← België

ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080212.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 12 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080212.7 Rolnummer: 2007-0047 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-04-10 Raadplegingen: 134 - laatst gezien 2026-07-02 17:01 Fiches 1 - 2 De arbeidsongeschikte werknemer die over een toestemming beschikt van de adviserend geneesheer om een activiteit uit te oefenen tijdens zijn arbeidsongeschiktheid dient zich strikt te houden aan de opgelegde modaliteiten (aard, volume en voorwaarden van de activiteit). Doet hij dit niet, dan is de beslissing waarbij een einde gesteld wordt aan zijn arbeidsongeschiktheid terecht genomen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Toekenningsvoorwaarden - Algemeen Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - ziekte- en invaliditeitsverzekering - toegelaten arbeid - niet naleving van de modaliteiten - einde arbeidsongeschiktheid - VII DN Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 100 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Koninklijk Besluit - 03-07-1996 - 230, § 2 - 37 ELI link Pub nr 1996022344 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Toekenningsvoorwaarden SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Toekenningsvoorwaarden - Algemeen Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - ziekte- en invaliditeitsverzekering - toegelaten arbeid - niet naleving van de modaliteiten - einde arbeidsongeschiktheid - VII DN Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 164 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: Gerangschikt onder VII DN - artikel 100 en onder VII DN - artikel

  1. Tekst van de beslissing A.R. 2070047 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWAALF FEBRUARI TWEE-DUIZEND EN ACHT In de zaak: R. D., appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. R. R., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen:
  2. NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, met zetel gevestigd 1000 Brussel, Sint Jansstraat 32-38, eerste geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. M.-R. D. S., loco mr. F. E., advocaat te 2000 Antwerpen, en
  3. RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDI-TEITSVERZEKERING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, tweede geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. C. V. V., loco mr. R. L., advocaat te 2018 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgend arrest uit.
  4. Procedure Het arbeidshof heeft kennisgenomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 7 maart 2007 en 8 ja-nuari 2008; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 12 januari 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van het arbeids-hof te Antwerpen op 22 januari 2007; - de conclusies voor eerste geïntimeerde, ontvangen op de griffie van het ar-beidshof te Antwerpen op 9 februari 2007; - de aanvullende conclusies voor eerste geïntimeerde, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 24 april 2007; - de conclusies voor tweede geïntimeerde, neergelegd op de griffie van het ar-beidshof te Antwerpen op 14 juni
  5. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (stuk 4 dossier arbeids-auditoraat Antwerpen) en de bundels van de raadslieden van het Nationaal Ver-bond van Socialistische Mutualiteiten en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invali-diteitsverzekering. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord op de open-bare terechtzitting van 8 januari
  6. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad ge-nomen.
  7. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een beroepsakte, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 22 januari 2007, tekende R. D. hoger beroep aan tegen een vonnis uitgesproken door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 12 januari 2007 (A.R. 371.885). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen met gerechtsbrief van 16 januari
  8. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvanke-lijk.
  9. Feiten en voorgaande rechtspleging R. D., arbeidsongeschikt erkend sinds 22 juli 1994 tot 31 december 2005, genoot uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid in de regeling der werknemers vanaf 18 augustus
