id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080408.1 Rolnummer: 2001-0623 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-04-23 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 17:17 Fiche Uit de wettelijke bepalingen die betrekking hebben op de verplichting tot het bijhouden van een verstrekkingenregister en inzonderheid uit het K.B. van 25 november 1996 blijkt dat deze verplichting een persoonlijke verplichting is die rust op elke zorgverlener die verstrekkingen verricht en dat de administratieve geldboete wordt opgelegd ten laste van de zorgverlener in wiens hoofde een overtreding wordt vastgesteld. De verplichtingen in verband met het bijhouden van het verstrekkingenregister gelden voor alle verpleegkundigen zonder onderscheid. Het enige verschil zit hem in de vraag wie de administratieve geldboete moet betalen, maar dat is een aangelegenheid van burgerlijke aansprakelijkheid die niet wordt geregeld in het K.B. van 25 november
- Onwetendheid van de verpleegkundige volstaat niet om de goede trouw te bewijzen : vereist wordt dat het niet-weten of het verkeerd begrip onoverkomelijk werd gemaakt door omstandigheden buiten de wil om van de betrokkene. De verpleegkundige moet derhalve aantonen dat haar onwetendheid te wijten is aan een onoverkomelijke gebeurtenis waarop zij geen vat had en dat ze alles in het werk heeft gesteld om het foutief handelen te voorzien en te verhinderen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - coördinatie ziekte- en invaliditeitsverzekering - verpleegkundige - verstrekkingenregister - persoonlijke verplichting voor alle verpleegkundigen - onwetendheid is een geen goede trouw - VII DN Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 76 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Koninklijk Besluit - 25-11-1996 - 2 - 33 ELI link Pub nr 1996022676 Tekst van de beslissing A.R. 2010623 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT APRIL TWEE-DUIZEND EN ACHT In de zaak: V. P., appellante, op de zitting vertegenwoordigd door mr. M. L., advocaat te 2800 Mechelen, tegen: RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDI-TEITSVERZEKERING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. P. N., advocaat te 2800 Mechelen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennisgenomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 5 december 2001, 12 juni 2007, 22 januari 2008 en 12 februari 2008; - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op tegenspraak gewezen en uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Mechelen op 13 september 2001 (A.R. 74.038); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 19 oktober 2001; - de conclusies voor het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 20 november 2006; - de conclusies voor V. P., neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 19 april 2007; - de 'nota ter begroting van kosten RIZIV', neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 10 januari 2008; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 12 februari 2008, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 12 februari 2008; - de schriftelijke repliek van V. P. op het advies van het openbaar ministerie, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 22 februari
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna RIZIV genoemd) (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen), de bundel van de raadsman van V. P. bestaande uit 6 genummerde stukken en de bundel van de raadsman van het RIZIV bestaande uit 7 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord op de openbare terechtzitting van 22 januari
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 12 februari 2008 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep en het incidenteel beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 19 oktober 2001, tekende V. P. hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Mechelen op 13 september 2001 (A.R. 74.038). Overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen met gerechtsbrief van 19 september
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. Met beroepsbesluiten, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 20 november 2006 stelt het RIZIV incidenteel beroep in wat de herleiding van de administratieve geldboete en de gerechtskosten betreft. Dit incidenteel beroep is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging Mevrouw V. P. was sedert 1995 werkzaam als zelfstandig verpleegkundige voor de bvba Vanluyten, gevestigd te 2820 Bonheiden, Bareeldreef
- Naar aanleiding van een enquête gevoerd door de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering in verband met de realiteit betreffende verpleegkundige verstrekkingen geattesteerd op getuigschriften voor verstrekte hulp model H van de innende bvba Vanluyten, werden vaststellingen gedaan inzake het verstrekkingen-register van zaakvoerder Anita Vanluyten en personeel (4 personen werkend in vast dienstverband en 1 persoon, m.n. V. P., werkend op zelfstandige basis). Ingevolge de gedane vaststellingen en nadat V. P. werd gehoord op 21 en 27 oktober 1997 werd door de geneesheer-inspecteur van het RIZIV een proces-verbaal van vaststelling opgesteld op 24 november 1997 dat aan V. P. ter kennis werd gebracht met een aangetekend schrijven van 25 november
