id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 10 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080310.17 Rolnummer: 2005-0677 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-09-25 Raadplegingen: 255 - laatst gezien 2026-07-03 18:40 Fiches 1 - 2 De rechter (alsook de overheid) heeft niet de mogelijkheid een lager percentage blijvende arbeidsongeschiktheid toe te kennen dan wat dat door de Administratieve Geneeskundige Dienst als blijvende arbeidsongeschiktheid is erkend. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Beroepsziekte - Overheidsdiensten - Vergoeding Vrije woorden: beroepsrisico's - arbeidsongevallen in de openbare sector - vergoedingen - renten - blijvende arbeidsongeschiktheid - toekenning van een percentage door de administratieve geneeskundige dienst - bindende beslissing voor het betrokken bestuur - bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - 4 - 01 ELI link Pub nr 1967070305 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Beroepsziekte - Overheidsdiensten - Andere Vrije woorden: beroepsrisico's - arbeidsongevallen in de openbarbevoegdheid van arbeidshoven en -rechtbanken - blijvende arbeidsongeschiktheid - toekenning van een percentage door de administratieve geneeskundige dienst - bindende beslissing voor het betrokken bestuur - bevoegdheid van de rechtere sector - Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - 19 - 01 ELI link Pub nr 1967070305 Nota: VI C Gerangschikt onder VI C - artikel 4 en artikel
- Annotaties Publicaties: SRK - - 2009, nr. 6, blz. 346-347 Tekst van de beslissing ARREST AR nr. 2050677 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN MAART TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak: M. V.D.V. appellante, verschijnend bij mr. T. Romain, advocaat te Antwerpen, tegen: D.P., autonoom overheidsbedrijf, vertegenwoordigd door haar raad van bestuur, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Muntcentrum, 13de verdiep, geïntimeerde, verschijnend bij mr. C. Talboom, advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 14 november 2005, 23 oktober 2006, 17 september 2007 en 11 februari
- Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: - de dagvaarding uitgaande van M. V.D.V., betekend door L. Pauwels, plaatsvervanger voor B. Moreels, gerechtsdeurwaarder te Vorst, op 14 februari 2001; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 1 maart 2001 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarbij de vordering ontvankelijk werd verklaard en een geneesheer-deskundige werd aangesteld, namelijk dr. N. Gutermann; - het definitief deskundigenverslag van dr. N. Gutermann, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 13 december 2001; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 30 januari 2003 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarbij de vordering opnieuw ontvankelijk werd verklaard en een nieuwe geneesheer-deskundige werd aangesteld, namelijk dr. D. Vermeersch; - het definitief deskundigenverslag van dr. D. Vermeersch, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 22 september 2003; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 24 juni 2004 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarbij dr. D. Vermeersch opnieuw werd aangesteld als geneesheer-deskundige; - het tweede definitief deskundigenverslag van dr. D. Vermeersch, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 6 december 2004; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van 30 juni 2005 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift in hoger beroep uitgaande van M. V.D.V., neergelegd ter griffie van dit hof op 13 oktober 2005, regelmatig ter kennis gebracht aan geïntimeerde overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek; - de conclusie voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit hof op 16 februari 2006; - de conclusie voor appellante, neergelegd ter griffie van dit hof op 27 juni 2006; - de tweede conclusie voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit hof op 28 september 2006; - de beschikking in toepassing van artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek d.d. 22 januari 2007; - de aanvullende conclusie voor appellante, neergelegd ter griffie van dit hof op 26 februari
- Gelet op de regelmatige oproeping van partijen overeenkomstig artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek voor de openbare terechtzitting van 17 september 2007, waarop de zaak werd uitgesteld naar de openbare terechtzitting van 11 februari
- De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 11 februari 2008, waarna de debatten werden gesloten en het hof de zaak in beraad nam.
- Ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk verklaard te worden.