  10. De adviserend geneesheer gaf aan R. D. op 28 mei 2003 de toestemming om tijdens zijn periode van arbeidsongeschiktheid een onbezoldigde activiteit uit te oefenen als adviseur-konsulent voor particulieren. Naar aanleiding van een schriftelijke klacht, overgemaakt door de adviserend geneesheer van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten (hierna N.V.S.M.), werd een onderzoek ingesteld door de dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna R.I.Z.I.V.); volgens de inhoud van de klacht zou R. D. zich laten vergoeden voor zijn adviserend werk onder de vorm van een tussenkomst in zijn onkosten. Op 13 juli 2004 werd R. L. A. door de sociaal controleur van de dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het R.I.Z.I.V. ondervraagd. Hij legde volgende verklaring af (stuk 7 - bundel tweede geïntimeerde: PV van verhoor van R. L. A. van 13.07.2004) "Ik geniet invaliditeitsuitkeringen + een integratietegemoetkoming. Een zestal maanden geleden heb ik op de radio (radio Minerva) een uitzending gehoord waarin een zekere de heer D. R. werd voorgesteld als helper van mensen die in nood zitten, d.w.z. mensen die geen papieren kunnen invullen. Na de uitzending heb ik hem bij mij thuis laten komen om over mijn problemen te praten. Ik had immers ook schulden. Ik toon u het kaartje dat hij mij gegeven heeft. Hierop staat: R. D., Adviseur consulent, voor particulieren minder-validen en minder bedeelden, GSM: ......, adres: ........., Tel & Fax: ..., . Als ik problemen heb, bel ik hem. Ik heb hem een volmacht gegeven. Dit is de volmacht die u mij getoond heeft. U vraagt mij hoe dikwijls hij reeds voor mij is opgetreden. Dit is reeds zo'n 2 à 3 maal het geval geweest. Hij gaat ook mee naar de dokter. U vraagt mij of ik hem moet betalen voor zijn raadgevingen/bijstand. Ik zeg u dat hem niet moet betalen zoals een advocaat, maar dat hij enkel zijn gemaakte kosten terugvraagt. Bvb. zijn gemaakte kosten voor het telefoneren naar Brussel, schrijven van brieven en zijn verplaatsingskosten met de wagen. Hij vraagt 10 euro om zich van zijn woonplaats naar hier te verplaatsen. Ik ben heel tevreden over de bijstand/raad die ik van hem krijg. Indien hij mij geld zou aanrekenen, kan ik evengoed een advocaat nemen..." Op 29 juli 2004 werd W. T. V. A. door de sociaal controleur van de dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het R.I.Z.I.V. ondervraagd. Hij legde volgende verklaring af (stuk 8 - bundel tweede geïntimeerde: PV van verhoor van W. T. V. A. van 29.07.2004): "Dhr. D. doet zich voor als raadgever/consulent om mensen met allerlei administratieve problemen te helpen. Tussen + eind juni 2003 en eind december 2003 heeft hij een 10 à 12 keer de volgende dingen voor mij gedaan: mondelinge raad gegeven of ik in aanmerking kwam om een verhoogde tegemoetkoming te krijgen bij het Ministerie in de Zwarte-Lievevrouwstraat te Brussel, hij heeft ook voor een advocaat gezorgd (advocatenkantoor Rombaut & Van Genechten in de Pacificatiestraat 95 te 2000 Antwerpen), hij heeft mij ook een paar keren naar het ziekenhuis gevoerd (1 maal naar St. Elisabeth + 1 maal naar St. Erasmus + 2 maal naar Middelheim). Hij heeft ook voor mij gefaxt, getelefoneerd + kopies genomen naar en voor dit advocatenbureau. Meester Rombaut is een goede kennis van hem. Ik heb hem 100 euro gegeven om dit aantal keren met mij naar het ziekenhuis te rijden. Ik heb hem deze in september 2003 gegeven (voor mijn verjaardag). Bij de schriftelijke klacht zaten ook een zestal bewijzen van betaling aan D. R.. Het gaat hier om betalingen van telkens 50 euro die hij vroeg voor zijn raadgevingen. Hij vroeg dit ook als vergoeding voor gemaakte kosten (telefoneren, vervoer, kopiëren, faxen). U ziet dat ik hem onder andere op 27.06.2003 en 24.07.2003 telkens 50 euro heb betaald. Op de andere betalingswijzen staan geen data vermeld. Ik weet dan ook niet meer wanneer ik hem juist deze andere 50 euro heb betaald. U zit dat op twee betalingsbewijzen de naam staat van T. K. Zij is een kennis van mij met psychische problemen. Ik heb twee keer voor haar aan D. R. betaald omdat voor haar kosten zou gemaakt hebben (telefoonkosten naar het ziekenhuis + haar psychiater)." Op 6 augustus werd R. D. door de sociale controleurs van de dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het R.I.Z.I.V. ondervraagd en geconfronteerd met de door hem uitgeoefende activiteit. Hij legde volgende verklaring af (stuk 11 - bundel tweede geïntimeerde: PV van verhoor van R. D. van 06.08.2004): "U vraagt of ik A. R. ken. Ik antwoord u bevestigend. Hij heeft een dossier bij mij vanaf begin december