- In dit proces-verbaal van 24 november 1997 wordt vermeld dat het verstrekkingenregister van verpleegkundige V. P., gedurende de periode van 13 december 1996 tot 31 maart 1997 en van 1 juli 1997 tot 26 oktober 1997 niet voldeed aan de reglementaire voorwaarden van het koninklijk besluit van 25 november 1996 betreffende volgende punten: 1° Het verstrekkingenregister bestaat uit per maand los van elkaar bijeengehouden door een paperclip of niet losgescheurde listings en werd niet samengevoegd door vastnieten of kleven. 2° Het verstrekkingenregister werd niet ondertekend voor de maand maart
- 3° Een aantal verstrekkingen uitgevoerd tijdens de periode van 8 januari 1997 tot 3 februari 1997 zijn niet genoteerd of de data ontbreken in het register. 4° Het register werd over de periode van 1 juli tot 26 oktober 1997 niet per week bijgehouden en ondertekend en de verstrekkingen werden niet per gewerkte dag ingeschreven. Met aangetekend schrijven van 9 april 1998 aan het RIZIV verklaarde V. P. de aangehaalde inbreuken in het proces-verbaal van vaststelling van 24 november 1997 niet te betwisten maar benadrukte dat deze inbreuken geenszins werden begaan uit kwade trouw of met enig bedrieglijk oogmerk (stuk 5 administratief dossier: brief van V. P. van 9 april 1998 aan de heer R. Lemmens van de dienst administratieve controle). Bij administratieve beslissing van de Dienst voor Administratieve Controle van het RIZIV van 24 november 1999 werd aan V. P. een administratieve geldboete opgelegd van 5.804,8483 euro, of 30% (25%+5%) van het bedrag van de verzekeringstegemoetkoming voor prestaties die niet werden ingeschreven conform de bepalingen van het KB van 25 november 1996 met betrekking tot de periode van 13 december 1996 tot 31 maart 1997 en van 1 juli tot 26 oktober 1997 (stuk 6 administratief dossier: beslissing van het RIZIV van 24 november 1999). Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 23 december 1999, tekende V. P. verhaal aan tegen voormelde administratieve beslissing van het RIZIV van 24 november
- Bij vonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 13 september 2001 werd : - de vordering van V. P. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard; - de opgelegde administratieve geldboete herleid met de helft, dit is tot een bedrag van 15% voor wat betreft de verzekeringstegemoetkoming die de periode van 13 december 1996 tot 31 maart 1997 dekt; - de bestreden administratieve beslissing voor het overige bevestigd; - ieder der partijen veroordeeld tot de helft van de gedingkosten. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 19 oktober 2001, tekende V. P. hoger beroep aan tegen voormeld vonnis. Met beroepsbesluiten, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 20 november 2006 stelt het RIZIV incidenteel beroep in wat de herleiding van de administratieve geldboete en de gerechtskosten betreft.
- Eisen in hoger beroep V. P. (appellante op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep) vordert in conclusies: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw recht doende: * in hoofdorde, de beslissing van 24 november 1999 van geïntimeerde te vernietigen en te zeggen voor recht dat de vordering van het RIZIV op basis van het KB van 25 november 1996 verjaard is; * in ondergeschikte orde, de beslissing van 24 november 1999 van het RIZIV te wijzigen in die zin dat in toepassing van artikel 6 van het KB van 25 november 1996 de administratieve geldboete wordt herleid tot de helft, te weten 117.084 Bef en dat de uitvoering van de beslissing gedurende 2 jaar wordt uitgesteld; * in uiterst ondergeschikte orde, de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof: "Maakt de toepassing van artikel 5 van het KB van 25 november 1996 om een administratieve geldboete op te leggen aan een zorgverstrekker welke zorgen verstrekt in opdracht en onder toezicht van een derde, en alleen van die derde, die tevens de verzekeringstegemoetkoming voor deze zorgverstrekker int, een schending uit van het gelijkheidsbeginsel wanneer artikel 5 van hetzelfde KB van 25 november 1996 geen toepassing vindt bij een zorgverstrekker welke deze zorgen verstrekt in uitvoering van een arbeidsovereenkomst waarvoor zij eveneens de verzekeringstege-moetkoming int." - in alle gevallen, het RIZIV te veroordelen tot de kosten van de procedure, aan haar zijde begroot op 218,64 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 291,50 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Het RIZIV (geïntimeerde op hoofdberoep en appellant op incidenteel beroep) vordert in conclusies: - het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond te verklaren; - het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis waartegen hoger beroep te hervormen en opnieuw recht doende; * de oorspronkelijke vordering van V. P. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; * de bestreden beslissing integraal te herbevestigen als zijnde correct op alle aspecten; - het RIZIV akte te verlenen van zijn incidenteel beroep voor wat betreft de verdeling van de gerechtskosten en V. P. integraal te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtslegingsvergoeding, aan zijn zijde begroot op 218,64 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, onder voorbehoud van indexatie. In een nota ter begroting van de kosten, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 10 januari 2008, begroot het RIZIV, gelet op de bepalingen van het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, zijn kosten van rechtsplegingsvergoeding op het basisbedrag van 900 euro. Ter openbare terechtzitting van 22 januari 2008 verklaren beide partijen zich, wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, akkoord met het basisbedrag zoals voorzien in het K.B. van 26 oktober
- Ten gronde 5.
