← België

ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080320.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080320.10 Rolnummer: 2005-0604 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Unierecht Invoerdatum: 2008-10-20 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-07-02 17:14 Fiches 1 - 3 In toepassing van het 'werklandbeginsel' is de sociale zekerheidswetgeving van toepassing van de lidstaat waar de werknemer effectief zijn werkzaamheden verricht of waar hij gedeeltelijk zijn prestaties uitvoert voor zover hij dan ook zijn woonplaats heeft op het grondgebied van deze lidstaat. Het al dan niet bestaan van een arbeidsovereenkomst wordt nu best benaderd vanuit de toepassing van hoofdstuk XIII van de programmawet van 27 december 2006. De bestaande wettelijke vermoedens dat een bepaalde activiteit krachtens een arbeidsovereenkomst of als zelfstandige worden uitgeoefend blijven evenwel gelden. Het vermoeden dat een handelsvertegenwoordiger zijn prestaties verricht in uitvoering van een arbeidsovereenkomst heeft dan ook tot gevolg dat de vermoede werkgever de bewijslast draagt van het feit dat er sprake was van een handelsagentuurovereenkomst. Dit bewijs kan geleverd worden door de vaststelling van de combinatie en samenloop van een geheel van feitelijke gegevens welke niet verenigbaar zijn met het verrichten van arbeid is ondergeschikt verband. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Sociale-zekerheidsbijdragen Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - algemene regeling - toepassingsgebied - personen - schijnzelfstandigen - arbeidsrelatiewet - handelsvertegenwoordigers - vermoeden van arbeid in ondergeschikt verband - VII A Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1, § 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder VII A - artikel 1, § 1 en onder IX D 3 - artikel 13 en onder artikel 14. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - EUROPEES SOCIAAL RECHT GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - VERDRAG EUROPESE UNIE SOCIAAL RECHT - EUROPEES SOCIAAL RECHT - Algemeen (Europees sociaal recht) Vrije woorden: Internationale verdragen en verordeningen - europese economische gemeenschap - verordening 1408/71 - sociale zekerheid voor werknemers - bijdragen - schijnzelfstandien - arbeidrelatiewet - handelsvertegenwoordigers - vermoden van arbeid in ondergeschikt verband - IX D 3 Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 14-06-1971 - 13 - 01 Link Justel databank 19710614-01 Nota: Gerangschikt onde'r VII A - artikel 1, § 1 en onder IX D 3 - artikel 13 en onder artikel 14. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - EUROPEES SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - EUROPEES SOCIAAL RECHT - Andere (Europees sociaal recht) SOCIAAL RECHT - EUROPEES SOCIAAL RECHT - Algemeen (Europees sociaal recht) Vrije woorden: Internationale verdagen en verordeningen - europese economische gemeenschap - verordening 1408/71 - sociale zekerheid voor werknemers - bijdragen - schijnzelfstandigen - arbeidsrelatiewet - handelsvertegenwoordigers - vermoeden van arbeid in ondergeschikt verband - IX D 3 Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 14-06-1971 - 14 - 01 Link Justel databank 19710614-01 Nota: Gerangschikt onder VII A - artikel , § 1 en onder IX D 3 - artikel 13 en onder artikel 14. Tekst van de beslissing ARREST A.R. Nr. 2050604 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak: B.V. O en P eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. J. DE RAEDEMAECKER loco mr. J.M. PAKLONS, advocaat te x, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te x, x, verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. T. VANDENBORRE, advocaat te x. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 5 oktober 2005, van 22 december 2006, van 20 december 2007 en van 17 januari 2008. Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: * het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 14 april 2005, op verzet en op tegenspraak gewezen door de arbeidsrechtbank te Turnhout; * het verzoekschrift in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 22 augustus 2005 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 22 augustus 2005; * de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 22 mei 2006; * de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 17 november 2006; * de syntheseconclusie voor verweerder in hoger beroep, op de griffie ontvangen op 17 april 2007; * het verzoekschrift, op de griffie van dit hof ontvangen op 18 juni 2007, waarmee verweerder in hoger beroep vraag om de conclusietermijnen te regelen en om de rechtsdag te bepalen (toepassing van artikel 747, §2 van het gerechtelijk wetboek); * het antwoord op dit verzoek van eiser in hoger beroep, op de griffie van dit hof ontvangen op 9 juli 2007; * de beschikking van 16 juli 2007 van raadsheer J. Verhavert, in toepassing van artikel 747, §2 van het gerechtelijk wetboek; * de syntheseconclusie voor eiser in hoger beroep, op de griffie neergelegd op 24 augustus 2007; * de tweede syntheseconclusie voor verweerder in hoger beroep, op de griffie ontvangen op 19 september 2007; * het schriftelijke advies van het openbaar ministerie gelezen en neergelegd op de zitting van 17 januari 2008 en ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid van het gerechtelijk wetboek; * de repliekconclusies van eiser in hoger beroep, op de griffie van het hof neergelegd op 15 februari 2008. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 20 december 2007. Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 17 januari 2008. De ontvankelijkheid Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld. De ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaat De bv O en P is een Nederlandse firma die gadgets en pluchen beesten verkoopt. Zij is actief in het grensgebied en meer bepaald in het Nederlandse x. Sedert 1 januari 1999 heeft ze ook een filiaal in België op het adres: x. Reeds in 1998 bespeelde de firma ook de Belgische markt. Daarom nam ze op 11 januari 1998 BV in dienst als vertegenwoordiger. Op 1 maart 1998 kwam ook FM in dienst als vertegenwoordiger. Toen hun samenwerking een aanvang nam werd er met elk van hen een arbeidsovereenkomst afgesloten. Na een paar maanden merkten de beide medewerkers op dat zij in feite niet als bedienden waren tewerkgesteld maar als zelfstandigen. RO, de zaakvoerder van de firma, liet hen verstaan dat hij hen niet in ondergeschikt verband kon tewerkstellen omdat hij administratief niet in regel was in België. Vanaf 1 januari 1999, het ogenblik waarop de firma ook een filiaal in België had, werd de situatie geregulariseerd. BV ontving geen nieuwe overeenkomst. Hij bleef gewoon doorgaan. FM ontving een nieuwe overeenkomst op 1 maart 2000. Op 18 januari 2000 vond een onderzoek plaats door de sociale inspectie op de Belgische uitbatingszetel van de Nederlandse firma. De inspecteur kwam tot de conclusie dat de prestaties van BV en FM, bij zoverre deze niet aan de RSZ waren aangegeven, aanleiding gaven tot het heffen van sociale zekerheidsbijdragen. RO was niet bereid vrijwillig in te gaan op de ambtshalve regularisatie, die vervolgens door de RSZ werd doorgevoerd. De RSZ dagvaardde de vennootschap op haar Belgische uitbatingszetel op 23 december 2002 voor een bedrag van 18.346,77 euro met betrekking tot het jaar 1998. De firma werd bij verstek veroordeeld op 13 februari 2003. Op 11 april 2003 tekende RO verzet aan tegen het verstekvonnis. Het bestreden vonnis De eerste rechters, in een vonnis van 14 april 2005, verklaarden het verzet ontvankelijk maar ongegrond. Zij handhaafden de eerdere veroordeling. Op de terechtzitting van 20 december 2007 gaven de raadslieden van de partijen aan dat het vonnis werd betekend op 12 augustus 2005. Eisen in hoger beroep Op 22 augustus 2005 tekende O hoger beroep aan. Zij voert aan dat de Belgische rechter onbevoegd is, dat de vordering van de RSZ onontvankelijk, minstens ongegrond is. De RSZ vraagt om het hoger beroep als ongegrond af te wijzen. De bevoegdheid van de Belgische rechter Het hof sluit zich, wat de bevoegdheid van de Belgische rechter betreft, aan bij het advies van het openbaar ministerie onder punt 4.2. op blz. 4 van zijn schriftelijke advies van 17 januari 2008, luidende als volgt: De bevoegdheid van de Belgische arbeidsgerechten om over de vordering te oordelen Inzake de betwisting over de territoriale bevoegdheid was de eerste rechter terecht van oordeel dat de Belgische rechtbanken territoriaal bevoegd zijn om van de initiële vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, de oorspronkelijk eisende en dagvaardende partij, kennis te nemen. Artikel 635 van het gerechtelijk wetboek, in de versie zoals van toepassing tot 1 oktober 2004, voorzag immers dat vreemdelingen hetzij door een Belg, hetzij door een vreemdeling, voor de rechtbanken van het rijk kunnen worden gedagvaard indien zij in België een woon- of verblijfplaats hebben of er woonplaats gekozen hebben of indien de verbintenis die ten grondslag ligt aan de vordering, in België ontstaan is, uitgevoerd is of moet worden (zie de tekst van artikel 635, 2° en 3° Ger. W. zoals van toepassing tot 1 oktober 2004). Vermits de verbintenis tot betalen van sociale zekerheidsbijdragen ontstaat door de tewerkstelling van