- Feiten en voorgaanden. M. V.D.V., verder in dit arrest het "slachtoffer" genoemd, werd op 17 juli 1996 getroffen door een arbeidsongeval. Zij is werkzaam bij D.P. als bediende. Tijdens het werk is zij het slachtoffer geworden van een verkeersongeval als passagier: zij zat naast de bestuurder van de bestelwagen. Zij vertoonde een kleine wonde aan het hoofd, ze had pijn in het rechterschouderblad en vertoonde kneuzingen aan rechterhand, rechterschouder en knieën. Zij is verder blijven werken, maar consulteerde haar huisarts, dr. Heyvaert wegens verdere hinder. Uiteindelijk was zij volledig arbeidsongeschikt van 28 oktober 1997 tot 14 november
- De Administratieve Gezondheidsdienst (kort: AGD) besloot dat de consolidatiedatum kon bepaald worden op 25 maart 1998 met een globale blijvende invaliditeit van 2%. Vanaf 25 april 2000 werd het slachtoffer opnieuw arbeidsongeschikt wegens aanhoudende pijnen. D.P., zijnde de tewerkstellende overheid, weigerde echter de periode van 25 april 2000 tot 24 september 2000 ten laste te nemen, doch wel de periode vanaf 25 september 2000 tot 31 december 2000, namelijk de periode na een arthroscopie genomen op 25 september
- Aangezien partijen niet tot een akkoord kwamen over de gevolgen van het arbeidsongeval, dagvaardde het slachtoffer op 14 februari 2001 de wetsverzekeraar voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen, teneinde deze te horen veroordelen tot betaling van alle wettelijke vergoedingen in het kader van de arbeidsongevallenwetgeving, te verhogen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten, "inzonderheid de vergoeding voor de tijdelijke totale arbeidsongeschiktheid vanaf 25 april 2000 tot 24 september 2000". Zij vorderde verder de veroordeling van D.P. tot betaling van de vergoeding voor de gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid vanaf de consolidatie en de kosten van het geding. In ondergeschikte orde vordert het slachtoffer, alvorens recht te doen ten gronde, de aanstelling van een geneesheer-deskundige teneinde de gevolgen van het arbeidsongeval d.d. 17 juli 1996 na te gaan. Tenslotte vorderde zij ook de voorlopige tenuitvoerlegging van het te vellen vonnis. Met tegensprekelijk tussenvonnis van 1 maart 2001 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk doch stelden, vooraleer ten gronde recht te spreken, dr. R. N. Gutermann aan als deskundige met de gebruikelijke opdracht inzake arbeidsongevallen. Op 13 december 2001 legde dr. N. Gutermann zijn definitief deskundig verslag neer ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarin hij de zaak als volgt besprak en tot het volgende besluit kwam: "Uit het onderzoek en uit de verschillende gegevens weerhouden wij hier na ongeval op datum van 17 juli 1996 met tekens van kneuzing rechterknie, rechterschouder, rechterhand, en kruinwondje, nu nog als restletsels: - subjectief: slachtoffer klaagt van regelmatig pijn rechterschouderblad causaal - tevens pijn rechterschouder bovenste schouderspier supraspinam - pijn aan rechter elleboog en paresthesieën volgens nervus ulnaris - - objectief: inspectie toont littekens van de arthroscopieën rechterschouder - de palpatie en de percussie toont drukgevoeligheid rechterschouderspieren en rugspieren interscapulair, en nekwervels C2-C3, en Th6 - de mobiliteit is normaal, is volledig, is bilateraal gelijk en gebeurt zonder pijn of hinder; krachten zijn bilateraal goed - perimetrie toont sterkere rechterarm - neurologisch zijn er geen afwijkingen merkbaar - - technisch: radiografieën tonen geen traumatisch letsel; AC-gewricht normaal cervicale zuil normaal wel erge torsiescoliosis thv Th6 - ct-scan schouders en ellebogen = normaal - echografie 'Partiële scheurtje' supraspinam?; ontstekingsreactie? van voorarmspieren? NMR-onderzoek: normale rotator cuff; wel 'tendinose' supraspinam ? EMG-onderzoek - normaal, wel uitgesproken positieve cryptotetanietest! massa verslagen en protocols en attesten voorhanden. Samenvattend zien wij hier een slachtoffer van een licht ongeval met kneuzingen op 17 juli 1996 met een hele nasleep van klachten en onderzoeken - Deze onderzoeken tonen normale arthroscopieën, soms perfecte klinische onderzoeken, dan weer entrapment nervus ulnaris rechterelleboog, dan een 'tendinose' of dan een 'partieel gedeeltelijk scheurtje' echografie van spupraspinam, dan weer een PSH-syndroom,dan een nieuw ongeval met weer nekproblemen en last but not least, een zeer positieve cryptotetanietest
- Na studie van al deze gegevens en technische bevindingen menen wij de besluitvorming van AGD zijnde een restletsel van 2% BI fysieke minderwaarde causaal aan ongeval niet te moeten wijzigen vanaf maart
