← België

ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080317.20

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 17 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080317.20 Rolnummer: 2006-0262 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-09-25 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 17:12 Fiches 1 - 2 De bijdrage die de werkgever betaalt op grond van zijn arbeidsrelatie met de werknemer voor een groepsverzekering maakt een loon uit en dient derhalve opgenomen te worden in de berekening van het basisloon inzake arbeidsongevallen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Andere Vrije woorden: arbeidsreglementering - bescherming van het loon - bepaling van het loon - arbeidsongeval - basisloon - werkgeversbijdrage in de groepsverzekering Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 2 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Basisloon Vrije woorden: beroepsrisico's - arbeidsongevallen in de privésector - basisloon - begrip loon - werkgeversbijdrage in de groepsverzekering Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: III H - VI A Gerangschikt onder III H - artikel 2 en onder VI A - artikel

  1. Annotaties Publicaties: SRK - - 2009, nr. 6, blz. 332-334 Tekst van de beslissing ARREST AR 2060262 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENTIEN MAART TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak: NV A.B., appellante, verschijnend bij mr. H. Van Rooy, advocaat te Antwerpen, tegen:
  2. V.F., eerste geïntimeerde, verschijnend bij mr. T. Romain, advocaat te Antwerpen,
  3. Het FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN, met zetel gevestigd te 1050 Brussel, Troonstraat 100, tweede geïntimeerde, verschijnend bij mr. L. Dockx loco mr. G. De Ferm, advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen d.d. 8 mei 2006, 15 oktober 2007 en 25 februari
  4. Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging, onder meer: - de dagvaarding uitgaande van de nv A.B., betekend door M. Briers, gerechtsdeurwaarder te Antwerpen, op 22 september 2004 aan V.F. (AR 371.578); - het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst van het Fonds voor Arbeidsongevallen, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 6 april 2005; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van 2 maart 2006 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; - de dagvaarding tot hoger beroep uitgaande van de nv A.B., betekend aan V.F. d.d. 6 april 2006 en aan het Fonds voor Arbeidsongevallen d.d. 5 april 2006, neergelegd ter griffie van dit hof op 18 april 2006; - de conclusie voor het Fonds voor Arbeidsongevallen, ontvangen ter griffie van dit hof op 13 oktober 2006; - de conclusie voor de nv A.B., ontvangen ter griffie van dit hof op 11 december 2006; - de conclusie voor V.F., ontvangen ter griffie van dit hof op 11 september
  5. Gelet op de regelmatige oproeping van partijen voor de openbare terechtzitting van 25 februari 2008 overeenkomstig artikel 751 - 754 van het Gerechtelijk Wetboek. Partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 25 februari 2008, waarna de debatten werden gesloten en het hof de zaak in beraad nam.
  6. Ontvankelijkheid. Het hoger beroep werd naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist; het dient dan ook ontvankelijk verklaard te worden.
  7. Feiten en voorgaanden. V.F., verder in dit arrest het "slachtoffer" genoemd, werd getroffen door een arbeidsongeval op 13 november 2000 toen zij als kassierster in dienst was van de "GB" te Ekeren. Zij schoof uit over een druif en verwondde haar pols. De nv A.B. is de arbeidsongevallenverzekeraar van de "GB", verder in dit arrest "de wetsverzekeraar" genoemd. De wetsverzekeraar stelde een overeenkomst - vergoeding voor op volgende basis: - tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid van 14 november 2000 tot en met 14 januari 2001; - consolidatie: 15 januari 2001; - blijvende arbeidsongeschiktheid: 5%; - basisloon: 21.956,95 EUR. Voormelde overeenkomst - vergoeding kreeg het akkoord van het slachtoffer, maar toen deze overeenkomst - vergoeding werd voorgelegd aan het Fonds voor Arbeidsongevallen