- Wettelijk kader Overeenkomstig artikel 76, eerste lid van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 zijn de kinesitherapeuten, de logopedisten en de verpleeg-kundigen ertoe gehouden, overeenkomstig de door de Koning te bepalen nadere regels, alle verstrekkingen die zij verlenen op te tekenen in een verstrekkingenregister. Artikel 168, eerste lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 bepaalt dat de Koning - op voorstel of na advies van de Dienst voor administratieve controle - de administratieve sancties vaststelt die toepasselijk zijn in geval van overtreding van de bepalingen van deze gecoördineerde wet of van haar uitvoeringsbesluiten en -verordeningen; de Koning bepaalt tevens de nadere regelen tot toepassing van die sancties. In geval van overtreding van de bepalingen van artikel 76 wordt de administratieve geldboete opgelegd aan de kinesitherapeut, de logopedist of de verpleegkundige ten laste van wie een overtreding is vastgesteld (artikel 168, zesde lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994). In het koninklijk besluit van 24 juni 1987, achtereenvolgens gewijzigd door de koninklijk besluiten van 3 augustus 1987, 20 juni 1990, 17 december 1992 en 12 augustus 1994, worden enerzijds de regelen vastgesteld inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de kinesitherapeuten en de verpleegkundigen en anderzijds de administratieve geldboetes bepaald in geval van inbreuk op deze voorschriften. In toepassing van het artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 moet onder verstrekkingenregister als bedoeld in artikel 76 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 worden verstaan: - ofwel een boek of schrift, samengesteld uit vooraf gebonden bladen; - ofwel, voor de zorgverlener die een gegevensverwerking per computer gebruikt, de afdruk van de lijst van de verleende verzorging op papier, vast samengevoegd door vastnieten of kleven, éénmaal per gewerkte kalendermaand. Artikel 2 van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt dat elk verstrekkingen-register per week bijgehouden en ondertekend wordt door de zorgverlener na inschrijving van de laatste verstrekking van die week. Voor de toepassing van dit artikel dient onder "week" te worden verstaan, een periode van zeven opeenvolgende dagen, die ingaat op maandag en eindigt op zondag. Artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt dat de verstrekkingen worden ingeschreven in het verstrekkingenregister per gewerkte dag. De volgende gegevens worden vermeld in het register: 1° de datum waarop de verstrekkingen zijn verricht; 2° het aanvangsuur van de eerste verstrekking en het einduur van de laatste verstrekking; 3° naam en voornaam van de rechthebbenden; 4° de aard van de verleende verstrekkingen, gedefinieerd op grond van het nomenclatuurnummer van de verstrekkingen, bedoeld in de artikelen 23, §2 of 35 van de gecoördineerde wet; 5° wanneer de zorgverlener zijn activiteit uitoefent zowel in zijn spreekkamer of in de hoofdverblijfplaats van de rechthebbenden als in één of meerdere behandelingscentra, en hij heeft gekozen voor het enig register bedoeld in artikel 4, 2de lid, vermeldt hij eveneens in dit register, op een duidelijk identificeerbare wijze, zelfs onder een samenvattende of verkorte vorm, de plaats waarop elke verstrekking werd verleend. Ten laste van de zorgverlener in wiens hoofde een overtreding werd vastgesteld, wordt, in toepassing van artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 november 1996, een administratieve geldboete uitgesproken: - van 25% van de verzekeringstegemoetkoming voor de verstrekkingen die niet werden ingeschreven in een verstrekkingenregister overeenkomstig de bepalingen van artikel 76 van de gecoördineerde wet of waarvoor het verstrekkingenregister niet werd bijgehouden of bewaard overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, 2 of 4; - van 5% van de verzekeringstegemoetkoming voor de verstrekkingen die niet overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 werden ingeschreven. Bij samenloop van verscheidene overtredingen wordt de hoegrootheid van de administratieve geldboetes samengevoegd. Indien het de eerste overtreding van de bepalingen van dit besluit betreft en de zorgverlener te goeder trouw is, kan de persoon die bevoegd is een proces-verbaal op te stellen, hem een eenvoudige verwittiging geven of, indien een proces-verbaal van bevinding van een overtreding is opgemaakt, kan het bedrag van de administratieve geldboete, vastgesteld op basis van het 1ste lid, met de helft worden verminderd. 