- De laatste arthroscopie van 29 (lees: 25) september 2000 (normaal bevonden) zou nog als diagnostisch middel in causaal verband gezien kunnen worden met een revalidatieperiode. De periode van 25 april 2000 tot 24 september 2000 is niet als arbeidsongeschikt te verantwoorden. Besluit Na anamnese en na klinisch onderzoek, na inzage der beschikbare medische documenten en na bespreking met de aanwezige geneesheren menen wij te mogen besluiten dat M. V.D.V. na haar ongeval van 17 juli 1996 een tijdelijke arbeidsongeschiktheid vertoonde van 100% voor de periode van 28 oktober 97 tot 14 november 97 100% voor de periode van 25 september 2000 tot 31 december 2000 en als geconsolideerd kan beschouwd worden vanaf 1 januari 2001 met een fysieke minderwaarde van twee percent (2%) - dat de oorzaak een plots trauma is geweest met een zekere waarschijnlijkheid - dat er geen revalidatie of herscholing is aangewezen - slachtoffer zal hinder ondervinden bij repetitieve bewegingen van rechterschouder, zoals bij stempelen, volleybal spelen, en zal deze functie storen." Met tussenvonnis d.d. 30 januari 2003 stelden de eerste rechters dr. D. Vermeersch aan als nieuwe deskundige aangezien zij van oordeel waren dat "de deskundige evenwel niet motiveert waarom de arthroscopie die op 25 september 2000 werd uitgevoerd als normaal te beschouwen is (terwijl in het operatieverslag volgende zinsnede vermeld staat: 'Bursaal zicht toonde een uitgebreide bursitis met impingement') en de rechtbank derhalve van oordeel is dat ze derhalve hic et nunc hieromtrent onvoldoende ingelicht is." Er werd aan dr. Vermeersch gevraagd eveneens advies te geven over de tijdelijke arbeidsongeschiktheid vanaf 1 januari
- Dr. D. Vermeersch legde op 22 september 2001 zijn definitief deskundig verslag neer waarin hij de zaak als volgt bespreekt en tot het volgende besluit komt: "Het MRI-onderzoek van de rechterschouder van 30/08/2000 wijst op het bestaan van een chronische tendinose (peesdegeneratie) van de rechter rotator cuff. Indien het echografisch onderzoek van de schouder elementen aantoont van een scheur van de rotator cuff-pees kadert deze bevinding in een aandoening van peesdegeneratie. Een scheur werd nochtans niet met het MRI onderzoek vastgesteld dewelke een nauwkeuriger onderzoekstechniek is van de schouderpezen dan deze van het echografisch onderzoek. Er bestaan heden dysfuncties van het scapulo-thoracaal junctie rechts, toe te schrijven aan verminderde stabilisatie van de schouderrotatoren en torsieskoliose van het dorsum. Deze verklaart pijn thv de schoudergordelmusculatuur zoals levator scapulae, serratus anterior en dergelijke. Er heeft een entrapment bestaan van nervus ulnaris thv de elleboog rechts. Eigenaardig genoeg bestaan er nu tendinose-overbelasting van de pinkpezen (behandeld met steunverband) en wordt er niet meer over neuropathie gesproken. Na studie van het dossier ben ik overtuigd dat het hier gaat om een chronische tendinose van de rotator cuff dewelke gesensibiliseerd is geweest naar aanleiding van het ongevalsgebeuren van 17/07/
- Het ongevalsgebeuren was niet uitgesproken gezien het slachtoffer niet direct naar de spoedgevallendienst begaf, gezien ze slechts 2 dagen na het ongevalsgebeuren haar huisarts raadpleegde en gezien ze niet werkongeschikt is geweest gedurende het eerste jaar. De pijnen die opkwamen tijdens de sport is deze van chronische tendinose welke aan de hand van de studie van het dossier progressief verslechterde en uiteindelijk gepaard gaat met een operatie. Ik stel voor de toestand te consolideren 1 jaar na het ongevalsgebeuren zijnde 17/07/1997 met terugkeer naar de vooraf bestaande toestand en dit rekening houdend met de beschrijving van het schouderaandoening van 06/11/
- Het ongevalsgebeuren van 17/07/1996 veroorzaakte een kneuzing van het hoofd, van de rechterschouder en de beide knieën. Er wordt ook melding gemaakt van kneuzing ter hoogte van de rechterhand, rechterelleboog en een kneuzing ter hoogte van de lendenkolom. De pijnklachten van de rechterschouder namen toe enkele dagen na het ongevalsgebeuren. Op 06/11/1996, dit is een 4-tal maanden na het ongevalsgebeuren werd ze onderzocht door Dokter Declercq (schouderorthopedist). Er wordt melding gemaakt bij hem van last ter hoogte van de musculatuur van het rechterschouderblad en ter hoogte van de epicondylus lateralis van de rechterelleboog. De schouder zelf vertoonde een normaal onderzoek. De impingementtesten waren met name negatief. De Apprehensiontest was wat positief. Eén jaar later werd het slachtoffer doorverwezen naar Dokter Jacobs. Nu bestaan er pijnen ter hoogte van de rechterpink, nekpijnen en pijnen ter hoogte van het schoudergewricht rechts. Er wordt nu gedacht aan een aandoening van de rotator cuff en een entrapment van de nervus ulnarus. Ook wordt er gedacht aan een discopathie cervicalis. Nog later (onderzoek bij Dokter Steens) wordt er nu melding gemaakt van een tenniselleboog en een PSH van de rechterschouder. Er worden infiltraties uitgevoerd ter hoogte van de rotator cuff. In de loop van de maand september 2000, dit is een 4-tal jaar na het ongevalsgebeuren, wees een arthroscopie van de rechterschouder op een bursitis met