvolgens tot de bevoegde rechter (J. Laenens, K. Broeckx en D. Scheers, "Handboek van gerechtelijk recht", Intersentia Antwerpen, 2004, nr. 387, nr. 214). 3.
  21. Krachtens artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek maakt het hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf bij de rechter in hoger beroep aanhangig. Door hun principaal of incidenteel hoger beroep leggen de partijen zelf de grenzen vast binnen welke de appelrechter uitspraak moet doen over de bij de eerste rechter aanhangig gemaakte geschillen (Cass. 9 april 1984, Arr. Cass. 1983/1984, nr.
  22. Volgens advocaat-generaal Henkes heeft het Hof van Cassatie in dit arrest de strikte toepassing van het beginsel, van de betrekkelijke werking van het hoger beroep alsook het overwicht van de betrekkelijke werking op de devolutieve werking bevestigd, ook al zijn er bepalingen van openbare orde in het geding. De betrekkelijke werking van het hoger beroep ligt in het verlengde van het beschikkingsbeginsel dat de burgerlijke rechtspleging in haar geheel beheerst. Het wordt samengevat in de Latijnse spreuk "tantum devolutum quantum appelatum". (zie ook conclusie voor Cass. 19 april 2002, Arr. Cass. 2002/4, blz. 1065-1067). Ook Prof. Van Orshoven citeert voormeld cassatiearrest in "De bevoegdheid van de hoven en rechtbanken in burgerlijke zaken", Vormingsonderdeel Themis nr. 19, Gerechtelijk recht, Academiejaar 2003/2004, blz. 50, nr. 106). Door het hoger beroep gaat het geschil op de appelrechter over met alle feitelijke en juridische vragen die daarmee samenhangen. Het hoger beroep werd niet allen ingevoerd om de fouten van de eerste rechter te herstellen maar ook om de fouten te verhelpen die de partijen eventueel hebben begaan bij de uiteenzetting van hun belangen (Cass. 17 mei 1999, Arr. Cass. 1999, 672, J.T.T. 1999, 420). Wanneer de rechter in hoger beroep evenwel vaststelt dat de vordering een andere grondslag zou kunnen hebben, dient hij zich toch onbevoegd te verklaren en naar de bevoegde rechter te verwijzen (Cass. 19 februari 1987, Arr. Cass. 1986/1987, 808; J.T.T. 1988, 25). 4.
  23. Krachtens artikel 579, 1° en 3° Gerechtelijk Wetboek neemt de arbeidsrechtbank kennis van de vorderingen betreffende de vergoeding van de schade voortkomende uit arbeidsongevallen, uit ongevallen op de weg van en naar het werk en uit beroepsziekten en van alle vorderingen betreffende de toelagen toegekend door het Fonds voor arbeidsongevallen. 4.
  24. In casu dagvaardde appellante M. R. initieel voor de burgerlijke rechtbank van eerste aanleg te Tongeren met als voorwerp van haar vordering schadevergoeding te bekomen van huidige geïntimeerden solidair ten bedrage van 55.000 EUR méér de vergoedende en de gerechtelijke intresten. In de motivering van de dagvaarding lezen we dat de fouten van huidige geïntimeerden aanleiding geven tot het betalen van een schadevergoeding "waarvan het bedrag gelijk is aan de door verzoekster gederfde bijslagen die zij normalerwijze had moeten ontvangen over een periode vanaf 23 juni 1972 tot 12 november 2000, datum vanaf wanneer zij de bijslagen wel ontving". 4.
  25. De juridische grondslag ligt in de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek. Deze vordering behoort ofwel tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg of van het vredegerecht (artt. 568 juncto 590 Ger. W.). 4.