5.2.Situering van het geschil in graad van hoger beroep Het geschil heeft betrekking op de administratieve geldboete die door het RIZIV bij beslissing van 24 november 1999 werd opgelegd aan V. P. wegens inbreuken op de regels inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door verpleegkundigen. De materialiteit van de inbreuken op artikel 2 en 3 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 wordt door V. P. in feite niet betwist (zie stuk 5 administratief dossier: brief van V. P. van 9 april 1998) maar de beroepsgrieven hebben betrekking op volgende punten: 1) er kan geen administratieve geldboete meer opgelegd worden gezien er meer dan 2 jaar verlopen is sedert de inbreuken werden gepleegd zonder dat de verjaring rechtsgeldig werd gestuit; 2) de processen-verbaal van verhoor zijn nietig; 3) de tegemoetkomingen werden betaald aan de bvba Vanluyten zodat V. P. niet kan worden aangesproken door het RIZIV; in uiterst ondergeschikte orde wordt een prejudiciële vraag geformuleerd aan het Arbitragehof in verband met een mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel door artikel 5 van het koninklijk besluit van 25 november 1996; 4) goede trouw; 5) het bestreden vonnis is niet uitvoerbaar bij gebreke aan differentiering van de sanctie naar de verschillende periodes waarop ze betrekking hebben. Het RIZIV vordert de integrale bevestiging van de bestreden administratieve beslissing en is van oordeel dat er geen toepassing kan gemaakt worden van de goede trouw aangezien: ? de reglementering in verband met het bijhouden van een verstrekkingenregister reeds bestaat van voor de inwerkingtreding van het KB van 25 november 1996 dat een versoepeling inhoudt van de oorspronkelijke regeling; ? onwetendheid niet volstaat om de goede trouw te bewijzen; ? het ontbreken van voorgaande overtredingen geen vermoeden van goede trouw opleveren; ? goede trouw bewezen moet worden. Het RIZIV vraagt tevens de hervorming van het vonnis a quo in verband met de gerechtskosten. 5.
- Beoordeling 5.3.
- De verjaring V. P. voert aan dat de vordering verjaard is. Artikel 9 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 bepaalt dat de administratieve geldboete niet meer kan uitgesproken worden vanaf de dag dat er twee jaar verlopen is sinds het feit gepleegd werd dat de in dit besluit bedoelde overtreding vormt. De verjaring wordt gestuit door de in artikel 5 bedoelde vaststelling. Overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 zijn de in artikel 146, eerste lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 bedoelde personen bevoegd de overtredingen van de bepalingen van de artikelen 1 tot en met 4 bij proces-verbaal vast te stellen. Uit de samenlezing van de voormelde artikelen 9 en 5 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 volgt dat alleen een proces-verbaal van vaststelling de verjaringstermijn van twee jaar rechtsgeldig kan stuiten. In huidig geschil werd het proces-verbaal van vaststelling opgesteld op 24 november 1997, zijnde binnen de termijn van twee jaar na de inbreuken, zodat het proces-verbaal beantwoordt aan de kwalificatie van de rechtsgeldige stuitingsdaad in de zin van het koninklijk besluit van 25 november
- Vanaf deze stuitingsdaad op 24 november 1997 loopt een nieuwe verjaringstermijn van twee jaar met aanvang op 25 november 1997 om te eindigen op 24 november 1999 om middernacht. De administratieve geldboete werd opgelegd bij beslissing van 24 november 1999 zijnde binnen de door het koninklijk besluit voorziene verjaringstermijn. Het door V. P. ingeroepen middel van verjaring kan dienvolgens niet weerhouden worden. 5.3.