  11. Ik ben voor hem reeds een 6 à 7 keer opgetreden. D.w.z. bemiddeld bij zijn schulden, hem bijstaan met raad en advies in zijn conflict met het Ministerie van Sociale Zekerheid, ik heb hem ook geholpen aan een pro-deo advocaat (meester Van Den Berghe), ik ben met hem eens mee geweest naar de dokter. Voor deze hulp heeft hij mij een vergoeding gegeven voor mijn gemaakte kosten (10 euro voor vervoerskosten, 8 euro om kopies te nemen, telefoneren, 13 euro voor aankoop postzegels, een inktlint, ...) Hij heeft mij ook een volmacht gegeven. U zegt ook dat ik naamkaartjes heb, waarop mijn titel staat. Dit klopt. Ik maak ook reclame in de Koopjeskrant. U confronteert mij ook een verklaring, afgenomen van V. A. W.. Hij verklaarde dat ik tussen ongeveer eind juni 2003 en eind december 2003 een 10 à 12 keer de volgende dingen voor hem heb gedaan zoals mondeling raad geven om na te gaan of dhr. V. A. W. in aanmerking kwam om een verhoogde tegemoetkoming te krijgen bij het Ministerie in de Zwarte-Lievevrouwstraat te Brussel, ik heb ook voor een advocaat gezorgd, ik ben met hem ook een paar keer naar het ziekenhuis geweest (zie vergoeding 100 euro ), ik heb voor hem gefaxt, getelefoneerd + kopies genomen naar en voor het advocatenbureau Rombaut & Van Genechten. U legde mij ook 6 kopies van betalingsbewijzen voor, u overhandigd door V. A. W., waarop 2 hiervan een datum staan: 27.06.03 en 24.07.
  12. Het gaat hier om bedragen van telkens 50 euro die door V. A. W. aan mij werden betaald. Op 2 betalingsbbewijzen staat de naam T. K. vermeld. Het gaat hier volgens V. A. W. om een vergoeding voor kosten die zowel voor hem als voor T. K. door mij werden gemaakt (o.a. voor raadgevingen, telefoonkosten, kopiëren, faxen,...). Het klopt dat ik voor dhr. V. A. W. een aantal dingen heb gedaan, waaronder een paar keren naar het ziekenhuis gereden, voor een advocaat gezorgd, de nodige brieven geschreven en getelefoneerd naar o.a. dokters, advocaten, Ministerie van Sociale Zekerheid, kortom: een aantal administratieve taken gedaan en mondelinge raad gegeven. De periode die hij vermeldt klopt ook. Ik ben zeker voor hem en T. K., een kennis van hem, een twintigtal keren opgetreden. In de periode eind juni 2003- eind december 2003 heb ik inderdaad van dhr. V. A. W. zowel voor hem als voor T. K. 6 betalingen ontvangen van telkens 50 euro : dit was voor de gemaakte onkosten voor beide personen (dit was 18 euro ) en de verschillen (telkens 32 euro ) betroffen giften door hem aan mij betaald. Hij zei dat hij geld in overvloed had. Hij betaalde dus 2 keer voor T. K. U vraagt of ik deze bedragen aangegeven heb aan de Dienst uitkeringen van mijn ziekenfonds. Ik antwoord u ontkennend, aangezien het hier om giften ging van V. A. W. U vraagt of ook andere personen, waarvoor ik iets heb gedaan, mij hebben vergoed. Ik antwoord u bevestigend. Ik heb op dit ogenblik 23 mensen waarvoor ik regelmatig optreed. Voor de door mij gemaakte onkosten vraag ik hen gemiddeld tussen de 7 euro à 22 euro . Ik vraag geen geld voor juridisch advies." Overeenkomstig de bepalingen van artikel 169 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, werd door de sociaal controleur van de dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het R.I.Z.I.V. op 7 september 2004 een proces-verbaal van vaststelling opgemaakt; een afschrift van dit proces-verbaal werd op zelfde dag aangetekend verzonden aan R. D. Het dossier werd vervolgens door de sociaal controleur overgemaakt aan de geneesheer-inspecteur van het R.I.Z.I.V. met het oog op de toepassing van artikel 148 van de gecoördineerde wet van 14 juli
  13. Op 14 september 2004 nam de geneesheer-inspecteur van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering de beslissing van "vaststelling van einde arbeidsongeschiktheid". Deze beslissing werd als volgt gemotiveerd: "Op 07/09/2004 heeft de sociaal-controleur kunnen vaststellen dat U een niet toegelaten activiteit heeft uitgevoerd gedurende de periode van ongeveer einde juni 2003 tot 06/08/
