← België

ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080201.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 01 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080201.5 Rolnummer: 2002-0636 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2008-04-24 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-07-02 16:58 Fiches 1 - 2 Hoewel de facto het pensioenstelsel voor werknemers en dat voor zelfstandigen tot op zekere hoogte functioneren binnen een vergelijkbaar patroon, zijn de historisch te verklaren verschillen bij de berekening en de toekenning van uitkeringen zo belangrijk dat men moet spreken van twee verschillende referentiekaders, waar de constitutionele vergelijkingstoets zijn juridische relevantie verliest. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Zelfstandige SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Zelfstandige - Rustpensioen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - ZELFSTANDIGEN - Algemeen (zelfstandigen) Vrije woorden: Sociale zekerheid voor zelfstandigen - rust- en overlevingspensioenen - basisvoorwaarden tot toekenning van het rustpensioen, het overlevingspensioen, de aanpassingsvergoeding - het rustpensioen - verminderingscoëfficient - onvergelijkbaarheid pensioenstelsels - VIII B Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 72 - 10-11-1967 - 3, § 1 - 04 ELI link Pub nr 1967111030 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Zelfstandige SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Zelfstandige - Rustpensioen Vrije woorden: Sociale zekerheid voor zelfstandigen - rust- en overlevingspensioen - vaststelling van het bedrag in functie van de loopbaan - berekening van het rustpensioen - verminderingscoëfficient - onvergelijkbaarheid pensioenstelsels - VIII B Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 72 - 10-11-1967 - 16 bis - 04 ELI link Pub nr 1967111030 Koninklijk Besluit - 22-12-1967 - 17 - 02 ELI link Pub nr 1967122203 Nota: Gerangschikt onder VIII B - artikel 3, § 1 en onder VIII B - artikel 16 bis. Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2020636 OPENBARE TERECHTZITTING VAN EEN FEBRUARI TWEEDUI-ZEND EN ACHT In de zaak: K.G., appellant, die persoonlijk verschijnt, tegen: RIJKSINSTITUUT VOOR DE SOCIALE VERZEKE-RINGEN DER ZELFSTANDIGEN, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Jan Jacobsplein 6, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. T.D. loco mr. R.V., advocaat te Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.

  1. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtsple-ging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 6 juni 2005, 4 mei 2007 en 2 november 2007; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tus-senarrest van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen van 6 juni 2005 (A.R. 2020636); - de conclusies voor het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 26 september 2005; - de conclusies voor K.G., neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 16 mei 2006; - de conclusies voor K.G., neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 17 oktober 2006; - de conclusies voor K.G., neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 19 oktober 2006; - de conclusies voor K.G., neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 25 oktober 2006; - de conclusies voor K.G., neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 27 oktober 2006; - de conclusies voor K.G., neergelegd op de griffie van het ar-beidshof te Antwerpen op 2 november 2006; - de conclusies voor K.G., neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 27 november 2006; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 7 december 2007 en aan partijen ter kennis gebracht op 10 december 2007 in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid, Ger. W.; - de repliek van K.G., neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 14 december
  2. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 2 november
  3. Daarna zijn de debatten ge-sloten en is de zaak meegedeeld aan het openbaar ministerie om schriftelijk advies uit te brengen. Op de openbare terechtzitting van 7 december 2007 werd het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies, dat bij het dossier van de rechtspleging werd gevoegd. Na het verstrijken van de termijn van partijen voor het neerleggen van hun conclusies over het advies is de zaak in beraad genomen.