impingement. Er werd een bursectomie uitgevoerd. In het jaar 2000 werd er blijvend een neuropathie vastgesteld van de nervus ulnarus. Er bestaan nu problemen met de werkzaamheden en depressies. Later raadpleegde het slachtoffer de dienst orthopedie te Pellenberg (eind van het jaar 2001). Er werd gedacht aan een subscapulaire bursitis. In het jaar 2000 werd er ook een echografie uitgevoerd van de rechterschouder. Er werd een partieel scheurtje vastgesteld van de musculus supraspinatus met tekenen van impingement. Er werd in het jaar 2000 ook een diagnose gesteld van een chronische tendinose van de supraspinatuspees. Aldus een medisch verhaal van chronische overbelasting van nek en rechterarm op basis van een onderliggend multi-articulair of tendineuse-degeneratie. De aandoening van tendinose thv elleboog, hand en neuropathie kan geen verband hebben met het ongevalsgebeuren gezien deze te laattijdig is ontstaan. Wellicht zoekt het slachtoffer de oorzaak van haar degeneratie (verouderingsproces) naar een feit zijnde het ongevalsgebeuren van 17/07/1996 doch ze houdt geen rekening met het feit dat haar lichaam spontaan veroudert zonder externe oorzaak. Gezien er geen objectivatie bestaat voor een posttraumatisch blijvend letsel dewelke werd vastgesteld binnen het jaar na het ongevalsgebeuren kan er geen blijvend letsel worden erkend welke in causaal verband staat met het ongevalsgebeuren. Om alle hoger vermelde redenen kan ik als volgt antwoorden op de vragen mij gesteld door de Rechtbank: Mevrouw V.D.V., M. werd onderzocht. Haar toestand in verband met de letsels waarover zij zich beklaagt werd beschreven. Het ongevalsgebeuren van 17/07/1996 veroorzaakte een kneuzing van het hoofd, rechterschouder, beide knieën, rechterhand, rechterelleboog en de lendenkolom. Er bestond een tijdelijke sensibilisatie van de onderliggende tendinose. Er bestond geen periode van tijdelijke werkongeschiktheid. De consolidatiedatum is deze van 17/07/1997 met terugkeer naar de vooraf bestaande toestand." Met tussenvonnis d.d. 24 juni 2004 hebben de eerste rechters dr. Vermeersch gelast met een aanvullend onderzoek en verzochten hem: - (...) - zijn bemerkingen te geven met betrekking tot het verslag van dr. Linclau d.d. 07 november 2003 met betrekking tot de infiltratie van de rechterschouder; - mede te delen of de arthroscopie van 25 september 2000 en de tijdelijke (lees: arbeidsongeschiktheid) van 25 september 2000 tot en met 31 december 2000) al dan niet in verband staat met het arbeidsongeval van 17 juli 1996 en dit te motiveren, - tevens zijn advies te geven met betrekking tot de tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 25 april 2000 tot en met 24 september 2000, - mede te delen waarom er helemaal geen tijdelijke arbeidsongeschiktheid is (o.m. vanaf 1 januari 2001) en dit te motiveren. (...)" Dr. D. Vermeersch legde op 6 december 2004 zijn tweede definitief deskundig verslag neer waarin hij de zaak als volgt bespreekt en tot het volgende besluit komt: "Het slachtoffer beoefende felle sport reeds vanaf de kinderleeftijd. Het gaat om een schouderbelastende sport dewelke verklaart dat er een vroegtijdige tendinose ontstaat ter hoogte van de rotator cuff. Het slachtoffer verklaart dat ze voor het ongevalsgebeuren nooit schouderklachten kende en dat na het ongevalsgebeuren van 17/07/1996 de schouderproblematiek is ontstaan. Volgens onze gegevens werd er 1,5 maand na het ongevalsgebeuren infiltratie ter hoogte van de rechterschouder uitgevoerd door de huisarts. Ook blijkt er op 07/10/1996 een infiltratie door Dokter Linclau te hebben bestaan ter hoogte van de rechterschouder. Alleszins heeft Dokter Linclau geen bijzondere onderzoeken uitgevoerd ter hoogte van de rechterschouder. Ondertussen onderzocht Dokter Declercq de rechterschouder op 06/11/
- Er bestond een normale mobiliteit en stabiliteit en de impingementtesten waren negatief. Aan de hand van het voorgaand expertise-onderzoek achten we het slachtoffer geconsolideerd op 17/07/1997 gezien er verder geen bijzondere vaststellingen bestonden en geen bijzondere therapieën. Ook deed het slachtoffer terug aan volleybalsport. Op 28/10/1997 werd ze terug werkongeschikt omwille van schouderklachten rechts en werd ze gezien door Dokter Jacobs. Er is nu sprake van een neuropathie van de nervus ulnarus ter hoogte van de rechterelleboog. Deze neuropathie is een nieuw element dat niets te maken heeft met het letsel van het oorspronkelijk ongevalsgebeuren. Op 08/10/1999 bestond er een verkeersongeval met whiplashletsel. In het jaar 1999 ondervond het slachtoffer schouderklachten bij werkzaamheden aan het kantoor. Ook kreeg ze weer last van neuropathie van de nervus ulnarus. Op 25/09/2000 werd er tenslotte een arthroscopie uitgevoerd van de rechterschouder. Het intra-articulair zicht was normaal. Het bursaal zicht vertoonde een bursitis met impingement. Het gaat hier om een nieuwe aandoening gezien het impingement niet bestond bij het onderzoek van Dokter Declercq op 06/11/