  14. In toepassing van art. 100 (van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994) betekent dit dat U door een spontane werkhervatting een einde heeft gesteld aan uw arbeidsongeschiktheid op een niet nader bepaalde dag einde juni 2003, zonder dat U dit heeft gemeld aan de verzekeringinstelling. Gezien het resultaat van mijn onderzoek op 07/09/2004 kan U aan de ad-viserend geneesheer vragen om van de voordelen van art. 101 (sanctiebe-perking) te genieten. Deze voordelen worden u enkel toegekend wanneer U de aanvraag doet." Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwer-pen op 4 oktober 2004, tekende R. D. verhaal aan tegen voormelde administratieve beslissing (A.R. 371.885). Bij beslissing van 29 maart 2005 vorderde het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten lastens R. D. de ten onrechte betaalde invaliditeitsuitkeringen terug over de periode van 30 juni 2003 tot 16 september 2004 ten bedrage van 16.066,88 euro (stuk 9 administratief dossier: beslissing tot terugvordering van ten onrechte betaalde ZIV-uitkeringen). Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 16 juni 2005, tekende R. D. verhaal aan tegen voormelde administratieve beslissing (A.R. 380.300). Bij besluiten, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtban Antwerpen op 17 mei 2005, vorderde het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten bij tegeneis R. D. te veroordelen tot terugbetaling van de som van 16.066,88 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten. Bij vonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank Antwerpen van 12 januari 2007 werd(en), na samenvoeging van beide vorderingen: - de hoofdvorderingen van R. D. ontvankelijk doch ongegrond verklaard met bevestiging van de beslissingen van 14 september 2004 van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en van 29 maart 2005 van het Nationaal verbond van Socialistische Mutualiteiten; - de tegenvordering van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten ontvankelijk en gegrond verklaard met veroordeling van R. D. om aan het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten de som van 16.066,88 euro te betalen ten titel van ten onrechte ontvangen uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten; - de kosten van het geding in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek ten laste van het Nationaal verbond van Socialistische Mutualiteiten en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering gelegd, ieder voor de helft; de kosten van het geding werden aan de zijde van R. D. vereffend op 109,32 euro rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van het Nationaal verbond van Socialistische Mutualiteiten en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering niet begroot en derhalve niet vereffend. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 22 januari 2007, tekende R. D. hoger beroep aan tegen voormeld vonnis. Het Nationaal verbond van Socialistische Mutualiteiten en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering stelden bij conclusies ieder een tegen-vordering in wegens tergend en roekeloos hoger beroep ten bedrage van 1.000,00 euro.
  15. Eisen in hoger beroep R. D. (appellant) vordert: - het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren; - het bestreden vonnis te hervormen en, opnieuw recht doende, de beslissing van 14 september 2004 van de geneesheer-inspecteur van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, te vernietigen en voor recht te zeggen dat hij geen einde heeft gesteld aan zijn arbeidsongeschiktheid; - geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van het geding, aan zijn zijde be-groot op 109,32 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 242,94 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten (eerste geïntimeerde) vor-dert: - het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren; - de tegenvordering te bevestigen in die zin dat R. D. aan het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten de som van 16.066,88 euro dient te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten; - de vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk en ge-grond te verklaren en R. D. te veroordelen in betaling aan het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten van de som van 1.000,00 euro. Het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (tweede geïntimeerde) vordert: - hoofdeis: het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en het vonnis a quo integraal te bevestigen; - tegeneis: de tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en R. D. te veroordelen tot betaling van 1.000,00 euro wegens tergend en roekeloos geding, minstens tot betaling van de kosten van het geding, begroot op 145,78 euro. Ter zitting van 8 januari 2008 van het arbeidshof verklaren partijen, wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, zich akkoord met het basisbedrag zoals voorzien in het koninklijk besluit van 26 oktober