personen op grond van een beweerde arbeidsovereenkomst in België, zijn de Belgische rechtbanken territoriaal bevoegd om van de daarop betrekking hebbende vordering kennis te nemen. O voert daar tegen aan dat de verbintenis tot het betalen van sociale zekerheidsbijdragen voortvloeit uit de wet en niet uit enige feitelijke gebeurtenis in België. Het klopt dat de bedoelde verplichting voortvloeit uit de Belgische wet, maar deze wet is in dit geval van toepassing op de vreemdeling, die O is. Opnieuw verwijst het hof naar de argumentatie van het openbaar ministerie (punt 4.3. op blz. 4 van het schriftelijke advies): De toepasselijke wetgeving Het antwoord op de vraag of de Belgische sociale zekerheidswetgeving van toepassing is op huidig geschil is terug te vinden in artikel 13 van de EU Verordening 1408/71 en het lex loci laboris-principe of het 'werklandbeginsel' dat daarin gehanteerd wordt. Deze bepaling stelt dat op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent de wetgeving van die staat van toepassing is zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat. In artikel 14, 1ste lid, 2,

  1. b)
  2. i)van de Verordening 1408/71 wordt verder nog verduidelijkt dat op degene die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst uitoefent de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont van toepassing is voor zover hij een deel van zijn werkzaamheden op dit grondgebied uitoefent. In toepassing van dit principe moeten bijgevolg sociale zekerheidsbijdragen betaald worden in de lidstaat waar de werknemer effectief zijn werkzaamheden verricht of waar hij gedeeltelijk zijn prestaties in loondienst uitvoert voor zover hij dan ook zijn woonplaats heeft op het grondgebied van deze lidstaat. De gegevens van de voorgelegde dossiers laten er geen twijfel over bestaan dat de personen waarover het geschil loopt hoofdzakelijk hun werkzaamheden uitvoerden in België (zie de verklaring van de zaakvoerder dd. 18 januari 2000 (stuk nr. 2 van het dossier overtuigingsstukken van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid) en de schriftelijke arbeidsovereenkomsten (stukken nrs. 5 en 6 van het dossier overtuigingsstukken van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid) én dat zij beide wonen in België. Bijgevolg is ook de Belgische sociale zekerheidswetgeving van toepassing en dienden er sociale zekerheidsbijdragen in het stelsel van de werknemers betaald te worden voor zover prestaties in het kader van een arbeidsovereenkomst geleverd werden. Conclusie: Vermits de tewerkstelling van BV in België plaats vond en deze van FM gedeeltelijk ook in België, het land waar ze woont, brengt de Belgische sociale zekerheidswetgeving verplichtingen mee voor de Nederlandse opdrachtgever en is de Belgische rechter bevoegd om kennis te nemen van de geschillen die deze tewerkstelling meebrengt in het kader van deze Belgische wetgeving. Wat betreft de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering, voert O aan dat zij niet rechtsgeldig werd gedagvaard omdat zij op het ogenblik van de betekening noch haar maatschappelijke zetel, noch haar filiaal, noch haar verblijfszetel in België had. Dat is in tegenspraak met stuk 1 van haar eigen dossier, dat de titel draagt: "opening filiaal". Dit stuk is opgemaakt op 1 januari 1999 en het vermeldt expliciet dat het filiaal gevestigd is in België op het adres: x. De dagvaarding werd op dit adres betekend op 23 december 2002. Het hof volgt opnieuw de argumentatie van het openbaar ministerie onder punt 4.1. op blz. 3 van het schriftelijke advies: De ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering Appellante stelt dat de initiële vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid onontvankelijk had moeten verklaard worden omdat de inleidende dagvaarding aan haar betekend werd op het adres van haar Belgisch filiaal te x. Artikel 42, 6° van het Gerechtelijk Wetboek voorziet evenwel dat aan buitenlandse vennootschappen met rechtspersoonlijkheid de betekeningen kunnen gedaan worden op hun maatschappelijke zetel, op hun filiaal of op hun verblijfszetel in België. De eerste rechter gaf bovendien al terecht aan dat daarenboven deze betekening gebeurde aan de persoon overeenkomstig artikelen 33 en 34 van het Gerechtelijk Wetboek. Het exploot van dagvaarding vermeldt immers dat het afschrift ervan ter hand werd gesteld van de heer RO, zaakvoerder van de firma, zijnde het orgaan van de rechtspersoon die krachtens de wet of de statuten bevoegd is om de rechtspersoon, zelfs samen met anderen, in rechte te vertegenwoordigen. De vordering zoals betekend met exploot dd. 23 december 2002 is bijgevolg ontvankelijk. Ten gronde Naar