- Een bursitis kan enkel ontstaan tengevolge van het bestaan van een impingement. Deze bestond niet na het ongevalsgebeuren en is aldus een nieuwe aandoening welke in verband te brengen is met de tendinose van de rotator cuff (vroegtijdige degeneratie). Momenteel vertoont het slachtoffer nog steeds lichte tekenen van impingement en klachten van de scapulothoracale junctie. Om alle hoger vermelde redenen kan ik als volgt antwoorden op de vragen mij gesteld door de Rechtbank: Mevrouw V.D.V., M. werd opnieuw opgeroepen en onderzocht in aanwezigheid van de raadgevend geneesheren van de verschillende partijen. Er werd vastgesteld dat Dokter Linclau een infiltratie uitvoerde ter hoogte van de rechterschouder op 07/10/
- Dit was een gegeven dat ons onbekend was tijdens ons voorgaand expertise-onderzoek. Bij nader navragen vernamen we dat Dokter Linclau geen bijzonder technisch schouderonderzoek heeft uitgevoerd. Hij heeft het slachtoffer nadien doorverwezen naar Dokter Declercq. Dokter Declercq stelde op 06/11/1996 vast dat er geen impingement bestond. Er werd ook door de huisarts 1,5 maand na het ongevalsgebeuren een spuit gegeven ter hoogte van de schouder welke ons kan doen aannemen dat het ongevalsgebeuren van 17/07/1996 een kneuzing veroorzaakte ter hoogte van de schouderpees, echter aan de hand van het onderzoek van Dokter Declercq kunnen we stellen dat deze kneuzing geen blijvend letsel heeft veroorzaakt. Tweede punt: de arthroscopie van 25/09/2000 was een medische ingreep voor een aandoening van een impingement met bursitis. Het gaat hier aldus om een nieuwe aandoening, met name impingement, welke niets te maken heeft met de kneuzing van de rotator cuff na het ongevalsgebeuren van 17/07/
- Waarschijnlijk is de impingement ontstaan naar aanleiding van een verdere chronische degeneratieve aandoening van de rotator cuff alleszins een nieuwe aandoening. Aangezien het hier gaat om een nieuwe aandoening kan deze ingreep niet in verband staan met het ongevalsgebeuren van 17/07/
- Ook de tijdelijke werkongeschiktheid van 25/04/2000 tot en met 24/09/2000 staat aldus niet in oorzakelijk verband met het ongevalsgebeuren. De laatste vraag gezien bij het ongevalsgebeuren van 17/07/1996 enkel een kneuzing bestond van de rotator cuff van de rechterschouder en gezien we aannemen dat een dergelijke aandoening genezen is 1 jaar na het ongevalsgebeuren, gezien er geen blijvend letsel bestond, aldus terugkeer naar de vooraf bestaande toestand kunnen wij niet aannemen dat de latere periode van tijdelijke werkongeschiktheid die er optrad een gevolg is van het ongevalsgebeuren. De werkongeschiktheid na 1 januari 2001 betreft recidief van schouderpijnen na het heffen van een voorwerp op 06/11/2000 en schouderbladdysfuncties dewelke een aandoening is van de verdere detoriatie van de schouderproblematiek." Met eindvonnis van 30 juni 2005 werd de vordering van het slachtoffer, conform de bevindingen van de deskundige, gegrond verklaard in de volgende mate: - geen tijdelijke arbeidsongeschiktheid; - consolidatiedatum: 17 juli 1997; - zonder blijvende arbeidsongeschiktheid. M. V.D.V. werd afgewezen van het meerdere van haar eis en D.P. werd veroordeeld in de kosten van het geding. De voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis werd toegestaan. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 13 oktober 2005 tekende het slachtoffer hoger beroep aan tegen voormeld eindvonnis d.d. 30 juni 2005, maar ook tegen de tussenvonnissen d.d. 30 januari 2003 en d.d. 24 juni
- Eisen in hoger beroep. - M. V.D.V., appellante, vordert haar hogere beroepen ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens de bestreden vonnissen d.d. 31 januari 2003 (lees: 30 januari 2003), 24 juni 2004 en 30 juni 2005 teniet te doen en haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren. Te zeggen voor recht dat zij in dienst van D.P. op 17 juli 1996 het slachtoffer was van een arbeidsongeval en de gevolgen ervan te bepalen conform het verslag van dr. Gutermann: 100% tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 28 oktober 1997 tot 14 november 1997 en van 25 september 2000 tot 31 december 2000, consolidatie op 1 januari 2001 en met 2% blijvende arbeidsongeschiktheid. D.P. te veroordelen tot alle eruit volgende vergoedingen, te vermeerderen met de intresten (cfr. P.V. zittingsblad d.d. 11 februari 2008). In uiterst ondergeschikte orde vordert appellante een college van deskundigen aan te stellen om te oordelen over de medische bevindingen. Tenslotte vordert appellante geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding. - D.P., geïntimeerde, vordert het hoger beroep van appellante ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.
- Beoordeling door het hof. In voorliggend geval dient het hof te oordelen welke de gevolgen zijn van het arbeidsongeval waarvan M. V.D.V. het slachtoffer werd op 17 juli
- 4.