weigerde deze tot bekrachtiging ervan over te gaan omdat deze de mening was toegedaan dat de patronale bijdrage in de pensioenverzekering eveneens diende te worden opgenomen in de berekening van het basisloon. Aangezien de wetsverzekeraar hiermee niet akkoord kon gaan, dagvaardde hij het slachtoffer bij exploot d.d. 22 september 2004 (AR 371.578). De wetsverzekeraar vorderde te zeggen voor recht dat het slachtoffer ingevolge het arbeidsongeval volledig tijdelijk arbeidsongeschikt was van 14 november 2000 tot 14 januari 2001, met consolidatie op 15 januari 2001 en een blijvende arbeidsongeschiktheid van 5%. Het basisloon diende vastgesteld te worden op 21.956,95 EUR. De wetsverzekeraar verzocht te zeggen voor recht dat het slachtoffer gerechtigd was op de wettelijke vergoedingen op voormelde basis en met de kosten als naar recht. Het Fonds voor Arbeidsongevallen kwam op 6 april 2005 vrijwillig tussen in onderhavige procedure voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen. Met tegensprekelijk eindvonnis van 2 maart 2006 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen oordeelden de eerste rechters dat de vordering ontvankelijk was. Er werd voor recht gezegd dat V.F. ingevolge het voormeld arbeidsongeval van 13 november 2000 van 14 november 2000 tot 14 januari 2001 volledig tijdelijk arbeidsongeschikt was, met consolidatie op 15 januari 2001 en een blijvende arbeidsongeschiktheid (in wet) van 5%. De eerste rechters overwogen dat bij de bepaling van het basisloon dat in acht moet genomen worden voor de aan het slachtoffer toekomende vergoedingen, rekening moet gehouden worden met de werkgeversbijdrage in de groepsverzekering/hospitalisatieverzekering. Het basisloon diende volgens de eerste rechters dan ook te worden vastgesteld op 22.095,07 EUR. De wetsverzekeraar werd veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding. De eerste rechters verklaarden het vonnis voorlopige uitvoerbaar, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling, noch kantonnement. Bij exploten d.d. 5 en 6 april 2006, neergelegd ter griffie van dit hof op 18 april 2006, tekende de wetsverzekeraar hoger beroep aan tegen voormeld vonnis van 2 maart
  8. Eisen in hoger beroep. - De nv A.B., appellante, vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens te zeggen voor recht dat mevrouw Franken het slachtoffer werd van een arbeidsongeval op 13 november 2000 in dienst van de GB te Ekeren; te zeggen voor recht dat zij derhalve recht heeft op de vergoedingen in wet voor de tijdelijke en volledige arbeidsongeschiktheid van 14 november 2000 tot 14 januari 2001 met consolidatie op 15 januari 2001 en met een blijvende graad van arbeidsongeschiktheid van 5%. Tenslotte vordert zij te zeggen voor recht dat bij de bepaling van het basisloon geen rekening dient gehouden te worden met de werkgeversbijdrage in de groepsverzekering; derhalve te zeggen voor recht dat het in acht te nemen basisloon dient bepaald te worden op een bedrag van 21.956,95 EUR, beperkt tot het wettelijk plafond. "Kosten als naar recht". - V.F., eerste geïntimeerde, vordert het hoger beroep ontvankelijk, toelaatbaar doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen. Minstens vordert zij, in ondergeschikte orde, het bestreden vonnis te bevestigen op alle punten behoudens de bepaling van het basisloon en recht doende over dat basisloon, dit te bepalen op minstens 21.956,95 EUR. Tenslotte vordert zij de veroordeling van appellante tot de kosten van het geding. De raadsman van eerste geïntimeerde verklaarde zich op de openbare terechtzitting van 25 februari 2008 akkoord met het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep zoals voorzien in het K.B. van 26 oktober 2007 (B.S. 9.11.2007). - Het Fonds voor Arbeidsongevallen, tweede geïntimeerde, vordert het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren met de veroordeling van appellante tot de kosten van het geding. De raadsman van tweede geïntimeerde verklaarde zich op de openbare terechtzitting van 25 februari 2008 akkoord met het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep zoals voorzien in het K.B. van 26 oktober 2007 (B.S. 9.11.2007).