het oordeel van het hof wijst het openbaar ministerie er terecht op dat er RSZ-bijdragen verschuldigd zijn van zodra er sprake is van het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen opdrachtgever en medewerker. Immers artikel 1, §1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt:'Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden.' Artikel 14, § 1 van diezelfde wet luidt dan weer als volgt: ' De bijdragen voor sociale zekerheid worden berekend op grond van het loon van de werknemer.' Het al dan niet bestaan van een arbeidsovereenkomst wordt heden ten dage het best benaderd vanuit de toepassing van hoofdstuk XIII van de programmawet van 27 december 2006 of de Arbeidsrelatiewet. Deze wet schrijft voor dat als uitgangspunt het best wordt vertrokken van de kwalificatie die de partijen zelf aan hun samenwerking geven. De rechter kan de aard van deze samenwerking maar herkwalificeren wanneer de feitelijke uitvoering ervan onverenigbaar is met de door de partijen gegeven kwalificatie. Het openbaar ministerie wijst er terecht op (blz. 11 van zijn advies) dat de wetgever er aan gehouden heeft om uitdrukkelijk in de nieuwe wettelijke bepalingen te voorzien dat de herkwalificatie geen afbreuk kan doen aan de wettelijke sociaal zekerheidsrechtelijke kwalificatie of wettelijke vermoedens (zie artikel 332, 1ste lid, in fine (tweede streepje) van de Programmawet). De bestaande wettelijke vermoedens dat een bepaalde activiteit krachtens een arbeidsovereenkomst of daarentegen als zelfstandige wordt uitgeoefend blijven bestaan en kunnen niet op grond van artikel 332 terzijde worden geschoven. Aldus blijven vennootschapsmandatarissen bijvoorbeeld steeds zelfstandigen en blijven ook de vermoedens ten gunste van handelsvertegenwoordigers, betaalde sportbeoefenaars officina-apothekers, enz. ... buiten schot (VAN HOOGENBEMT, H., "Zelfstandigheid en schijnzelfstandigheid na de Programmawet van 27 december 2006", Or. 2007, 57). Terzake kan moeilijk worden betwist dat zowel BV als FM prestaties leverden als handelsvertegenwoordigers. Dit blijkt vooreerst uit de arbeidsovereenkomsten die met hen beiden werden afgesloten, respectievelijk op 10 januari en 2 maart 1998 (stukken 5 en 6 van de RSZ). Meer bepaalt voorziet artikel 1.1 van deze overeenkomsten dat men in dienst komt als "vertegenwoordiger". Ook artikel 3 omschrijft het werkgebied dat men moet prospecteren. Tenslotte laten ook de afgelegde verklaringen weinig twijfel mogelijk (de stukken 3 en 4 van de RSZ). Nu het vast staat dat BV en FM handelsvertegenwoordigers waren, heeft het openbaar ministerie gelijk dat onder invloed van artikel 4 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (WAO), de bewijslast en het bewijsrisico anders moeten worden bekeken. Het hof volgt de redenering van het openbaar ministerie: De bewijslast en het bewijsrisico, in samenhang met het wettelijk vermoeden van een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers Iedere gedingvoerende partij dient het bewijs te leveren van de feiten die ze aanvoert (art. 870 Gerechtelijk Wetboek). In feite gaat het hier om een formulering van het algemene principe vervat in artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek, dat stelt: " Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen. Omgekeerd moet hij die beweert vrij te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het teniet gaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht". Dit betekent dat de partij die zich beroept op een arbeidsovereenkomst de bewijslast draagt van de feiten die zij hiertoe aanvoert (BUYSSENS, H., "Arbeidsrecht- Het bewijs in sociale zaken", Uitgeverij Mys & Breesch - 1999, p. 49 e. v. § 38). In deze zaak is het geïntimeerde als oorspronkelijke eisende partij die het bestaan van een arbeidsovereenkomst inroept, zodat ze daaromtrent ook principieel de bewijslast draagt. Zoals echter hoger reeds aangegeven kan geïntimeerde evenwel teruggrijpen naar het wettelijk vermoeden van artikel 4 van de Arbeidsovereenkomstenwet, dat voorziet dat de arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers de overeenkomst is waarbij een werknemer, de handelsvertegenwoordiger, zich verbindt tegen loon cliënteel op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken, onder het gezag, voor rekening en in naam van één of meer opdrachtgevers en dat niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling van de overeenkomst of bij stilzwijgen ervan de overeenkomst gesloten tussen opdrachtgever en tussenpersoon, welke ook de benaming zij, wordt beschouwd als een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers, tenzij het tegendeel wordt bewezen. Voor