- Met betrekking tot de deskundige verslagen van dr. N. Gutermann en dr. D. Vermeersch. Het slachtoffer kan zich niet akkoord verklaren met de deskundige verslagen van dr. Vermeersch en verzoekt het hof om het deskundig verslag van dr. Gutermann te bevestigen. Dr. Gutermann weerhoudt kneuzingen ingevolge het arbeidsongeval, met een opstoot van tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid van 28 oktober 1997 tot en met 14 november
- De tweede periode van volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid werd weerhouden omdat een arthroscopie werd uitgevoerd op 25 september 2000 met de bedoeling om een juiste diagnose te kunnen stellen en om met een grote mate van waarschijnlijkheid te kunnen bepalen welke de precieze gevolgen waren van het arbeidsongeval. Deze arthroscopie werd "normaal" bevonden maar de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid die hiermee gepaard ging, werd door dr. Gutermann aanvaard om diagnostische redenen, hetgeen logisch voorkomt. Dr. Gutermann weerhield een blijvende fysieke minderwaarde van 2% en kon zich aansluiten bij de bevindingen van de AGD. Dr. Vermeersch van zijn kant benadrukt in zijn medische verslagen het bestaan van een vooraf bestaande toestand (chronische tendinose van de rotator cuff) en besluit op basis daarvan dat geen tijdelijke noch een blijvende arbeidsongeschiktheid kan weerhouden worden. Hij neemt anderzijds wel aan dat de chronische tendinose van de rotator cuff tijdelijk werd gesensibiliseerd als gevolg van het arbeidsongeval zodat deze vooraf bestaande toestand alleszins tijdelijk werd beïnvloed door het ongevalsgebeuren. De tijdelijke arbeidsongeschiktheid ingevolge de uitgevoerde arthroscopie d.d. 25 september 2000 werd door dr. Vermeersch niet weerhouden omwille van het resultaat (impingement met bursitis zonder causaal verband met het arbeidsongeval). Op basis van de voorliggende gegevens is het hof van mening dat het verslag van dr. Gutermann volledig en nauwgezet werd opgesteld en omstandig gemotiveerd werd, zodat het zich aansluit bij zijn medische bevindingen met betrekking tot de tijdelijke arbeidsongeschiktheid en de blijvende fysieke minderwaarde (2%). Het hof bepaalt de consolidatiedatum op 25 maart 1998, aangezien de tweede periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid (van 25 september 2000 tot 31 december 2000) gerelateerd is aan de arthroscopie om diagnostische redenen. Dr. Gutermann kon zich trouwens aansluiten bij de besluitvorming van de AGD. Het komt evenwel aan de rechter toe om de blijvende zuiver fysieke minderwaarde om te zetten in een economische minderwaarde. Het is trouwens enkel de blijvende arbeidsongeschiktheid (en niet de fysieke minderwaarde) die voor vergoeding in aanmerking komt in de Arbeidsongevallenwetgeving. 4.
- De mogelijkheid voor de rechter om het door de AGD erkend percentage van blijvende arbeidsongeschiktheid te verminderen wanneer hij daaromtrent uitspraak moet doen overeenkomstig artikel 19 van de wet van 3 juli
- Partijen werden op de openbare terechtzitting van 17 september 2007 uitgenodigd om terzake standpunt in te nemen. Krachtens artikel 4, § 2, laatste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, stelt de Koning de nadere regelen voor het bepalen van de blijvende invaliditeit vast, onverminderd artikel 19 van deze wet. Artikel 19 bepaalt dat de geschillen met betrekking tot de toepassing van deze wet, ook die over de vaststelling van het percentage aan blijvende arbeidsongeschiktheid, worden verwezen naar de rechterlijke overheid die bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen met betrekking tot de vergoedingen waarin de wetgeving inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen of uit beroepsziekten voorziet. Het Hof van Cassatie heeft zich over de gestelde problematiek reeds uitgesproken in een arrest van 7 februari 2000 (A.R. nr. S.99.0122.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000207.6, A.C. 2000, nr. 96) met betrekking tot het K.B. van 13 juli 1970 betreffende de schadevergoeding ten gunste van sommige personeelsleden van provincies, gemeenten (...) voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, hetwelk werd getroffen in uitvoering van voornoemd artikel 4, § 2, laatste lid, van de wet van 3 juli
- Het Hof van Cassatie oordeelde in dat arrest "dat, blijkens de artikelen 3, 3° en 8 van (dat Koninklijk Besluit) de geneeskundige dienst zijnde de geneeskundige dienst belast met de erkenning van de ongeschiktheid die aan het personeelslid recht geeft op een definitief of tijdelijk vervroegd pensioen het percentage vaststelt van de blijvende invaliditeit, die het gevolg is van het fysiologisch letsel dat door het ongeval werd veroorzaakt. Overwegende dat, krachtens artikel 9 van dit besluit, de overheid aan wie de beslissing van de geneeskundige dienst is bekendgemaakt, oordeelt of er aanleiding bestaat om het aldus vastgestelde percentage van de blijvende invaliditeit te verhogen en aan het slachtoffer de betaling van een rente voorstelt op basis van de verminderde arbeidsongeschiktheid. Dat uit de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 13 juli 1970 volgt dat de beslissing van de geneeskundige dienst voor de overheid bindend is in zoverre deze dienst een blijvende invaliditeit erkent en dat de overheid alleen het vastgestelde percentage kan verhogen. Dat hieruit volgt