- Proces-verbaal van verhoor V. P. roept de nietigheid in van de processen-verbaal van verhoor van 24 juni 1997 en 21 oktober 1997 op grond van artikel 56 van de Eenheidswet van 14 februari 1961 hetwelk bepaalt dat een afschrift van het proces-verbaal op straffe van nietigheid binnen de zeven dagen moet worden overgemaakt aan de overtreder. De vaststelling van overtredingen op het bijhouden van het verstrekkingen-register door de zorgverleners die tot administratieve geldboetes kunnen leiden worden beheerst door artikel 5 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 hetwelk bepaalt: "De in artikel 146, eerste lid, van de gecoördineerde wet bedoelde personen zijn bevoegd overtredingen van de bepalingen van de artikelen 1 tot en met 4 bij proces-verbaal vast te stellen. Een afschrift van het proces-verbaal moet op straffe van nietigheid bij ter post aangetekende brief aan de betrokken zorgverlener worden betekend binnen veertien dagen volgend op de vaststelling. Voor er enige administratieve geldboete wordt opgelegd, wordt de betrokken zorgverlener bij ter post aangetekende brief verzocht binnen vijftien dagen zijn verweer schriftelijk te laten gelden bij de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle." De nietigheidssanctie voor laattijdige toezending van het proces-verbaal geldt niet wanneer het proces-verbaal geen overtredingen van de bepalingen van de artikelen 1 tot en met 4 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 vaststelt. De processen-verbaal van verhoor van 24 juni 1997 en 21 oktober 1997 bevatten louter de verklaringen van V. P. afgelegd naar aanleiding van het onderzoek uitgevoerd door de geneesheer-inspecteur bij de Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV inzake het bijhouden van het verstrekkingenregister maar stellen geen inbreuken vast op de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 november
- De ingeroepen nietigheid van de processen-verbaal van verhoor van 24 juni 1997 en 21 oktober 1997 mist dienvolgens iedere wettelijke grondslag en dient als ongegrond te worden afgewezen. 5.3.
- Oplegging van een administratieve geldboete Artikel 76, eerste lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (zoals van kracht voor de afschaffing bij de Wet van 7 december 2005 en in de versie voor en na de wijziging bij Wet van 20 december 1995) en de artikelen 1 tot en met 4 van het KB van 25 november 1996, genomen in uitvoering van voormelde gecoördineerde wet (voorheen KB van 4 juni 1987), leggen aan de para-medicus de verplichting op om een verstrekkingenregister bij te houden waarin alle verstrekkingen die hij of zij verleent met enige precisering worden geregistreerd. In toepassing van artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 wordt ten laste van de 'zorgverlener' in wiens hoofde een overtreding werd vastgesteld, een administratieve geldboete uitgesproken. Uit samenlezing van voormelde wettelijke bepalingen volgt enerzijds dat de verplichting tot het bijhouden van een verstrekkingenregister een persoonlijke verplichting is die rust op elke zorgverlener die verstrekkingen verricht en anderzijds dat de administratieve geldboete wordt opgelegd ten laste van de zorgverlener in wiens hoofde een overtreding werd vastgesteld. De stelling van V. P. dat zij niet persoonlijk gesanctioneerd kan worden nu zij geen verzekeringstegemoetkomingen van het RIZIV heeft ontvangen kan niet gevolgd worden vermits hierdoor een voorwaarde wordt toegevoegd die wettelijk niet is voorzien. Enkel de persoon die overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek ter zake burgerrechtelijk aansprakelijk is, is er toe gehouden de geldboete te betalen die aan zijn aangestelde is opgelegd (artikel 168, zevende lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994). Uit het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 19 mei 2004 (stuk 7 bundel raadsman RIZIV), inzake een procedure gevoerd door de bvba Vanluyten tegen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, blijkt dat V. P. haar werkzaamheden als thuisverpleegkundige bij bvba Vanluyten uitgeoefend heeft als zelfstandige zodat zij zich niet kan steunen op artikel 168, zevende lid van de gecoördineerde wet van 14 juli