  26. Volgens artikel 568 Gerechtelijk Wetboek neemt de burgerlijke rechtbank van eerste aanleg kennis van alle eisen die bij haar aanhangig worden gemaakt, ongeacht de waarde ervan, het voorwerp ervan en de hoedanigheid van partijen. Bij twijfel verdient deze rechtbank de voorkeur. Wanneer een eis die krachtens de wet tot de materiële bevoegdheid van een "uitzonderingsgerecht" behoort, toch bij de rechtbank van eerste aanleg wordt ingeleid, wordt een onbevoegde rechter geenszins bevoegd (J. Laenens, e.a., o.c. nr. 443, blz. 236 en 237). 4.
  27. Nadat N.V. W. krachtens artikel 554 Gerechtelijk Wetboek "in limine litis" de onbevoegdheid ratione materiae van de burgerlijke rechtbank had opgeworpen, verzond deze de zaak naar de Arbeidsrechtbank te Tongeren. 4.
  28. Artikel 660 Gerechtelijk Wetboek voorziet dat, behalve wanneer het voorwerp van de vordering niet tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht behoort, iedere beslissing betreffende de bevoegdheid de zaak zo nodig naar de bevoegde rechter verwijst die zij aanwijst. Die beslissing bindt de rechter naar wie de vordering wordt verwezen, althans inzake de bevoegdheid (J. Laenens, e.a., o.c. nr. 604, blz. 295), met dien verstande dat zijn recht om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen onverkort blijft. De redenen van de bevoegdheidsbeslissing hebben echter wat het bodemgeschil betreft geen enkel gezag van gewijsde (Cass. 29 april 1983, Arr. Cass. 1982/1983, 1070, R.W. 1983/1984, 1827; Cass. 25 juni 1990, Arr. Cass. 1989/1990, 1375 en R.W. 1990/1991, 1968; Arbh. Antwerpen, afd. Antwerpen, 9 juni 2006, inzake A.R. 2050425, BVBA Transport W. Servaes t./ P. De Smet, niet gepubliceerd verwijzend naar Cass. 5 januari 2006, zaak C.05.0080.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.12., onuitgegeven, www.cass.be, op datum). 4.
  29. Het Hof neemt krachtens artikel 607 Gerechtelijk Wetboek kennis van het hoger beroep tegen beslissingen in eerste aanleg van de arbeidsrechtbanken en de voorzitters van de arbeidsrechtbanken. Ook het Hof moet zijn materiële bevoegdheid ambtshalve onderzoeken, alvorens uitspraak te doen over de aanhangig gemaakte vordering (Cass. 4 november 2002, R.W. 2004/2005, 100, eveneens opgenomen in DOC, 1/A, 347.9). 4.8.
  30. Ook voor de arbeidsrechtbank heeft appellante M. R. haar juridische grondslag van haar oorspronkelijke vordering voor de burgerlijke rechtbank tegenover beide verwerende partijen behouden. 4.8.
  31. In concreto wordt deze omschreven als: "In ondergeschikte orde, voor het geval de arbeidsrechtbank zou oordelen dat de in hoofdorde gestelde vordering verjaard is, behoudt concluante haar oorspronkelijke vordering, gebaseerd op art. 1382 en 1383 B.W. tegenover beide verwerende partijen om hen te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding waarvan het bedrag gelijk is aan de gemiste aanpassingsbijslagen ten bedrage van 35.283,54 EUR en meer de vergoedende intresten vanaf de gemiddelde datum tussen 23 juni 1972 en 1 november 2000." 4.8.