dat de arbeidsrechtbank die oordeelt over een geschil met betrekking tot het percentage aan blijvende invaliditeit van een personeelslid van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 19 van de wet van 3 juli 1967, geen lager percentage van blijvende invaliditeit kan toekennen dan datgene dat door de voormelde geneeskundige dienst is erkend." (tekstmarkering toegevoegd) Voorliggende zaak betreft eveneens een arbeidsongeval in de overheidssector, doch waarop het in uitvoering van artikel 4, § 2, van de wet van 3 juli 1967 getroffen K.B. van 12 juni 1970 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden der instellingen van openbaar nut en de autonome overheidsbedrijven, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, toepasselijk is. Krachtens artikel 2, 5°, d), is dit K.B. immers van toepassing op het personeel van D.P.. Conform artikel 4 van het K.B. van 12 juni 1970 dient de minister, de regering, het college of het beheersorgaan, naargelang het geval, onder wiens gezag de instelling van openbaar nut staat waarvan het personeel aan dit besluit onderworpen is, de geneeskundige dienst aan te duiden voor het uitoefenen der bevoegdheden van de administratieve gezondheidsdienst als bepaald bij het K.B. van 24 januari
- In casu heeft D.P. de AGD gelast met deze taak. Ingevolge artikel 3 van het K.B. van 12 juni 1970 worden de bepalingen van het K.B. van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk - hetwelk eveneens werd getroffen in uitvoering van artikel 4, § 2, laatste lid, van de wet van 3 juli 1967 - , toepasselijk verklaard op de aan het K.B. van 12 juni 1970 onderworpen personeelsleden. Krachtens artikel 8 van het K.B. van 24 januari 1969 bepaalt de Administratieve Gezondheidsdienst, volgens de voorschriften van zijn reglement betreffende de arbeidsongevallen, het percentage van de blijvende invaliditeit die het gevolg is van het fysiologisch letsel door het ongeval veroorzaakt. Artikel 9 van dat besluit stipuleert verder het volgende: "De Administratieve Gezondheidsdienst maakt aan de minister zijn met redenen omklede beslissing bekend omtrent de vaststelling van het invalidi-teitspercentage. De minister gaat na of de toekenningsvoorwaarden vervuld zijn; hij onderzoekt de bestanddelen van de overkomen schade en stelt aan de getroffene of aan diens rechthebbenden de betaling van een rente voor. Wordt een akkoord bereikt, dan wordt het voorstel verwerkt in een ministerieel besluit hetwelk vaststelt dat een akkoord tot stand gekomen is, en waarin worden vermeld de bezoldiging waarop de rente wordt berekend, de aard van het letsel, de verminderde geschiktheid en de datum van de consolidatie (...)". Geïntimeerde argumenteerde op de openbare terechtzitting van 11 februari 2008 dat het cassatiearrest van 7 februari 2000 (supra) hier niet relevant is, gezien D.P. niet ressorteert onder het K.B. van 13 juli 1970 dat van toepassing is op personeelsleden van provincies en gemeenten. Uit de voormelde artikelen 4, § 2, laatste lid, en 19 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, in uitvoering waarvan de Koninklijke Besluiten werden genomen, blijkt dat de Koning gemachtigd werd nadere regelen vast te stellen voor het bepalen van de blijvende invaliditeit, zonder dat de wet daarbij voorziet in een ongelijke behandeling tussen de twee categorieën van personeelsleden. Het hof dient bij de interpretatie van deze Koninklijke Besluiten er dan ook van uit te gaan dat de wetgever geen ongelijke behandeling heeft gewild inzake de gevolgen van de erkenning door de geneeskundige dienst of administratieve gezondheidsdienst van een bepaald percentage van blijvende invaliditeit. Ofschoon de tekst van artikel 9 van het ten deze toepasselijke K.B. van 24 januari 1969 niet expliciet voorziet dat de overheid oordeelt of er aanleiding bestaat om het aldus vastgestelde percentage van de blijvende invaliditeit 'te verhogen', zoals dat wel het geval is in artikel 9 van het K.B. van 13 juli 1970, neemt zulks niet weg dat de tekst ruimte laat voor een grondwetsconforme interpretatie ervan zodat de arbeidsrechtbank die oordeelt over een geschil met betrekking tot het percentage aan blijvende invaliditeit van een personeelslid van een autonoom overheidsbedrijf als D.P. geen lager percentage van blijvende invaliditeit kan toekennen dan datgene dat door de AGD is erkend (Zie in dezelfde zin Arbeidshof Luik, 25 juni 2003, Soc. Kron., 2004, 10, p. 589 en 590). Omtrent artikel 9, derde lid, van het K.B. van 24 januari 1969, oordeelde het Hof van Cassatie reeds "dat onder voorbehoud van artikel 17, § 2, van de wet van 3 juli 1967 (...), het voornoemde artikel 9, derde lid, dat betrekking heeft op het akkoord van de partijen over het bedrag van de rente, die partijen volledig vrij laat om al dan niet met het voorstel in te stemmen, met name betreffende de vaststelling, binnen de perken van de beslissing van de administratieve gezondheidsdienst, van het percentage van blijvende arbeidsongeschiktheid." (tekstmarkering toegevoegd) (Cass., 8 mei 2000, A.R. S.98.0147.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000508.8, A.C., 2000, nr. 277, p. 871 met concl. van eerste adv.