  9. Beoordeling door het hof. Het hoger beroep beperkt zich tot de berekening van het basisloon. De betwisting tussen partijen betreft de vraag of de werkgeversbijdrage in de groepsverzekering al dan niet deel uitmaakt van het (basis)loon in de zin van artikel 35, lid 1 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
  10. De wetsverzekeraar argumenteert dat de werkgeversbijdragen in de groepsverzekering moet worden aanzien als een voordeel ter aanvulling van de sociale zekerheidsregeling en dat deze niet te bestempelen is als loon conform artikel 35, lid 2 van de Arbeidsongevallenwet. Overeenkomstig artikel 35, eerste lid van de Arbeidsongevallenwet wordt als loon beschouwd: "ieder bedrag of ieder in geld waardeerbaar voordeel dat rechtstreeks of onrechtstreeks door de werkgever aan zijn werknemer wordt toegekend ingevolge de tussen hen bestaande arbeidsverhouding alsmede (...)". Het tweede lid van artikel 35 van de Arbeidsongevallenwet bepaalt dat voor de toepassing van deze wet niet als loon wordt beschouwd: "de voordelen toegekend ter aanvulling van de sociale zekerheidsregeling, (...)" Het Hof van Cassatie heeft zich over deze vraag reeds gebogen met zijn arrest van 16 januari 1978 (R.W. 1977 - 1978, 2171), zij het dat het arrest toepassing maakte van de oorspronkelijke versie van artikel 35 van de Arbeidsongevallenwet, dat verwees naar de omschrijving van het begrip loon in de Loonbeschermingswet. Artikel 2, eerste lid, 3° van de Loonbeschermingswet beschouwt als loon: "de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever." Artikel 2, derde lid, 3° van de Loonbeschermingswet beschouwt niet als loon: "de vergoedingen door de werkgever rechtstreeks of onrechtstreeks betaald welke moeten worden beschouwd als een aanvulling van de voordelen toegekend voor de verschillende takken van de sociale zekerheid." Dit arbeidshof is van oordeel dat hoger vermeld cassatiearrest duidelijk besliste dat werkgeversbijdragen, die bestemd zijn voor de financiering van aanvullende sociale zekerheidsvoorzieningen, niet uitgesloten zijn uit het loonbegrip, op grond van artikel 2, derde lid, 3° van de Loonbeschermingswet. Het eerste onderdeel van het vierde cassatiemiddel riep in dat het bestreden arrest impliciet heeft aangenomen dat de uitkeringen van de groepsverzekering een aanvulling uitmaakten van de sociale zekerheidsvoordelen, zodat de premies die de werkgever aan de verzekeringsmaatschappij betaalt, uit het basisloon zijn uitgesloten op grond van artikel 2, inzonderheid derde lid, 3 ° van de Loonbeschermingswet. Het Hof van Cassatie antwoordt dat het arrest niet beslist over de vraag of de uitkeringen moeten beschouwd worden als een aanvulling van de voordelen voor de verschillende takken van de sociale zekerheid en voegt eraan toe dat "het Arbeidshof er zich kon mee vergenoegen en er zich ook toe beperkt heeft te beslissen dat, hoe dan ook, artikel 2, derde lid. 3° van de Wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers vreemd is aan premies" (eigen onderlijning). Aldus dient aanvaard te worden dat het Hof van Cassatie de overweging van het arbeidshof bijtreedt dat de premies door de werkgever betaald ter uitvoering van de groepsverzekering niet onder de uitsluiting van artikel 2, derde lid, 3° van de Loonbeschermingswet ressorteren. Het tweede onderdeel van het vierde cassatiemiddel hield voor dat het volledige artikel 2 van de Loonbeschermingswet zou geschonden zijn, omdat de premies niet bedoeld worden door het eerste lid, punt 3 van artikel 2 van de Loonbeschermingswet, nu de premies geen in geld waardeerbare voordelen zijn, maar geldsommen die niet aan de werknemer doch aan de verzekeringsmaatschappij worden uitbetaald, teneinde aan de werknemer bijkomende voordelen te verschaffen, zoals bedoeld in het 3° van het derde lid van artikel