  16. Ten gronde 5.
  17. Wettelijk kader Overeenkomstig artikel 100 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, wordt als arbeidsongeschikt erkend de werknemer die:
  18. alle werkzaamheid heeft onderbroken,
  19. als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen;
  20. waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot en derde of minder dan een derde van wat een persoon, van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitgeoefend hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding. Overeenkomstig artikel 230, §2 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, moet de gerechtigde om de toelating te bekomen tot de uitoefening van een beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid, vóór de hervatting van elke activiteit hiertoe een aanvraag richten tot de adviserend geneesheer van zijn verzekeringsinstelling die de toelating kan verlenen voor zover zij verenigbaar is met de betrokken aandoening. Die toelating waarin de aard, het volume en de voorwaarden tot uitoefening van die activiteit nader zijn opgegeven, wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling geborgen. Aan de gerechtigde wordt kennis gegeven van de toelating. Een afschrift van deze toelating wordt door de verzekeringsinstelling gezonden aan de provinciale dienst van de dienst voor geneeskundige controle. De aanvraagmodaliteiten zijn geregeld in artikel 16, eerste en derde lid van de Verordening van 16 april
  21. Overeenkomstig artikel 146 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 hebben de sociaal controleurs van de dienst voor geneeskundige evaluatie en controle als opdracht de onrechtmatige samenloop van het genot van de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid met het uitoefenen van een beroepsactiviteit of sluikarbeid op te sporen en vast te stellen. Overeenkomstig artikel 148 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 staan de geneesheren-inspecteurs in individuele gevallen in voor de geneeskundige controle op de arbeidsongeschiktheid op grond van de verslagen betreffende de enquêtes van de sociaal controleurs. Artikel 169 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 bepaalt dat de processen-verbaal van vaststelling van de sociaal controleurs bewijskrachtig zijn behoudens tegenbewijs; de sociaal controleurs oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie. Overeenkomstig artikel 164 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 is hij die ten onrechte prestaties heeft ontvangen van de uitkeringsverzekering verplicht de waarde ervan te vergoeden aan de verzekeringsinstelling die ze heeft verleend. 5.
  22. Beoordeling 5.2.
  23. Hoofdberoep Uit het administratief dossier blijkt dat R. D. arbeidsongeschikt erkend werd vanaf 22 juli 1994 tot 31 december
  24. R. D. beschikte over een toestemming, verleend door de adviserend geneesheer op 28 mei 2003, om een activiteit uit te oefenen tijdens zijn periode van arbeidsongeschiktheid, onder volgende modaliteiten: - activiteit: adviseur-konsulent voor particulieren, mindervaliden en minderbedeelden - thuiswerk: Prekerstraat 27, bus 9 te 2000 Antwerpen - beperkt tot: gemiddeld 10 uren per week - vanaf: 2 juni 2003 tot onbepaalde duur - onder de volgende voorwaarden: op afspraak die genoteerd wordt in een dagboek. De toestemming van de adviserend geneesheer gold voor een onbezoldigde activiteit (stuk 1 en 3 bundel tweede geïntimeerde: brief van dokter Nelis Gustaaf en de verklaring van appellant van 28 mei 2003 van uitvoering van niet-bezoldigde activiteit). Uit het onderzoek van de sociaal controleur van de dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het R.I.Z.I.V. blijkt dat R. D. zich niet gehouden heeft aan de voorwaarden die door de adviserend geneesheer werden bepaald voor de uitoefening van zijn activiteiten. Uit de verklaringen afgelegd door L. A. en T. V. A. alsmede uit zijn eigen verklaring blijkt duidelijk dat R. D. zich liet betalen voor zijn 'vrijwilligerswerk'; naast onkostenvergoedingen ter waarde van 8 euro tot 100 euro voor ondermeer telefoonkosten, kopiëren, faxen en vervoerkosten ontving hij ook giften voor zijn raadgevingen. Gelet op het ontvangen van giften en onkostenvergoedingen is hier sprake van een 'bezoldigde' activiteit. Het kan niet ernstig betwist worden dat de 'raadgevingen' die R. D. verleende aan particulieren als een 'activiteit' te beschouwen is. Volgens vaste rechtspraak dient elke activiteit die gericht is op het produceren van goederen of diensten, waarin men rechtstreeks of onrechtstreeks een economisch voordeel kan halen voor zichzelf of voor