  4. Feiten en voorgaande procedure K.G. deed een pensioenaanvraag op 6 augustus
  5. Bij administratieve beslissing van 12 december 2001 kende de Rijksdienst voor Pensioenen aan K.G., met ingang van 1 februari 2002, een rustpensioen toe als werknemer ten bedrage van 1.422,19 euro per jaar, op grond van een bewezen beroepsloopbaan als werknemer van 12/45sten (periode 1959 tot 1970). Bij administratieve beslissing van 14 februari 2002 kende het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen aan K.G., met ingang van 1 februari 2002, een rustpensioen toe als zelfstandige ten bedrage van 3.143,66 euro per jaar, op grond van een bewezen beroepsloopbaan als zelfstandige van 26,75/45sten (periode 1970 tot 1997). K.G. bestreed deze administratieve beslissingen bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen met een uitvoerig verzoekschrift van 12 maart 2002 omdat, volgens hem, samengevat, de berekening van het pensioen niet correct (onwetenschappelijk) gebeurde en bovendien discriminatoir was. Onderge-schikt vorderde hij een prejudiciële vraagstelling aan het Grondwettelijk Hof wegens schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de natio-nale pensioenwetgeving. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 18 oktober 2002 werd de vordering van K.G. ontvankelijk, doch ongegrond verklaard en de administratieve beslissing van de Rijksdienst voor Pensioenen van 12 de-cember 2001 bevestigd. K.G. stelde hoger beroep in met een verzoekschrift van 22 november
  6. Bij tussenarrest van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen van 6 juni 2005 werd het hoger beroep van K.G. met betrekking tot het aspect van het werknemerspensioen ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. Het vonnis werd bevestigd, in zoverre uitspraak werd gedaan over de bestreden administratieve beslissing van de Rijksdienst voor Pensioenen van 12 de-cember 2002 (werknemerspensioen). Nadat het hof vaststelde dat nog uitspraak moest gedaan worden over de be-streden beslissing van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen van 14 februari 2002, werd toepassing gemaakt van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek en werd de zaak, wat het aspect van het pen-sioen van K.G. als zelfstandige betreft, naar de algemene rol verzonden, met het oog op de toebedeling aan de bevoegde kamer. Dit onderdeel van de betwisting behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de vijfde kamer van het arbeidshof.
  7. Eisen in hoger beroep K.G. (appellant) vordert: - de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; - vast te stellen dat er geen redelijk verband bestaat van evenredigheid tus-sen de regeling van het rustpensioen voor enerzijds werknemers en ander-zijds zelfstandigen, zodat de berekening van het rustpensioen van werkne-mer zowel als dat van zelfstandige dient te worden nietig verklaard en het hof het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen zal veroordelen de herberekening van zijn pensioenen te maken; - dat minstens prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof dienen te worden gesteld omtrent het onderscheid tussen de pensioenregeling voor zelfstandigen en werknemers: 1) Schendt artikel 3, §1, 2de lid, van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen wel-zijn en artikel 124 van de wet houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet in zoverre deze bepalingen geen verschil in behandeling in-voeren tussen een werknemer/zelfstandige die 45 jaar effectief heeft gewerkt ? 2) Schendt artikel 142 van de wet van 15 mei 1984 houdende de maat-regelen tot harmonisering in de pensioenregelingen (dat artikel 19 van het K.B. nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overle-vingspensioen der zelfstandigen wijzigt), in de vorm voor de wijziging bij wet van 11 mei 2003, de artikel 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet in zoverre deze bepaling een onderscheid in behandeling in-voerde voor wat betreft de uitkering tussen iemand met een gemengde loopbaan en iemand met een volledige loopbaan in één stelsel ? 3) Schendt artikel 3, §1, van het K.B. nr. 72 van 10 november 1967 be-treffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, de artike-len 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet in zoverre deze bepaling een verschil in behandeling invoert tussen een werknemer die ver-vroegd op pensioen gaat en een zelfstandige die vervroegd op pensioen gaat, daar laatstgenoemde zijn rustpensioen ziet verminderen met 5% per jaar vervroeging, terwijl dit voor werknemers niet is ? Het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen vordert de vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, met bevestiging van de administratieve beslissing van 14 februari