  11. Het Hof van Cassatie oordeelde dat dit middel faalt naar recht en besliste derhalve dat artikel 2 van de Loonbeschermingswet niet werd geschonden door het bestreden arrest van het arbeidshof. Het Hof voegde er trouwens aan toe dat geldsommen die aan derden worden uitbetaald door de werkgever en waarbij de werknemer aanspraak kan maken op die uitbetaling, deel uitmaken van het loon omschreven in artikel 2, eerste lid van de Loonbeschermingswet. Door uitdrukkelijk de toepassing van artikel 2, eerste lid, 3° te bevestigen en te beslissen dat het integrale artikel 2 van de Loonbeschermingswet niet werd geschonden, dient aanvaard te worden dat de premies voor een groepsverzekering door het Hof van Cassatie niet als een aanvulling van sociale zekerheidsvoordelen in de zin van artikel 2, derde lid, 3° van de Loonbeschermingswet kunnen worden beschouwd. De omstandigheid dat de wetgever in 1982 (K.B. nr. 39 van 31 maart 1982, B.S. 3 april 1982 en K.B. nr. 128 van 30 december 1982, B.S. 12 januari 1983) het voornoemde artikel 35 van de Arbeidsongevallenwet heeft gewijzigd, in die zin dat niet meer wordt verwezen naar de Loonbeschermingswet, maar dat een eigen definitie van het in aanmerking te nemen loon wordt opgenomen, heeft niet tot gevolg dat het boven geciteerde cassatiearrest zijn volledige betekenis en gelding niet zou behouden. In dit verband merkte advocaat-generaal Lenaerts in zijn conclusie voor het arrest van het Hof van Cassatie van 12 februari 1990 (R.W. 1989 - 1990, 1361 -1362, punt 2) op dat beide definities wezenlijk niet verschillen. Essentieel in beide definities is dat het gaat om in geld waardeerbare voordelen die de werkgever aan zijn werknemer toekent ingevolge zijn dienstbetrekking. Waar de Loonbeschermingswet daaraan toevoegt dat de werknemer op die voordelen recht moet hebben, geeft artikel 35 van de Arbeidsongevallenwet een lange opsomming van rechtsgronden die het recht kunnen doen ontstaan. In het verslag aan de Koning bij voornoemd K.B. nr. 39 wordt er bovendien op gewezen dat een nieuwe tekst wordt voorgesteld "waarin de elementen welke als loon dienen te worden beschouwd nauwkeuriger worden omschreven maar tevens uitgebreid op een bredere basis ". Dit verslag herinnert er ook aan dat het doel van de Arbeidsongevallenwet erin bestaat het slachtoffer te vergoeden voor het verlies aan normaal beroepsinkomen. Rekening houdend met wat voorafgaat, is ook dit arbeidshof van oordeel dat de werkgeversbijdragen ter financiering van een groepsverzekering voor de werknemer een evident in geld waardeerbaar voordeel (economisch voordeel) voor de werknemer uitmaken waarop deze ingevolge zijn dienstbetrekking aanspraak kan maken. De werknemers- en werkgeversbijdragen zijn immers bestemd voor de financiering van een groepsverzekering en dienen onderscheiden te worden van de uiteindelijke aanvullende sociale zekerheidsvoordelen (of de toekenningen zowel in kapitaal als rente) bij uitvoering van de groepsverzekering (deze toekenningen dekken immers een risico). Bij gebreke aan betaling van de premies door de werkgever, zal de werknemer die aanspraak wil maken op het eigenlijke voordeel van deze groepsverzekering, zelf moeten instaan voor de financiering ervan. Deze stelling wordt nog kracht bijgezet door twee arresten van het Hof van Cassatie van 4 februari 2002 (R.W. 2002 - 2003, 293; R.W. 2001 - 2002, 1356), waarbij uitspraak werd gedaan over de juridische kwalificatie van groepsverzekeringsbijdragen en -uitkeringen. In een bijna letterlijke herhaling van voornoemd arrest van 16 januari 1978, oordeelt het Hof van Cassatie vooreerst dat de door de werkgever betaalde premie voor de groepsverzekering, wanneer de werknemer aanspraak kan maken op de betaling ervan en zijn recht stoelt op de arbeidsovereenkomst, deel uitmaken van het loon in de zin van artikel 2, eerste lid van de Loonbeschermingswet. In tweede instantie heeft het Hof van Cassatie ondubbelzinnig beslist dat artikel 2, derde lid, 3 ° van de Loonbeschermingswet enkel betrekking heeft op de uitgekeerde aanvullende pensioenuitkeringen