  32. Omwille van het feit dat de arbeidsrechters inzake hun bevoegdheid gebonden waren door het vonnis van verwijzing krachtens artikel 660 Gerechtelijk Wetboek, was appellante M. R. genoodzaakt haar oorspronkelijk ingestelde eis aan te passen aan de bevoegdheidsregels van de arbeidsrechtbank en uit te breiden ten overstaan van het Fonds voor arbeidsongevallen, als volgt: "Concluante vraagt in hoofdorde het Fonds voor arbeidsongevallen te veroordelen om aan concluante de aanpassingsbijslagen te betalen die het Fonds haar ambtshalve had moeten toekennen en uitbetalen ten gevolge van het arbeidsongeval overkomen aan de heer R. L. op 23 juni 1972, en dit vanaf 23 juni 1972 en vermeerderen met de verwijlintresten, voorlopig provisioneel begroot op een bedrag in hoofdsom van 35.283,54 EUR voor de periode van 23 juni 1972 tot 1 november 2000, meer de intresten aan de wettelijke rentevoeten vanaf de gemiddelde datum, zijnde 28 augustus 1986." Het feit dat appellante M. R. genoodzaakt was haar oorspronkelijk ingestelde eis aan te passen aan de bevoegdheidsregels van de arbeidsrechtbank kan niet worden gekwalificeerd als een verwijzing of uitbreiding van de eis. Een verduidelijking bij conclusie van de rechtsgrond die in de inleidende dagvaarding niet werd opgegeven voor de vordering, zonder dat er andere feitelijke gegevens worden aangevoerd dan deze die voorkomen in de dagvaarding maakt geen gewijzigde of uitgebreide vordering uit in de zin van artikel 807 Gerechtelijk Wetboek (Stefaan Cnudde, "Tussengeschillen voortvloeiend uit de wijziging van de partijen en hun aanspraken", in Bestendig Handboek Burgerlijk Procesrecht, deel 2, Ed. E. Breways, Kluwer, nr. 26360, blz. VII-3-8 en de aangehaalde cassatierechtspraak supra 3.1). Een gewijzigde vordering geënt op een aanvankelijke vordering die niet tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoort, is evenwel niet toelaatbaar (cf. infra). 4.8.
  33. Ten opzichte van N.V. W., behield appellante M. R. haar oorspronkelijke eis en vorderde de solidaire veroordeling, minstens in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere, van betaling van het bedrag van 35.283,54 EUR, zowel van het FAO als van N.V. W. 5.
  34. In graad van hoger beroep, gaat appellante M. R. akkoord met de uitspraak van de arbeidsrechtbank dat de vordering tot betaling van de aanpassingsbijslagen verjaard is, zodat het hoger beroep enkel gericht is tegen de beslissing over de vordering tot het bekomen van een schadevergoeding. 5.
  35. Het beperkt hoger beroep van appellante M. R. strekt zich in hoofdorde dan ook uit tot de onbevoegdheid ratione materiae van de arbeidsrechtbank en in ondergeschikte orde tot de solidaire veroordeling van het FAO en N.V. W. - E. V., zodat de zaak naar het Hof van beroep te Antwerpen dient verzonden. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer R. NELISSEN, Advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de buitengewone openbare terechtzitting van 19 december 2007, waarop partijen niet repliceerden. Beslissend op tegenspraak na beraadslaging. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Voegt de zaken gekend onder de algemene rolnummers 2070018, 2070019 en 2070059 samen, om in de toekomst verder te behandelen onder het algemene rolnummer
  36. Verklaart de hoger beroepen ontvankelijk en gegrond in de volgende mate. In toepassing van artikel 643 Gerechtelijk Wetboek verklaart het Hof zich onbevoegd. Vernietigt de bestreden vonnissen van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 23 maart 2006 en 21 december 2006 gewezen onder A.R. nr. 2362/
  37. Verwijst deze zaak naar de bevoegde rechtbank in hoger beroep, zijnde het Hof van beroep te ANTWERPEN. De kosten worden aangehouden. Aldus gewezen en uitgesproken door de zevende kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt op de openbare terechtzitting van achtentwintig januari tweeduizend en acht, waar aanwezig waren: de heer J. MARTENS, Kamervoorzitter, de heer G. HELLINGS, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, aangewezen bij beschikking d.d. 28 januari 2008 door de heer J. MARTENS, Kamervoorzitter, die de Eerste Voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger. W.), om de heer A. REMANS, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen (art. 779 Ger. W.), de heer R. URBAIN, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer - arbeider, mevrouw L. COLLA, e.a. Adjunct-griffier. L. COLLA R. URBAIN G. HELLINGS J. MARTENS PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080128.2 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.