  8. Ten gronde 4.
  9. Situering van het geschil Bij beslissing van 14 februari 2002 van het Rijksinstituut voor de Sociale Ver-zekeringen der Zelfstandigen werd aan K.G., met ingang van 1 februari 2002, een vervroegd rustpensioen van 3.143,66 euro per jaar (aan indexcijfer 109.45) toegekend, op grond van zijn bewezen beroepsloopbaan als zelfstandige van 1 april 1970 tot 31 december 1996, hetgeen overeenstemt met een loopbaanbreuk van 26,75/45sten. K.G. tekende verhaal aan tegen voormelde beslissing en zijn bezwaren kunnen als volgt worden samengevat: 1) dat het kalenderjaar waarin het pensioen ingaat niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen; 2) dat de jaren die zich situeren vóór de leeftijd van 20 jaar niet in aan-merking komen en dit verschillende repercussies heeft voor de zelf-standige, afhankelijk van de verjaardag, omdat de leeftijd in jaar en ka-lenderjaar niet hetzelfde begin en einde hebben (tenzij geboren op 1 januari), waardoor de loopbaan onmogelijk gelijk kan zijn aan 45/45sten; 3) dat er geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat voor het ge-brek aan verschil in berekening sinds 1997 voor wat betreft het inko-men van de zelfstandigen en dat van de werknemers om tot de bereke-ningscoëfficiënt te komen; 4) dat artikel 3, §1, van het K.B. nr. 72 van 10 november 1967 betref-fende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet schendt in de mate dat deze bepaling een verschil in behandeling invoert tussen een werknemer die vervroegd op pensioen gaat en een zelfstandige die vervroegd op pen-sioen gaat, daar de zelfstandige zijn rustpensioen ziet verminderen met 5% per jaar vervroeging, terwijl dit voor werknemers niet het geval is. 4.
  10. Beoordeling 4.2.
  11. De loopbaanbreuk Krachtens artikel 4 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen wordt het rustpensioen toekenbaar in functie van de loopbaan, uitgedrukt door een breuk (artikel 4, §1). De noemer van deze breuk is 45 en de teller wordt verkregen door het getal dat het totaal van de kwartalen uitdrukt die in aanmerking komen voor de opening van het recht op het rustpensioen en die gelegen zijn vóór het jaar waarin het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat, te delen door vier (artikel 4, §§ 2 en 3). In huidig geschil werd bij de vaststelling van de loopbaan, dienstig voor de be-rekening van het pensioen van K.G., rekening gehouden met zijn loopbaan als zelfstandige van 1 april 1970 tot 31 december
  12. In de bestreden administratieve beslissing werd, overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, de loopbaanbreuk terecht bepaald op 26,75/45, als volgt samengesteld: - jaar 1970 : 0,75/45 - jaren 1971t/m 1996 : 26 /45 Totaal : 26,75/
  13. 4.2.
  14. Jaren gelegen vóór de twintigste verjaardag Artikel 17 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende alge-meen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen bepaalt dat de kwartalen die gelegen zijn vóór het jaar waarin de zelfstandige de leeftijd van 20 jaar bereikt, in aanmerking genomen worden voor zover zij gedekt zijn door de bijdragen. De loopbaan die gelegen is vóór 1 januari van het jaar van de 20ste verjaardag kan bijgevolg wel in aanmerking worden ge-nomen bij de vaststelling van de beroepsloopbaan als zelfstandige, als daar-voor bijdragen werden betaald. De beroepsloopbaan van K.G. als zelfstandige nam een aanvang op 1 april 1970; in de regeling voor werknemers bekomt hij vervroegd rustpensioen op grond van zijn loopbaan van 1959 tot
  15. Derhalve heeft hij, in de zin van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, er geen belang bij om de toepassing van deze regel te betwisten. 4.2.