zelf, en niet op de premie of bijdragen die deze uitkeringen financieren en die de werkgever betaalt in uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Deze rechtspraak is zeer duidelijk, zodat de bijdragen voor de groepsverzekering die door de werkgever worden betaald in uitvoering van de arbeidsovereenkomst en ter financiering van de groepsverzekering niet uit het loonbegrip kunnen worden uitgesloten via artikel 2, derde lid, 3° van de Loonbeschermingswet. Artikel 35, tweede lid van de Arbeidsongevallenwet dat "voordelen toegekend ter aanvulling van de sociale zekerheidsregeling" uit het basisloon houdt, hanteert inhoudelijk dezelfde bewoordingen als deze vervat in artikel 2, derde lid, 3° van de Loonbeschermingswet, zodat het tweede lid van artikel 35 op dezelfde wijze dient te worden geïnterpreteerd. Tevens werd ditzelfde standpunt nogmaals herhaald in een arrest van het Hof van Cassatie van 6 september 2004 - S.04.0068 N. inzake Vanardennen R. t. Winterthur Europe Verzekeringen) waarbij dit Hof het volgende overwoog: "Overwegende dat de premie die de werkgever wegens de arbeidsrelatie met zijn werknemer voor een hospitalisatieverzekering van zijn werknemer betaalt, loon uitmaakt in de zin van voormeld artikel 35, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet; dat deze premie wel een voordeel ter aanvulling van de sociale zekerheid beoogt, in geval het risico zich voordoet, maar niet zelf zulk voordeel uitmaakt; Overwegende dat het arrest oordeelt dat 'de premie welke de werkgever betaalt voor de hospitalisatie en groepsverzekering' een voordeel uitmaakt ter aanvulling van de sociale zekerheid en deze premie niet als loon aanneemt in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet; dat het arrest zodoende artikel 35, eerste en tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet schendt;" Bovendien dient opgemerkt te worden dat de uitzonderingen opgesomd in artikel 35, lid 2 van de Arbeidsongevallenwet beperkend dienen geïnterpreteerd te worden, mede gelet op het openbare orde karakter van deze wet; artikel 35, lid 2 vermeldt als uitzondering niet de premies betaald door de werkgever in het kader van de groepsverzekering. Gelet op hoger vermelde overwegingen kan dit hof zich dan ook niet aansluiten bij de rechtspraak waarnaar de wetsverzekeraar verwijst, uitspraken waardoor het hof uiteraard niet gebonden is. Het hof besluit dan ook dat waar de uiteindelijke groepsverzekeringsuitkeringen op zich zonder twijfel onder de uitsluiting van artikel 35, tweede lid van de Arbeidsongevallenwet vallen, dit niet geldt voor de werkgeverpremies ter financiering van een groepsverzekering. Deze premies zijn loon in de zin van artikel 35, eerste lid van de Arbeidsongevallenwet en dienen derhalve opgenomen te worden in de berekening van het basisloon, zoals de eerste rechters correct beoordeelden. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 2 maart 2006 (AR 371.578). Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep, in toepassing van artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
  12. Vereffent deze kosten aan de zijde van eerste geïntimeerde op 291,50 EUR (rechtsplegingsvergoeding) in toepassing van het K.B. van 26 oktober
  13. Vereffent deze kosten aan de zijde van tweede geïntimeerde op 291,50 EUR (rechtsplegingsvergoeding) in toepassing van het K.B. van 26 oktober
  14. Laat de kosten aan de zijde van appellante onvereffend bij gebrek aan neergelegde kostenbegroting. Aldus gewezen en uitgesproken door de zevende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zeventien maart tweeduizend en acht, waar aanwezig waren: M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer, R. VAN TRIEST, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, P. HEYKANTS, raadsheer in sociale zaken, als werknemer, P. DEVOCHT, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080317.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.