- De in uiterst ondergeschikte orde geformuleerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof is niet ontvankelijk en mist bovendien elke pertinentie. Het onderzoek naar een mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel door een bepaling van een koninklijk besluit behoort immers tot de bevoegdheid van de gewone rechter en het Grondwettelijk Hof is niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot vernietiging of van prejudiciële vragen gericht tegen koninklijk besluiten. Bovendien laat geen enkele lezing van artikel 5 van het KB van 25 november 1996 toe deze tekst te relateren met een mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel. Het koninklijk besluit van 25 november 1996 maakt immers geen onderscheid tussen zelfstandige verpleegkundigen en verpleegkundigen in dienstverband. De verplichtingen in verband met het bijhouden van het verstrekkingen-register gelden voor alle verpleegkundigen zonder onderscheid. Het enige verschil zit hem in de vraag wie uiteindelijk de administratieve geldboete dient te betalen, maar dat is een aangelegenheid van burgerlijke aansprakelijkheid die niet geregeld wordt in het koninklijk besluit van 25 november
- 5.3.
- Goede trouw V. P. voert aan dat ze geheel te goeder trouw handelde en vordert dienvolgens de administratieve geldboete overeenkomstig artikel 6, derde lid van het koninklijk besluit van 25 november 1996 te herleiden tot de helft en de uitvoering van de beslissing gedurende twee jaar uit te stellen. In het bestreden vonnis werd de goede trouw in hoofde van V. P. aanvaard voor de periode van 13 december 1996 tot 31 maart 1997 op grond van de motivering dat V. P. vóór 13 december 1996 nog niet werd gesanctioneerd en het nieuwe koninklijke besluit van 25 november 1996 pas in voege was. Het enkel gegeven dat V. P. voorheen nog niet gesanctioneerd werd vormt geen vermoeden van goede trouw. Het voorheen uitblijven van een sanctie kan een gevolg zijn van tal van factoren, mogelijk zelfs van het eenvoudige gegeven dat V. P. voorheen nooit uitgebreid gecontroleerd werd. Met een 'blanco register' bewijst V. P. op geen enkele wijze goede trouw, niet in de betrokken periode en niet in de voorgaande periode. Het RIZIV benadrukt tevens terecht dat het bijhouden van een verstrekkingenregister een verplichting is die reeds vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 25 november 1996 diende nageleefd te worden. Het is zelf zo dat het koninklijk besluit van 25 november 1996 op diverse punten een versoepeling betekende in vergelijking met het tot dan toe bestaande regime. Indien V. P. haar goede trouw wil bewijzen dan dient zij minimaal aan te tonen dat haar verstrekkingenregister conform was aan de reglementering zoals deze bestond voor de toepassing van het koninklijk besluit van 25 november
- V. P. geeft geen verklaring voor de tegenstrijdigheid tussen de periode januari 1996 tot en met april 1996, waarvoor zij bevestigt dat de registers toen door haar per halve dag werden ondertekend (cfr. Verslag Dr. Viaene d.d. 11.12.1997 - administratief dossier stuk 1 - sub 4) en de periode daarna waarin zij dit geheel niet meer doet (het KB van 25.11.1996 versoepelt en voorziet slechts ondertekening per week). Ter beoordeling van de goede trouw, werd dienvolgens in het bestreden vonnis ten onrechte een onderscheid gemaakt tussen de periode van 13 december 1996 tot 31 maart 1997 enerzijds en de periode van 1 juli 1997 tot 26 oktober 1997 anderzijds. Het bijhouden van een verstrekkingenregister is één van de essentiële verplichtingen van de beroepscategorie waartoe V. P. behoort en de wijze waarop het register dient bijgehouden wordt in zeer heldere en eenvoudige bewoordingen beschreven in de artikelen 1 tot en met 3 van het koninklijk besluit van 25 november
- De door V. P. ingeroepen onwetendheid volstaat niet om de goede trouw te bewijzen; vereist wordt dat het niet-weten of verkeerd begrip onoverkomelijk werd gemaakt door de omstandigheden buiten de wil om van de betrokkene. V. P. moet derhalve aantonen dat haar onwetendheid te wijten is aan een onoverkomelijke gebeurtenis waarop zij geen vat had en dat ze alles in het werk heeft gesteld om het foutief handelen te voorzien en te verhinderen. V. P. heeft klaarblijkelijk systematisch haar persoonlijke verantwoorde-lijkheden doorgeschoven naar de zaakvoerder van de bvba Vanluyten zonder de verrichtingen van deze laatste nader op te volgen (door regelmatig