anderen, ook wanneer deze activiteit slechts occasioneel of uitzonderlijk wordt uitgeoefend, beschouwd te worden als een 'activiteit'. Het karakter van de activiteit, bijvoorbeeld als hobby, vriendendienst of tijdverdrijf, is niet relevant (zie J. Put, "Arbeid tijdens het genot van sociale zekerheidsuitkeringen", Otr. 1992, 75; D. Simoes, "Ziekteverzekering, tak uitkeringen, wetgeving en rechtspraak", T.S.R. Bijzonder nummer 1996, 417). Bovendien heeft R. D. de door de adviserend geneesheer opgelegde voorwaarde van uitoefening van de activiteit op het thuisadres niet nageleefd. Deze voorwaarde werd opgelegd om de controle mogelijk te maken. Uit het onderzoek van de sociaal controleur blijkt duidelijk dat R. D. zijn cliënten ook buitenshuis vergezelde naar ondermeer het ziekenhuis en naar de dokter; uit de verklaring van L. A. blijkt tevens dat R. D. zich ook naar de woonplaats van de cliënten begaf. Aangezien R. D. de door de adviserend geneesheer opgelegde modaliteiten tot uitoefening van een activiteit tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid niet heeft nageleefd, dient de beslissing van de geneesheer-inspecteur van 14 september 2004 tot 'vaststelling van einde arbeidsongeschiktheid' te worden bevestigd. In toepassing van artikel 164 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 is R. D. gehouden de ten onrechte ontvangen prestaties van de uitkeringsverzekering terug te betalen aan zijn ziekenfonds. De terugvordering van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten lastens R. D., dewelke cijfermatig niet wordt betwist, is gegrond. Het hoger beroep van R. D. is ongegrond. 5.2.
  25. Tegeneis wegens tergend en roekeloos hoger beroep Zowel het N.V.S.M. als het R.I.Z.I.V. bestempelen het hoger beroep als tergend en roekeloos voorhoudende dat R. D. geen nieuwe grieven of nieuwe bewijsvoering voorbrengt en het beroep naar alle waarschijnlijkheid enkel werd ingesteld om betalingsuitstel te bekomen; de schade wegens tergend en roekeloos hoger beroep wordt zowel door het N.V.S.M. als door het R.I.Z.I.V. begroot op 1.000 euro. Tevens vordert het R.I.Z.I.V., in afwijking van de regeling van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, R. D. te veroordelen tot de kosten van hoger beroep wegens tergend of roekeloos hoger beroep. Krachtens artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek wordt de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 580, 581 en 582, 1° en 2°, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de gerechtigden, steeds in de kosten verwezen behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is. Het instellen van hoger beroep is een recht dat slechts bij roekeloosheid, kwaadaardigheid of kwader trouw zal leiden tot betaling van een schadevergoeding of tot verwijzing in de kosten wegens tergend of roekeloos beroep. De beroepsgrieven van R. D. zijn weliswaar een herhaling van zijn grieven aangevoerd voor de eerste rechters, doch deze zijn niet ondoordacht of lichtzinnig zodat men niet kan besluiten tot een tergend of roekeloos karakter van het hoger beroep. Uit het verloop van de gerechtelijke procedure in graad van hoger beroep - met inleiding op 7 maart 2007 en een verzoek tot vaststelling door alle partijen op 26 juni 2007 - kan bovendien afgeleid worden dat R. D. geenszins de beroepsprocedure heeft aangewend om betalingsuitstel te bekomen. De tegeneisen wegens tergend en roekeloos ingesteld hoger beroep dienen derhalve te worden afgewezen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 8 januari
  26. Partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben over het advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van R. D. ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank Antwerpen van 12 januari 2007 (A.R. 371.885). Verklaart de tegenvorderingen van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering wegens tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verwijst het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, ieder voor de helft in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van R. D. op 145,78 euro rechts-plegingsvergoeding (basisbedrag - toepassing KB 26 oktober 2007 - B.S. 9 november 2007). Uitgesproken in openbare terechtzitting op twaalf februari tweeduizend en acht door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, J. DE GRAEF, raadsheer in sociale zaken als werkgever, H. DESMET, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. J. VERELST H. DESMET J. DE GRAEF G. ADRIAENSENS PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080212.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.