-gen. J.F. LECLERCQ). De invoeging van de woorden "binnen de perken van de beslissing van de administratieve gezondheidsdienst", laat er geen twijfel over bestaan dat het Hof de mening was toegestaan dat het percentage van blijvende arbeidsongeschiktheid dat aan het slachtoffer was medegedeeld door de administratieve gezondheidsdienst naderhand door de overheid niet meer kan worden verlaagd. In zijn conclusie bij dat arrest heeft de heer eerste advocaat-generaal J.F. LECLERCQ het immers over "een akkoord van de partijen over een percentage dat ten minste gelijk is aan het door de administratieve gezondheidsdienst vastgestelde percentage" (tekstmarkering toegevoegd). Voorts verwijst de heer eerste advocaat-generaal in zijn conclusie naar artikel 6, § 3, van de Arbeidsongevallenwet dat de rechter verplicht bij uitspraak over de rechten van de getroffene en zijn rechthebbenden na te gaan of de bepalingen van de wet zijn nageleefd: "Aangezien hij het door hem ontoereikend geacht bezwaar van de getroffene dus ambtshalve moet aanvullen, ziet men niet in hoe hij een overeenkomst zou aannemen waarin de partijen instemmen met een percentage aan blijvende arbeidsongeschiktheid dat lager is dan het door de administratieve gezondheidsdienst vastgestelde percentage". Tenslotte herinnert hij eraan "dat, volgens de leer van het arrest d.d. 4 september 1989 van (het) Hof, de door art. 6, § 3, Arbeidsongevallenwet aan de rechter opgelegde verplichting tevens geldt inzake de schadevergoeding voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk in de overheidssector". Uit het voorgaande volgt dat het arbeidshof dat oordeelt over een geschil met betrekking tot het percentage aan blijvende arbeidsongeschiktheid van een personeelslid van een autonoom overheidsbedrijf als geïntimeerde, zoals bedoeld in artikel 19 van de wet van 3 juli 1967, geen lager percentage van blijvende invaliditeit kan toekennen dan datgene dat door de AGD is erkend, namelijk 2%. De eerste rechters hebben bijgevolg ten onrechte de blijvende arbeidsongeschiktheid op 0% bepaald. 4.
- Besluit: Aangezien het deskundig verslag van dr. Gutermann (en ook dat van dr. Vermeersch) geen elementen bijbrengt die toelaten om het percentage van blijvende arbeidsongeschiktheid van geïntimeerde, zoals erkend door de AGD, te verhogen, dienen de gevolgen van het arbeidsongeval waarvan M. V.D.V. het slachtoffer werd op 17 juli 1996 door geïntimeerde aan appellante te worden vergoed op volgende basis: - tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid: van 28 oktober 1997 tot 14 november 1997; van 25 september 2000 tot 31 december 2000 (hetgeen als zodanig niet werd betwist door D.P.); - datum van consolidatie: 25 maart 1998; - blijvende arbeidsongeschiktheid: 2%; - basisloon: 19.835,45 EUR (800.160 BEF). Uit de berekening van het basisloon bijgebracht door geïntimeerde (stukken 1 en 2, inventaris) blijkt dat de jaarlijkse bezoldiging op grond waarvan de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid wordt berekend in de openbare sector, slechts in aanmerking kan genomen worden tot het bedrag dat overeenstemt met de loongrens, in casu 19.835,45 EUR. Het hof bevestigt daarmee de beslissing van de AGD d.d. 26 maart 1998 en het voorstel van de tewerkstellende overheid d.d. 10 juni
- Aangezien de eerste rechters geen tijdelijke arbeidsongeschiktheid weerhielden, noch een blijvende arbeidsongeschiktheid, in het bestreden eindvonnis d.d. 30 juni 2005, komt het hoger beroep gegrond voor. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de volgende mate: Vernietigt het bestreden eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 30 juni 2005 (AR 331.226), behalve wat de kosten van het geding betreft. Opnieuw rechtsprekend: Zegt voor recht dat D.P. gehouden is om aan M. V.D.V. de wettelijke vergoedingen te betalen ingevolge het arbeidsongeval waarvan ze het slachtoffer werd op 17 juli 1996, op volgende basis: - een tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid: - van 28 oktober 1997 tot 14 november 1997; - van 25 september 2000 tot 31 december 2000; - consolidatiedatum: 25 maart 1998; - een blijvende arbeidsongeschiktheid van 2% (twee procent); - basisloon voor de blijvende arbeidsongeschiktheid: 19.835,45 EUR (negentienduizend achthonderd vijfendertig euro en vijfenveertig cent). Bevestigt de bestreden tussenvonnissen d.d. 30 januari 2003 en d.d. 24 juni
- Verwijst geïntimeerde in de kosten van het hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van appellante op 291,50 EUR rechtsplegingsvergoeding in toepassing van het K.B. van 26 oktober
- Laat de kosten aan de zijde van geïntimeerde onvereffend bij gebrek aan neergelegde kostenbegroting. Aldus gewezen en uitgesproken door de zevende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van tien maart tweeduizend en acht, waar aanwezig waren: M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer, M. VAN GORP, raadsheer in sociale zaken als werkgever, aangewezen bij beschikking d.d. 10 maart 2008 door mevrouw M. Zegers, raadsheer, voorzitter van de kamer, die de eerste voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om de heer R. VAN TRIEST, raadsheer in sociale zaken als werkgever, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen (artikel 779 Ger.W.), P. HEYKANTS, raadsheer in sociale zaken als werknemer, P. DEVOCHT, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080310.17 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000207.6 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000508.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.