nazicht en wekelijkse ondertekening van deze registers) en te corrigeren waar nodig. V. P. heeft dus niet gehandeld als ieder redelijk en voorzichtig zorgverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld. Tenslotte blijkt uit het verslag dat de geneesheer-inspecteur op 11 december 1997 opstelde dat V. P. reeds in juni 1997 gehoord werd m.b.t. haar verstrekkingenregister en de manier waarop dat bijgehouden werd. De geneesheer-inspecteur heeft V. P. bij deze gelegenheid op de verplichtingen in verband met het bijhouden van het verstrekkingenregister gewezen én haar uitgelegd hoe het register moest bijgehouden worden. Niettemin stelde dezelfde geneesheer-inspecteur van het RIZIV, een vijftal maanden nadat hij V. P. op haar verplichtingen had gewezen, vast dat zij haar verstrekkingenregister nog steeds niet bijhield volgens de voorgeschreven reglementering. Uit de verklaring die V. P. op 27 oktober 1997 aan de geneesheer-inspecteur aflegde blijkt dat zij samen met de zaakvoerster van de bvba Vanluyten in extremis nog een aantal registers retrograad heeft trachten te regulariseren. Om alle voormelde redenen kan geen goede trouw in hoofde van V. P. weerhouden worden zodat de administratieve geldboete, zoals opgelegd bij beslissing van 24 november 1999, dient bevestigd te worden. 5.3.
- Onduidelijk beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis Gelet op de bevestiging van de administratieve beslissing van 24 november 1999 moet niet meer ingegaan worden op de door V. P. ingeroepen beroepsgrief inzake niet differentiëring van de administratieve geldboete naar de verschillende periodes waarop ze betrekking hebben. 5.3.
- Gerechtskosten Met beroepsconclusie, neergelegd ter griffie op 20 november 2006, stelt het RIZIV incidenteel beroep in tegen het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 13 september 2001 in zoverre elk der partijen veroordeeld werd tot de helft van de gedingkosten. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek wordt het RIZIV in beginsel verwezen in de kosten van vorderingen die worden ingesteld door of tegen de gerechtigden. V. P. die in haar hoedanigheid van verpleegkundige verhaal instelt tegen de beslissing waarbij haar een administratieve geldboete wordt opgelegd treedt niet op in de hoedanigheid van sociaal verzekerde of gerechtigde, maar wel in de hoedanigheid van zorgenverstrekker. Dienvolgens is de algemene regeling zoals voorzien in artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing hetwelk bepaalt dat ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij verwijst in de kosten. Overeenkomstig artikel 1017, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt wanneer de partijen omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld. Aan de initiële beoordeling van de door V. P. gepleegde inbreuken op het koninklijk besluit tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners, noch aan het principe van de opgelegde administratieve geldboete werd door de eerste rechters geraakt zodat de gerechtskosten integraal ten laste van V. P. dienen gelegd. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 12 februari
- De raadsman van V. P. heeft op 22 februari 2008 schriftelijk gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt dienvolgens het bestreden vonnis gewezen en uitgesproken op 13 september 2001 in de openbare zitting van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen (A.R. 74.038). Opnieuw recht doende. Bevestigt de beslissing van 24 november 1999 van de Dienst voor administratieve controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Verwijst V. P. overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van beide aanleggen. Vereffent deze kosten aan de zijde van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering op 196,33 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 900,00 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep zijnde het basisbedrag in toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 (B.S. 9 november 2007). Uitgesproken in openbare terechtzitting op acht april tweeduizend en acht door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, J. DE GRAEF, raadsheer in sociale zaken als werkgever, H. DESMET, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080408.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.