het leveren van het bewijs van het bestaan van een arbeidsovereenkomst mag de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zich beroepen op het wettelijk vermoeden zoals voorzien in artikel 4 van de Arbeidsovereenkomstenwet, volgens hetwelk een handelsvertegenwoordiger geacht wordt door een arbeidsovereenkomst verbonden te zijn (Cass. 23 november 1993, J.T.T. 1993, 64; Cass. 17 november 1997, J.T.T. 1998, 234). Indien de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid beroep kan doen op een dergelijk wettelijk vermoeden, mag de rechter hem dan ook niet verplichten het bewijs te leveren van het bestaan van een gezagsverhouding (Cass. 17 november 1997, J.T.T. 1998, 396: zie ook Cass. 7 oktober 1996, Arr. Cass. 1996, 362). Daar het in casu onbetwistbaar ging om de tewerkstelling van twee handelsvertegenwoordigers, heeft de toepassing van het wettelijk vermoeden onvermijdelijk tot gevolg dat de bewijslast in deze zaak wordt omgekeerd, zodat appellante, oorspronkelijke verwerende partij, de bewijslast draagt van het feit dat zij de betrokken personen niet tewerkstelde op basis van een arbeidsovereenkomst. Om het vermoeden van een arbeidsovereenkomst te weerleggen volstaat het dat aangetoond wordt dat er sprake is van een handelsagentuurovereeenkomst. Het bewijs van dergelijke overeenkomst wordt wettelijk geleverd door de gemeenschappelijke werkelijke bedoeling van de partijen om een overeenkomst van zelfstandige vertegenwoordiging te sluiten. Die werkelijke bedoeling veronderstelt immers dat er geen gezagsverhouding is. Met andere woorden hij die het weerlegbaar vermoeden van een arbeidsovereenkomst dient om te keren moet dus, afgezien van andere bestanddelen van de arbeidsovereenkomst die er eventueel niet zouden zijn, aantonen dat er geen gezagsverhouding is. De omstandigheid dat de partijen de overeenkomst kwalificeerden als een overeenkomst zonder gezagsverhouding volstaat natuurlijk niet om de werkelijke bedoeling van partijen aan te tonen. De gemeenschappelijke werkelijke bedoeling van de partijen een overeenkomst van zelfstandig agentschap te sluiten, houdt het tegenbewijs in van het door art. 4, tweede lid van de Arbeidsovereenkomstenwet gevestigde vermoeden (Cass. 16 maart 1981, R.W. 1981-82, 1847; Arr. Cass. 1980-81, 780; Arbh. Antwerpen 21 februari 1984, Limb. Rechtsl. 1984, 90). De weerlegging van het vermoeden kan steunen op de vaststelling van de combinatie en samenloop van een geheel van feitelijke gegevens in strijd met dat vermoeden (Cass. 22 mei 2000, J.T.T. 2000, 432, concl. Adv. Gen. J.F. L.). Om dezelfde redenen die het openbaar ministerie aangeeft in punt 4.5 op blz. 13 en blz. 14 van zijn advies van 17 januari 2008, is het hof van oordeel dat O, aan de hand van de door haar voorgelegde bewijzen, er niet in slaagt om het vermoeden van artikel 4 WAO te weerleggen, zodat dit vermoeden overeind blijft. BV en FM waren in de door de RSZ geviseerde periode met O bijgevolg verbonden door een arbeidsovereenkomst. De vordering van de RSZ is principieel gegrond. Tenslotte wat betreft de vordering van O in ondergeschikte orde: als principe voert O aan dat de berekeningsbasis van de RSZ-bijdragen moet worden verminderd met de bijdragen die beide werknemers verschuldigd waren in het stelsel van de zelfstandigen. Deze stelling gaat enkel op wanneer zwart op wit is aangetoond dat O deze bijdragen in het stelsel van de zelfstandigen voor haar rekening heeft genomen in de periode waarop de vordering van de RSZ slaat. O beweert dit gedaan te hebben zeker voor BV maar enig bewijs daarvan legt zij niet voor. In die omstandigheden berekende de RSZ de verschuldigde bijdragen op de correcte berekeningsbasis. Het hoger beroep is bijgevolg ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 17 januari 2008. Eiser in hoger beroep repliceerde met conclusies neergelegd op de griffie van dit hof op 15 februari 2008. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 14 april 2005, zij het op andere gronden. Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van de bv O en Produkten. Vereffent de kosten aan de zijde van de bvba op 1.100 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de RSZ op 1.100 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de negende kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van twintig maart tweeduizend en acht, die samengesteld was uit: de heer x, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer x, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer x, raadsheer in sociale zaken als werknemer, mevrouw x, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080320.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.