  16. De beroepsinkomsten Het rustpensioen van de zelfstandige wordt berekend in functie van de be-drijfsinkomsten: - voor de loopbaanjaren gelegen vóór 1984 wordt er per jaar een forfaitair beroepsinkomen in aanmerking genomen. - Voor de loopbaanjaren vanaf 1984 wordt rekening gehouden met het be-roepsinkomen dat tot basis heeft gediend voor de bijdragebetaling. Dit be-roepsinkomen wordt echter slechts in aanmerking genomen tot aan de 'in-termediaire' inkomensgrens voor de bijdrageberekening van 18.371,36 eu-ro (te indexeren) (bedoeld in artikel 12, §1, eerste lid, 1°, van het konink-lijk besluit nr. 38). Op de bedrijfsinkomsten werd een 'bijdragebreuk' toegepast, die de verhou-ding weergaf tussen de bijdragen die zelfstandigen en werknemers betalen voor hun respectievelijk pensioenstelsel. Voor de loopbaanjaren vanaf 1997 wordt de bijdragebreuk vervangen door een coëfficiënt, waarvan de hoogte verschilt naargelang van de toepasselijke inkomensschijf. Hierdoor worden de pensioenuitgaven voor de toekomst ge-matigd. In het verslag aan de Koning bij het ontwerp koninklijk besluit, genomen in uitvoering van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot moder-nisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, §1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie, wordt de nieuwe bereke-ningswijze als volgt toegelicht (verslag aan de Koning bij het koninklijk be-sluit van 30 januari 1997, B.S. 6 maart 1997, 4834): "Voor de berekening van het proportioneel pensioen worden de bedrijfs-inkomsten voortaan in twee schijven opgesplitst. De eerste schijf gaat tot 1.346.210 Fr., het huidig berekeningsplafond in de pensioenregeling voor werknemers. De tweede schijf loopt van dit plafond tot het tussen-plafond voor de berekening van de bijdragen in het sociaal statuut. Met het oog op een zekere selectiviteit wordt op deze schijven een verschil-lende berekeningscoëfficiënt toegepast. De coëfficiënt 0,567851 werd bepaald op basis van de reële verhouding tussen de uitgaven voor de uitkeringen voor pensioenen voor zelfstan-digen (65.738,2 miljoen) en de totaliteit van de uitgaven van het sociaal statuut der zelfstandigen (118.172,7 miljoen, abstractie makend van de interne transferten) in 1994, zijnde de recentste definitieve cijfers. Het aandeel van de uitgaven voor de uitkeringen voor pensioenen be-draagt derhalve 55,629%. Toegepast op de totale bijdragevoet van 16,7% betekent dit dat de bijdragevoet voor de pensioenen op 9,290043% kan worden vastgesteld. De verhouding tussen deze bijdragevoet en de pensioenbijdragevoet die in de werknemersregeling van toepassing was vóór de invoering van het globaal beheer (16,36%), levert de coëfficiënt 0,567851 op. Voor de eerste schijf van de bedrijfsinkomsten, vervangt deze nieuwe coëfficiënt de coëfficiënt 0,611791, zoals die voor het jaar 1996 was vastgelegd bij koninklijk besluit van 6 september
  17. De coëfficiënt 0,463605, die van toepassing is op de tweede schijf van de bedrijfsinkomsten, werd berekend uitgaande van bovenvermelde coëfficiënt 0,
  18. Door deze te vermenigvuldigen met de breuk die de verhouding weergeeft tussen het niveau waarop in de werknemersre-geling en in de zelfstandigenregeling het inkomen wordt begrensd met het oog op de pensioenberekening (0,611791 x 1.346.210/1.776.509) be-komt men de nieuwe coëfficiënt 0,463605." K.G. houdt voor dat er geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat voor het gebrek aan verschil in berekening sinds 1997, voor wat betreft het inkomen van de zelfstandigen en dat van de werknemers, om tot de bere-keningscoëfficiënt te komen; vermits dit onderscheid uit een koninklijk besluit voortvloeit dat strijdig is met de wet en de Grondwet, dient het arbeidshof dit buiten toepassing te verklaren. Het arbeidshof stelt vast dat K.G. geen melding maakt van de wetgevende norm die het onderwerp uitmaakt van de vraag en de bepalingen waaraan hij die norm getoetst wenst te zien; dienvolgens kan niet onderzocht worden of het antwoord op de prejudiciële vraag al dan niet relevant of pertinent is om uitspraak te doen. 4.2.4 Verminderingscoëfficiënt Artikel 3, §1, van het koninklijk besluit nr. 72 betreffende het rust- en overle-vingspensioen der zelfstandigen bepaalt: "Het rustpensioen kan toegekend worden vanaf de eerste van de maand die volgt op de 65e of de 60e verjaardag van de aanvrager, naargelang het een man of een vrouw betreft. Voor wat de mannen betreft kan het nochtans, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende ingaan binnen de periode van vijf jaar, die de normale pensioenleeftijd voorafgaat; in dat geval wordt het verminderd met 5% per jaar vervroeging. Voor de toepassing van de verminderingscoëfficiënt bedoeld in het vo-rige lid, wordt rekening gehouden met de leeftijd die de aanvrager be-reikte op zijn verjaardag die de ingangsdatum van het pensioen onmid-dellijk voorafgaat." Bij bestreden administratieve beslissing van 14 februari 2002 werd het pensi-oenbedrag - berekend op basis van het forfaitair minimumpensioen - met 25% verminderd, aangezien K.G. op de ingangsdatum van het pensioen de leeftijd van 60 jaar had bereikt. K.G. is van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel geschonden wordt aangezien in de regeling voor werknemers een vervroegd rustpensioen kan bekomen worden zonder vermindering, terwijl in de regeling voor zelfstandigen het toekenbaar bedrag met 5% per jaar vervroeging verminderd wordt. Het Grondwettelijk Hof definieert de draagwijdte en de evaluatiecriteria van het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod als volgt (zie o.m. Arbitra-gehof, nr. 1/94, 13 januari 1994): "De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde catego-rieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een ob-jectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschon-den wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel." Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof blijkt dat een voldoende verge-lijkbaarheid van de categorieën van personen moet vaststaan om een consti-tutionele toetsing te rechtvaardigen (zie: Delva, J., en Meerschaut, F., Over-zicht van de rechtspraak. De rechtspraak van het Arbitragehof ten behoeve van de private rechtspraktijk (1989-1991), T.P.R., 1993; Meerschaut, F., Overzicht van de rechtspraak. De rechtspraak van het Arbitragehof ten behoeve van de private rechtspraktijk (1992-1997), T.P.R., 1998). De toetsing van artikel 3, §1, van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 novem-ber 1967 begint derhalve met een onderzoek naar de vergelijkbaarheid van de categorieën van personen die K.G. in de door hem beweerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betrekt. Samen met het openbaar ministerie is het arbeidshof van oordeel dat de cate-gorie 'werknemers' en de categorie 'zelfstandigen' niet met elkaar kunnen vergeleken worden. Het Belgische sociale zekerheidsstelsel kent verschillende regelingen voor werknemers (werklieden, bedienden en andere categorieën), zelfstandigen, ambtenaren en diverse bijzondere beroepen. Voor iedere beroepscategorie gelden verschillende regels inzake toepassings-gebied, administratieve en financiële organisatie, voorwaarden voor het ont-staan van het recht op en voor de toekenning van prestaties, cumulatie met an-dere voordelen enzovoort. De sociale bescherming van zelfstandigen is in verschillende opzichten be-perkter dan die van werknemers en het overheidspersoneel. Die verschillen zijn grotendeels te verklaren door de onderscheiden historische oorsprong van de verschillende stelsels; zij zijn tevens ingegeven door budgettaire overwe-gingen. Hoewel de facto het pensioenstelsel voor werknemers en dat voor zelfstandi-gen tot op zekere hoogte functioneren binnen een vergelijkbaar patroon, zijn de historisch te verklaren verschillen bij de berekening en de toekenning van uitkeringen zo belangrijk dat men moet spreken van twee verschillende refe-rentiekaders, waardoor de vergelijkingstoets zijn juridische relevantie verliest. Aangezien de categorieën van personen ten aanzien waarvan de ongelijkheid wordt aangevoerd niet met elkaar kunnen worden vergeleken, wordt het ver-zoek tot prejudiciële vraagstelling, met betrekking tot artikel 3, §1, van het ko-ninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967, afgewezen. Het hoger beroep is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 7 december
  19. Gelet op het tussenarrest van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen van 6 juni
  20. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ongegrond. Bevestigt dienvolgens de beslissing van 14 februari 2002 van het Rijksinsti-tuut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, waarbij aan K.G., met ingang van 1 februari 2002, een rustpensioen ten belope van 3.143,66 euro per jaar aan indexcijfer 109.45 werd toegekend. Verwijst, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wet-boek, het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen tot de kosten van hoger beroep. Deze kosten worden door het hof niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op één februari tweeduizend en acht door de vijfde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, J. VERHAVERT, raadsheer, Y. BOLLEKENS, raadsheer in sociale zaken als zelfstandige, R. SMETS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080201.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.